Wie betaalt de beul? Een conflict in Beerta over criminele gerechtskosten

beulszwaard Hessink 27 januari 2007

Eind 1785 maken twee vooraanstaande boeren uit Beerta, Helenius Jans en Jan Krijns, hun opwachting in de Oldambtster drostenborg. Mede namens “diverse landgebruikeren” in hun kerspel klagen ze dat door de dijkrichters aldaar

“verandering was gemaakt in de gewoone wijze van verdeling der misen van justitie tot nog toe in het kerspel Beerta vigerende, en waarmeede zij oordeelden ten uitersten gegraveert te zijn”.

Die dijkrichters, Jacob Hindriks en Andries Jans, collega-landbouwers die blijkbaar over een eigen achterban beschikten, voerden naderhand echter aan

“deze verandering na kerkenkondiging en bij meerderheid van de praesente leeden en dus wel en wettig gedaan te hebben”.

In Beerta was er dus een conflict over de inning van misen van justitie, oftwel de gerechtskosten van criminele procedures. Tot verdriet van de klagers werd er gebroken met de traditionele verdeling, terwijl de dijkrichters die de verandering doorvoerden, betoogden dat de kerspellieden formeel juist èn democratisch tot de wijziging hadden besloten.

Voordat ik inhoudelijk wat dieper op het conflict inga, eerst iets over het wettelijke kader. De precieze omschrijving van de misen van justitie en de manier waarop deze in het Oldambt moesten worden betaald, vind je in een reglement, vastgesteld bij resolutie uit december 1709 van het Groninger stadsbestuur. Weliswaar had dit bestuur het voor het zeggen in het Oldambt, maar bij belangrijke zaken bekommerde het zich toch wel om draagvlak, zoals ook hier, want de hele regeling kwam pas tot stand na een uitgebreide overlegronde met de Oldambtster dorpsvolmachten. Al meteen in de eerste artikelen van het reglement is de invloed van die kant ook bespeurbaar, immers, de drost en de landschrijver (dus de zetbazen van de stad) mochten niets declareren voor hun strafrechtelijke werkzaamheden (onderzoek, verhoren, uitspreken en doen uitvoeren van vonnissen) terwijl ook de wedlieden en hun substituten hun werk in dit opzicht “gratis” moesten doen. De achterliggende, maar onuitgesproken gedachte was, dat deze functionarissen al salaris beurden voor dit werk, dat dus niet nog eens extra beloond hoefde te worden. Alleen als de wedlieden en substituten bij de opsporing reis- en logieskosten maakten, mochten ze een gelimiteerd bedrag van 6 gulden declareren. Uitdrukkelijk bepaalt het reglement ook dat de roderoeden niet mochten worden ingezet bij de bewaking van gevangenen. Gebeurde dat wel, dan kwamen deze veldwachters immers niet toe aan hun gewone werk: het patrouilleren in hun kerspelen. Alleen als het volgens de drost niet anders kon, mocht hij de roderoeden voor bewakingswerk gebruiken.

Dat gezegd zijnde, bestonden de belangrijkste gerechtskosten bij criminele procedures uit de rekeningen van de scherprechter en diens dienaren voor de door hen toegediende tortuur en lijfstraffen. Deze kosten waren voorwaar niet gering! Voor de all-in behandeling van een enkele Oldambtster delinkwent mocht de beul 113 gulden rekenen, voor twee delinkwenten 146 gulden en voor drie stuks 179 – de kosten per delinkwent daalden dus naarmate de bende groter was. Ter vergelijking: het levensonderhoud van een enkele persoon kostte destijds ongeveer 150 gulden per jaar.

Wat betreft de betaling van de scherprechters- en bijkomende kosten bepaalde het reglement van 1709 dat de drost deze in eerste instantie moest voorschieten. Vervolgens mocht hij de kosten bestrijden uit de goederen van de veroordeelde delinkwent (waarbij gestolen goed natuurlijk terug moest naar de wetmatige eigenaar). Omdat de meeste delinkwenten ook toen al weinig bezaten – ‘van een kale kikker plukt men geen veren’ – kwam het gros van misen van justitie voor rekening van de Oldambtster ingezetenen. Artikel 14 van het reglement uit 1709 geeft aan hoe dit moest gebeuren:

“Den opheff tot betalinge van bovenstaande mijsen sal in de respectieve carspelen werden gedaan nae de deimptallen in het provinciael register bekent, dogh wordt aen een ijder van deselve de liberteijt gelaten, om de verdeijlinge in de hare te maken, ofte over de landerijen, ofte over de behuisingen soo als sulx bequaamste sal connen geschieden…”

De kosten werden dus over de kerspelen verdeeld, waarbij als grondslag gold het aantal deimten land (1 deimt = 0,45 hectare) waarvoor die kerspelen aan de provincie verponding (= een grondbelasting) betaalden. Vandaar dat de schatbeurders, die binnen de kerspelen de verponding inden, ook verantwoordelijk waren voor de inning van de misen van justitie. Deze schatbeurders werden gekozen door de landgebruikers (dus voornamelijk de boeren). Hoe het kerspelquotum in de misen binnen het kerspel verdeeld werd over de ingezetenen, moesten de kerspelen zelf weten – het reglement uit 1709 gaf ze de vrijheid om of de landerijen (dus het lokale verpondingsregister) als grondslag te nemen, of de huizen (dus huishoudens). Omdat veenkoloniën en polders vaak nog geen verponding hoefden te betalen, regelde het reglement tevens hoe in zulke uitzoneringsgevallen de misen opgebracht moesten worden.

Nu terug naar Beerta. Volgens de zich gedupeerd achtende boeren had schatbeurder Geert de Craker hier de kerspellieden bij publieke kerkenkondiging opgeroepen om op 1 november 1785 in de kerspelschool te komen voor een vergadering over de misen van justitie, waarvoor hij net een rekening van de drost had ontvangen. Volgens die convocatie was het de bedoeling dat de kerspelluiden “besetters daartoe” zouden aanstellen. Als men zou afgaan op het lokale verpondingsregister was zo’n aanstelling niet nodig, dan kon de schatbeurder immers becijferen hoe hoog de aanslag per deimt zou zijn om daarmee de individuele nota’s voor de landgebruikers te becijferen. Daarentegen veronderstelt de aanstelling van bezetters, dat de verdeling van de criminele gerechtskosten hier over de huishoudingen gebeurde. Dat was in Beerta zelfs de “oude gewoonte”, eentje die ook naar de zin van de klagende boeren was. In de vergadering merkten die tot hun schrik, dat “zommige perzonen” het voorstel deden om het anders aan te pakken, namelijk om

“de misen van justitie beneevens het roroede- en deurwagtersgeld over de landeriën te verdeelen en voorts met de ingeseetenen welke geen landgebruik hebben over een zeker tantum door hen lieden op te brengen, te accordeeren”.

Hoewel de niet-boeren , oftewel de burgers, met elkaar dus nog wel een zeker bedrag moesten betalen, zou grondgebruik dus de nieuwe grondslag worden voor de heffing van de misen in Beerta. Hiertegen protesteerden aanwezige landbouwers onder leiding van Helenius Jans en Jan Krijns. Sterker nog, zij vonden dat het hele voorstel niet eens in “omvrage” mocht komen, gezien de inhoud van de convocatie door de schatbeurder. Het gevolg hiervan was, dat de vergadering in de kerspelschool het voorstel niet inhoudelijk besprak en “vrugteloos” eindigde.

Maar de krachten in Beerta die aanstuurden op landgebruik als voornaamste grondslag voor de verdeling van de misen, lieten het er niet bij zitten. De schatbeurder stelde een nieuwe, en nu waarschijnlijk betere kerkenkondiging op, waarbij de kerspellieden opgeroepen werden voor een nieuwe samenkomst in de kerspelschool. Andermaal kwam daar het voorstel aan de orde om landgebruik in plaats van huishoudingen als grondslag voor de heffing te nemen. Opnieuw protesteerden de boeren onder leiding van Helenius Jans en Jan Krijns. Die dolven bij een stemming echter het onderspit. Jan Hindriks en Andries Jans, de dijkrichters van Beerta, machtigden vervolgens de schatbeurder Geert de Craker om de in totaal 277 gulden van de drostennota te verdelen over de landgebruikers, naar 1¾ stuiver per deimt. De schatbeurder liet hiervan ook kerkenkondiging doen.

De zich hierdoor gedupeerd achtende boeren vonden dit een “weederrechtelijke handelwijse” en vreesden de “onlusten welke daaruit in eventum zouden kunnen voortkoomen”. Zij vroegen de drost daarom hen te horen in een zitting, waarbij ook de dijkrichters aanwezig zouden zijn. Deze sessie vond aanvankelijk plaats op 17 januari 1786, maar daar kwam men aan een inhoudelijke behandeling niet eens toe, omdat partijen wederzijds elkaars recht aanvochten om mede namens anderen het woord te voeren. Pas toen beide partijen handtekeningen bij hun achterban hadden opgehaald, kon de procedure verder. Op 7 februari gaven partijen te kennen, dat ze om kosten te besparen liever geen formeel proces wilden voeren. Ze gaven beide een “deductio facti”, een feitenrelaas, aan de drost, die het verzoek kreeg op basis daarvan een uitspraak te doen. “Ter voortkooming van verdere onaangenaamheeden in het carspel” willigde de drost dit verzoek graag in.

Hij moest er nog wel even op broeden, want zijn uitspraak kwam pas ruim acht maanden later, op 24 oktober 1786. Daarin ging hij “om des vredes wille” voorbij aan de formele rechtshandlingen tot dan toe. Ook zei hij niet te willen tornen aan de vrijheid van een kerspel om de misen van justitie intern of over de landerijen of over de huishoudens te verdelen. Voor de eerste tien jaar stelde hij voor de Beertsters echter een regeling vast, die ze daarna alleen met tweederde meerderheid in twee opeenvolgende, wettig bijeengeroepen vergaderingen mochten veranderen. Inhoudelijk was deze regeling meer op de hand van de kerspelmeerderheid waarvan de dijkrichters de woordvoerders waren, dan van de klagers. De voornaamste grondslag voor de heffing bleef namelijk het landgebruik, al bepaalde de drost ook

“Dat wijders de zoogenaamde burgerij en ambagtslieden in het kerspel Beerta provisioneel en geduirende de eerste tien jaaren boven ider hondert gulden die de landgebruikers moeten opbrengen, zullen betalen voor hun quota in de misen van justitie twintig Car. Gl. “

De boeren betaalden dus voortaan vijfzesde en de burgers en middenstanders eenzesde van iedere aanslag. Als mocht blijken dat er veranderingen optraden in de relatieve draagkracht van iedere groep, kon men dat aan de orde stellen bij de drost:

“Edog indien tegens de ommekomst deezer tien jaaren de burgerij mogt oordeelen door verval haarrer leeden daarbij beswaart te zijn, of de boerschap mogte oordeelen dat de borgerij florisanter geworden, meerder moeste opbrengen, zullen partijen zig alsdan daarover te hebben te addresseeren bij het Ed[el] Gerigte om in deezen gereguleert te worden, zullende anders geen klagten van een van beide ingekomen zijnde, gerekent worden, en deeze quotisatie van twintig booven ’t hondert nog nieuws tien jaaren te continueeren en zoo vervolgenswijders van tien tot tien jaaren.”

De drost mocht dan wel zeggen dat hij niet aan de vrijheid van het kerspel wilde tornen, die vrijheid was hiermee feitelijk toch danig beperkt.

Overigens gaf hij de schatbeurder toestemming om de achterstallige penningen die deze voorschoot, alsnog te innen bij de degenen die tot dan toe betaling hadden geweigerd.

Bronnen (alle RHC Groninger Archieven):

  • Resolutie Burgemeesteren en Raad van 6 december 1709;
  • Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) inv.nr. 6131: verzoekschriftprocedure 20 december 1785- 7 februari 1786;
  • Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) inv.nr. 79: uitspraak van 24 oktober 1786.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s