Een verlaten sterkte in een kale, maar vette landouw. Nieuweschans en Nieuw-Beerta, 1857

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De sjoel van Nieuweschans (links) in 2008.

De Provinciale Drentsche en Asser Courant bevatte in 1857 een reisbeschrijving van iemand die vanuit Oost-Friesland komende, het Oldambt aandeed.  Mogelijk was dit een Drents familielid van de predikant van Nieuweschans, want dat is de eerst aangewezen kandidaat voor de gastheer, bij wie de auteur een nacht logeert. Diens beschrijving

“’t Was omstreeks twee uren toen wij de Nieuwe Schans naderden en ons, bij den aanblik op hare wallen en op het roode boveneind van eene ophaalbrug, in gedachten in Rudolfs veste, het oude Coevorden, verplaatsten. Een levend wezen bewoog zich op den wal, waar vroeger zoo menigeen gewapend in het harnas stond , maar wellicht had nooit een der zonen van Mars, hoe verheven zijne roeping ook was, met zooveel genoegen op een naderend voorwerp getuurd, dan hij, die op dit oogenblik zijn oog vestigde op de diligence van Leer naar Groningen. Vóór de ophaalbrug, die den toegang tot de Nieuwe Schans opent, werd ons volgens oud, wij zeggen met goed, maar toch noodzakelijk gebruik, door een Nederlandsch ambtenaar ernstig gevraagd, of wij ook voorwerpen In ons gevolg hadden, der financiële attentie van moeder de schatkist waardig, en met al de kalmte der ziel, alleen het eigendom van hem, die rein is van den toeleg van sluikerij , stonden wij voor het aangezigt van den visiterenden Nederlander en antwoordden: “Neen, Mijnheer!”

Nadat deze ambtenaar zijn pligt had gedaan, reikten wij verheugd de hand toe aan hem, die uit vriendschap ’s Rijks wallen had beklauterd en wien het reeds goed was geweest dat hij in de verte het voertuig had mogen zien, uit welks holte een tweetal zou afdalen dat een welkom! hartelijk welkom! wachtte in zijn huis. Na groet en wedergroet stapten wij met ons drieën de Nieuwe Schans binnen, en weinige oogenblikken later zat in het stadje een viertal (waaronder de dame, wier geleider ik tot hiertoe was en de vrouw des huizes) zóó gelukkig te keuvelen, als dit alleen mogelijk is waar liefde en vriendschap zamenwonen.

Toen het middagmaal, gekruid door ernst en luim over oud en nieuw, over naaste en verre bloedverwanten, over vrienden in de nabijheid en in de verte, over geringe en meer belangrijke zaken was geëindigd, deden wij met onzen gastheer eene wandeling in en om de Nieuwe Schans, terwijl de dames een vertrouwelijk tête a tête hielden en de huisvrouw de genoegelijke zorg op zich had genomen om de beide wandelaars een smakelijk kopje thee te bereiden. Nieuwe Schans, eene verlatene sterkte, maar toch in al zijne geringheid niet in zoo desolaten toestand als Coevorden, is een zeer klein plaatsje. (…) Wij waren verrast door de entree in de Nieuwe Schans , wetende, dat menige roode poort, als een oven gefatsoeneerd, weinig bekoorlijks voorspelt. En hier – wij bevonden ons niet in eene akelige naauwe straat (…) maar eene ruime vlakte met boomen beplant, waar men met genoegen de frissche lucht inademt en de dorpsjeugd vrolijk spelende rond dartelt. Onder de openbare gebouwen mag het kerkje zich wel laten zien en zou zelfs het torentje, als het een helderder uiterlijk bekwam en eene wijzerplaat wier cijfers te lezen waren, aan het geheel voegen. (…) Het penseel en de kwast van den dorpsschilder zou hier dus in één dag veel tot verfraaijing en tot gemak tevens van den poorter en van den vreemde kunnen aanbrengen. “Van den vreemde?”, vraagt gij welligt eenigzins verwonderd. Ja lezers! van den vreemde, want de Nieuwe Schans ziet welligt door zijne middellijn meer rijtuigen en chaissen passeeren, dan vele der aanzienlijkste dorpen van Nederland, en op Pinksteren bijvoorbeeld, moet het er zoo druk fijn, als op den weg van ‘s Gravenhage naar Schev[en]ingen. (…)

Buiten de Nieuwe Schans is het gras-, niets dan gras- en bouwland en, helaas! weinig geboomte, en waarom? Had dan nooit een Nieuw Schansser of die om de oude veste wonen lust om te leven en zich te bewegen onder het groene loof van welig geboomte? Wel zeker, en dit toonden de bewoners van het plaatsje zelf door hun groen gewelfde binnenplein, maar de Mammon, de lijfarts der tegenwoordige Maatschappij, ontzegt den landman dit genot en geeft hem weliger wasdom van het in die vette oorden zoo gebenedijde koolzaad, in ruil. Dit zooveel welvaart aanbrengend product der akkers, ’t welk in den bloeitijd eene zee van golvend goud vertoont, wil de opene lucht. En wat het zwaarste is moet het zwaarste wegen! (…)

Wij keerden na eene korte wandeling, waarop wij in ’t verschiet eene scheepstimmerwerf ontmoetten, naar de Nieuwe Schans terug, dat wij voor gezien hielden zonder een bezoek te hebben gebragt aan de Synagoge, vergastten ons aan een smakelijk kopje thee, bragten onder levendige kout den avond door die voor ons even vlugtig en wel zoo genoegelijk als in Frascatie te Amsterdam of in de opera te ’s Gravenhage, heenvloog, sliepen, terwijl de volmaaktste rust om ons heerschte, tot klokke acht, orberden met de huisgenooten en al de gezonde Nieuwe Schanssers een smakelijk ontbijt, vergastten ons des middags aan een viertal, gedurende hun kortstondig leven wèlgevoedde en onder het zorgvolle bestuur van onze gastvrouw ook wèlgebraden Nieuwe Schansser haantjes, dronken te zamen een goed glas wijn, klonken te zamen een hartelijk: “Tot wederzien” en te 3 uur zaten wij, na groet en wedergroet gewisseld te hebben, in de diligence op Groningen.

Wij zagen op den hoogen dijk nog ééns om naar het vriendelijk plaatsje en naar onzen gastheer en zijne wederhelft en naar de dame, die wij tot binnen de groene wallen der sterkte hadden begeleid en daar eenigen tijd eene gevierde logé zou zijn. Nog even meenden wij in het verre luchtruim een witten afscheid-wuivenden zakdoek te zien en toen daalden wij af in den polder, waardoor een goede kunstweg naar het nieuwe Groninger Kanaän, Nieuw Beerta, liep. ’t Is eene kale, maar vette landsdouw, die het dorp omgeeft waar de Groninger Nabobs wonen, in huizen, die elkanderen – eigenlijk wèl een weinig vervelend voor het oog des reizigers – gelijken als het eene ei op het andere. Naast den voerman op den bok gezeten, konden wij de buitenplaatsjes of “burgten” (…) op ons gemak beschouwen. Elk huis heeft drie uitstekken , waarvan het eerste het smalst en de trots is der bewoners. Daar bevindt zich de pronkkamer met staatsiegordijnen en vloerkleeden, prachtige meubels, piano, porceleinkastje, lustres en wat de steedsche weelde al meer eischt. Achter dit heiligdom, dat alleen verwarmd wordt door de zon – wijl de schoorsteen daarboven is digtgemetseld en ook des winters (indien men ons goed onderrigtte) in strikte non-activiteit wordt gehouden – kijkt het middenste gedeelte van den burgt, het eigenlijke woonhuis van het gezin, ter wederzijden met één raam, [uit] op den openbaren weg, en daarachter treedt het derde uitstek of de stal en schuur, die zeer lang en van een monsterdak voorzien is, waaronder de schatten zijn opgetascht die ’t zomerzweet beloonen (rijkelijk zouden kunnen beloonen, ook aan hen, die de meeste druppels lieten vallen, maar het niet doen) forsch tevoorschijn. Elk huis heeft om zich een grooten tuin met Engelsch werk, prieeltjes, vijvertjes, enz. enz. en daarin zagen wij hier en daar een heerschap stappen, dien men het – ons dacht het althans zoo – kon aanzien dat hij het ééns was met den kiezer-poëet in Anno 1848, die op zijn biljet schreef:

“48 is een belangrijk jaar;
1648 verdreef men den Spanjaar;
1748 kwam de Boer tegen den Heer in verzet;
en 1848 stelt de Boer den Heer de Wet.
Dus (hier behoorde eigenlijk ingevuld te zijn: Dus stem ik op)
ZIJLKER, Boer in de N.-Beerta.”

Bron: Het vijfde en zesde vervolg van ‘Reisverhaal van Assen naar ’s Gravenhage. In den trant van den Drentschen Assessor met zijne beide neven op reis naar Amsterdam’, Provinciale Drentsche en Asser Courant 3 en 7 november 1857.

Advertenties

One Comment on “Een verlaten sterkte in een kale, maar vette landouw. Nieuweschans en Nieuw-Beerta, 1857”

  1. Opvallend dat deze meneer toen al opmerkte dat weelderig geboomte in de omgeving heeft plaatsgemaakt voor rationele weidse weilanden / graanvelden. ‘Woeste gronden’ zoals men dat in die tijd noemde, wat had je daar nu aan, maak er maar agrarische grond van, daar heb je tenminste wat aan. Ik denk nog weleens dat de ruilverkavelingen met als gevolg de biljartlaken-weilanden en eindeloze graanvelden pas na WO II zijn ontstaan, maar in de 19e eeuw deed men daar dus ook al aan.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s