‘Alles wat tot brouwen dependeerd is hoog in prijs’ – een rekest van de Groninger brouwers om lastenverlichting (1768)

brouwte bier 1768 b

Ziehier een lijstje van wat een brouwte van elf tonnen bier een Groningse brouwer kostte en wat dezelfde brouwte die ambachtsman opleverde. De grootste kostenposten blijken de benodigde 12 mudden gerst (bijna 38 gulden) en de vrij forse belasting (gemaal) die hij over het gerstemout moest betalen (ruim 23 gulden of bijna 60 %). Met de kleinere posten wegens het malen en mouten van de gerst, voor de turf, de hop, de overige belastingen voor huis en knechten, voor vaten, vervoer en verlies, voor lekkerij en proefbier, huishuur, lonen en huisvestingskosten van het personeel, kwam zo’n gehele brouwte op 104 gulden. Aan inkomsten stonden hier tegenover 77 gulden voor de 11 tonnen (à 155 liter) bier, 12 gulden voor gist dat verkocht werd aan bakkers, en een rijksdaalder voor ‘draf’, een min of meer vaste stof die bij het brouwproces overbleef en die verkocht werd als veevoer. In totaal beurde de brouwer zo 91 gulden en vijf stuivers voor zijn brouwte, zodat hij er een verlies op leed van bijna 13 gulden.

Het lijstje hoort bij een verzoekschrift, dat eind 1767 bij de Staten van Stad & Lande werd ingediend namens de 71 of 72 bierbrouwers van de stad Groningen, Appingedam en de beide Oldambten. In dat rekest klaagden ze dat hun nering voortdurend achteruit ging, “zo door de anhoudende hooge prijs van de garst als meede de hooge impositjen op moud en meer anderen reedenen”, waardoor ze niet langer in staat waren “om met eenig voordeel goed bier te kunnen maaken”. Uiteraard waren de Ommelanden (Westerkwartier, Hunsingo en Fivelingo) niet vertegenwoordigd, want daar had je geen bierbrouwers: de herbergen moesten er volgens het stapelrecht hun bier betrekken van de brouwers uit de stad. Hoe dan ook, in de eerste maanden van 1768 hoorde een statencommissie de brouwers enige malen over hun klachten aan, waarbij de brouwers nog een uitvoerige schriftelijke toelichting op hun verzoekschrift produceerden, waarvan bovenstaande kosten-batenanalyse de bijlage vormde.

Opmerkelijk, maar gezien hun doel niet verwonderlijk is, dat de brouwers in die toelichting het fiscale regime als primaire oorzaak aanwezen van de malaise in hun bedrijf. Toen de brouwerijen nog bloeiden, zo rond 1700, bedroeg de impost op een mud gerst slechts 13½ stuiver, maar inmiddels moesten ze bijna 2 gulden en dus drie maal zoveeel betalen. De provincie won daar echter niets bij, want destijds bracht de impost in een half jaar meer op, dan anno 1767 in een heel jaar. Aan die dalende opbrengsten kon je goed het verval van hun bedrijfstak aflezen, aldus de brouwers.

Een reden die vaak als veel belangrijker wordt voorgesteld voor het verval van hun nering, noemden de brouwers slechts op de tweede plaats:

“Het in gebruik komen van coffij en thee heeft de brouwerijen zodanig doen verminderen, dat in ’t begin van deze eeuw in deze Stad alleen over de 80 brouwers geteld wierden, welk getal present tot op 32 verminderd is, en zo in de Provincie insgelijks…”

Trekken we de 32 stedelijke brouwers af van de bovengenoemde 72, dan houden we er 40 over in Appingedam en de beide Oldambten (inclusief veenkoloniën). Als de achteruitgang hier even sterk was als in de Stad, dan moeten dat er rond 1700 zo’n 100 geweest zijn. In totaal ging het aantal brouwers in de hele provincie dan terug van 180 rond 1700 tot 72 in 1768. Veel van die resterende brouwerijen stelden echter nog maar weinig voor, want volgens de woordvoerders was nog niet de helft in staat “dat weinige mout zo zij in de zomer nodig zijn, in voorrraad te bekomen”. Deze brouwden dus alleen nog in de warme maanden, en moesten voor elke brouwte de benodigdheden kopen, zo weinig geld hadden ze achter de hand.

Volgens de brouwers waren er in dertig jaar tijd wel 50 vakgenoten op de fles gegaan. De “neringloosheid” en geringe afzet van veel van de overige bedrijven maakte dat brouwers nogal eens een bedorven brouwte moesten weggooien, terwijl ze daar wel hun kosten aan hadden gehad. Het stak ze dat zij wel belasting over hun zure, onbruikbaar geworden bier moesten betalen, terwijl wijntappers en andere ambachtslui dat niet hoefden te doen voor hun bedorven en daarmee onverkoopbaar geworden waren.

Er kwam nog een ‘statiegeld-kwestie’ bij. Vroeger hadden de meeste klanten hun eigen vaten, waarvan ze de vervoerskosten naar en van de brouwers zelf ook betaalden. Nu kwamen de vaten louter nog voor rekening van de brouwers. Waarschijnlijk hadden brouwers in hun eigen voet geschoten, door uit concurrentieoverwegingen in een krimpende markt deze emballage-kosten van hun klandizie over te nemen: bij een voortdurend verminderende afzet en vastgestelde bierprijzen, zullen ze daarmee klanten hebben willen lokken. In elk geval hadden de brouwers zodoende anno 1768 een “menigte van vaten” onder de mensen zitten, “welke zij nooit weder te zien krijgen, schoon haar dikwijls zoveel en meerder kost als ’t bier waardig is, zo zij daarmede hebben uitgezet”. Naar raming van de rekestranten kostte dit de doorsnee- brouwer wel 400 gulden in het jaar.

Hun litanie stond ook stil bij het feit dat alle ingrediënten voor het bier dubbel zo duur waren als vroeger. Gerst deed bijna 3½ gulden de mud, waar het vroeger 1½ deed. Voorheen kwamen zulke hoge prijzen alleen voor in oorlogstijd, maar nu bij vrede. De hop, vroeger anderhalf stuiver per pond, kostte inmiddels het vier tot achtvoudige. Ook turf en hout waren duurder geworden, “ja alles wat tot brouwen dependeerd is hoog in prijs”. Dat gold zelfs voor de arbeidslonen, want waar “aanzienlijke borger kinder” voorheen betaalden voor hun opleiding in het bedrijf, was dat opgehouden nu dat bedrijf minder aantrekkelijk was. Bovendien had het stadsbestuur de leertijd tot de meesterproef met een jaar verlengd, “waar van wij dan thans den bitteren nasmaak ondervinden”.

Door de hogere belasting op mout prijsde het Groninger bier zich elders de markt uit, aldus de brouwers. Daar werd het mout immers niet belast. Dat was de reden dat de export van Gronings bier naar andere provincies geheel stilviel. Dit gold ook voor de afzet van het gist, dat de Groninger bakkers nu zelfs uit Holland en Overijssel betrokken, waar het goedkoper was omdat het mout er niet belast werd.

En dan had men nog de andere lasten die de Groninger brouwers moesten betalen, zoals over de ‘daar’ (een eest of droogoven voor het drogen van mout) en de ketel. Voor elke daar en ketel moest een brouwer 10 gulden per jaar schokken, terwijl bakkers maar een gulden hoefden te geven voor een oven, die zij dan ook nog konden gebruiken “tot een keuken en haardstede”, wat bij de brouwers niet zo was. Voor brouwers die slechts een beperkte hoogtijperiode in de zomer brouwden, was het bovendien onmogelijk geworden om hun daren en ketels tijdelijk uit het belastingregister te laten schrappen, een regeling die vroeger nog bestond. Afgezien van de bakkers waren de brouwers jaloers op de grutters, die wel drie maal zoveel gerst verwerkten als de grootste brouwer, maar helemaal niets betaalden, hoewel ze veel minder bedrijfsonkosten hadden.

Naast de koffie en thee deed de wijn het bier concurrentie aan. Daarvan werd, “tot ruïne der brouwers” wel zes maal zoveel geconsumeerd als veertig jaar eerder. En dan had je nog de zogenaamde ‘knap’, dat was fijn gemalen, verbrande korst van zoete koek die met koffie werd vermengd tot een goedkoop koffiesurrogaat voor armelui. De brouwers meenden dat er jaarlijks in Stad & Lande wel 200.000 pond van dit goedje werd geconsumeerd. Juist wijn en knap maakten het verval van hun nering uiterst zichtbaar, want waar er

“tevoren kluinherbergen waren, ben nu in wijntappers veranderd en siet men op andere huisen en kelders zo in vroeger jaaren dun bier- en lekseltappers waren nu meede verandert in koffy-, thee- en knapwinkels”.

Tot besluit van hun klaagzang roerden de brouwers nog de fiscale rechtsongelijkheid tussen gerstemout enerzijds en anderzijds koffie en thee aan. Een pond goede thee kostte evenveel als een mud mout. Van die hoeveelheid thee konden evenveel mensen hun dorst lessen als dat er bier van die mout gebrouwen kon worden. Toch was die pond thee slechts belast met 6 stuivers (koffie deed de helft), terwijl van een mud mout maar liefst 2 gulden moest worden betaald, waarbij het ook nog eens zo was dat de teler van de gerst al belasting aan de provincie had betaald. Die gerst kwam bovendien uit “ons eigen land”, terwijl er honderdduizenden guldens het land uitvloeiden voor de koffie en de thee.

Om al deze redenen hoopten de brouwers de Staten ertoe te kunnen bewegen de belasting op het mout te verlagen, zodat hun “in vorige tijden ze zeer gerenomeerde, dog nu zo deerlijk vervallene brouwerijen” weer konden renderen.

Kregen ze gelijk van de statencommissie die meermalen met ze sprak? In het advies van die commissie aan de Staten lijkt het er eerst wel op. Zo erkende ze dat de exportpositie van de Groninger brouwers finaal ondergraven was door de verhoogde imposten tot 34 stuivers voor een mud gerstemout, 17 stuivers voor een mud havermout en 50 stuivers voor een mud weitemout (waaruit impliciet blijkt dat de brouwers ook wel haver of tarwe voor hun bieren gebruikten). Volgens het commissierapport belette deze impost immers “alle versendinge nae buiten dewelke bevoorens sterk hadde gevigeert”. Ook voor hun klacht over het niet kwijtschelden van belasting voor bedorven bier vonden de brouwers gehoor. Verder erkende de commissie de duurte van de ingrediënten en dat “de natie sodaenig was ontaert dat [ze] voor gesonde bieren slegte coffij, thee, genever, ja zelvs knap praefereerde”. Geen wonder dat het gemaal voor het bier de provincie in 1767 nog maar 51.000 gulden opbracht, waar dat vijf jaar eerder nog 61.000 gulden was geweest.

Blijkbaar stelden de brouwers in het overleg met de commissie voor, de imposten voor gerste-en weitemout met 12 stuivers per mud te verminderen en die voor havermout met 6. De commissie stelde dat dit de provincie hiermee weliswaar 17.000 gulden per jaar aan inkomsten zou derven, maar dat dit verlies mogelijk zou worden goedgemaakt doordat de brouwers dan wellicht weer een groter aantal mudden zouden aangeven. De provinciale Landdag zou deze stimulerende maatregel op proef kunnen aannemen.

Alleen pleitte daar ook veel tegen. Zo achtte de commissie de voorstelling van zaken, als zou de brouwersnering voornamelijk achteruit zijn gegaan vanwege de belasting, “ten eenemaal abusijf”. De impost op het mout was namelijk in 1716 voor het laatst verhoogd en sindsdien altijd gelijk gebleven. In Holland, waar die impost niet bestond, was het aantal brouwerijen in die periode eveneens sterk gekrompen. Het verval van de brouwersnering kon volgens de commissie dan ook

“nergens anders aan toegeschreven worden als aan een al te groot aantal van brouwers die nog in wesen sijn en hare brouwerijen gedenken voort te setten, niet tegenstaande de sterke consumtie van coffij, thee, wijnen en gedistilleerde wateren tijdelijks toeneemd en het debijt en vertier van de bieren nootsaakelijk doet verminderen…”

De provincie kon niet voor dat verval opdraaien. Aan brouwers stond het vrij om een andere kostwinning te kiezen, zoals dat ook in Holland en elders gebeurde. Om koffie en thee zwaarder te belasten, wat de brouwers eveneens voorstelden, zou een onvoorzichtige stap zijn, juist omdat de inkomsten daaruit voor de provincie nu zozeer van belang waren dat ze niet in gevaar moesten worden gebracht. Verlaging van de impost op mout was evenmin raadzaam, omdat de inkomsten van de provincie al achteruitgingen, terwijl de uitgaven vermeerderden. Ook betekende een concessie aan de brouwers dat de provincie andere belastingplichtigen eveneens tegemoet moest komen. De provincie zou haar zaken dan helemaal niet meer op orde hebben.

Uiteindelijk kwam de commissie in haar stuk niet tot een advies, en liet ze de zaak aan de Staten over. De heren van de Stad en de stadsjurisdicties, die veel meer belang bij de brouwerijen hadden, wilden nog wel graag doorpraten over het rapport. Die van de drie Ommelanden, waar met uitzondering van Appingedam geen brouwerij bestond, waren echter vastberaden – zij wezen het verzoek van de brouwers af. En omdat de Staten verdeeld waren, werd de kwestie van de agenda gevoerd. De brouwers konden dus fluiten naar hun begeerde lastenverlichting.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nrs 58 en 59 (resoluties Landdag) en 457 (rekesten in originali).

 

Advertisements

2 reacties on “‘Alles wat tot brouwen dependeerd is hoog in prijs’ – een rekest van de Groninger brouwers om lastenverlichting (1768)”

  1. Bob Poppen schreef:

    Een interessant verhaal, bedankt daarvoor.
    Je schrijft in het begin: Uiteraard waren de Ommelanden (Westerkwartier, Hunsingo en Fivelingo) niet vertegenwoordigd, want daar had je geen bierbrouwers.
    Ik weet dat er in Uithuizen (Hunsingo) een bierbrouwerij was.
    Bestond dat bedrijf er misschien in 1767 nog niet?

    Bijna aan het eind schrijf je: Geen wonder dat het gemaal voor het bier de provincie in 1767 nog maar 51.000 gulden opbracht, waar dat vijf jaar eerder nog 51.000 gulden was geweest.
    Je vermeldt dus twee keer het bedrag van 51.000 gulden. Eén ervan moet m.i. onjuist zijn.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s