Goa van mien laand oaf (3)

De twee voorgaande afleveringen in deze korte serie komen er in het kort op neer dat arbeiders uit Oostwold, op weg naar hun werk, in de nieuwe Oostwolderpolder dwars over percelen land en dwars door sloten een onofficieel pad uitsleten, tot groot ongenoegen van enkele boeren, die in 1772 gedaan wisten te krijgen dat er een forse boete op kwam te staan. De vraag is echter of die boete geholpen heeft en of het gelaakte overpad later misschien toch gelegaliseerd is. Op een latere kaart met o.a. percelen en wegen in de Oostwolderpolder voldeed inderdaad een secundaire weg aan de kenmerken van de illegale sluiproute. Die weg kan echter alleen dàn de opvolger van het overpad zijn geweest, als de klagende boeren daar ook opstrekkende heerden land hadden, die door de sluiproute werden gekruist. En dat roept de vraag op: waar eigenlijk lagen precies de percelen van Wybe Garbrants en Derk Jacobs op de nieuw ingedijkte polder?

Wybe Garbrands
Wat betreft Wybe, ook wel Wijbo Garbrands (Kremer) viel dit relatief eenvoudig na te gaan, omdat hij, zijn nazaten en hun bedrijf in het boerderijenboek van deze omgeving voorkomen. Hij was de zoon van een doopsgezinde kramer in Nieuw-Scheemda (vandaar de familienaam), en groeide volgens diens boedelinventaris uit 1744 op tussen rollen linnen, baai, Rowaans en gestreept goed, tierentijn, laken, damast, sarsy, vijfschacht, katoen, neteldoek, karpetten en lappen, hozen en handschoenen, garen, gespen, veters en band, kant en lint. Maar zijn vader was niet alleen stoffenkoopman. In zijn winkel had hij ook kruidenierswaren als blauwsel en stijfsel, koffiebonen en thee en (in tonnen en vaten) olie siroop en traan, jenever, naast wat apothekerij te koop. Bovendien werden er de wat fremdkörperig overkomende, maar blijkbaar commercieel aantrekkelijke ijzerwaren zichten en scheuvels verkocht.

Zo’n ouderwets winkelmagazijn vormde een boeiend geurenlandschap! Toch zou Wybe Garbrands zijn vader Garbrand Wybes niet opvolgen, in meerdere opzichten niet. Ten eerste zou hij boer worden. In 1762 trouwde hij met zijn dorpsgenote Abeltje Alberts (Lantinga) en vestigde zich met haar in Oostwold. Hoeveel kinderen ze precies kregen is door hun ouderlijke geloof onbekend, maar in 1774 stapten Wybe en zijn vrouw, zoals wel meer doopsgezinden, te Oostwold over naar de Gereformeerde Kerk, wat niet alleen inhield dat ze belijdenis deden, maar ook dat zij en hun nog levende kinderen Albert (1768) en Jantje (1773) allemaal door ds. Van Bolhuis werden gedoopt. Naderhand bediende de predikant van Oostwold dit sacrament ook bij de later geboren kinderen Garbrand (1776), Kornelius (1778) en de tweeling Jan en Diewer (1783).

In december 1789, toen alle kinderen nog minderjarig waren, overleed Wybe Garbrands. Zijn weduwe zette het boerenbedrijf alleen voort, zonder dat ze hertrouwde. Misschien had ze hulp van haar oudste kinderen. Wijlen haar man zou ze 38 jaar overleven – ze stierf in 1827 te Oostwold op hoge leeftijd. Mogelijk woonde ze in bij haar zoons en bedrijfsopvolgers. Volgens het boerderijenboek waren dat Garbrand Wijbes Kremer in de jaren 1805-1819 en Jan Wijbes Kremer in de periode 1819-1854. Tijdens diens bestier van de boerderij werd het kadaster ingevoerd. Volgens HisGis, de digitale verwerking van de oudste kadastergegevens (ca. 1830), lag het land van Jan Wijbes Kremer in twee opstrekkende heerden ten oosten van Oostwold:

Hisgis Oostwold Jan Wijbes Kremer BLOG

Op de oostelijkste opstrek stond de boerderij aan de noordkant van de weg. Dat areaal begon een eind zuidelijker van de weg in zand en veen bij land van de buurman Otto Samuels Knottnerus, omvatte ten noorden van de weg nog een stukje oud kleiland en liep dan over de dijk van 1701 diep de Oostwolderpolder in, zelfs nog tot voorbij de Oude Geut. Dit laatste gold ook voor de tweede opstrekkende heerd, al begon die nog wat zuidelijker, namelijk bij de ringsloot van de Oostwolder- of Huningameerlanden. In groen heb ik de secundaire weg aangegeven, die van het uiteind van de noordelijke arbeidersbuurt in Oostwold, naar de as met de boerderijen in de Oostwolderpolder voerde. Van die weg vermoed ik, dat hij de opvolger was van de sluiproute die de arbeiders van Oostwold volgden. Overigens bezat de kleinzoon van Wybe Garbrands ook nog heemsteden of huisplaatsen in Oostwold en Midwolda, maar die doen er qua overpad in de polder natuurlijk weinig toe.

Derk Jacobs
Het traceren van de grond, bewerkt door Derk Jacobs, had wat meer voeten in de aarde. Zijn naam komt niet voor in het boerderijenboek en dat bevat evenmin namen die erop lijken. Daarom moest ik voor hem toch echt de bronnen in. Hij groeide op in Oostwold in een, naar het zich laat aanzien, vrij groot gezin. In 1772 trouwde hij op 31-jarige leeftijd met de vijf jaar jongere Siebentje Dieterts uit Bellingwolde, maar van dit paar zijn hoegenaamd geen kinderen bekend.

In hun huwelijksjaar namen Derk en Siebentje het huis in Oostwold van zijn moeder over, met de beklemde heerd land waarop dat huis stond. Deze heerd strekte zich uit van het Koediep in het noorden tot de ringsloot van het Huningameer in het zuiden en omvatte dus geen land in de Oostwolderpolder. De grond was het eigendom van de diaconie van Oostwold en deed op dat moment nog een weinig indrukwekkende 25 gulden aan pacht per jaar. Bij de koop in zat het boerenbeslag en het gereedschap dat op de plaats werd gebruikt. In totaal betaalden Derk en zijn vrouw er 1600 gulden voor, niet echt veel voor een Oldambtster boerderij. Siebentje ondertekende de koopbrief met een kruisje, wat ze bij andere akten zou blijven doen ­– kennelijk had ze geen schrijven geleerd. Derks broer en zus en hun echtgenoten tekenden de verzegeling eveneens, en zulks ten teken dat ze met de overdracht van het erfgoed instemden.

Omdat er met de grondeigenaar, de diaconie van Oostwold, iets verkeerd was gegaan, werd er jaren later alsnog een beklembrief voor dit stuk vastgoed opgemaakt. Bij die gelegenheid werd de beklemming altoosdurend gemaakt, waarbij de diaconie opmerkelijk genoeg wat afdeed van de pacht, voortaan 18 gulden per jaar. Het mooie van deze beklembrief is, dat hij de zwetten of aanpalende percelen benoemt:

  • noord: kerkhof
  • oost: de Kerklaan
  • zuid: de ringsloot van het Huningameer
  • west: de diaconie van Midwolda

De noordzwet, het kerkhof, lag wat minder noordelijk dan het Koediep – mogelijk ging er wat van de grond af, wat dan de lagere pacht verklaart. Uit de andere zwetten blijkt dat de heerd zich vlakbij en (schuin) tegenover de kerk- en pastoriepercelen bevond; de grond bestond oud kleiland, veen en zand.

Dit spul stelde weinig voor, maar nog tijdens hun verloving, namelijk eind 1771, kochten Derk en Siebentje van de weduwe Geertsema de vaste altijddurende beklemming van 13 deimt oud land (binnen de dijk van 1701) en 22,25 deimt ingedijkt nieuw land (in de Oostwolderpolder). Een deimt is iets minder dan een halve hectare – het hele areaal, zal dan ruim 17 hectare geweest zijn. Na verloop van zes jaar, waarvoor een hogere pacht gold, zou de voortaan vaste huur voor oud en nieuw land samen ƒ 313 gulden en 10 stuivers per jaar bedragen. In totaal telden Derk ern Siebentje ruim 6080 gulden voor de grond, in vijf termijnen. Dit vastgoed was dus vier maal zo duur als de kleine boerderij van Derks moeder. Voorlopig weten we dat er poldergrond bij zat, maar helaas noemt de verzegeling geen zwetten. Het oppervlak en het huurbedrag zijn later echter nog zeer herkenbaar.

Eind 1785 maakten Derk en Siebentje hun mutuele testament op, waarbij de langstlevende alles zou erven. Wel zouden de lijfstoebehoren (kleding, sieraden etc.) van de overledene direct naar de naaste erfgenamen gaan, die in ruil dan de begrafenis moesten betalen. Kennelijk voelde Derk zijn einde naderen, want nog geen jaar later, in september 1786, bleek hij overleden. De voogden over de oom- en tantezeggers van hem en zijn vrouw namen in een akte genoegen met het testament, voor zover dat door de drost in een een rekestprocedure was goedgekeurd. Blijkbaar was er toch wat frictie geweest met de familie.

Siebentje hertrouwde weer een jaar later, in 1787, als kinderloze weduwe met Harm Everts (Everts) eveneens uit Oostwold. Volgens hun huwelijkscontract bracht zij het vastgoed van haarzelf en haar eerste man in het huishouden in. De erfgenamen van haar eerste man had ze blijkbaar afgekocht. In 1792 gold dat wellicht ook voor haar eigen familie, want toen vermaakte ze in haar nadere testament dat vastgoed aan haar tweede man. Samen kochten zij in 1809 nog een huis met tuin in Oostwold, misschien als belegging, misschien ook om er zelf te gaan wonen.

In 1826 overleden ze beiden, zij in februari op 80-jarige leeftijd en hij in september. Zijn erfgenamen lieten vervolgens het vastgoed veilen. Volgens de advertenties zou dat gebeuren in twee kavels: ten eerste een boerenbehuizing met de vaste beklemming uit 1771, bestaande uit 6,6 bunder oud kleiland en 11,125 bunder polderland (dus ruim 17 ha), doende samen nog steeds een pacht van ƒ 313,50, waarbij nog 1,25 bunder van de oude boerderij gevoegd was; en ten tweede het huis dat Siebentje en haar tweede man in 1809 hadden bijgekocht.

In de koopakte is echter sprake van drie kavels. Ten eerste ging het om een “boerenbehuizing en schuur (…) met tuin en appelhof (…) en de beklemde landerijen daaronder behorende”, welk land zich uitstrekte van de Oude Geut in de polder (in het noorden) tot aan land van Otto Samuels Knotnerus in het zuiden. Hieruit blijkt dat Siebentje en waarschijnlijk haar eerste man de oude boerderij van zijn moeder verruilden voor een nieuwe, dichterbij de betere grond. Overigens was de oostzwet van deze landerijen de wed. van Wybe Garbrands, de boer die met Siebentjes eerste man Derk Jacobs werk maakte van de sluiproute dwars over hun polderpercelen. De tweede veilingkavel was het huis dat in 1809 aangekocht werd door Siebentje en haar tweede man, en dat getuige de zwetten vlakbij de kerk van Oostwold stond, en bij de derde ging het om de oude huisplaats bij en tegenover de kerk en pastorie. Hier stond niet langer een huis op – de boerderij van Derk Jacobs zijn moeder was intussen dus gesloopt.

Dat derde perceel bleef onverkocht, omdat het niet aan de hoogste bieder werd gegund. Een erfgenaam van Siebentjes tweede man kocht kavel 2, het huis verworven in 1809. Voor ons van belang is uiteraard alleen de eerste veilingkavel: de relatief nieuwe boerenplaats met de beklemming van een deel grond in de Oostwolderpolder. Dit vastgoed ging bij de veiling voor 7150 gulden over in handen van Fiebo Jurjens Oosthof, landgebruiker te Oostwold, en diens naam komt voor in het eerste kadaster van enkele jaren later. Volgens Hisgis lagen Oosthofs gronden destijds hier:

Hisgis Oostwold erven Fiebo Jurjens Oosthof BLOG

De meest oostelijke opstrekkende heerd, waar de zoon van Wybe Garbrands de buurman van was, kocht Oosthof dus van de erfopvolgers van Derk Jacobs en zijn vrouw Siebentje. Maar een eind naar het westen had hij in het verlengde van de noordelijke arbeidersbuurt nog een opstrekkende heerd. Over beide liep de secundaire weg die mogelijk ontstond uit de illegale sluiproute. De opstrek ten westen van Oostwold moet al langer in het bezit van Oosthof zijn geweest. Overigens is de boerderij op het meest oostelijke opstrek ten zuiden van de weg, te identificeren met nummer 119 in het boerderijenboek, dat de geschiedenis van deze boerderij pas in 1843 laat beginnen.

Slotsom
De conclusie luidt dat Wybe Garbrands en Derk Jacobs, de boeren die in 1772 klaagden dat de arbeiders van Oostwold dwars over hun land naar het werk in de polder liepen, vlak naast elkaar opstrekkende heerden hadden tussen de hoofdroute naar de polder, die voor die arbeiders een omweg vormde, en de secundaire weg, waarvan ik veronderstelde dat hij de opvolger was van de sluiproute.

Die secundaire weg echter, bleek voor zover hij hun percelen haaks kruiste, ten tijde van het eerste kadaster, dus ruim een halve eeuw later, het eigendom van de ingelanden van de Oostwolderpolder, en niet van individuele boeren. Nam het polderwaterschap de weg dan intussen over? Dat zou moeten blijken uit zijn besluiten en rekeningen, die berusten in het archief van de Oostwolderpolder, dat zich tegenwoordig in het hoofdkantoor van waterschap Hunze en Aa’s te Veendam bevindt. Binnenkort ga ik daar maar eens heen.

Maar ook in het geval dat die secundaire weg al vanaf de polderaanleg het eigendom van de gezamenlijke ingelanden is geweest, en dus niet de opvolger van de illegale sluiproute kan zijn, zijn we een stuk dichter bij de locatie van het overpad. Het moet immers sowieso de aangegeven opstrekken hebben gekruist. Aannemende dat het uiteind van de strook met arbeiderswoningen op oud land ten noorden van Oostwold het startpunt van de route vormde, en de arbeiders ’s ochtends en savonds de kortste weg naar en van de boerderijen naar hun woningen volgden, kan hier hoogstens de winkelhaak die de secundaire weg vormde, afgesneden zijn.

Bronnen:

  • Boerderijen en hun bewoners, Uitgegeven door de afdeling Beerta van de Groninger Maatschappij van Landbouw ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan (1842-1967) (Winschoten, z.j. [1968]), met name gedeelten over Oostwold en de Oostwolderpolder (p. 293-304 en 379-395).
  • RHC Groninger Archieven (GrA), Toegang 731 (archief drost Oldambt) inv.nr. 7210: verzegelingen Oostwold (1721-1788), doorgenomen vanaf 1768.
  • GrA, Toegang 112 (archief notarissen Winschoten) inv.nr. 60: akte notaris Rudolf de Sitter Winschoten 1826 nr. 192 d.d. 8 december 1826.
Advertisements


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s