Woestijnsprinkhanen in Groningerland

Woestijnsprinkhanen, zoals ze in 1748 over Engeland uitzwermden. Gravure in Thomas Pennant, A Tour in Wales (1781).

Woestijnsprinkhanen, zoals ze in 1748 over Engeland uitzwermden. Gravure in Thomas Pennant, A Tour in Wales (1781).

Terwijl een enorme veldmuizenplaag, die vooral in het Oldambt huishield, ogenschijnlijk even verminderde, leek het of zich eind september 1824 een nieuwe “verwoestende geesel” aandiende: er kwamen woestijnsprinkhanen neer, het eerst op de Oostwolder- en Finsterwolderpolder en wat later op de Noordpolder, bij Ulrum en ten zuiden van de stad Groningen. Gelukkig ging het slechts om geringe aantallen; bij Emden, in Oost-Friesland, waren het er wat meer.

In stukken die andere kranten grif overnamen, berichtte de Groninger Courant over de komst van de Gryllus migratorius, zoals Linnaeus het beestje had genoemd. Daarbij ging het blad uitgebreid in op de ‘natuurlijke historie’ van het dier, “om het oordeel van het publiek op ware gevolgtrekkingen te bepalen”. Zo zou de woestijnsprinkhaan in zijn vlucht sterk lijken op het insect, “’t geen wij vileinbijter of glazenmaker (Libella) noemen”, al was de sprinkhaan veel zwaarder en had hij extra springpoten, waarmee hij minstens 9 meter afstand kon overbruggen. Een wijfje droeg wel 150 eieren, die het in ‘t najaar afzette en die in het voorjaar uitkwamen. Na vier verpoppingen begon in juni “hunne hooge vlugt, met den wind heinde en verre voortgezweept”.

Het blad meldde dat de woestijnsprinkhaan slechts in warme nazomers vanuit Libië en Arabië overkwam, en dat hij in 1747 en 1748 “ontzettend veel schade” had aangericht in Silezië, Polen, noordelijk Duitsland, Nederland en Groot-Brittannië. In september 1747 bereikte hij op een zuidoostenwind deze noordelijker gelegen Europese contreien via Walachije, Moldavië, Zevenbergen en Hongarije. Aanvankelijk schonk men er weinig aandacht aan, tot de afgezette eieren in april 1748 uitkwamen en in juni het zwermen begon.

“zoodat in het midden van die maand de verwoesting, door hen aangerigt in het gras en opgeschoten graan , alom de aandacht der regeringen tot zich trok, doch niet meer konde worden gestuit, en zij in augustus en september zich heinde en ver verbreidden.”

Hieruit moest de les getrokken worden dat een vroegtijdige bestrijding veel ellende kon voorkomen. Al kon een strenge winter ook handig zijn – die van 1748 op 1749 maakte een eind aan de woestijnsprinkhanenplaag.

Overigens bracht de krant graag een onderscheid aan met een inheemse sprinkhaan, die zich in Drenthe en Westerwolde blijkbaar wel eens tot een plaag ontwikkeld had: de locusta Germanica.

Bron:

Groninger Courant van 28 september en 12 oktober 1824.

 



Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s