“Daaglijks slimmer en gevaarlijker” – een krankzinnige schipper in Veendam

Bron: Wikimedia.

Bron: Wikimedia.

Medio juni 1772 laten vier neven van de Veendammer schipper Egbert Luirts zich aandienen bij de Oldambtster drost. Onder meer gaat het om een Molanus en een Uneken, namen die tot de bovenlaag van de streek behoren. Ze melden dat hun neef Egbert

“voor veel jaren in een dementie is vervallen, waarvan destijdes gelukkig is genesen, maar nu van dit voorjaar een nieuw acces van het selvde ongemak hebbende gekregen, en thans zoo gevaarlijk wordende, dat geheel zinneloos is, en zeer gevaarlijk wordt, liggende het schip in Veendam, daar alleen met heen en weer vaart…”

Volgens zijn neven gaf Egbert zoveel blijken van waanzin, “ dat het geheel Veendam bekent is”. Daarom wilden ze dat de drost zou zorgen voor een tijdelijke voorziening tot Egberts broers, “mede schippers zijnde en thans van huis”, zouden zijn teruggekeerd.

De drost wilde eerst van Egberts buren vernemen, hoe die ertegen aankeken. Daarbij bleek hem dat de neven de waarheid spraken. Ze kregen toestemming om Egbert voor zijn herstel te plaatsen bij de “chirurgus” (chirurgijn) Oosterveldt te Vlagtwedde. Ook mochten ze een oppasser regelen voor Egberts schip en desnoods wat geld opnemen voor de uitgaven aan het een en het ander.

Ruim een half jaar later stonden Egberts “nabestaande vrinden” opnieuw voor de deur van de drostenborg. De therapie van de “medicus” Oostervelt was geen succes geweest, integendeel:

“dit zoo ongelukkig zijnde uitgevallen dat de patiënt daaglijks slimmer en gevaarlijker word, soo dat grote ongelukken te vresen staan, dewijl door gemelte medicus als onherstelbaar is terugge gesonden “.

De familie, die er natuurlijk erg mee in de maag zat, had al gesproken met de voogden van het Sint Anthoniegasthuis in de stad. Achter dat gasthuis bevond (en bevindt!) zich de Dolhuisgang: een rijtje kamers, waar krankzinnigen tegen een kostgeld konden worden geplaatst. Daarvoor was de toestemming van de drost nodig, maar ook moesten er curatoren of bewindvoerders worden aangesteld om Egbert zijn schip te verkopen en de zorgkosten te betalen. In februari 1773 hoorde de drost eerst nog weer de twee naaste mannelijke bloedverwanten van vaderszijde, de twee naaste mannelijke bloedverwanten van moederszijde en de twee naaste buren. Daarbij bleek hem nog eens ten overvloede dat Egbert Luirts

“ten eenemalen van zijne zinnen berooft is, dus onbeqaam zijne goederen te administreren, en zelvs niet buiten gevaar aan zijne eigene conduite kan worden overgelaten”

Daarom werden als bewindvoerders aangesteld Egberts volle broers Hindrik en Obbe Luirts alsmede neef Molanus uit Wildervank. Zij mochten Egberts eigendommen te gelde maken, zijn schulden betalen en verder de boekhouding voeren en zorg dragen voor Egbert,

“door deselve in het gasthuis bij de Oosterpoort tot Groningen off elders op een versekerde plaatse uit te besteden”

De bewindvoerders moesten eerst een eed afleggen. Na drie jaar verwachtte de drost inzage in hun administratie, die dan op orde moest zijn.

Als Egbert ergens ondergebracht is, dan was dat waarschijnlijk niet in het Groninger Sint Anthoniegasthuis. In de rekeningen van deze instelling, waar het kostgeld voor een krankzinnigenkamer 30 à 50 stuivers per week bedroeg, ontbreken over 1773 en 1774 namelijk de kostgeldontvangsten die zouden bewijzen dat Egbert daar zat.

Misschien is hij ook wel opnieuw genezen verklaard en nooit weggeweest uit Veendam of daar teruggekeerd. Hij zou daar namelijk in 1802 sterven.

Heb zo’n vermoeden dat ik hem in het vervolg van de serie rekestboeken nog wel vaker tegen zal komen.



Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s