Grondkraak bij het Hoetmansmeer

Het Hoetmansmeer en omgeving volgens Theodorus Beckeringh, in de jaren 1770. Van zeker drie kanten naderde de vervening het meer: vanaf Wildervank in het noordwesten, vanaf de Ommelanderwijk in het noorden en vanaf Nieuwe Pekela in het oosten. Bij het nieuwe en nog niet zo lange Stadskanaal in het zuiden tekende Beckeringh nog geen verveningsactiviteiten, maar ook aan de drie zijden waar hij die wel weergaf, lag het meer nog in woest hoogveen. Collectie RHC Groninger Archieven 1536-6317.

Het Hoetmansmeer en omgeving volgens Theodorus Beckeringh, in de jaren 1770. Van zeker drie kanten naderde de vervening het meer: vanaf Wildervank in het noordwesten, vanaf de Ommelanderwijk in het noorden en vanaf Nieuwe Pekela in het oosten. Bij het nieuwe en nog niet zo lange Stadskanaal in het zuiden tekende Beckeringh nog geen verveningsactiviteiten, maar ook aan de drie zijden waar hij dat wel deed, lag het meer nog in woest hoogveen. Collectie RHC Groninger Archieven 1536-6317.

Als je afgaat op de verschillende Groninger encyclopedieën en andere naslagwerken, werd het Hoetmansmeer, een meerstal in het hoogveengebied tussen Wildervank en Nieuwe Pekela, pas in 1804 drooggelegd en in boerenplaatsen opgedeeld. Dat mag zo zijn, maar die droogmaking kende een vrij lange aanloop, waaraan meestal voorbij wordt gegaan. In 1769 vroeg juffer H.H. Werumeus, de eigenares van het meeste veen aan de kant van de Ommelanderwijk, de stad namelijk al om droogmaking van het meer, waarop de stad in de zomer van 1770 besloot om samen met haar die drooglegging werkstelling te maken. Dat gebeurde in eerste instantie door een ringsloot aan de noordkant, waarin het meerwater kon afzakken. Terwijl de stad die sloot steeds verder zou verdiepen, zou juffer Werumeus de afwatering van de sloot naar haar wijk betalen en die wijk steeds dieper houden dan de ringsloot. Voor de vervuiling van haar watergangen met meerstalwater zou de stad haar een vergoeding geven. Maar waarschijnlijk doordat de juffer weldra stierf, lag het werk in 1776 stil. Met haar opvolger C.H. Gockinga, die dat jaar aan de bel trok, werd weliswaar in 1778 een nieuwe overeenkomst gesloten, zodat in 1785 de perceelsgrenzen door het meer konden worden “opgetrokken”, maar erg veel schot zat er dus ook toen nog niet in de zaak, wat deels wellicht zijn oorzaak vond in enkele diepere kolken in het meer.

In elk geval bestond er in de jaren 1770 al een “commissie tot het aftappen van het Hoetmansmeer”. Ook lag een deel van het meerland destijds al droog. Want toen voornoemde commissie in de zomer van 1776 de oevers naging en onderzocht, zag een van haar leden, dr. Forsten,

“een aanmerkelijke antal banken boekweitenlandt, gelegen op het droog gewordene landt bij en omtrent Hoetmans Meer”.

En dit boekweit (een brandcultuur) groeide nota bene op zijn grond, in de opstrek van de veenplaats nr. 35 aan het Oosterdiep in de Wildervank. Bij nader onderzoek bleek Forsten ook, dat het veen hier was “gebrand, bearbeijdt, besaaijt en beheerdt” door zijn pachter op die plaats, te weten Stoffer Hindriks Smit. Alleen gebeurde dit zonder Forstens voorkennis en toestemming, ja, Forsten kreeg er zelfs helemaal geen pacht voor! En dat terwijl sommige van de bewerkte akkers al “eenige jaren schenen geboekweijdt te wesen” – bij andere percelen ging het om “geheel nieuw landt, nieuws toegemaakt”.

Eigenlijk was hier dus sprake van een grondkraak… Uiteraard wilde Forsten van zijn meier weten hoe dit zat en Stoffer Hindriks Smit gaf daarbij grif toe

“gemelde boekweijtenlandt gebrandt, bearbeijdt en besaaijt te hebben, voorgevende dat landt van Rem[onstran]ts overleden veenbaas gekogt te hebben, die nu al in de drie jaren overleden is geweest, daar een gedeelte landt onlangs is toegemaakt, ook in de jaarlijkse rekeninge in praesentie van de veenbaas met meergemelde meijer geen de minste mentie off verantwoordinge van dat landt geschiedt is.“

Met andere woorden: Smit beweerde de grond te hebben gekocht van Forstens veenbaas, maar omdat die goeie man al drie jaar dood was, kon dat onmogelijk opgaan voor het deel van de grond dat nog maar sinds kort bewerkt werd. Bovendien ontbrak elk schriftelijk bewijs voor zo’n transactie en Smit lulde zich zo compleet vast. In elk geval vond Forsten reden om naar de Oldambtster drost te stappen. Hij achtte het

“ten hoogsten noodig dese geweldadigen handelwijse tegen te gaan en voldoeninge te erlangen van het gepasseerde”

en vroeg op 29 juli 1776 de drost om Smit ter verantwoording te roepen en hem te verbieden dat land nog langer te gebruiken. Via de wedman van Wildervank werd dit “exploot” bij Smit bezorgd.

Voor ik verder ga met de civiele zaak eerst iets over de achtergrond van beide partijen. De ene zou je een Goliath kunnen noemen en de ander een David.

De Goliath was dan de gepromoveerde jurist Hindrik Forsten (1711-1796). Waarschijnlijk betrof het een zoon of kleinzoon van de rond 1700 in Wildervank prominente verlaatsmeester, wedman en veengenoot Jan Harms Forsten. De familie Forsten ging het bijzonder naar den vleze, haar wapen prijkt op een herenbank in de Wildervankster kerk. Hindrik stond met zijn ene been in de geleerde wereld, want toen hij stierf liet hij volgens de kranten-advertenties een “fraaye verzameling” van Latijnse, Franse en Nederlandse boeken na over rechtsgeleerde, godgeleerde en historische onderwerpen. Deze bibliotheek kwam in de stad, waar Forsten ’s winters woonde, onder de hamer van de academische auctionaris Bolt. Even tevoren was Forstens vastgoed al geveild: een “menigte porcelen landerijen, veen en dallen”, meest gelegen te Wildervank, naast wat grondpachten aldaar, twee huizen met tuinen en last but not least een veenplaats op het Gasselternijveen.

Kortom, Hindrik Forsten was een jurist, academicus en grootgrondbezitter. Wie de David was, blijkt uit de boedelinventaris van Forstens  pachter Stoffer Hindriks Smit (1775). Smit bezat toen een huis en tuin (Oosterdiep Wildervank nr. 35) met ongeveer 8 deimt land, wat neerkomt op 3,6 hectare. Dat land was gedeeltelijk weiland, want aan levende have had Smit twee koeien, een enter (éénjarige) vaars en een “hokkeling bolle” (stierkalf dat gemest werd), twee koekalveren en een schaap. Voor het melken van de koeien beschikte hij over melkgereedschap, voor het verwerken van de melk tot boter had hij een karn. Maar hij was niet louter veehouder, want hij bezat tevens een boekweitzeef, een zaaistok, een boekweitschoffel en vier dorsvlegels voor zijn graan. Afgaande op deze eigendommen was Smit een keuterboer met een gemengd bedrijf. Een keuterboer die het juist niet zo voor de wind ging. Van het aankoopbedrag van zijn veenplaats resteerde immers nog 1000 gulden schuld aan Forsten, en dat met het lopende jaar rente, te weten 40 gulden. Bovendien had de “heer en meester” Forsten nog een jaar grondpacht van Smit tegoed: 25 gulden. Forsten was daarmee veruit de belangrijkste schuldeiser van de keuterboer, die volledig aan Forsten was overgeleverd. Nogal stom dus, om zonder Forstens toestemming diens drooggevallen grond bij het Hoetmansmeer in gebruik te nemen, temeer daar Smit zijn rente- en pachtschulden bij Forsten nog verder liet oplopen dan in 1775 al het geval was.

Op 13 augustus 1776 kwam de zaak van Forsten contra Smit voor het eerst voor het Oldambtster gerecht. Forsten eiste een vergoeding voor de schade, te begroten door de drost, en ook moest Smit voortaan afblijven van het boekweitenland bij het Hoetmansmeer. Smit gaf in een volgende zitting toe dat hij dit land had gebrand, ingezaaid en bewerkt zonder daarvoor toestemming van de grondeigenaar te hebben, of die er pacht voor te betalen. Op 10 september erkende Smit in een andere procedure, dat hij Forsten inmiddels twee jaar rente en pacht voor zijn eigenlijke veenplaats schuldig was. Dat Forsten Smit echter ook nog wat moest voldoen, mogelijk arbeidsloon voor turfgraverij, bleek uit hun schikking de dato 24 september, die een week later in het civiele prothocol van de Oldambtster drost geboekt werd. Bij die “conventie” kwamen beide partijen overeen:

  • Dat Smit met onmiddellijke ingang zijn tuin en akkerland in eigendom zou afstaan aan Forsten. Wat er nog te oogsten viel, mocht hij houden, evenals zijn bult mest. Dat inhalen van de oogst moest echter wel zo snel mogelijk gebeuren.
  • De rest van zijn 8 deimt grond, het groenland, mocht Smit nog tot november gebruiken voor zijn vee.
  • Het huis op de grond mocht hij nog tot mei 1777 blijven bewonen. Hij mocht het huis, dat hij mogelijk zelf liet bouwen, dan afbreken voor het bouwmateriaal, maar als hij dat niet voor 1 mei deed, dan werd ook dit huis ’t eigendom van Forsten.
  • Op deze manier werden alle schulden van Smit aan Forsten betaald en ook de rekeningen over en weer. Wel waren de rechtskosten alleen voor Smit, met uitzondering van de daggelden, die hem werden kwijtgescholden.
  • Uiterst opmerkelijk was, dat Smit het gekraakte en gewraakte boekweitenland nog vier jaar mocht blijven gebruiken. Waarschijnlijk deed Forsten deze concessie omdat Smit nogal geïnvesteerd had in het voor de boekweitteelt geschikt maken van dit land.

Hiermee verloor Smit op termijn al zijn vastgoed. Dankzij zijn grondkraak trad de keuterboer toe tot het leger van bezitslozen. Alleen in mooie verhalen wint een David van een Goliath.

Bronnen (afgezien van de gelinkte)
Alles in RHC Groninger Archieven –

  • Toegang 1468 (Veenkantoor) inv.nrs. 218 (droogmaking Hoetmansmeer), 221 (verpachting stadsplaatsen), 250 (idem);
  • Toegang 2041 (Register Feith, afschriften) inv.nr. 1069 (voorwaarden aftapping Hoetmansmeer);
  • Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6126 (rekest Forsten);
  •  Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 47 (civiel proces).

One Comment on “Grondkraak bij het Hoetmansmeer”

  1. anoniem zegt:

    Als je op de hand bent van de meier, dan moet Forsten wel in zijn schik zijn geweest met de ontdekte boekweitbouw, overigens maar een gering aantal jaren op dezelfde plek mogelijk, daarna daalt de opbrengst zoveel dat er braaklegging op volgt. De meier had het werk al gedaan, de winst weliswaar opgestreken, maar nog iet in staat zijn schulden te voldoen, een kat in het nauw maakt rare srongen. Eerlijk gezegd, ik hoop dat de meier op tijd een andere woning vond (al dan niet met lekkend dak) en in staat was alle werkzaamheden op tijd af te doen, zodat Forsten zo weinig mogelijk voordeel overhield. Of dat stuk land nu onbebouwd lag of bemest werd en bewerkt, Forsten zal er geen belegde boterham minder om hebben gegeten, de meier aan de andere kant wel. Maar het recht moet zijn loop hebben, eigenlijk was boekweit verbouwen zonder toestemming natuurlijk wel gewoon diefstal. Maar dat Forsten nou net zo goed thuis was in rechtszaken was wel heel erg sneu voor de meier. Reina


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s