Een zwakzinnige reus

“Een zoon, die van jongs op seer elendig is geweest”, zo omschreef Aafje Hilbrands in 1778 het “eenigst kind” van haar en wijlen haar eerste man Freerk Jans. Waarom de jongen er zo slecht aan toe was, legde ze uit:

“als kunnende [hij] niet staen, gaan nog spreken, verstandeloos en gevoelloos, so dat er gestadig iemand met hem spelen moet, en hem als een kind oppassen en bedienen, zelfs zo verre dat ’t eeten en drinken hem agter in de mond moet worden [gegeven]”

Op dat moment was die zoon achttien jaar oud en

“niet alleen wegens zijn elendigen toestand, maar ook wegens desselvs grootte van lighaam veel kosting van oppassinge, kleeren, levensonderhoud benodigt…”

Gelukkig behoorde Aafje niet tot de allerarmsten in de samenleving. Naar blijkt uit de boedelinventaris, die opgemaakt werd voor haar hertrouwen in 1772, hadden zij en haar eerste man, die schipper was geweest, zowel een tjalkschuit als een eigen huis in Wildervank. Ook verder zaten ze goed in de spullen. Zo liet Freerk bij zijn “lijfstoebehoren” maar liefst 7 hemdrokken na, waarvan 3 met zilveren knopen. Verder bezat hij onder meer een zilveren horloge, een paar gouden hemdsknopen en een bijbeltje met zilveren sluitwerk, al met al een bewijs voor zijn welvaart.

Uiteraard werden er bij dat hertrouwen van Aafje “voorstanders” of voogden voor haar zoon Jan aangesteld. Met die voorstanders sloot Aafje een akkoord over Jans vaderlijke erfdeel. Afgezien van de lijfstoebehoren van haar overleden man, die voor haar zoon bestemd waren, nam Aafje alle bezit over. In ruil daarvoor zou ze haar zoon tot zijn achttiende “in kost, drank en klederen” onderhouden. Daarna zou zij de voorstanders voor het erfdeel van Jan 600 gulden geven en de lijfstoebehoren van zijn vader. Met toestemming van de drost waren die kleren en opsmuk naderhand verkocht voor 100 gulden, zodat de totale som gelds die de voorstanders van Jan in 1778 ter beschikking hadden, 700 gulden bedroeg.

Vanwege Jans toestand, waren er zes jaar eerder bij het akkoord al voorzieningen getroffen voor de periode nadat hij achttien zou zijn geworden. De voorstanders wilden hem bij zijn moeder laten blijven voor een kostgeld van 100 gulden per jaar. Daarmee zou het dan zeven jaar kunnen duren, voordat Jans vaderlijke erfdeel opgesoepeerd was. Maar Aafje wilde hem ook dan nog wel houden. Ze nam aan “het zelve uit het eigen goed, zo lang zij en ’t kind leeft, te onderhouden”.

Maar dat kostgeld van 100 gulden, afgesproken toen Jan twaalf was, bleek toch wel wat karig op zijn achttiende, toen hij enorm bleek te zijn gegroeid. Reden voor Aafje om zich met dat rekest tot de Oldambtster drost te wenden. Ze klaagde dat ze met het afgesproken bedrag “tot onderhoud en oppassen van ’t kind” niet toekon, waardoor het huishouden met haar tweede man er financieel sterk onder leed. Daar viel echter wel een mouw aan te passen. Jan had intussen namelijk nog 410 gulden geërfd van een oom die in West-Indië stierf. Onlangs overleed bovendien een “moeij” of tante van hem, waarvan hij de mede-erfgenaam was. Aafje vroeg de drost haar “verbeteringe van ’t kostgeld” te bezorgen, door haar beide erfenissen toe te wijzen. Mocht ook het geld daaruit opraken, dan zou ze Jans onderhoud alsnog geheel uit eigen zak betalen.

Uiteraard zouden die erfenissen voor Jan in ontvangst worden genomen door Jans voorstanders, die na zijn achttiende gewoon in functie bleven. Of zij het ermee eens waren, vertelde Aafje niet in haar verzoekschrift. De drost schreef een hoorzitting uit om zowel Aafje als de voorstanders te horen, maar de conclusie ontbreekt helaas in het rekestboek. Ook vond ik elders in het drostenarchief geen afrekening van de voogden, terwijl het archief van de rechtstoel Veendam-Wildervank helaas verloren ging, zodat een eventueel civiel proces niet meer naspeurbaar is. Dat is jammer, maar dan nog blijft het beeld hangen van een vrouw die financieel alle zeilen moest bijzetten voor haar zwakzinnige zoon. Ook toen al zorgden zorgkosten voor heel wat hoofdbrekens.

Bronnen:
RHC Groninger Archieven,

  • Toegang 731 (gerechtelijke archieven Wold-Oldambt) inv.nr. 3901 (boedelinventaris Freederick Jans en zijn vrouw Aafjen Hilbrands 1772);
  • Idem, inv.nr. 6127 (rekestboek, in dit geval met verzoekschrift d.d. 8 september 1778).


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s