Diaken laat zieke vrouw voor zijn huis op straat liggen

Die zaterdag, de 20ste maart 1789, stopte er een paard en wagen voor de apotheek van Johannis Adamus Crebas in Winschoten. De wagen kwam van Westerlee, waar de diaconie hem had gehuurd voor het vervoer van

“een arme valetudinaire vrouw, thuis behoordende in Oostvriesland, welke niet te voet kon worden getransporteert”

Valetudinair betekent: ziekelijk, sukkelend. De wagen stopte voor Crebas zijn huis, omdat hij boekhoudend diaken was van het kerspel Winschoten. Waarschijnlijk verwachtten de Westerleesters dat Crebas zou zorgen voor het verdere vervoer van de patiënte. Nadat ze haar bij hem hadden “gepraesesenteerd”, konden ze echter nog niet meteen terug naar hun eigen dorp, want Crebas vond al direct uit dat de Westerleesters eigenlijk bij de lutherse gemeente moesten zijn. Naar haar eigen zeggen was de vrouw immers “van de augsburgsche confessie”.

De luthersen hadden hun kerk nog op Winschoterzijl, aan de grens van het Oldambt met Westerwolde. Maar een diaken van de lutherse gemeente, Daniel Schooman, woonde in Winschoten. Toen de vrouw bij hem uitgeladen werd, bestond hij het om

“voors[zeide] ellendigen, welke aan zijn huis door de diaconen van Westerlee was afgezet, op de straat te laaten liggen, zonder zig haar aangaande te bekreunen…”

De diakenen van de hervormde gemeente Winschoten maakten hier naderhand bij de drost nogal een nummer van. Ze verkeerden in de veronderstelling, zo schamperden ze, dat Schooman

“even zo genegen als hij verpligt was (…) aan een lid van zijne Kerk de pligt van christelijke handreikinge te doen…”,

maar dat viel dus nogal tegen. De hervormde diakenen meenden “dat zulk een handelwijs niet behoorde plaats te hebben” en daarom hadden zij zich het lot van de zieke vrouw aangetrokken:

“zoo hebben rem[onstran]ten zig niet durven onttrekken, maar zig veeleer verpligt gevonden als diaconen die de leer van Jesus volgen in de behoevten van deeze noodlijdende, door haar eigen geloofsgenoten niet geholpen, te voorzien.”

Kortom, het geval bood ze een prachtkans zich te profileren als véél christelijker en liefdadiger dan de lutheranen. Een beetje schijnheilig was dat wel, gezien het vervolg, want aan die menslievendheid hing natuurlijk een prijskaartje. Om die reden stonden de Winschoter diakenen rap, namelijk vier dagen later al, in de gehoorzaal van de Oldambtster drost, waarbij ze het voorval uit de doeken deden, aanvoerden dat ze niet verplicht waren om de vrouw te ondersteunen, en vroegen om zijn toestemming voor het terugvorderen van het aan haar gespendeerde geld bij de lutherse collega’s.

Volgens het diaconiereglement voor de stadsjurisdicties van 1783 was een hervormde diaconie, die ook als eerstelijns algemeen armenfonds moest optreden, wèl degelijk verplicht tot voorlopige steun in zo’n geval, waarna ze de uitgaven sowieso kon terugvorderen bij het dichtstbijzinde armenfonds van de dissenterkerk waartoe de persoon in kwestie behoorde. Wettelijk stond de hervormde diaconie van Winschoten dus al in haar volste recht. Na een hoorzitting verplichtte de drost de lutherse diaconie dan ook tot het “refundeeren” van de hervormde voorschotten.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6133: rekesten met apostilles.



Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s