Een zee-eenhoorn in het Schuitendiep en andere aardkundige raadselen van weleer

2015-08-03-017

Wat ondergrondse boomstammen, kienhout, de zondvloed, de Stobbevenne bij Roderwolde, de grote veenbrand van 1684 etc. met elkaar te maken hebben.

Ludolph Smids (1649-1720) groeide op te Groningen als wees in een welvarend katholiek milieu. Zijn voogden stuurden hem eerst naar een Latijnse school in Antwerpen en vervolgens naar een klooster in Westfalen, vanwaar hij op zijn 21-ste terugkeerde naar zijn vaderstad Groningen om geneeskunde te studeren, Deze opleiding maakte hij naderhand af in Leiden. In 1673 vestigde hij zich andermaal in Groningen, nu als arts. Door zijn overgang naar de gereformeerde kerk en zijn tweede huwelijk met een gereformeerde juffrouw raakte hij gebrouilleerd met zijn familie, en besloot daarom in 1685 naar Amsterdam te verhuizen, waar hij zich tot een nogal gezwollen dichter en een universele geleerde zou ontwikkelen.

Als arts publiceerde Smids in 1688 enige ‘Aanmerkingen’ op een tweedelig traktaat (1681-1683) door zijn Amsterdamse collega Stephanus Blankaarts, welke aanmerkingen naderhand aan Blankaarts werk zijn toegevoegd in een convoluut. Deze verzamelband is in zijn geheel bij Google Books te vinden. In zijn Aanmerkingen haalt Smids nogal eens medische gevallen uit zijn Groninger tijd aan. Bij gelegenheid ga ik daarop in. Dit keer iets over een geologisch zijpad dat beide heren insloegen.

In deel II van zijn traktaat (pag. 209-210) vertelt Blankaart over bomen die in Cornwall onderin tinmijnen waren aangetroffen. Ook elders in Engeland kwamen wel eens ondergrondse bomen bloot te liggen, namelijk bij het verstuiven van duinen en Engeland was wat dat betreft geen uitzondering, want dat gebeurde in Holland eveneens. Uiteraard gaf dat discussie:

“Daar werd met groote vlijt over getwistredend hoe dat dese boomen in de grond komen: het gemeene (= gewone) volk is van gevoelen, datse door de Sondvloed sijn ter neergeslagen en met slijk bedekt. Sommige aartkenders twijfelen of het niet een sonderlinge soort van boomen is, die uit de natuur in de holen der aarde gewassen zijn, gelijk men gelooft dat er enige planten wassen. ..“

Blankaart zocht het zelf liever niet in zulke “verre oorsaken”. Hij geloofde eerder aan een grote overstroming die de bomen ontwortelde en met zand en slik bedekte : “Daarom vind men daar gemeenlijk rivieren of morassen by”. In zijn eigen verklaring noemde hij de zondvloed niet, maar sloot deze toch ook niet uit.

In zijn Aanmerkingen (pag. 123-124) valt Smids zijn collega min of meer bij op basis van Groninger bevindingen. Dat er een aparte soort bomen onder de grond groeide, wees hij vanwege veenkoloniale vondsten van de hand:

“Men vindse buiten Groningen bykans in alle veenen als in Sappemeer, Wildervank &c., te weten onder het veen en bovenop het sand en juist (…) met de stamme naar het noordwesten. De turfschuitenschippers brengen dit hout mede als wat bysonders, nu rot en vermolmd, en heeten het keenhold.”

Dat ‘keenhold’ kennen wij nu als kienhout. De stammen waar het eind zeventiende eeuw van afgenomen werd, bevonden zich onder de veenlaag en op de onder het veen liggende zandlaag. Ze kwamen dus tegen het eind van de turfwinning op bepaalde locaties tevoorschijn. Smids verwijst impliciet naar de Stobbevenne bij Roderwolde, waar in het laatste jaar dat hij in Groningen woonde een grote veenbrand had gewoed:

“Toen in de heete somer van 1684 het veen by het meir langs ontrent Rowolde en Paterwolde was in brand geraakt, soo wierde daar in de uitgebrande kuilen een denneboom ontdekt van 40 voeten, boven het sand en, als gesegt is, onder het veen, ook met de wortel naar ’t noordwesten.”

Volgens Smids waren zulke bomen “door een geweldigen vloed omgeworpen en door het meegesleepte zand overstulpt”. Die vloed, bij verschillende oudere schrijvers het “Dilivium Cimbricum” geheten, zou in 340 voor Christus tussen de Rijn en de Elbe hebben huisgehouden. Volgens Smids vormde hij een plausibele verklaring :

“Dit moet niemand onmogelijk en ongelooflijk schijnen, nademaal midden in de Stad Groningen, tegenover de trappen van het Raadhuis, onder de herberg van den Daniel, eertijds eenige stukken van een oud schip zijn opgegraven. Voeg hierby dat hoorn van een zee-eenhoorn, gevonden van den arbeiders in het Schuitendiep…”

De Groninger bodem herbergt heel wat verrassingen, mag je hieruit concluderen. Dat wordt nog wat bij het ingraven van de Zuidelijke Ringweg, straks.

Met dank aan Otto Knottnerus voor het attenderen op deze bron.



Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s