Herbergier houdt vooruitgang op

Zuidwending ca. 1830. HisGis.

Zuidwending tussen Veendam en Pekela, ca. 1830. HisGis.

Dat er behoorlijk primitieve toestanden konden bestaan in een vroege veenkolonie, wordt weer eens aangetoond door een rekest uit augustus 1790. Daarin geven Roelf Willems en Willem Derks, volmachten van de ingezetenen van de zuidkant “van de zogenaamde Zuidwending” aan, dat er tot dan toe alleen een voetpad langs hun Meedemerdiep was, waarvoor “enkelde batten” over de dwarswijken gelegd waren, die door de ingezetenen moesten worden onderhouden. Een pad met zulke vaak één plank brede, leuningloze bruggetjes was ten ene male onvoldoende,

“en wel voornamentlijk in ’t begraven hunner doden, die na Veendam moeten woren gebragt, ’t welk des somers met scheepjes geschied, maar in de winter wanneer het ijs zodane transport niet gedoogt, bijna ondoenlijk is.”

Je ziet het voor je: de verkleumde nabers die met bemodderde, misschien zelfs verijsde stevels een doodkist over de wiebelige bruggetjes moesten dragen. Er was allang geprobeerd om hier verbetering in te brengen, zij het “vrugteloos”, totdat de ingezetenen en de landgebruikers eindelijk besloten

“om een rijdweg te vervaardigen bijlangs de zuidkant van de Zuidwending, van het huis van Jacob Jans Timmer tot aan het einde van de Zuidwending, en ten dien einde dubbelde batten over de wijken te leggen, onder expresse voorwaarde dat deze weg door niemandt anders als door de geïnteressseerdens wierde gebruikt tot hun gemak en gerijf om deze door hunnen landen beter te kunnen bereiken en dus de colonie tot beter perfectie te brengen en ook vooral om hunne doden in de winter met meerder gemak na de begraafplaatzen te kunnen transporteeren.“

Alle ingezetenen en landgebruikers hadden hiertoe een intentieverklaring getekend, een enkeling uitgezonderd: namelijk dezelfde Jacob Jans Timmer wiens huis in het bovenstaande citaat het westelijke, Veendammer uiteind van de Zuidwending markeerde. Niet alleen weigerde deze Timmer toestemming te geven voor, en bij te dragen in de kosten van de nieuwe weg, “uit hoofde hij voor zijn persoon er weinig voordeel van kon hebben”, ook wees hij volstrekt het aanbod van de andere inwoners van de hand om zijn aandeel dan voor hun rekening te nemen,

“…op die frivole uitvlugt dat hierdoor zijn herberg (als doende tappersneering) zeer door zoude komen te lijden en dat indien hem uit recompens daarvoor een tolhek bij zijn huis wierde vergunt, hij toegenegen zoude zijn, maar anders zulks niet gedogen wilde, een voorwaarde van dien natuir, dat daardoor het goed van der supplianten & hunne committenten te zeer zoude worden beswaard, als komen alreede de onderhouding van de batten met de aankleeve van dien tot haaren laste, maar ook vermeenen zij niet gerechticht te zijn om aan die persoon een tolhek te accordeeren.”

Partijen kwamen er zo niet uit en dus legden de Zuidwendinger volmachten de zaak voor aan de Oldambtster drost, die in augustus 1790 besloot om beide partijen te horen en ter plaatse poolshoogte te nemen. Die “oculaire inspectie” liet vervolgens nog bijna een jaar op zich wachten, waarna partijen op 9 augustus 1791 toch nog een “minnelijk accoord” sloten. Timmer gaf daarbij toestemming voor het leggen van de dubbele batten over zijn wijk, die ook

“op dezelve wijze zullen worden gemaakt, bekostigt en onderhouden als alle de andere batten, zoo over de wijken na de Pekela zullen worden gelegt…”

Hiertegenover beloofden de volmachten hem 195 gulden te betalen, als eenmalige vergoeding van de schade die Timmer meende te zullen lijden. Bovendien kreeg hij zijn rechtskosten vergoed. Al dat geld kreeg Timmer echter alleen dàn, als Burgemeesteren en Raad van Groningen hem een “gepriviligeert tolhek” zouden vergunnen. Was het stadsbestuur hiertoe niet bereid, of kwam de weg op een andere manier tot stand – blijkbaar waren de tolgelden deels bestemd voor het wegonderhoud – dan zou de overeenkomst alsnog “van nul en onwaarde” zijn.

Of de tol er kwam, is overigens twijfelachtig. Timmer raakte binnen het jaar failliet en ik ben geneigd dat toe te schrijven aan zijn halsstarrige, nogal asociaal overkomende houding, waarmee hij zich als herbergier bij zijn dorpsgenoten zeker niet populair zal hebben gemaakt.

Wordt mogelijk vervolgd.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6135 (samengevatte rekesten met apostilles of kantbeschikkingen).


One Comment on “Herbergier houdt vooruitgang op”

  1. Attie Tuin zegt:

    Leuk bericht.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s