Boerenzoon loopt weg uit kosthuis

Je zou misschien denken dat boerenzoons traditioneel gewoon thuis op de ouderlijke boerderij bleven wonen, tot ze deze als volwassen kerels konden overnemen, maar dat was (lang) niet altijd zo. Tenminste, ik kwam al een paar keer tegen dat zo’n boerenzoon op een andere boerderij in de omgeving ging wonen, om daar dan in het bedrijf mee te werken en zodoende te kijken hoe het beroep ook uitgeoefend kon worden. Dit lijkt in het Oldambt zelfs een vrij gangbare praktijk te zijn geweest, waarbij de ouders of voogden, net zoals dat bij kinderen uit arbeidersmilieus het geval was, konden bepalen waar zo’n jongen precies terechtkwam.

Een geval waarbij dit misliep, deed zich in 1792 voor in (Nieuw-)Beerta. De weduwe van Jacob Hindriks, Meentje Roelfs, bezat destijds een heerd met 63 deimt (28 ha.) land op de Beersterhoven, waarop ze gerst, haver, bonen, rogge en weite verbouwde. Uit haar eerste huwelijk met Hindrik Jans had ze een zoon Hindrik, die een jaar eerder, op zijn achttiende, door zijn voogden in de kost was besteed bij Tammo Jurjens Brouwer in Nieuw-Beerta. Maar tot drie maal toe liep de jongen er weg en hij kwam dan terug bij zijn moeder, “klagende aldaar niet te kunnen wezen”.

Sowieso was de jongen al van een “trist temperament”, aldus Meentje, die van oordeel was, “dat verdriet en ongenoegen zeer nadelig is voor de gezondheid van haar zoon”. Weliswaar deed ze wat van haar verwacht werd en spoorde ze haar zoon “van tijd tot tijd” aan zich weer naar zijn kosthuis te begeven. Maar dan bleek telkens weer “dat hij daartegens zodanig is ingenomen” dat ze het inderdaad beter vond

“hem elders in de kost te besteeden, waar hij met genoegen zoude kunnen wezen, temeer daar zijne middelen overvloedig toereikende zijn en het niet ontbreekt aan eene gelegenheid om hem elders in de kost te besteeden waar hij met genoegen zoude kunnen verkeeren en zoo goed, zo niet beeter ovectie (= affectie?) hebben en het boerebedrijf, waartoe zijn inclinatie zich bepaald, te leeren…”

Twee van de voogden, de voormond en de sibbevoogd, waren daar echter tegen. Zij bleven er “sterk op aanhouden” dat Meentjes zoon terug zou gaan naar Tammo Jurjens Brouwer, en ze hadden zelfs geprobeerd hem op gezag van de Oldambtster drost daarheen te laten brengen. Daarom vond Meentje zich “uit hoofde voor haare betrekking als moeder en haare zucht voor ’t welzijn van haar zoon” genoodzaakt, zelf met de drost te gaan praten, temeer daar van het beleid van de beide eerste voogden ook niet naar de smaak was van de derde of vreemde voogd. Wat Meentje graag van de drost wilde, was het uitschrijven van een beraad met alle partijen.

Die zitting vond plaats op 19 juni 1792. In zijn daarin tot stand gekomen beschikking keurde de drost het gedrag van Meentjes zoon uitdrukkelijk af. Zoals het was gegaan hoorde het niet te gaan – de jongen had moeten luisteren naar zijn voogden. Maar die toonden zich inschikkelijk en daarom stond de drost toe, dat Meentjes zoon “op zijn begeerte” in de kost zou worden besteed bij Jan Edes in de Beerta. Dit gebeurde echter wel “met ernstige recommandatie” van de drost, “om zich niet ontijdig weder vandaar te begeeven” zonder medeweten van zijn voogden, want dan zou er wat zwaaien.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6136 (rekesten met kantbeschikkingen).

Advertisements


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s