Wildervankster jager op ‘schadelyk wild’

Henry Alken - Spearing an otter. Van deze bezigheid lijkt me de familienaam Otterspeer afgeleid.

Henry Alken – Spearing an otter. Van deze bezigheid lijkt me de familienaam Otterspeer afgeleid.

Hindrik B. Dost, woonachtig te Wildervank, kwam bij de Oldambtster drost om iets te verzoeken uit hoofde van een bijzondere kostwinning:

“zijn bestaan gedeeltelijk hebbende van het vangen van otters, vossen en roofvogels op gronden & langs wateren van diverse eigenaren die hem daartoe permissie verleenen.”

In je verbeelding zie je dan eerst een figuur, een soort trapper of pelsjager, dat de woeste gronden achter Wildervank afstroopte op die schadelijk gevonden dieren. Maar dan blijkt dat de opsomming uit diens verzoekschrift gewoon gecopieerd is, namelijk uit de publicatie van het Groninger Departementaal Bestuur de dato 28 december 1802, met nieuwe regels voor de jacht en visserij. Per 1 januari 1803 was het voorlopig streng verboden:

“enig wild hoegenaamd te schieten, of te vangen, op welke wyze zulks ook zoude mogen geschieden, het zy met schietgeweer, honden, strikken of anderszins na den laatsten december dezes jaars; met vrylating echter aan een iegelyk, op zyne eigene gronden of langs zyne eigene wateren, jagt te maken op schadelyk gedierte als: otters, vossen en roofvogels, mits daarvan vooraf aan het gerichte locaal kennis gevende.”

Iemand die deze regels overtrad – eigenlijk een stroper, al valt die term niet – kreeg de eerste keer 25 gulden boete. Kon hij die niet betalen, dan dreigde hem enkele dagen gevangenschap op water en brood. Bij een tweede keer werd de boete opgeschroefd tot 50 gulden en “in cas van onvermogen” omgezet in een verbanning van drie maanden uit het Departement. Recidiveerde iemand dan nog eens, dan kwam hem dat te staan op twee jaar ballingschap. Uiteraard volgde bij alle drie de sancties de verbeurdverklaring van het gebruikte jachtgereedschap.

Hindrik Dost jaagde dus op schadelijk gevonden wild, maar dat op àndermans terrein en hij had specifiek voor dat doel permissie nodig. Hij wilde die jacht graag ongemoeid uitoefenen, “ook in de verboden tijd”, zonder dat hem dergelijke sancties dreigden.

De drost gaf hem inderdaad de gevraagde jachtvergunning, maar Hindrik moest wel eerst even naar de wedman van Wildervank om deze de “instrumenten die hij gedenkt te gebruiken” te vertonen, en om daarbij te verklaren

“dat hij geen andere zal nemen, bij verlies van den concessie & onder de poenaliteiten daartoe staande”.

Met die “instrumenten” zullen de door Hindrik te gebruiken jachtwapens bedoeld zijn, maar ik denk dat Hindrik toch ook wel de vergunningen moest kunnen tonen van de diverse grondeigenaars, op wier terreinen hij jaagde. Kon Hindrik zo’n vergunning niet op en voor een bepaald terrein laten zien, of jaagde hij met ander gereedschap dan het getoonde, dan werd hij vast alsnog beschouwd als een stroper.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 731 (gerechtelijke archieven Oldambt) inv.nr. 6142 (samengevatte rekesten en apostilles), die van 3 mei 1803.

Advertenties


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s