‘Een ondraaglijke, onnodige en zelfs schadelijke order’. Onrust in Zuidbroek over wegschouw

Pieter van Loon, Vegende vrouw. Collectie Rijksmuseum.

Pieter van Loon – Vegende vrouw. Collectie Rijksmuseum.

Al mocht zijn preektrant niet helemaal naar de smaak zijn van de nazaten, in zijn eigen tijd gold ds. Conradus Klugkist van Zuidbroek en Muntendam als een zeer geleerd en achtenswaardig man. Hij publiceerde een prekenbundel over “des Heilands geboorte in Betlehem” (1736), terwijl hij ook een stichtelijk werk uit het Duits vertaalde (1737), boeken die in beide gevallen kennelijk in een behoefte voorzagen, gezien de herdrukken die ze beleefden.

Dat ds. Klugkist niet helemaal aan de wereld ontstegen was, daarvan getuigt een verzoekschrift dat hij in mei 1738 bij de Oldambtster drost indiende namens een aantal nabers in het Zuidbroekster kerkbuurtje:

“Op den ingediende request van pastor C. Klugkisten en verder ondergeschreven bewoners van huisen an de strate te Zuidbr[oek], dat op sondag laast voorleden is afgekondigt een order der dijkrigteren, waarin onder anderen de remonstr[ant] opgelegt wort de strate nevens de goten en pompen by deselve àlle weken te schonen, met bedreiginge van de nalatige de breuk ten scherpsten te zullen afnemen, welke order alsoo door (= voor, HP) de remonstr[ant] ondraaglijk is, gelijk in sigself onnodig, indien niet schadelijk, de ondergeschrevene haar genootzaakt vindende U Wel Ed[ele] Hoogwijse Gestr[enge] in desen om redens te versoeken, temeer daar van ondenkelijke tijden of altoos door de caspeldienaar (die daarvoor tractement geniet) ansegginge word gedaan om de straate, goten en pompen te schonen wanneer de dijkrigteren zulks nodig oordelen, met bepalinge van dag wanneer geschout zal worden.”

Met andere woorden: de predikant hoorde in zijn eigen kerk na de preek een bekendmaking voorlezen namens de dijkrichters – d.w.z. degenen die toezagen op het onderhoud van allerlei voorzieningen in de openbare ruimte – waarbij hij en zijn buurtgenoten werden verplicht om èlke week de straat, de goten en de duikers onder hun dammen schoon te maken. Gebeurde dat niet, dan zouden ze bij betrapping zonder meer de daarop gestelde boete moeten betalen. Klugkist en zijn nabers verzetten zich uiteraard niet tegen het schoonhouden op zich, maar ze vonden deze algemene bekendmaking ondraaglijk, overbodig en zelfs contraproductief, omdat het tot dan toe altijd zo was geweest dat de kerspeldienaar de mensen individueel aansprak als er op een tevoren bepaalde dag een schouw van de dijkrichters aan zat te komen en er dus nog het nodige moest gebeuren. Die kerspeldienaar werd daar ook nog eens voor betaald; door de nieuwe methode zou hij erbij in kunnen schieten. Klugkist en zijn buren wilden daarom graag, dat de dijkrichters hun oekase nader zouden motiveren.

Op vrijdag 16 mei beloofde de drost om Klugkist en de dijkrichters “nader te verstaan en soo doenlijk te reguleeren”. Beide partijen kregen daarom een uitnodiging om op maandag 19 mei in het rechthuis van Noordbroek te verschijnen.

Van deze bijeenkomst vond ik geen verslag. Merkwaardig is, dat hierna in het rekestprothocol een verzoekschrift van de Zuidbroekster dijkrichters is ingeboekt, dat (deels) lijkt te reageren op het rekest van Klugkist en zijn buren, maar waarvan de kantbeschikking gedateerd is op 10 mei, dus nog voor de apostille op het rekest van Klugkist. Misschien maakte de klerk een foutje bij het overschrijven – dat gebeurde wel vaker – maar beide rekesten zijn überhaupt laat ingeboekt, namelijk pas tussen 16 juli en 4 augustus, zodat ik vermoed dat er wat anders aan de hand is geweest. Ik denk dat de dijkrichters wel even voor of op 10 mei een verzoekschrift hebben ingediend, maar dat afschrijving vanwege het protest door Klugkist c.s. alsnog is aangehouden tot na de bespreking met beide partijen, waarbij de tekst, in elk geval die van de kantbeschikking, alsnog is aangepast.

Onder aanvoering van wedman Swijghman, beweerden de dijkrichters van Zuidbroek en Muntendam dan,

“dat in dit caspel de gewoonte is de anseggingen en kerkenkundigen prævie te doen voor en al eer de wegens en straten (gemaakt) wordende, sijn in dit variabel saisoen seer nadelig, als wordende op gestelde dagen dickwijls door de regen daarvan belet en de kerkenkundiging niet haastiger als van 14 dagen tot 14 dagen kennende geschieden, passeert te mets de bekwame tijd [en] dewijl door de lange droogte de kleywegen en straten haast te hart en enbekwaam werden deselve na behoren te kunnen maken en schonen, ’t geen niet te redresseren is, tensy de dijckrigteren in haar q[ua]l[i]te werden geouthoriseert een generale kundiging te laten doen, dat een jegelijk der ingesetenen van Zuidbroek en Muntendam ten allen tijden gehouden zijn haar wegen en straten goet en schouwvry te hebben, en de dijkrichters dieswegen vrei staat alle saturdag of wat dag in de week goet vinden, na manier der naburige kaspels, deselve te schouwen en de nalatigen te breuken na gewoont.”

Met andere woorden: In Zuidbroek en Muntendam was het volgens de dijkrichters de gewoonte om iedere periodieke schouw op zich aan te kondigen, maar door het veranderlijke weer en onvoorziene regen ging naderhand vaak de goede gelegenheid voorbij voor schoonmaak en -schouw. Anderzijds maakte langdurige droogte de kleiwegen te hard en ongeschikt voor elk onderhoud. Verder speelde parten dat er (om wat voor reden dan ook) slechts eens in de twee weken een kerkdienst was waarbij een schouw kon worden aangekondigd. In plaats van een aankondiging per schouw, vonden de dijkrichters het daarom beter (eens per jaar in het voorjaar) een algemene aankondiging te doen. De dijkrichters mochten en konden dan ook op elk gewenst moment, vooral op zaterdag maar in principe op elke werkdag, schouwen en nalatigen beboeten. Op die manier was het geregeld in de naburige kerspelen en zo wilden de dijkrichters van Zuidbroek en Muntendam het ook gaan doen. Daarvoor vroegen ze toestemming van de drost.

Wat de dijkrichters er niet bij vertelden, dat ze zo veel meer armslag kregen bij hun controles. Naast een disciplinerend, zat er ook een financieel kantje aan de zaak. Telkens opnieuw een schouw moeten aankondigen, kostte nu eenmaal meer geld dan een algemene afkondiging ineens. Bovendien werd het telkens aankondigen van een schouw door de kerspeldienaar overbodig. Dat spaarde toch ook menig stuivertje uit.

Hoe dan ook, de drost willigde het verzoek van de dijkrichters in. Dominee Klugkist en zijn nabers dolven het onderspit. Wel vond de drost dat de zijlvestendienaar (dezelfde als de kerspeldienaar?) niet mocht worden benadeeld. Die bleef zijn inkomen houden uit het doen van aanzeggingen inzake wegonderhoud, gedaan uit naam van de drost.

Bron: RHC Groninger Archieven toegang 731 (rechtsarchief Oldambt) inv.nr. 6118 (samengevatte rekesten met kantbeschikkingen).

Advertisements


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s