Over hondepaden (I)

Zuiderveen en omgeving. Bron: Hisgis.

Zuiderveen en omgeving, ca. 1830. De heide met het veen is roze, bouwland wit en weiland groen. Bron: Hisgis.

Tussen Wester- en Heiligerlee, Winschoten en de Pekela bevond zich nog in 1830 een enorm heideveld, waar een eeuw eerder broodsmokkelaars uit Westerlee een lokale belastinggaarder hadden doodgeslagen. De oostelijke kant van die heide heette Zuiderveen, ook wel eens verlengd tot Winschoter Zuiderveen, of verkort tot Zuirveen.

De heide was hier al wel in veenplaatsen verkaveld, in lange stroken opstrekkend vanaf een slingerende bewoningsas in het oosten, eveneens Zuiderveen geheten. Waar de heide nog relatief de meeste plaats innam op die stroken, wat meer naar het zuiden toe, bezat de in Zuiderveen woonachtige wed. Harm Melles een veenplaats. Samen met de eigenaren van twee belendende veenplaatsen, ds. Tiddo Waldrik Siertsema van Eexta en de erven van de gezworene Amsingh uit Noordbroek, vatte zij het plan op, om hier turf te laten graven. Daarvoor moest er echter eerst een kanaaltje komen voor de afvoer van water en turf.

Zo’n kanaaltje kon je niet zomaar aanleggen, in dit geval al helemaal niet doordat het een voetpad en een rijweg tussen Winschoten en Pekela kruiste. Daarom wilden de weduwe Melles en consorten ten behoeve van dat voetpad “een genoegzaam bat of klap” over de wijk aanleggen, “en over de weg eene klapbrug”. Beide projecten zouden uiteraard op hun kosten worden uitgevoerd, evenzo het toekomstig onderhoud. Eind juli 1802 legden de weduwe Melles & co. hun plan met een “figurative kaart” voor aan de Winschoter dijkrichters en de Oldambster drost, “als de schouwing [en] overschouw respective hebbende over gemelde voetpad en rijdweg”. Zonder hun instemming konden beide benodigde doorgravingen immers niet doorgaan.

Op 21 september dat jaar lag er een advies van de dijkrichters, waarmee de wed. Melles & co. genoegen namen. Vervolgens zouden zij en de dijkrechters een contract opstellen, maar bleef het maandenlang stil.

Toch begon nog in 1802 het wijkgraven. Toen de arbeiders hiermee in het voorjaar van 1803 het voetpad naderden, kwamen echter vijf gezinshoofden van het Zuiderveen in het geweer:

  • Jan A. Udes
  • Hindrik Harms
  • Engelke Geerds
  • Jan Folkers
  • en Roelf Jans

Zij vertelden de drost dat ze in het bezit waren van een gebruiksrecht op

“zeker pat genaamd het Hondepat, lopende van het (Winschoter) Agterholt tot over de Zuiderveenster veenbouwten na de Pekela.”

Langs dit Hondepad lagen hun huizen of hemen. Ze gebruikten het om naar de Pekela te komen. Maar nu ervoeren ze dat de wed. Melles & co. op het punt stonden om dat pad door te laten graven en daarmee waren ze het volstrekt oneens,

“aangezien nu daardoor voor de rem[onstran[ten een omweg na de Pekela van meer dan een quartier uurs staat te worden geobtineert.”

Vandaar dat ze stopzetting van het werk wilden, wat de plaatselijke wedman door middel van een bevelschrift aan de wed. Melles & co. zou moeten overbrengen. Op 2 april 1803 willigde klerk Ogterop in afwezigheid van de drost het verzoek om zo’n bevelschrift in.

Blijkbaar was er te weinig rekening gehouden met deze Zuiderveensters die van het Hondepad gebruik maakten. De communicatie door de Winschoter dijkrichters zal dan ook vast niet optimaal geweest zijn. Hangende het geschil werden de rekesten van de adspirant-verveners ook niet afgeschreven in het Oldambtster rekestenprothocol. Dat gebeurde pas toen de hobbel gladgestreken was. Op 3 mei 1803 verleende de drost eindelijk zijn goedkeuring aan de plannen van de wed. Melles & co.,

“ter aansnijding van van eenig veen en de daartoe nodige doorsniding van het voetpat en rijdweg na de Pekela.”

Waar de nieuwe wijk kwam te liggen, is niet moeilijk te raden. Tussen Winschoten en Pekela kruiste even later namelijk maar één water de toenmalige rijweg en dat was de Zuiderveenster Hoofdwijk, tevens het enige kanaaltje van het Zuiderveen. Op bovenstaande HisGis-kaart, gebaseerd op het kadaster van ca. 1830, steekt dit kanaaltje vanuit het oosten als een winkelhaak in ‘t roze van de Zuiderveenster heidevelden. Even ten noorden van Oude Pekela (en het verdwenen Strobos) lost het nog steeds zijn water in het Pekelder Hoofddiep.

Waar het Hondepad precies lag, is een moeilijker te beantwoorden vraag. Van bovengenoemde vijf bezwaarmakers, zijn er dertig jaar later echter nog drie te herkennen in het kadaster, te weten Jan Alberts Udes, Engelke Geerds van der Veer en Roelf Jans Start. Alle drie woonden zij op het noordwestelijke uiteind van Zuiderveen.

Ook geeft de kadasterkaart een eindje ten westen van de klapbrug in de rijweg Winschoten-Pekela een tweede overbrugging weer, wat de bat of klap zou kunnen zijn die er werd neergelegd voor het voetpad.

Verder zijn wat oudere detailkaarten van Zuiderveenster veenplaatsen, die elk een glimp van het voetpad geven. Op een kaart van 1725 ligt dat een eind ten westen en parallel aan de rijweg, vlak langs enkele boerderijtjes. Op de kaart die de wed. Melles & co. in 1803 lieten maken, wordt dit voetpad inderdaad het Hondenpad genoemd en ligt het eveneens een eind ten westen van en evenwijdig aan de rijweg, min of meer op de grens van afgeveend land en heide. Op een schetskaartje van 1800-1810 tenslotte, vinden we de naam Hondenpad bovendien, opnieuw een eind ten westen van de rijweg en pal  ten oosten van een aantal herkenbare kadastrale nummers, die echter veel later met potlood op de kaart aangebracht zijn.

Een en ander geeft wel aanwijzingen, maar geen uitsluitsel waar we het Zuiderveenster Hondepad moeten zoeken. Zekerheid komt er pas door de kaart die Huguenin omstreeks 1825 maakte. Deze bevat een stippelllijn, die ik op onderstaande uitsnede met lila heb gemarkeerd:

Het Hondepad door Zuiderveen (lila). A = Woonplaats vande bezwaarden tegen afsnijding Hondepad ; B = Bat over door Zuiderveenster Hoofdwijk; C = Klap in de rijweg; D = Strobos; E = De toenmalige rijweg Winschoten-Pekela (nu verdwenen).

Het Hondepad door Zuiderveen (lila). A = Woonplaats van de bezwaarden tegen afsnijding van het Hondepad ; B = Bat over door Zuiderveenster Hoofdwijk; C = Klap in de rijweg; D = Strobos; E = De toenmalige rijweg Winschoten-Pekela (nu verdwenen).

Gemakkelijk is nu ook te zien, waarom nu juist de bewoners van het noordwestelijke uiteind van Zuiderveen (A) klaagden. Als ze naar de Pekela wilden, vormde de rijweg (E) voor voetgangers een enorme omweg, vergeleken bij het Hondepad. Afgaande op de kadasterkaart (maar niet op Huguenin) lagen hun boerderijen en andere huizen ook het verst van de rijweg af.

Intussen laat de kaart van Huguenin nog een andere, vanuit het zuiden recht doorgaande stippellijn zien. Dit andere pad blijkt deels de voorganger van de N972.

Morgen een vervolg over hondepaden in het algemeen en die bij Meeden, Bellingwolde en Vriescheloo in het bijzonder.

Bronnen, behalve de gelinkte: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief gerecht Oldambt) inv.nr. 6142 (rekestboek).

Advertisements

3 reacties on “Over hondepaden (I)”

  1. Rob Alberts schreef:

    Waar komt de naam “honde”paden vandaan?

    Vragende groet,

  2. Paul schreef:

    Interessant artikel. Vooral omdat mijn voorouders met de naam Ufkes in die periode op een boerderij aan Zuiderveen woonden. Zij woonden op de boerderij wat nu de sportschool Zuiderveen 29 is. Ben benieuwd of mijn voorouders nog voorkomen in het vervolg van dit verhaal.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s