Friese schipper dacht slim te zijn

Zoals wel meer schippers uit die tijd had Tiete Wijpkes (65), geboren te Bolsward, nergens een vaste woon- of verblijfplaats en was hij “altoos in zijn schip zig ophoudende”. Sinds een jaar of tien, twaalf voer hij vaak in de provincie Stad en Lande “om zeezand, zark en schulpzand te verkopen”. Dat zand zal hij, getuige zijn historie in december 1773, vooral van het eiland Ameland hebben betrokken. Daar bracht hij dan goederen uit Groningen heen, om plaatselijke producten als retourlading mee terug te nemen.

Dat we dit kunnen concluderen, komt door een vonnis van Gedeputeerde Staten van Stad en Lande. Want Tiete dacht slim te zijn, maar haalde een enorme stommiteit uit.

Op 2 december dat jaar kocht hij bij de koopman Wilhelmus Schneijder in de stad Groningen drie ankers (= al met al 114 liter) brandewijn, die hij contant afrekende. Net als een identieke hoeveelheid op 13 november was de brandewijn bestemd voor een Pieter Johannes van Ameland, wonend op Ameland. Omdat de brandewijn op dat eiland geconsumeerd zou worden, was de koper er er in Groningen geen accijns voor verschuldigd. Tiete Wijpkes kon dus volstaan met het afhalen van een vrijcedel bij het Goudkantoor, het provinciale belastingbureau bij de Grote Markt. Op 3 december stak Tiete van wal en voer langs het Reitdiep naar Zoutkamp, zo leek het. Diezelfde avond echter, kwam hij via de Aduarderzijl weer “binnen” en voer het Aduarderdiep op. Daar werd hij de volgende dag om een uur of 12 tussen Garnwerd en het Bolshuis (nu Bolshuizen) aangehouden door een stel Landsbedienden. Zij doorzochten zijn schip, troffen de vaatjes brandewijn aan en constateerden dat Tiete daar geen aangifte van had gedaan in het inklaringskantoortje bij de Aduarderzijl. Ze bevonden daarmee dat hij

“alzo de meergemelde drie ankers afgeschrevene brandewijn wederom ter sluik in deze Prov[inci]e heeft ingevoerd”.

Bij Gedeputeerde Staten , die als fiscale rechters over dit geval moesten oordelen, beriep Tiete zich op zijn onwetendheid. Ook zou er een timmermansknecht uit Aduard bij hem gekomen zijn, toen hij voor de Aduarderzijl lag. Die man wilde graag meevaren naar Ameland, en zou daar 4 gulden reisgeld voor betalen, als Tiete tenminste zijn spullen bij de Steentil zou komen afhalen. Maar Tiete wist geen naam van deze passagier-in-spe te noemen, en ook trapten de heren niet in Tietes geveinsde onwetendheid. Met zijn ervaring als schipper wist hij immers donders goed hoe het er in Groningerland aan toe ging. De heren veroordeelden Tiete daarom tot levenslange verbanning uit de provincie Stad en Lande en vonden dat nog een lankmoedig vonnis, hoewel ze toch geweten moeten hebben dat ze hiermee de Groninger negotie onmogelijk maakten, waarmee de Friese schipper zih in zijn levensonderhoud voorzag.

Niet alleen de Groninger negotie, trouwens, want naar gewoonte zou met de contrabande het schip verbeurd worden verklaard. Tiete was echter niet de eigenaar, zo bleek nog net op tijd. Een paar dagen voordat hij in de provinciale nor zijn vonnis te horen kreeg, diende namelijk ene Schelte Douwes, een collega-schipper, namens de voogden van het (diaconale) Armenhuis te Bolsward een verzoekschrift in met (notariële) bewijsstukken die konden aantonen

“hoe eenen Tijte Wijpkes hebben laaten vaaren op een kofschipje zoo aan gezeide voogden in eigendom is toebehorende (…) op welke kofschipje gezeide Tijtte Wijpkes alleenlijk geplaatst hebben om hem met zijn vrouw en kinderen aan de kost te helpen en dezelve van de diaconie opgenoemd af te houden..”

Als het kofscheepje vanwege Tietes smokkelarij “na strict recht” verbeurd verklaard zou worden, zou dat “ten eenemaal ongelukkig” voor genoemde instelling uitpakken, omdat deze haar armen moest onderhouden uit slechts weinig bezittingen. Daarom verzochten de Bolswarder armvoogden GS om het beslag op ‘t schip weer op te heffen en het terug te geven aan hun Armenhuis. Na bestudering van de stukken besloten Gedeputeerden dit verzoek te honoreren. De Bolswarder instelling kreeg het schip, “bevorens bij Tijtte Wijpkes bevaaren”, inderdaad “om Gods wille” terug “met zijn toebehorend zeil en treil”. Of dat schip nog weer aan Tiete ter beschikking werd gesteld, onttrekt zich aan mijn waarneming, maar lijkt me hoogst twijfelachtig, want hij maakte toch ook misbruik van het vertrouwen, door zijn weldoeners in hem gesteld.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad en Lande) inv.nr. 1352 (sententies GS in belastingzaken) het vonnis d.d. 20 december 1773; idem inv.nr. 445 rekest met apostille 16 dedember 1773.

Advertisements


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s