Rebulie bij de polderdijk

De Oostwolderpolder op een kaart uit 1791. Donkergroen de nieuwe dijk van 1769, lichtgroen die van 1701, blauw de Olde Geut, rood de voornaamste plaatsen. Bron: RHC Groninger Archieven 817-836.

Na jaren voorbereiding begon op dinsdag 14 maart 1769 om 9 uur ’s ochtends dan eindelijk de openbare aanbesteding van het dijkwerk voor de nieuwe Oostwolderpolder. Elke grote aannemer uit Groningerland en aanpalende gewesten met belang bij grondwerk liet zich toen vinden in de herberg van Harm Jans Golthoorn te Oostwold, waar de bestekken al een poos ter inzage lagen.

In totaal ging het om ongeveer 1300 roeden (5,4 kilometer) hoofddijk en een gelijke lengte aan (minder zware) kadijk, die “by putten” zouden worden aanbesteed. Aan zo’n put (graafkarwei) schepte en krooide een ploeg van acht tot twaalf dijkwerkers onder leiding van een ‘putbaas’ of voorman, die zelf vaak onderaannemer was.

De nieuwe zeedijk zou bijna 2700 deimt (of 1200 bunder) kwelder gaan insluiten. Ongeveer de helft hiervan lag in de opstrek achter Oostwold, maar ook de grondeigenaren en boeren van Finsterwolde kregen er land bij, ongeveer een vijfde van het polderareaal. Daar bij Finsterwolde, ten noorden van de kerk, sloot de nieuwe dijk ook aan op de oude dijk. Een derde van de polder lag aan de overkant van de Olde Geut onder Oostwolderhamrik.

Het project werd niet getrokken door de lokale boeren. Dat gebeurde door de grondeigenaren, voornamelijk stadjers, die enige vooraanstaande heren uit hun midden hadden aangesteld als hun “volmagten tot de aanstaande indijkinge van de Uiterdijkslanden agter Oostwold, Hamrik, Goldhoorn en Finsterwolde” – kortweg “gevolmagtigden” of “volmachten”. Hiervan regelden burgemeester W. Siccama, stadsrentmeester A.H. Berghuijs en de prominente katholiek J.J. Cremers de aanbesteding. Maar zij beleefden daar op die dag weinig plezier aan. Al bij de gunning van het eerste stuk dijkwerk ging het mis, zo berichtten ze naderhand de drost van het Oldambt. Kennelijk waren er naast aannemers ook veel dijkarbeiders afgekomen op de aanbesteding, want toen de aanneemsom van dat eerste, maatgevende stuk dijk in hun ogen veel te laag uitviel, waardoor ze konden voorzien dat hun loon eveneens mager zou zijn, werd

“den aannemer van het eerste pand door quadaardige menschen (…) vervolgt en met stokken geslagen, zodat die ternauwernood heeft kunnen worden gered, zijnde de verdere anneemeren hierdoor geïntimideert, zodat dien dag de verdere uitbestedinge heeft moeten worden gestaakt,…”

De volmachten, beducht dat een tweede publieke aanbesteding precies zo zou aflopen, besloten toen tot een list: de onderhandse gunning van al het dijkwerk tegen 9 gulden de put, “met dat gevolg dat nog dien avond het grootste gedeelte van de dijk is uitbesteed”. De volgende dag kwamen de betrokken aannemers hun bestekken bij Goldhoorn tekenen. “’t Geen meerendeels in een goede orders is verrigt”, aldus de volmachten, tot uiteindelijk “een groote menigte quadaardige menschen” dreigend hun herbergkamer binnendrong, die zodanig “bezet” raakte, dat ook die dag het verdere gunningswerk onmogelijk was gemaakt.

Problemen voorzien

Dijkarbeiders hadden een reputatie op te houden. In 1740 en 1762 legden ze voor een hoger loon het werk neer bij de dijkbouw voor de Stadspolder en de Landschaftspolder. Dat wisten de volmachten van de Oostwolderpolder natuurlijk en die hadden dan ook al problemen voorzien. Een maand voor de aanbesteding maakten ze al hun opwachting in het Groninger stadhuis, waar ze vertelden,

“hoe bij indijkinge van genoemde landerijen een meenigte vreemde arbeidslieden zullen moeten emploijeren om ’t werk spoedig te kunnen perfecteren, waaronder dikwerf kwaadwilligen worden bevonden, die off niet langer willen arbeiden, of meerder penningen dan hebben bedongen willen trekken, ook beletten dat de goedwillige om ’t begonnen werk voort te zetten, zoo als de ondervindinge in diergelijke gevallen heeft geleerd…”

De volmachten verzochten om voorspraak van het stadsbestuur, “dat zij ter beveil[ig]inge van het werk met een detachement militie mogten werden voorsien”. Op 10 maart, enkele dagen voor de aanbesteding, reageerden Burgemeesteren en Raad welwillend op dit verzoek. Zij vroegen de garnizoenscommandant, luitenant-generaal Van Holsten, om voldoende troepen naar het Oldambt te sturen “ter protectie van onze goede ingezetenen”, en om “desnoods alle tumulten en geweld (…) te weeren en te beteugelen”.

Enkele dagen na de aanbesteding bleek Van Holsten bezwaren tegen zo’n missie te koesteren. Het garnizoen was al zwak en er kwamen oefeningen aan. Sowieso diende eerst de opperbevelhebber, prins Willem V, er zijn toestemming voor te geven, vond hij. En daar moest het stadsbestuur de prins zelf maar om vragen. Hetgeen gebeurde. Op 21 maart ging er een brief naar de prins, waarin Burgemeesteren en Raad uitlegden dat het ging om een belangrijk werk waar maar liefst “1300 à 1400 meest vreemde arbeiders” op af zouden komen. Als raddraaiers ook maar het geringste oponthoud veroorzaakten, zou de indijking “voor het geheele zomer onnut kunnen werden gemaakt”. En omdat het werk al op 25 april begon, was er haast geboden. Of de prins de garnizoenscommandant bevel wilde geven,

“om een convenabel detachement militie ter requisitie van de volmagten te laaten volgen uit het guarnisoen van Groningen (…), teneinde deselve te dekken en de tumultueuse te apprehenderen en an de domiciliaire regter over te geeven, en dus dat werk in een behoorlijke tranquiliteit te laaten verrigten…”

Anders gezegd: de manschappen stonden ter beschikking van de volmachten; ze moesten deze beschermen, terwijl ze bij het dijkwerk de rust dienden te handhaven en eventuele oproerkraaiers moesten oppakken en aan de drost overleveren. Op 4 april honoreerde de prins, “overtuigt van de billijkheid”, het verzoek om militaire bijstand. Hij gaf commandeur Van Holsten schriftelijk bevel tot de Oldambtster missie.

Uiteraard moest er in het Oldambt gezorgd worden voor kost en inwoning van de militairen. De verdere organisatie en vooral ook de sterkte van het detachement liet de prins aan de commandeur over, al bepaalde hij nog wel dat het “sterk genoeg” moest zijn “om geen gevaar te loopen van aan affronten blootgestelt te zijn”. Van Holsten diende nog te overleggen met de volmachten. Ook moest hij de prins op de hoogte blijven houden.

De zoetelaarster en de schildwacht

Vanuit Groninger bronnen is het exacte aantal soldaten onbekend, maar uit de rang van hun bevelhebber laat zich afleiden dat het om enkele tientallen ging. Hun hoofdofficier was de 84-jarige Jean Valat, een hugenoot geboren in de Languedoc, inmiddels opgeklommen tot luitenant-kolonel en kapitein der infanterie. De eerste maand had zijn detachement weinig te doen en bleef het rustig. Dat Valat schildwachten langs de nieuwe zeedijk uitzette, die communiceerden met een wachtlokaal, blijkt pas uit een akkefietje dat zich op 9 juni voordeed.

Die avond bezochten twee Oldenburger dijkarbeiders, Geert Berends (28) en Berend Ipsen (25), het schip van Geerts zwager, om er enige “montprovisie” op te halen die de zwager vanuit Oldenburgerland had ingevoerd. Diens schip lag “in de Oude Gote agter Oostwoldt bij de nieuwe dijk” en pal ernaast lag een andere schuit “om drank en eetwaren an de arbeijders uit te suidelen”. De Oldenburger dijkwerkers besloten daar eens even langs te gaan. Ze dronken er “verscheidene half oorden genever met suiker” en het ging er vrolijk aan toe, want iemand pakte zijn viool en men ging dansen. Op een gegeven moment raakten beide Oldenburgers echter “door drank bevangen” en begonnen ze onbehoorlijke taal uit te slaan tegen de zoetelaarster, die ze ook “stoeijender wijze” beetpakten. Een aanbod van haar en haar man om koffie te gaan drinken, sloegen ze af, en ze pakten zelfs haar man bij de schouders, waarbij diens “hemtrock” scheurde. Sein voor de angstige vrouw om de dichtstbijzijnde schildwacht te roepen. Die arresteerde beide dijkwerkers, en leverde ze over aan de achterwacht.

Inderdaad raakten beiden zo in handen van de Oldambtster drost, die ze echter na enkele weken brommen in de Zuidbroekster toren weer vrij liet. Volgens de drost was de zoetelaarster namelijk “gene smerte, nog enige wondinge” aangedaan, terwijl hij de verdachten hun uitlatingen niet aanrekende, omdat die “inter personas vilioris conditionis” waren gedaan – kennelijk vond de drost dat soort uitlatingen normaal voor lieden van geringe stand. Ook had de zoetelaarster de schildwacht er “meer uit confusie, dan eminent gevaar” bij geroepen. Bovendien hadden de verdachten hun spijt betuigd. Weliswaar viel “ het antasten van jemant in zijn eigene schuite” niet te tolereren, maar daarvoor volstond het voorarrest als straf. Verder liet de drost het bij een ernstige waarschuwing.

“Schiet mij maar dood”

Het gevalletje in de zoetelaarsschuit was nog onschuldig vergeleken bij wat er op zondag 2 en maandag 3 juli gebeurde. Die zondag werd ergens een “wagen met smokkelwaaren” aangehouden, waarvan de lading bestemd was voor iemand bij de nieuwe dijk. Toen de dijkarbeiders op de polder bij de Goldhoorn hiervan lucht kregen, gingen er zo’n vijftig via Oostwold en Midwolda naar Scheemda, waar de wagen zou staan. Dat bleek niet het geval, zo ontdekten ze. De wagen stond inmiddels in de schuur van substituut-wedman Jacob Egges te Winschoten, waar hij niet alleen door landsbedienden (belastingcommiezen), maar ook door een sergeant, een korporaal en elf soldaten bewaakt werd.

Hoewel de dijkarbeiders opdringerig waren, bleef het daarbij. De volgende ochtend echter, vertrok er een ”menigte” arbeiders van de nieuwe dijk achter Finsterwolde via de Ekamp naar Winschoten met het voorneen om de in beslag genomen goederen te heroveren. Van twee kanten sloten ze het huis van Egges in. Ditmaal drongen ze zo op, dat ze de soldaten wisten te overmeesteren. Die raakten hun geweren kwijt en vervolgens werd de contrabande in triomf naar de dijk gevoerd.

Over de indentiteit van de arbeiders die bij deze actie betrokken waren, zijn de bronnen ambigu. Terwijl een eerste stuk het heeft over Oldenburgers, spreekt een tweede van “arbeiders van de dijk en andere”, terwijl de de “desordres” volgens een derde werden gepleegd “zo door de Oldenburgers als ingezetenen”.

In elk geval waren twee van de drie aanvoerders die naderhand werden opgepakt, geen Oldenburgers. De eerste was Jan Elses (35) uit Beerta, die ‘s zondags in Winschoten de gewapende soldaten had uitgedaagd: “Hyr staa ik, duivels, schiet mij maar dood’.’ Ook had hij de militairen uitgescholden voor “canaille”. Gedeputeerde Staten, die recht spraken in belasting- en smokkelzaken, veroordeelden hem hiervoor tot twee jaar verbanning.

Een heel wat zwaardere straf kregen de Pekelder Jan Hindriks Karstens (40), in de wandeling Starke Jan, ook wel Jan Oldenburger, en de putbaas Jan Beerends (ca. 59) die uit Bonderhamrik afkomstig was. Zij golden als leiders van de arbeiders die op maandagochtend Winschoten waren binnengetrokken. Starke Jan had daar bovendien een soldaat ontwapend en diens geweer afgeschoten. Hij raakte daarbij gewond aan een hand. Net als zijn Oostfriese collega werd hij veroordeeld tot een levenslange verbanning uit de provincie.

Intussen kregen de belaagde soldaten een extra beloning van GS, namelijk 25 gulden voor de sergeant. 10 gulden voor de korporaal en 5 gulden voor elk van de manschappen. Ook omdat er na de rebulie opeens erg veel belasting ontdoken werd, besloten GS nog veel meer troepen te sturen naar de nieuwe Dollarddijk dan er al lagen. In overleg met commandeur Van Holsten, de Oldambtster drost Berghuijs en kapitein Valat werd de versterking bepaald op één officier, twee onderofficieren en zestig man voetvolk. Deze moesten een feitelijk samenscholingsverbod afdwingen en zoveel mogelijk zorgen dat de dijkarbeiders bij hun werk bleven en niet meer “bij troepen over den ouden dijk” kwamen.

Het nieuwe detachement vertrok op maandagochtend 24 juli in trekschuiten naar Scheemda, en marcheerde vandaar naar Finsterwolde. Daar sloot de nieuwe dijk immers op de oude aan, zodat eventuele “samenrottingen” daar ook het gemakkelijks te voorkomen waren. Op vier wagens, elk met twee paarden bespannen, werd de bagage van het nieuwe commando vervoerd. Daartoe bevolen door de drost regelden de dijkrichters (waterschapsbestuurders) van Finsterwolde dit vervoer. Zij ook, moesten voor de inkwartiering zorgen. Alleen de huishoudens die grondbelasting betaalden, kregen ermee te maken. De drost gaf nog de aanwijzing,

“dat de heer capitain en de beijde officieren in het dorp de fraeijste en geschikste behuijsing werden toegevoegt, hetzij bij de meester off jemant anders. Voor ’t overige moeten de biljetten voor de gemienen, waaronder nogthans de sergeanten niet te rekenen, geformeert worden na quantiteit der behuisingen en vermogen der ingezetenen.”

Het eerste wat het nieuwe commando deed, was het arresteren van de bovengenoemde aanvoerders van de rebulie in Winschoten. Zodoende werd “de justitie dienst gedaan en het ligchaam van sijn hoofden berooft”. Ook beschermde het detachement een “administrator” (hoofdbelastinggaarder) die permanent in de omgeving gestationeerd werd. Naar het zich laat aanzien, was hun missie zeer effectief – voortaan bleven de dijkarbeiders rustig.

“Belastinge met egaliteit”

Maar zoals dat gaat, ging de inkwartiering tegelijkertijd zwaarder wegen. Op 23 augustus klaagde kapitein Budde van het detachement bij de drost dat ene Harm Hindriks Groot drie van zijn manschappen de inwoning had ontzegd, terwijl Groot ze voor hun geld ook geen eten meer wilde geven, “zeggende dat zijn vrouw, oud zijnde, dat niet beredden konde”. Budde probeerde hem nog te overreden, maar “alles tevergeefs, willende nae niets hooren”. Het draaide zelfs nog op ruzie uit. En dus zwierven er drie soldaten door Finsterwolde, “niet wetende waar zij voor haar geld te eeten zullen krijgen”. Budde stelde de drost voor om ze te huisvesten in een herberg, waarbij de meerkosten voor Groot zouden zijn,

“dan word hij als een ongehoorsaeme gestraft, op welke wijse de andere ook best in toom gehouden kunnen worden, anders vreese ik dat meer het voorbeeld van deezen Harm Hindrik Groot volgen sullen.”

De kapitein klaagde bovendien over wedman Roemeling van Finsterwolde. Ondanks een bevel van de drost wilde Roemeling de soldaten geen stro bezorgen: “Wilt gij stroo hebben, ziet dat gij het krijgt”. Zodoende moest Budde zijn mannen ’s avonds na de taptoe nog ligstro laten halen.

Budde zal blij zijn geweest, dat hij en zijn troepen zes dagen later werden afgelost. Bij zijn vertrek kreeg hij nog woorden met een dijkrichter over het bagagevervoer. Ook Harm Groot was blij, die raakte de soldaten voorlopig kwijt. Volgens de instructie moest het nieuwe detachement namelijk “zo veel doenlijk bij andere lieden” worden ondergebracht dan voorheen, “opdat de belastinge met egaliteit werde gedragen”.

Het nieuwe commando bleef een stuk minder lang dan dat van kapitein Budde. Voortaan werden de troepen ook sneller afgelost. Eind oktober werd het detachemernt gehalveerd en toen GS op maandag 13 november vernamen dat

“de nieuwe dijk achter Oost- en Finsterwold in den Oldambte met de afloop van deze week geheel en al stond te worden geëindigt, en dat er bovendien voor het tegenwoordige niet veel boven de honderd arbeiders, alle inlanders, in ’t werk waren”,

kon het commando zelfs helemaal inrukken, waarmee er een eind aan de missie kwam. Overigens kreeg elke soldaat die eraan deelnam een beloning, bestaande uit een extra week soldij. Hiervoor leverden de kapiteins attestaties in, waarbij de “huislieden” (boeren) van Finsterwolde verklaarden “zeer tevreden te zijn over de voorschr[even] commando met opzigte tot derzelver gedrag”.

Finsterwolde kwam er daarentegen nogal bekaaid vanaf. Drost Berghuijs deed op 25 november nog een goed woordje voor het kerspel bij GS. Hij schreef de heren dat de inwoners door de ongeveer achttien weken durende inkwartiering “zeer veele inconveniënten en aanmerkelijke nadeelen” hadden ondervonden. Hij verzocht ze derhalve om een schadevergoeding voor deze mensen, “voor ’t grootste gedeelte in bekrompene omstandigheden zijnde”. In de provinciale stukken echter, is er geen spoor van een dergelijke tegemoetkoming te vinden. En daarmee lijkt het er sterk op dat de militaire bescherming van het dijkwerk ten koste van Finsterwolde is gegaan.

Wie er uiteraard wel garen bij sponnen waren de boeren en vooral de eigenaars van land in de nieuwe polder. In 1770 vroegen en kregen die nog een vrijdom van de grondbelasting voor 25 jaar. Voorafgaand aan de indijking hadden ze jaarlijks nog 2 stuivers per deimt voor hun “hooikwelders” betaald. Zelfs daar waren ze nu vanaf.

Bronnen per paragraaf

Aanbesteding

  • Stratingh en Venema, De Dollard (Groningen 1855) 117-118.
  • Groninger Courant 10 januari; 3, 21 en 28 februari; 3 maart 1769 (aanbesteding); 18 april 1769 (Golthoorn); 15 april.1763 en 3 februari 1769 (kwelderaanwas),
  • WNT: de lemmata kaaidijk (kadijk) en put (putbaas).

Problemen voorzien

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten) 6153 (inzet militaire bij indijking, 1769), dossier met diverse brieven naar en van de Oldambtster drost.
  • Vriendelijke mededelingen over dijkstakingen van Otto S. Knottnerus in mails d.d. 25 en 26 juni 2017 (waarvoor hartelijk dank!).
  • RHC Groninger Archieven, rekest aan het stadsbestuur 10 maart; resoluties van het stadsbestuur 10, 20 en 21 maart; uitgaande missive 21 maart (in 1605-502); ingekomen missive 4 april (in 1605-316); resuluties 6 en 12 april, alles uiteraard 1769.
  • Via http://www.allegroningers.nl het begraafboek van de Waalse gemeente Groningen, september 1772 (kapitein Valat).

De zoetelaarster en de schildwacht

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten) 5694, de sententies van 17 juni 1769.
  •  WNT, het lemma zoetelaar.

“Schiet mij maar dood’”

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Staten) 1352, de sententies van G.S. d.d. 9 september (Jan Elses) en 23 serptember (Starke Jan en Jan Berends) 1769.

Belastinge met egaliteit”

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (Staten) 193: akten GS 10, 21, 24, 27 en 31 juli; 26 augustus; 7, 21 en 23 september; 3. 4 en 21 oktober; 1, 9, 13 en 22 november; en 11 december 1769.
  • RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (plaatselijke gerechten) 6153 (dossier met brieven over de inzet van militairen bij de indijking, 1769).
  • RHC Groninger Archieven, Toegang 1-444 (rekesten dec. 1769-eind 1770, ihb die van 2 of 3 april 1770), 1-193 (akten GS over dezelfde periode), en 1-60 (resoluties Landdag, ihb die van 23 april 1760.

2 reacties on “Rebulie bij de polderdijk”

  1. Attie schreef:

    Leuk stukje.

  2. Daniel schreef:

    Wat een mooi verhaal Harry, dank voor de link!


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.