De standsbewuste doopvader

Bernard Picart, Doop bij de Gereformeerden (1732) – fragment. Collectie Rijksmuseum.

Vaders in Beerta, zo ontdekte ik van de week, deponeerden in de jaren 1762-1764 vrijwel uitsluitend zilveren en gouden munten in het bekken op het kerkkoor, nadat daar de doop van hun kind plaatshad. Het ging veelal om enkele of dubbele geldstukken. Boeren gaven goudgeld (een gulden of meer), zilvergeld kwam in afnemende waarden van middenstanders en dienstbaren. Betaalden de laatsten een paar stuivers, menige kleine middenstander legde uit dankbaarheid dat zijn kind in de gemeente opgenomen was een sestehalf (5,5 stuiverstuk) in het bekken. De in deze schaal gelegde som hangt, met andere woorden, af van de inschatting die de doopvader van zijn eigen stand of maatschappelijke positie maakt.

Vanavond even gekeken of dit fenomeen ook in de buurgemeente Oostwold voorkwam. En ja hoor, daar doet zich  hetzelfde voor. Neem de zijlwaarder van de Oostwolderpolder Jan Brunius (ook wel Bruinius, Bruinjes en Bruins geheten). Bij twee vrouwen kreeg hij tussen 1772 en 1803 achtereenvolgens twaalf kinderen, die hij allemaal zelf ten doop presenteerde. Hieronder heb ik ze op een rijtje gezet met de sommetjes die de zijlwaarder in het bekken legde:

Datum doop Naam kind In het bekken (guldens-stuivers-duiten)
Huwelijk I –
2.8.1772 Abraham x
24.10.1773 Willem x
14.3.1776 Grietje x
20.9.1778 Lukas x
1.10.1780 Klaas x
31.7.1785 Helena Elemina 0-5-4
Huwelijk II –
24.10.1790 Hindrik x
4.11.1792 Anje 0-6-0
30.8.1795 Meindert 0-5-4
26.3.1797 Grietje 0-5-4
2.3.1800 Fybe “0-5-4”
26.6.1803 Willemina x

In zeven gevallen staan er kruisjes achter de namen, of omdat de desbetreffende kinderen samen met andere kinderen werden gedoopt, waarbij de diaken de ingelegde geldbedragen bij elkaar optelde en als som noteerde, of omdat de  diaken de opbrengst van de buil bij de preek en de inleg in het doopbekken bij elkaar optelde als zondaagse dagopbrengst. In zulke gevallen zeggen de geldbedragen meestal niets. Wel bruikbaar zijn de genoteerde bedragen bij doopbedieningen, waarbij de predikant louter en alleen een kind van Brunius doopte. Dat gebeurde in vier gevallen. In drie daarvan is de somma steeds een enkele sestehalf (of afgezette schelling; 0-5-4 = 5,5 stuiver) en één keer legde Brunius een niet- afgewaardeerde schelling (6 stuivers) in de schaal. Bij de doop van Brunius’ jongste zoon noteerde de diaken bovendien een opbrengst van 16,5 stuivers als gezamenlijke opbrengst van drie doopvaders, die dan vast elk een sestehalf zullen hebben gegeven.

Naast zijlwaarder was Brunius tapper. Hij had ook een paar koeien, schapen en zwijnen. Echt indrukwekkend is zijn boedelinventaris uit 1789 niet bepaald. De sestehalf die hij vrijwel steeds inlegt als doopgift aan de armen van het kerspel, laat zien dat hij zichzelf als kleine middenstander zag.

Intrigerend is ook dat hij het bedrag nauwelijks varieert. Van de eenmaal vastgestelde stand wordt niet of nauwelijks afgeweken.


6 reacties on “De standsbewuste doopvader”

  1. Harm schreef:

    Dus als een kind gedoopt werd, was het vaak alleen de vader die geld in de bekken deed en bij een begrafenis, deden droegen ook andere aanwezigen geld in de schaal ? Weet je hoe dit zat bij huwelijken ? Mw. Elema heeft in de Roots@Groningen van mei 2009 een opsomming gegeven van de collecteopbrengsten in het Groningse Wirdum over de periode 1782 tm 1813. De opbrengsten liggen dan wel wat hoger als de opbrengsten die jij opsomt bij de dopen. Het nagenoeg laagst voorkomende bedrag van 0-11-0 komt ook relatief vaak voor.

  2. Harm schreef:

    Ter aanvulling op mijn opmerking over collecteopbrengsten in Wirdum; Het betreft hier alleen een opsomming van collecteopbrengsten bij huwelijken.

    • groninganus schreef:

      Inderdaad voldoen de bekkengiften bij huwelijken in Beerta en Oostwold aan dezelfde “systematiek” van een herkenbare pasmunt per stand, zij het dat de bedragen hoger liggen. Ik heb Petronella Elema’s lijst er even bij gezocht, Ze noemt in de inleiding de bedragen “verhelderend m.b.t. de sociale klasse” en denkt dat er “standaardtarieven” golden, vanwege de geringe variatie. Opvallend in haar lijst is dat er bijna geen duiten aan te pas komen. Naarmate de periode vordert, vervaagt echter de systematiek, wat mede zou kunnen samenhangen met het opkomen van huwelijksinzegeningen bij mensen thuis, waarbij dan onder alle aanwezigen gecollecteerd wordt, vaak zonder bekken. Ook die vervaging van de gewoonte is natuurlijk interessant.

      Nog even Elema’s bedragen turvend, blijken de volgende posten op haar lijst het vaakst voor te komen:
      0-8-0 (twee maal twee dubbeltjes) : 4 x
      0-11-0 (twee sestehalven) : 22 x
      1-2-0 (twee maal twee sestehalven) : 8 x
      2-0-0 (twee guldens) : 18 x

      Steeds valt de deelbaarheid door twee op – wat natuurlijk goed past bij bruidsparen. De dubbele gulden (of meer) zal in het bekken gelegd zijn door mensen van boerenstand of vergelijkbaar vermogen (vergelijk de enkele gulden bij Oldambtster dopen). De dubbele sestehalf kwam in het bekken door mensen die lager op de maatschappelijke ladder stonden (vergelijk de enkele sestehalf bij Oldambtster dopen van kinderen uit de kleine middenstand.

      Naast de gewoonte is vooral ook de plek waar het bekken geplaatst is, van belang. Bij doop en huwelijk is dat op het koor van de kerk. Natuurlijk zijn er andere mensen aanwezig bij deze plechtigheden, maar die lopen niet naar het koor om een bijdrage in de schaal te doen. Ze hadden immers al een duit (of meer) in de buil gedaan. Het blijft dus bij de ronde som van goud of zilver, geschonken door doopheffer of bruidspaar. Op het kerkhof echter staat het bekken bij de uitgang, waar iedereen langskomt – dan draagt (zo goed als) elke aanwezige iets bij: de directe familie weer een ronde som naar stand, en de verdere aanwezigen wat ze kunnen of willen missen, vaak ook in klein kopergeld. De sommetjes bij doop en huwelijk zeggen dan iets over de stand die doopheffers en bruidparen zichzelf toekennen, de bedragen bij begrafenissen daarentegen, zeggen zowel iets daarover, als over het netwerk van de overledene.

      • Harm schreef:

        Erg interessant wederom ! Dank voor je uitvoerige reactie. Begrijp ik het goed dat er bij een huwelijk en een doop sprake was van twee soorten collecte-opbrengsten ? Die van het bruidspaar/doopouders in de bekken en die van de overige aanwezigen in de buil ? En werd dan alleen dat uit de bekken in de diaconieboeken vermeld ? Maar hoe werd de opbrengst in de buil dan vastgelegd ?
        Je vermeldt: “0-8-0 (twee dubbeltjes): 4 x “, zou dat misschien 4 dubbeltjes moeten zijn, of zie ik wat over het hoofd ?

        • groninganus schreef:

          Dat laatste was een foutje, inderdaad.

          De builcollecte vond plaats bij elke gewone godsdienstoefening. Idealiter werd die apart geadministreerd van de bekkenopbrengst. Maar in Oostwold hadden de diakenen jarenlang de gewoonte al het binnengekomen geld (dus uit buil en bekken) als dagopbrengst te noteren. Dat scheelde immers schrijfwerk. Waar bij Brunius’ kinderen echter bedragen genoteerd staan, is daar geen sprake van, net zomin als daar (zo te zien) sprake van is in het lijstje van Petronella Elema.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.