Huis-aan-huiscollectes in Termunten en wat ze zeggen over de economie en rangen en standen

Als een diaconie flink tekort kwam, zonder dat er op korte termijn zicht was op meer geld in haar kas, dan werd het tijd voor een noodmaatregel: een huis-aan-huiscollecte voor de armen in het kerspel. Zo’n ommegang heet in de diaconierekeningen vaak “buitengewoon” – de diaconie mocht er geen staat op maken en moest er steeds toestemming voor vragen bij het bevoegd gezag. Vrijwel nergens was er dan ook jaar na jaar een huis-aan-huiscollecte. Zo organiseerde de diaconie van Termunten (exclusief Borgsweer) tussen 1784 en 1809 slechts vijf maal zo’n ommegang:

Data: Opbrengst: Bewoners op lijst: Gemiddelde gift:
29 en 30 januari 1795 116-12-7 en een mudde bonen die onder de armen is verdeeld.
18 november 1800 253-2-4 112 ƒ 2,26
5 en 6 april 1804 268-15-4 163 ƒ 1,65
9 tot 11 februari 1808 194-13-0 159 ƒ 1,22
29 en 30 nov. 1808 167-14-2

Opvallend is dat de Termunter diaconie pas in 1795 naar dit middel hoefde grijpen. Daarna is het om de vier, vijf jaar raak, met zelfs een dubbele huis-aan-huiscollecte in 1808. Je zou hier een verband kunnen vermoeden met de hoge graanprijzen in deze periode, waardoor het brood vrij duur uitviel. Maar ook was er bijna steeds oorlog op zee, waardoor de sectoren van de economie die van de zeevaart afhankelijk waren, achteruit kachelden. Vooral ook na de afkondiging van het totale handelsembargo tegen Engeland (1806) moet een haven als Termunterzijl daar iets van hebben gemerkt en daarmee de gemengde Termunter economie als geheel. Kijk ook maar eens naar de laatste kolom, die aangeeft dat de gemiddelde gift per hoofdbewoner tussen 1800 en 1808 zo’n beetje gehalveerd is: men had het minder breed en kon dus minder missen.

Dat er van de Termunter huis-aan-huiscollecten in 1800, 1804 en februari 1808 zo’n gemiddelde te berekenen valt, komt doordat de originele inschrijvingslijsten van deze drie ommegangen in de diaconierekening gekopieerd zijn. Bij die van 1795 en november 1808 gebeurde dat helaas niet. Hiervan waren de opbrengsten ook lager. Mogelijk werd er toen met bussen gecollecteerd, zoals bekend een methode die wat minder sociale controle en daarmee conformisme in het geefgedrag oproept dan een collecte met een lijst, die doorgaans wat meer succes oplevert.

Bij nader inzien valt er overigens wel iets af te dingen op die afnemende gemiddelde gift. Op de collectelijst van 1800 staan immers 112 namen van gevers tegen rond de 160 bij die van 1804 en 1808. Dat het aantal huishoudens of adressen tussen 1800 en 1804 met ruim 40 % gegroeid zou zijn, lijkt onwaarschijnlijk, er moet dus haast wel iets anders aan de hand zijn geweest.

Wat dat was, wordt duidelijk als we de waardes van de individuele giften op de lijsten groeperen en de drie collectejaren naast elkaar zetten:

Waarde giften: 1800 1804 1808
ƒ 10 of hoger 5 5 2
ƒ 5 tot 10 11 14 8
ƒ 2,50 tot 5 17 11 15
ƒ 1 tot 2,50 28 46 29
ƒ 0,50 tot 1 14 23 31
ƒ 0,25 tot 0,50 28 38 39
Minder dan 0,25 9 26 35
TOTAAL 112 163 159

Van 1800 op 1804 groeit het aantal gevers in de vier laagste giftgroepen, maar relatief gebeurt dat vooral in de allerlaagste groep, die praktisch verdrievoudigt. Met andere woorden: de groei in het aantal gevers zit dan vooral bij de mensen die het minst kunnen missen. Mogelijk hoefden die in 1800 nog geen bijdrage te leveren waardoor ze ontbreken op de lijst van dat jaar. Dat maakt die lijst echter ook minder bruikbaar voor een vergelijking.

Onderling wèl goed vergelijkbaar zijn de lijsten van 1804 en februari 1808. We zien dan nominaal een forse terugloop – samen wel een halvering – bij de twee groepen met gulste gevers. De derde groep groeit echter, wat zou kunnen komen doordat de grootste weldoeners het wat kalmer aan zijn gaan doen. Fors is weer de terugloop bij de vierde groep, terwijl twee van de drie laatste groepen duidelijk groeiden in aantallen gevers. Heel globaal is het beeld dan dat het aantal grote filantropen slonk, terwijl het aantal kleine schenkers toenam, een ontwikkeling die dan vooral samenhangt met de krimpende economie in de sectoren die het van de zee moeten hebben.

Nog wat beter komt deze ontwikkeling uit de verf, als we de nominale groepsgroottes voor 1804 omzetten in de percentages die geversgroepen uitmaken van een hele lijst:

Waarde giften: 1804 1808 Afname (–) / Groei (+)
ƒ 10 of hoger 3,1 % 1,3 %
ƒ 5 tot 10 8,6 % 5,0 %
ƒ 2,50 tot 5 6,7 % 9,4 % +
ƒ 1 tot 2,50 28,2 % 18,2 %
ƒ 0,50 tot 1 14,1 % 19,5 % +
ƒ 0,25 tot 0,50 23,3 % 24,5 % +
Minder dan 0,25 16,0 % 22,0 % +

Ook relatief neemt het aantal zeer gulle gevers af, terwijl het aantal schenkers van geringe giften in dat opzicht toeneemt, een ontwikkeling die je als verarming of misschien ook wel als nivellering kunt aanduiden. Verwerkt tot een grafiek ziet dit er zo uit:

Zoomen we nog even in op individuele gevers, dan blijken giften ook bij deze huis-aan-huiscollecten samen te hangen met stand of maatschappelijke status. Neem de grootste weldoeners, die voor 10 gulden of meer intekenden op de lijst van de diaconie. In 1804 ging het nog om deze vijf mannen:

Naam Bedrag (guldens-stuivers-duiten)
Syse G. Bart 12-0-0
Jannes Arends Toxopeus 12-0-0
Jan Harms Steenhuis 11-0-0
Jan Hemmes 10-0-0
Ds. J.A. Smith 10-0-0

Bart, Toxopeus en Smith kwamen ook al in de top 5 van 1800 voor als eerste, tweede en vijfde gulle gever. Bart was in compagnie met zijn broer ondernemer en koopman. Zo haalden ze volgens advertenties in de Groninger Courant scheepsladingen hout uit Noorwegen, en bouwden ze in 1803 een rogge – en pelmolen in Termunten, die ze in 1805 weer wilden verkopen. Daarnaast was Bart kerkvoogd, net als Hemmes van Termunterzijl. Jan Arends Toxopeus ging door het leven als landgebruiker oftewel boer. Omdat zowel de weduwe Bart als die van Steenhuis in 1808 voor relatief lage bedragen intekenden, kwam Toxopeus toen bovendrijven met de topgift van 15 gulden. Alleen Jannes F. Bosker, eveneens een boer, kwam dat jaar met 10 gulden in Toxopeus’ buurt. Overigens overleed dominee Smith, die in 1804 nog bij deze elite hoorde, in 1805 aan de “rotkoorts”.

In Smiths geval stond zijn beroep er steeds bij, wat voor maar weinig anderen geldt. Uit het lijstje van 1804 haalde ik nog de volgende beroepen met de bijbehorende giften, die inderdaad laten zien dat een hogere stand gepaard ging met een grotere gift:

Beroep Gift
Commies 3-0-0
Boekhouder zaagmolen 2-0-0
Schoolmeester 1-10-0
Schipper 1-8-0
Commies 1-2-0
Kuiper 1-0-0
Molenmaker 1-0-0
Knecht 0-12-0
Snijder 0-5-4
Naaister 0-2-0

Voor de koop- en ambachtslui gold: hoe meer kapitaal er bij de beroepsuitoefening nodig was, hoe hoger ze op de maatschappelijke ladder stonden. Door de beroepsloze namen op de lijst na te trekken in verzegelingen, rekeningen, boedelinventarissen, belastingkohieren en waterschapsarchivalia, zou dit lijstje nog aanzienlijk kunnen worden uitgebreid, maar dat vergt iets teveel moeite voor een stukje als dit en laat ik er maar even bij zitten.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 305 (archief hervormde gemeente Termunten) inv.nr. 27.

Advertenties

One Comment on “Huis-aan-huiscollectes in Termunten en wat ze zeggen over de economie en rangen en standen”

  1. Bob Poppen schreef:

    Sijse Gerrits Bart was blijkbaar een rijk man, want in 1802 liet hij een zaagmolen te Woldendorp bouwen. Hij overleed op 26-01-1809 te Termunterzijl.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s