Doopbekkengiften minder constant dan gedacht

Zoals ik hier eerder schreef, werden in Beerta tussen januari 1762 en juli 1764, vrijwel uitsluitend bedragen in het doopbekken gedeponeerd, die neerkomen op de enkelvoudige of dubbele waardes van destijds courante munten. Doopvaders gaven dus ‘ronde sommen’ aan de armen, andere aanwezigen droegen niets bij. Kopergeld zat er voor het oog ook nooit in het bekken, daar kwam louter zilver- en goudgeld uit. Bij boeren ging het dan op goudgeld (vanaf een gulden), terwijl zilvergeld in afnemende waarden van middenstanders en werkvolk kwam. Wat voor muntgewicht een doopvader in de schaal legde, hing, kortom, in hoge mate af van zijn maatschappelijke positie.

Naderhand bleek me dat in de buurgemeente Oostwold sprake was van hetzelfde verschijnsel. Daar gaf de zijlwaarder en tapper Jan Brunius ook vrijwel steeds hetzelfde bedrag: een sestehalf, typisch de gift voor een kleine middenstander.

Intussen heb ik gemerkt dat ook de doopbekkengiften in een derde Oldambtster diaconierekening, die van Nieuwolda, voldoen aan de in Beerta geconstateerde wetmatigheid, dat doopvaders conform hun stand ronde sommen in het doopbekken leggen. Het bijzondere van Nieuwolda is, dat de boekhoudend diaken Jan Luitjes Bouman er in zijn administratie over 1767/1768 meestal zelfs expliciet de munten noemde, die hij na de doopdienst in het doopbekken aantrof.

Om precies te zijn bestrijkt de pagina met doopcollecten in Boumans boekhouding de periode 22 maart 1767 tot en met 4 april 1768. In die periode lieten zich volgens het doopboek 34 vaders hun kinderen in de kerk van Nieuwolda dopen. Al die vaders komen ook voor met een doopbekkengift in de diaconierekening. Met andere woorden: zelfs de meest armlastige doopvader gaf iets aan de armen en de diaconierekening is daarmee representatief voor alle doopdiensten

Toch bevat de diaconierekening over die periode in cijfermatige zin slechts 21 posten wegens doopbekkengiften. Dat komt doordat bij meerdere dopen in één doopdienst de giften van de aanwezige doopvaders voor het gemak zijn samengevoegd. In totaal gaat het om dertien doopvaders. Normaal zou je niets aan zulke samengestelde posten hebben, maar het unieke van Boumans administratie in deze periode is, dat hij in de omschrijving bij de meeste posten, onder andere deze dertien, wèl steeds precies in woorden heeft opgegeven wat de individuele doopvaders aan munten gaven. Daarbij bleek het net als in Beerta tussen 1762 en 1764 steeds te gaan om de enkele of dubbele waardes van destijds courante gouden en zilveren munten.

In de volgende tabel heb ik alle 34 giften geboekte doopgiften uit Boumans boekhouding over 1767/8 geïndividualiseerd opgenomen, van klein naar groot:

Datum Doopvader Munten (* = naar opgave van Bouman, de rest vulde ik in). Notatie in cijfers (guldens-stuivers-duiten)
26 oktober 1767 Tobyas Hinderks stuiver* 0-1-0
8 november 1767 Schenkel stuiver * 0-1-0
18 oktober 1767 Hinderk Hinderks Twee stuivers of een dubbeltje 0-2-0
13 december 1767 Grote Tobyas twee stuivers* 0-2-0
31 januari 1768 Walderk Walderks dubbeltje * 0-2-0
26 februari 1768 Jan Hiepkes dubbeltje 0-2-0
27 maart 1767 Marten Jans dubbeltje 0-2-0
11 juli 1767 Roelf Derks Schievetil twee dubbeltjes 0-4-0
5 december 1767 Jan G. Koster Twee dubbeltjes 0-4-0
3 augustus 1767 Klaas Alberts Schoemaker sestehalf * 0-5-4
23 augustus 1767 Hans Harms Schipper sestehalf * 0-5-4
4 april 1767 Sebe Schipper sestehalf 0-5-4
22 maart 1767 Harm Groeneboom schelling 0-6-0
28 juni 1767 Eppo Tebbes of Bronts schelling * 0-6-0
8 november 1767 Albert Harms schelling * 0-6-0
10 maart 1768 Jan Eltjes Jonker schelling 0-6-0
13 maart 1768 Jurko Harms schelling 0-6-0
1 januari 1768 Wolter Snijder twee sestehalven * 0-11-0
31 januari 1768 Meerten Eeuwes twee sestehalven * 0-11-0
16 augustus 1767 Jurjen Beerents Schipper oordrijks (kwart Zeeuwse rijksdaalder) 0-12-4
8 november 1767 Gerryt Harms oordrijks * 0-12-4
10 januari 1768 Jan Tiddes oordrijks * 0-12-4
17 mei 1767 Pieter Klugkist drie sestehalven 0-16-4
29 november 1767 Hinderk Harms Kuper gulden 1-0-0
10 januari 1768 Jacob Beerents Mas gulden * 1-0-0
22 november 1767 Edzo Epkes achtentwintig * (28 stuiversstuk of goudgulden) 1-8-0
29 maart 1767 Jacob Freerks daalder 1-10-0
15 november 1767 Harm Kamminga een dubbele Engelse achtentwintig en een dubbeltje * 2-18-0
26 april 1767 Pieter Edzes driegulden * 3-0-0
26 april 1767 Derk Abels driegulden * 3-0-0
19 juli 1767 Harm Edzes schatbeurder ducaton * 3-3-0
3 april 1768 Nanko Jans gouden ducaat * 5-5-0
5 juli 1767 Wubbo Cornelius halve gouden rijder * 7-0-0
22 november 1767 Heer pastor (= ds. Siertsema) halve rijder * 7-0-0

Boumans boekhouding vormt een perfecte illustratie bij mijn stelling dat doopvaders ‘rond’, herkenbaar muntgeld in het doopbekken deponeerden. Alleen de gift van Kamminga vormde daarop een uitzondering – het bijkomende dubbeltje kwam mogelijk van een familielid dat de doopplechtigheid bijwoonde. Maar die uitzondering bevestigt ook de regel dat alleen doopvaders bij doopplechtigheden iets aan de armen gaven. Bovendien liepen de individuele giften enorm uiteen – naar stand, zoals blijkt uit enkele beroepsaanduidingen.

Individuele doopvaders

Gaven deze doopvaders nu ook steeds ongeveer dezelfde munt bij de doop van hun kinderen, zoals dat het geval was bij zijlwaarder Brunius in Oostwold? Van een aantal doopvaders uit bovenstaand lijstje ben ik de gangen nagegaan en heb ik uit het doopboek hun kinderen gehaald, om bij elke doop vervolgens de doopgift te zoeken in de diaconierekening. Net als in bovenstaande lijst begin ik met de kleine man, om te eindigen met de allergulste gevers.

Tobias Hindriks

30.10.1763 0-2-0
29.12.1765 0-2-0
26.10.1767 0-1-0

Hindriks (een arbeider?) schonk bij zijn oudere kinderen nog een dubbeltje, maar halveerde deze gift bij het derde tot een stuiver. Was dat omdat de dankbaarheid bij zijn oudere kinderen groter was, of omdat zijn draagkracht verminderde?

Tobias Uuntjes (alias Grote Tobias)

13.12.1767 0-2-0
14.1.1770 0-2-0
7.3.1779 0-2-0
9.11.1783 ?

Grote Tobias gaf steeds twee stuivers of een dubbeltje bij de doop van zijn kinderen. Omdat in 1783 zijn gift en die van een andere doopvader bij elkaar werden opgeteld, is zijn doopgift voor dat jaar niet bekend. Maar samen gaven beiden 4 stuivers, dus ook dan ligt dat dubbeltje in de rede. Uuntjes was dan opmerkelijk constant in zijn geefgedrag.

Klaas Alberts Schoenmaker

23.8.1767 0-5-4
8.3.1770 ?
27.9.1772 ?
26.2.1775 0-5-4
21.9.1777 0-5-4

Ook Klaas Alberts, een kleine ambachtsman met weinig kapitaal, gaf voor zover bekend steeds hetzelfde bedrag. In 1770 en 1772 stonden er helaas weer gezamenlijke giften in de rekening, in het eerste geval 0-11-4 en in het tweede 1-13-4. Als Schoenmaker ook toen een sestehalf gaf, resteerden voor andermans giften respectievelijk een schelling en een 28-stuiversstuk of goudgulden. Ook weer ronde pasmunt, waarmee het dus wel in de rede ligt dat Schoenmaker ook toen een sestehalf schonk.

Harm Groeneboom

19.8.1764 ?
22.3.1767 0-6-0
11.2.1770 0-5-4
31.1.1773 ?
22.10.1775 0-11-0
28.10.1779 0-8-0
4.11.1781 0-6-0

Groeneboom varieerde duidelijk wèl in zijn giften. De schelling van 1767 en de sestehalf van 1770 liggen heel dicht bij elkaar, samen met een andere doopvader gaf hij in 1773 11 stuivers, zodat ook toen een sestehalf in de rede lag, een bedrag dat hij in 1775 verdubbelde, om daarna weer op zijn schreden terug te keren naar uiteindelijk een schelling in 1781. Waarom gaf hij in 1775 zoveel meer? Aan het geslacht van het kind lag het niet, want afgezien van de zoon uit 1764 ging het uitsluitend om dochters. Misschien was de bevalling van 1775 moeilijker geweest, wat dan aanleiding gaf tot een grotere gift uit dankbaarheid voor de voorspoedige verlossing? Echter, het kan ook zijn dat Groeneboom in 1775 meer geld voorhanden had en daarom besloot de armen wat ruimer te gedenken.

Wolter Stoffers Snijder

27.3.1766 0-8-0
1.1.1768 0-11-0
30.4.1770 ?
29.9.1771 0-11-0

Snijder verhoogde zijn gift in 1768 binnen een beperkte bandbreedte en houdt het dan, voor zover bekend, bij het eenmaal vastgestelde bedrag. Mogelijk maakte hij verschil tussen het meisje (1766) en de jongens van 1770 en 1771. Het kan ook zijn dat hij het geld wat beter missen kon. De doopgift van 1770 ontbreekt in de diaconierekening, waarschijnlijk doordat deze bij het builgeld werd opgeteld.

Pieter Klugkist

17.5.1767 0-16-4
23.9.1770 1-0-0
25.12.1772 0-5-4

De drie sestehalven die Klugkist, een herbergier op de Waarhoek in 1767 in het doopbekken deponeerde, verhoogde hij tot een gulden in 1770. Bij het derde kind bleef daar slechts een enkele sestehalf van over. Deze vrij forse verlaging van de gift zou kunnen samenhangen met het geslacht van het kind – het derde was een dochter, terwijl het bij de eerste twee om zoons ging. Maar mogelijk verkeerde Klugkist in financiële problemen – zijn herberg zette hij in 1771 namelijk te koop.

Hans Harmens Schipper

19.11.1762 1-0-0
30.9.1764 ?
23.8.1767 0-5-4
30.4.1769 0-5-4

Schonk Hans Harmens Schipper in 1762 nog een gulden aan de armen, later daalde deze doopgift tot een sestehalf. In 1764 gaf hij samen met een andere doopvader 1-8-0, waar niets uit opgemaakt kan worden. Het verschil in waarde kan niet aan het geslacht van de kinderen liggen, want in 1767 en 1769 ging het om een zoon en een dochter. Blijven over extra blijdschap over de geslaagde bevalling bij de stamhouder, of achteruitgang in draagkracht van de doopvader.

Jan Tiddes

7.3.1765 1-0-0
10.1.1768 0-12-4
2.12.1770 ?
6.5.1773 1-0-0

Jan Tiddes gaf eerst een gulden, vervolgens een kwart rijksdaalder en uiteindelijk weer een gulden. De gift van 1770 kan net als die van 1768 wel eens een oordrijks geweest zijn, want samen met een andere doopvader gaf Tiddes toen dertien en een halve stuiver, oftewel een oordrijks en een stuiver. Aan het geslacht van de kinderen kan het verschil niet hebben gelegen, want het waren allemaal zoons. Blijven over als verklaring de wisselvallige moeilijkheidsgraad van de verlossing of de variërende draagkracht van de doopvader.

Jacob Berends Mas

16.12.1764 ?
10.1.1768 1-0-0
9.6.1771
25.9.1774 1-8-0
15.11.1782 0-5-4

In 1764 staat er een gezamenlijke doopgift genoteerd van drie doopvaders – daar valt dus niets uit af te leiden. Die van 1771 is helemaal onbekend, want waarschijnlijk opgegaan in het builgeld. De drie doopgiften die we wel kennen, variëren in grootte, waarbij het geslacht van de kinderen mogelijk wat uitmaakt: de hoogste gift is die bij de doop van een zoon, de andere twee betreffen dochters. Ook in dit geval zou de draagkracht echter doorslaggevend kunnen zijn.

Harm Hindriks Kamminga

15.11.1767 2-18-0
16.3.1769 ?
3.3.1771 ?
1.11.1772 ?
3.7.1774 ?
29.9.1776 3-0-0
3.4.1778 3-0-0
27.9.1781 ?

Voor zover bekend was de boer Harm Kamminga vrij constant in zijn geefgedrag. In vijf gevallen is zijn gift echter niet bekend, doordat die met de gift van een andere doopvader is opgeteld. In 1771, 1772 en 1774 bedragen deze gezamenlijke giften respectievelijk een driegulden en een sestehalf, een driegulden en een stuiver en een driegulden en een sestehalf. Ook in die jaren zou Kamminga dus wel eens een drieguldenstuk kunnen hebben gegeven. Van de drie bekende doopgiften betrof de eerste en geringste de doop van een meisje.

Harm Edzes, schatbeurder

19.7.1767 3-3-0
6.11.1768 2-16-0
22.4.1770 ?
22.9.1771 ?
20.9.1772 ?
17.7.1774 3-0-0
5.4.1776 2-10-0
22.2.1784 3-3-0
5.3.1786 2-10-0
13.5.1787 ?
6.9.1789 2-10-0
4.9.1791 3-3-0
4.5.1794 ?

De vrome Harm Edzes was boekweitmulder en koopman in vooral bouwmaterialen. Daarnaast fungeerde hij als schatbeurder, d.w.z. de ontvanger van de verponding (grondbelasting), de dijklasten, de meentelasten en het roderoedegeld van Nieuwolda. In 1781 hertrouwde hij. Ook deze ondernemer varieerde in zijn vrijgevigheid, en wel binnen de beperkte bandbreedte van een ducaton tot een rijksdaalder. Het geslacht van het kind maakte hem daarbij niet uit: bij een meisje kon hij een ducaton geven en bij een jongen een rijksdaalder en andersom. In zowel 1770 als 1771 gaf hij samen met een andere doopvader 3 gulden en een stuiver, zodat ook bij die doopbedieningen een gift door Edzes van een drieguldenstuk in de lijn der verwachting ligt.

Nantko Jans Dallinga

16.11.1766 5-5-0
3.4.1768 5-5-0
14.10.1770 5-5-0
28.5.1772
20.2.1774 ?
26.12.1775 5-5-0
30.11.1777 ?
16.7.1779 5-5-0

Voor zover bekend gaf de boer Nantko Jans Dallinga altijd een ducaat bij de doop van zijn kinderen. Het geslacht maakte dus niets uit en evenmin de eventuele complicaties bij een bevalling of een eventuele vermeerderde of verminderde welvaart. De doopgift van 1772 zat waarschijnlijk bij het die dag getelde builgeld in. In 1774 schonk Dallinga samen met een andere doopvader 5-10-4 en in 1777 5-7-0, zodat hij ook toen een ducaat zal hebben gegeven, waarbij de andere doopvader dan volstond met een sestehalf, repectievelijk een dubbeltje.

Wubbo Cornelius Fockens

16.10.1763 3-0-0
25.11.1764 3-0-0
20.3.1766 5-5-0
5.7.1767 7-0-0
15.10.1768 5-5-0
25.3.1770 ?
9.4.1772 ?
8.5.1774 ?
10.9.1775 5-5-0
10.8.1777 6-6-0
10.1.1779 ?
13.8.1786 7-0-0

De vermogende eigenerfde Wubbo Cornelius Fockens, zoon van een kerkvoogd en zelf ook de rijkste boer van het kerspel Nieuwolda, gaf bij de doop van zijn eerste kinderen nog drieguldenstukken, maar varieerde daarna tussen een ducaat (5-5-0), twee ducatons (6-6-0) en een halve gouden rijder (7-0-0). Mogelijk hangt de verhoging van 1766 samen met een erfenis. Zijn uitverkiezing in 1777 tot zijlvest – de hoogste functie die een Oldambtster boer kon krijgen – maakte geen verschil voor de doopgiften. Ook oefende het geslacht van de kinderen geen invloed uit op de hoogte daarvan. Het laatste kind was bij een tweede vrouw, maar ook voordien gaf Fockens ook al eens een halve rijder bij de doop van een dochter.

Ds. Johannes Siertsema

14.9.1760 10-8-0
12.8.1764 10-8-0
2.2.1766 7-0-0
22.11.1767 7-0-0
10.9.1769 7-0-0
4.4,1779 7-0-0

De met diverse eigenerfde Oldambtster families vermaagschapte dominee Siertsema was een vermogend man. En wie het breed had, liet het bij dergelijke gelegenheden breed hangen. Van Siertsema waren gemiddeld de hoogste doopgiften afkomstig. Bij de oudste twee – een jongen en een meisje – gaf hij echter wat meer dan de vier jongste dochters. Het geslacht maakte dus niets uit, mogelijk teerde de “heer pastor” intussen wat in op zijn vermogen.

 

Conclusie

Slechts een minderheid van de doopvaders legde bij de doop van hun kinderen altijd hetzelfde bedrag in het diaconale doopbekken. Vaak is er sprake van enige variatie in de hoogte van hun doopgiften. Die variatie blijft in individuele gevallen overigens meestal binnen een beperkte bandbreedte: het is nu ook weer niet zo dat een dagloner of kleine middenstander een boerenbedrag in het bekken deponeert (laat staan andersom).

In de meeste gevallen kan de variatie niet hebben samengehangen met het geslacht van het kind. Wel zou een moeilijke bevalling door haar gelukkige uitslag kunnen hebben geleid tot een wat hogere gift uit dankbaarheid. Dit laat zich echter moeilijk onderzoeken.

Blijft over als verklaring voor de variatie in individuele doopgiften per doopvader een achterliggende fluctuatie in diens welvaart. Een doopvader die wat krap bij kas zat, deed wellicht wat minder in het doopbekken en een die het naar den vleze ging, droeg wellicht een wat groter steentje bij.

Dit mogelijke verband met welvaart laat zich nou juist wèl onderzoeken, door de doopgiften over een wat langere periode in kaart te brengen: bij de florerende Oldambtster economie in de tweede helft van de achttiende eeuw zouden er dan verhoudingsgewijs meer grotere en minder kleinere doopgiften geregistreerd moeten zijn. Met wat doorzettingsvermogen en tijd laten die giften zich wel tellen, indelen en ordenen.

N.B. Met dank aan muntendeskundige Jan C. van der Wis voor zijn vriendelijke uitleg van het begrip oordrijks.

 



Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.