Jacob van Lennep over de Groninger boer

“Op het land vooral heeft men gelegenheid de aanmerkelijke verandering in zeden en geaardheid te beschouwen. Bij de plotselinge vermeerdering van zijn’ rijkdom, heeft de landman vergeten dat hem (…) de weelde van den stedeling niet voegde: dat niet alle jaren hem even voordeelig zijn konden, en dat niets onbestendiger was dan zijne bezittingen. Hij liet groote schuren en wooningen bouwen, bracht er alle meubelen in welke hij de uitgezochtste verfijning verkiest, liet al wat hij gebruikte, lepels, vorken, kannen en kommen van goud maken, vergat dat hij ook eenmaal knecht geweest was en at niet langer met zijne dienstboden; zond zijne kinderen op een Fransche kostschool, werd hoovaardig en trotsch ook jegens de eersten van het land, verzuimde zijn werk, en ziet nu, bij de daling der granen, te laat zijne dwaasheid in.”

Bron: De bekende reisbeschrijving uit 1823.

Commentaar: De auteur was een jonge Bilderdijkiaan en zette als zodanig het verval der zeden door het heersen van de weelde sterk aan, met bijbelse ondertonen. In 1823 was er een enorme agrarische crisis aan de gang. Menige boer die vlak voor die crisis met geleend geld zijn dure boerderij had gekocht of uitgebreid, kon door de ingezakte graanprijzen niet langer aan zijn financiële verplichtingen voldoen. Opvallend is dat Van Lennep hier al het gescheiden eten van boerengezin en dienstboden noemt, waar Hofstee dit enkele decennia later in de tijd plaatste. Mogelijk had Van Lennep vooral de toplaag van de landbouwers op het oog.

Advertenties

7 reacties on “Jacob van Lennep over de Groninger boer”

  1. Jos schreef:

    Kou verget dat hai kaalf west is. Of, in eigentijdser jargon, iets met top en bottom.

  2. Emigrant schreef:

    De auteur was zonder twijfel doorkneed in ‘de weelde van den stedeling’.

    • groninganus schreef:

      Zoon hoogleraar neolatijn in Amsterdam, kleinzoon van een bankier, dus opgegroeid in redelijk goede doen. Ik denk dat zijn bezwangering, als vrijgezel student, van een 19-jarig meisje hem in Groningerland een volksgericht zou hebben opgeleverd.
      Overigens is er pas een biografie uit:
      https://www.uitgeverijbalans.nl/boeken/een-bezielde-schavuit/

      • Harm schreef:

        Zou men in Groningen echt zo van slag zijn geweest van de bezwangering ? Als je bijv. ‘In termen van fatsoen’ van V. Sleebe leest, blijkt dat in de 19e eeuw het optreden tegen voorechtelijke zwangerschappen erg verflauwde. Sleebe suggereert dat in die tijd het boterbriefje niet zo’n hoge status had. Zodoende kwamen voorechtelijke zwangerschappen en ongehuwd moederschap in de Groningse kleigebieden in de 19e eeuw veel voor. Later, bij de Gereformeerden, was men echter wel weer streng ten aanzien van voorechtelijke zwangerschappen. In de hervormde kerk was men zo coulant “dat ongehuwde vaders als zodanig aanwezig waren bij de doop van hun kind. Dit werd in 1870 verboden, omdat de kerkenraad dit een te grote aanmoediging vond voor onzedelijkheid.” Wat wel lastig was aan de kwestie van Van Lennep, was dat de moeder waarschijnlijk (net als Van Lennep) ook uit de hogere kringen kwam.

        • groninganus schreef:

          Voorechtelijke zwangerschappen kwamen veel voor, maar hadden vrijwel altijd een huwelijk ten gevolg. Als een jongen/man een meisje/vrouw liet zitten en de schande van een ongehuwd moederschap niet wenste te besparen, dan werd het wat anders. In de tweede helft van de negentiende eeuw zal de druk er inderdaad wel iets vanaf geraakt zijn, maar we hebben het hier over ca. 1820.

        • Jan van Bolhuis schreef:

          Dat ongehuwde vrouwen zwanger raakten is van alle tijden en alle plaatsen. De observaties van Sleebe zijn gebaseerd op statistieken, dus op grote aantallen. Dat zegt weinig over de verschillende groepen binnen zijn groot aantal. Ik vraag me af of dochters van boeren, laat staan dochters van elitekringen waaruit Van Lennep voortkwam net zo vaak vooruitliepen op de geneugten van het huwelijk. I.t.t. de jongens werden we angstvallig bewaakt.
          Een huwelijk terwijl de bruid al zwanger was kwam veel voor. Vaak woonden de later echtelieden al samen en waren “getrouwd over de puthaak”. Maar het kwam ook veel voor dat er niet getrouwd was, b.v. omdat de vader al/nog getrouwd was, of het standsverschil te groot was.Afkopen, of domweg ontkennen was dan een oplossing. Voor hem tenminste.
          Bij eigen onderzoek ken ik van al die situaties voorbeelden.

  3. Over gescheiden eten: Hofstee deed geen eigen onderzoek en kende vooral literatuur over het Oldambt. Het meeste dat meestal wordt gemeld, stamt uit de jubileumbundel van de Groninger Maatschappij van Landbouw uit 1950.

    Van Lennep bezocht vooral de verlichte elite van Noordwest-Groningen. Daar liep men wel een beetje op de zaken vooruit. Op het Hogeland had je ook afzonderlijke dienstbodenvertrekken (eigenlijk hokken), in het Oldambt maakte het personeel gebruik van de keuken of later een bank in de stal. Het Oldambt liep bij deze dingen sowieso wat achter, de herinnering aan de ‘gemeenzaamheid’ van de achttiende eeuw (een soort populisme avant la lettre) was nog te levendig. Al was er natuurlijk een behoorlijk verschil tussen de rijke boerenelite van Nieuwolda (zie het dialectstukje in het schoolmeestersverslag), Oostwolderpolder en Nieuw-Beerta en de minder grote boeren van de omliggende dorpen.

    Mijn indruk is dat het gescheiden eten bij de grotere boeren in het Oldambt rond 1840/50 in zwang kwam. Dat valt samen met de invoering van de eenschaft, waarbij de landarbeiders korte dagen van acht uur maakten en al om één uur ’s middags naar huis gingen. Ze verdienden dan aardig wat meer (loon met kost was vanouds 7 1/2 stuivers, zonder de kost het dubbele), konden dan van eigen aardappeltjes eten, maar kregen ook minder vlees en spek op hun bord. En de vrouw moest het thuis met een extra eter stellen. In die tijd zag men dat als een win-win-situatie. Over bleven de inwonende knechten en meiden, meestal een stuk of vier, vijf of zes jongelui van veertien tot eind twintig. En er ontstond een moment dat men die niet meer in het privéleven van het verburgerlijke boerengezin wilde betrekken.

    Maar dat heeft best een tijd geduurd. Ook voor het personeel bleef de boer nog lange tijd een soort huisvader. En werd de vormende periode in de jeugd van deze jongelui grotendeels door het boerenleven bepaald. Niet voor niets drongen de vooruitstrevende waarden van de boerenstand diep door in het Oldambt, terwijl de Afscheiding slechts beperkte aanhang had. De Oldambtster arbeiders waren ondanks hun grote bekken tot het bot verburgerlijkt, een tendens die al met het binnendringen van het piëtisme in de achttiende eeuw was begonnen. De boeren namen de arbeiders mee in hun ontwikkeling van zwaar gelovig naar links liberaal. En niet voor niets eigenden de laatste orthodoxe boeren die zichzelf een zendingsmissie toe om het in hun ogen geestelijk verarmde arbeidersvolk voor het laatste oordeel te redden. Dat kon alleen maar omdat men nog zoveel deelde.

    Derk Roelfs Mansholt beschrijft uit Ditzumerhammrich in de jaren vijftig de oudere situatie, die toen in het Oldambt al voorbij was. Daar zaten de knechten en meiden ’s avonds nog met de boerenfamilie rond het haardvuur, zij het op de minder warme plekken.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.