In het Zijlhuis van “Oostwoldemer polderzijl”

De Dollard met de Oude Geut (rechtsboven), de Oostwolderpolder met zijn zijl en Zijlhuis (midden) en Midwolda, Oostwold, Finsterwolde en Beerta (onder) op de Neue Geographische Special Charte, die de Hollandse kapitein W. Camp tussen 1798 en 1802 maakte van Oost-Friesland en omgeving.

Tegenwoordig kent iedereen het Zielhoes van Noordpolderzijl, maar de Oostwolderpolder heeft vanaf 1772 ook zoiets gehad bij zijn zijl of uitwateringssluis. Maakt u kennis met de eerste bewoners van het Zijlhuis hier: Johannes Brunius en de zijnen.

Voor Wipko Hindriks was vrijdag de dertiende echt een ongeluksdag, Op die dag trof haar een “harde slag”, zo maakte ze in 1805 via de Ommelander Courant bekend:

 “Myn geliefde Man JOHANNES A. BRUNIUS, als Sylwaarder van Oostwolmer-Polder, is na een langdurige sukkeling, in den ouderdom van ruim 64 Jaren door den Dood van myne zyde weggerukt…”

Bijna zestien jaar hadden ze samengeleefd “in een gelukkige Echt” –

“Nu laat hy my met zeven Kinderen, maar wetende dat wy hem eenmaal moeten volgen. — Hy heeft zyn Ampt en Post byna 39 Jaren met groot genoegen, dog niet zonder moeite bediend, hopende dat zyn Werk nu is God te loven.”

Wipko, die meestal Wupke werd genoemd, was des te meer bedroefd, omdat ze haar ziekelijke man niet eens had durven vertellen hoe zijn oudste zoon, de schipper Abraham Brunius (33), op 14 augustus bij Noorwegen voor de ogen van zijn vrouw

“door een stootwind (…) in de Baren der Zee is gevallen en niet weer gezien is, en daarom zyn Lichaam aan het Gedierte der Wateren moeste overlaten; maar hopende dat zyn Ziel in de Haven des Hemels is aangeland; vertrouwende, dat God ons beide bedroefde Weduwen meer kan vertroosten, dan wy van Hem kunnen afsmeken.” (1)

Naast vroom, was Wupkes rouwadvertentie vrij lang. Meestal werden zulke kennisgevingen ook door beter gesitueerden geplaatst. Je zou daarom bijna gaan denken dat de weduwe Brunius in goede doen was. Maar was dat wel zo?

Brunius’ afkomst
Bij zijn dood was Johannes Brunius dus ruim 64 jaar oud, zodat hij in 1741 zal zijn geboren. Dat was waarschijnlijk in Nieuw-Beerta, waar zijn vader Abraham Brunius fungeerde als zijlwaarder van de pas ingedijkte Stadspolder. Abraham woonde eerder jarenlang in de Stad en trouwde daar ook in 1733, maar kwam oorspronkelijk van Wybelsum bij Emden. Zijn vader Johannes Brunius, een bevindelijk man, was daar hervormd predikant geweest. (2)

Abraham Brunius beurde zijn eerste traktement als zijlwaarder van de Stadspolder nog van de Stad. Vanaf 1743 moesten de polderboeren dat salaris betalen, terwijl Abraham bovendien een stuk dijk en uiterdijksland (kwelder) van de Stad kon pachten. Toen het stadsbestuur deze grond in 1757 aan iemand anders ging verhuren, raakte Abrahams huishouden “in een seer deplorabele toestand”. Hij had geen voer meer voor zijn beesten en was te arm om hooi te kopen. Uit mededogen gaf het stadsbestuur hem voortaan 15 gulden per jaar, maar met de 60 gulden die hij jaarlijks van de boeren ontving, vormde dit absoluut geen vetpot. Wellicht had Abraham nog andere inkomsten, bijvoorbeeld uit een kroegje in zijn zijlwaarderswoning. (3)

De zijlwaardersinstructie van 1772
In elk geval wist Abrahams zoon Johannes van huis uit wat hem te doen stond, toen de grondeigenaars van de Oostwolderpolder hem op 18 maart 1772 benoemden tot zijlwaarder van de gloednieuwe “Oostwoldemer polderzijl”. Die dag tekende hij hun instructie, die tekst en uitleg gaf over zijn taken en inkomsten. (4)

Volgens dit reglement moest Johannes “op alles wat tot de zijl behoort goede agt nemen, dat daaraan niets beschadigt of verlustigt wordt”. Mocht er toch iets zoekraken, dan diende hij dat “aanstonds” te melden bij de dijkrichters die namens de eigenaars en beklemde meiers het polderbestuur vormden.
Dag en nacht moest Johannes voor de opkomende vloed de vloeddeuren aan de zeekant van de zijl dichtzetten en bij eb de ebdeuren aan de landkant van de zijl openen, zodat “de landen door het water niet worden benadeelt”. Het spuien bij eb mocht echter alleen als er een overmaat aan binnenwater was – de watergang die binnendijks naar de zijl voerde, moest dus bevaarbaar blijven.

De zijlwaarder mocht niet toestaan dat er schepen aanlegden aan de binnen- en de buitenvleugels van de zijl. Ze moesten dus afstand houden tot het metselwerk. Ook mochten ze verderop niet aanschurken tegen de houten beschoeiingen, of zo gaan liggen dat er water opgestuwd werd.

Verder moest de zijlwaarder ervoor waken dat er iets in de zijl gegooid werd en dat drijvend vuil zich vastzette. Bij “ijsdrift” diende hij te voorkomen dat de zijl verstopt raakte, door met bijlen de zware ijsschotsen te breken. Bij “storm en hoge vloeden” was het zijn taak goed op te letten of er ook schade ontstond aan zijl of polderdijk, en om die met hulp van anderen zo veel mogelijk “af te weeren”.

Vanwege eventuele verzakkingen was het opstapelen van zware materialen als baksteen en hout binnen 2 roeden (ruim 8 meter) van de zijl en dijk verboden. Aan de zijlwaarder om dit verbod te handhaven. Als passerende schepen of houtvlotten enige schade aanrichtten, moest de zijlwaarder dat meteen rapporteren bij de zijlrichters en dan ook de namen van de schuldigen noemen.

“Om het canaal of Oude Geut na buiten open te houden”, lagen er weerskanten van de zijl “spueitpompen” (spuikokers) in de dijk met schotten aan de buitenkant. De zijlwaarder moest deze kleppen tijdig openzetten tegen dichtslibbing en dan zoveel water doorlaten “als tot spoelinge nodig is”. Hij diende hiervan echter af te zien als het buitenkanaal diep genoeg was, want anders zouden de buitendijkse spuisloten met waterplanten kunnen dichtgroeien. Als buitendijks kwelderland vanuit zee overstroomde, diende hij de spuikokers zodra het eb was te openen tegen de vorming van “rijtten” (slenken) door het afgaand getij.

Vooral in de droge “slijkmaanden” met een tekort aan binnenwater hoopte zich veel slib op in het buitenkanaal. Zijlwaarder Brunius moest dat dan op diepte houden, door de zijldeuren en spuikokers bij lage eb open te zetten en door tegelijkertijd de kanaalbodem te “ploegen”. De hiertoe gewenste waterstanden waren gerelateerd aan de slagbalken onder de eb- en de vloeddeuren. Het buitenkanaal was bijvoorbeeld pas op diepte, als er bij eb drie voet (bijna een meter) water boven de buitenslagbalk stond. De zijlwaarder moest zorgvuldig omgaan met de scheepjes, de ploeg en het andere gereedschap dat bij de zijl hoorde en mocht dit materieel niet voor andere doeleinden gebruiken.

Reconstructie, door de auteur op basis van HisGs, van het Zijlhuis en zijn nabije omgeving in de periode dat Brunius hier zijlwaarder was.

Naast 200 gulden traktement, kreeg hij de beschikking over een vrije woning – in de stukken doorgaans het Zijlhuis genoemd. Johannes Brunius had het materieel zo veel beter voor elkaar dan zijn vader op de Stadspolder. Wel gebood het reglement hem “ordentelijk” om te gaan met de woning. Afgezien van moedwillig gebroken glazen, betaalden de zijlrichters echter alle reparaties. Het reglement gaf Brunius bovendien de vrijheid om in het Zijlhuis “herberge te houden”. Tot slot stipuleerde het nog uitdrukkelijk, dat hij de zijlrichters moest gehoorzamen, zo niet dan dreigde correctie en eventueel schorsing.

De zijlrichters
Er kwam dus meer bij het zijlwaarderschap kijken dan je zou vermoeden. Op dezelfde dag dat de poldereigenaren deze instructie vaststelden en door Brunius lieten tekenen, namen ze een bestuursreglement voor de zijlrichters aan. (5) Ook hieruit zijn enkele artikelen van belang voor de zijlwaardersfunctie. Zo hielden de zijlrichters jaarlijks op de tweede woensdag van april hun rekendag voor de ingelanden in het Zijlhuis. Meteen daarna kwamen ze daar bovendien bijeen om alle noodzakelijke reparaties aan zijl, dijken, scheepjes, ploeg en Zijlhuis te regelen.

Zoals hierboven al bleek, waren de zijlrichters de superieuren van de zijlwaarder. Gehoorzaamde hij ze niet of ging hij zijn boekje te buiten, dan konden ze hem voorlopig vervangen. Binnen veertien dagen moesten de ingelanden dan definitief besluiten over ontslag.

De zijlrichters kregen een bescheiden vergoeding voor hun werk, maar daar stond tegenover dat ze geen reiskosten en verteringen mochten declareren. Net als de ingelanden moesten ze de consumpties in het Zijlhuis dus zelf betalen. Uiteraard vormden de bijeenkomsten van zijlrichters en ingelanden een aardige inkomstenbron voor de zijlwaarder als herbergier.

Johannes Brunius en zijn gezin
In mei 1772 trokken de pasgetrouwde Johannes Brunius en zijn eerste vrouw Elisabeth in het pas gebouwde Zijlhuis vlakbij de zijl en de Oude Geut. De poldereigenaren hadden even voor de indijking van 1769 voor deze uitwateringslokatie gekozen, omdat een kanaal naar de Fiemel ze te duur werd. (6) Op deze wat eenzaam lijkende plek kreeg het echtpaar Brunius zes kinderen: Abraham (1772), Willem (1773), Grietje (1776), Lukas (1778), Klaas (1780) en Helena (1785). Drie daarvan werden begraven in respectievelijk 1775 , 1781 en 1783. Helaas kennen we hun namen niet, want die zijn niet genoteerd. (7) In september 1785 overleed ook “Jan Bruinjes zijn vrouw”. (8)

Vier jaar later hertrouwde de zijlwaarder met de “Wupke Hinderks”, die hem in 1805 zou overleven.(9) Zij kregen er nog zes kinderen bij: Hindrik (1790), Anje (1792), Meindert (1795), Grietje (1797), Fybe (1800) en Willemina (1803). Van dit zestal werden er twee begraven in 1795 en 1796, weer zonder naam. In 1803 overleed bovendien de voorzoon Willem en in 1805 bleef oudste zoon Abraham op zee. Van de 12 kinderen uit Brunius’ beide huwelijken leefden er toen dus nog maar 5. Toch maakt Wupkes rouwadvertentie gewag van 7 kinderen. Waarschijnlijk had ook zij dan nog voorkinderen uit een eerder huwelijk. In elk geval bleef verdriet het echtpaar Brunius niet bespaard in hun kinderrijke zijlwaardershuis.

In het diaconieboek van Oostwold staan af en toe de geldsommetjes die individuele doopvaders bij de doopdiensten in het doopbekken deponeerden. Schonk Johannes Brunius in 1785 bij de doop van Helena een “sestehalf” of onbeknibbelde schelling (5,5 stuiver) aan de armen van Oostwold, dat deed hij ook bij de doop van Meindert (1795) en Grietje (1797). Bij Anje legde Brunius een volle schelling (6 stuivers) in de schaal. Een sestehalf of een schelling was destijds in het Oldambt typisch de doopgift van een kleine middenstander. (10) Kennelijk vond Brunius zich tot die stand behoren.

De boedelinventaris van 1789
Hierop sluit de boedelinventaris aan, die in 1789 werd opgemaakt, even voordat Brunius hertrouwde. (11) Deze telt slechts drie pagina’s en noemt geen vastgoed – Brunius’ gezin bewoonde immers gratis het Zijlhuis. Aan levende have bevat de lijst 2 koeien, 3 kalveren, 3 schapen, een ram en 2 zwijnen, maar geen paard, laat staan een rijtuig. Brunius liep dus alles af. Het Zijlhuisinterieur was weinig opvallend, op de twee geweren, de piek en de sabel na. Waarschijnlijk moesten deze wapens zorgen voor een veiligheidsgevoel op de wat eenzame plek. De 6 kroespullen en de 2 jenevermaten zullen in de herberg zijn gebruikt. Verder beschikte het gezin over enig landbouwgerei en 3 kerkboeken. Ruim de helft van de schuld was aan de brouwer (zo’n 160 gulden) en de jeneverstoker (87 gulden). De lasten overtroffen de baten met 50 gulden. Echt indrukwekkend is de inventaris niet bepaald, Brunius’ boedel doet armoedig aan.

In de zijlrichtersrekeningen
Kon de zijlwaarder zijn talrijk gezin goed onderhouden? Het lijkt erop van wel. Naast de 200 gulden traktement en de vrije woning, betaalde het polderbestuur ook het heerdstedengeld (een belasting) en tuinhuur voor Brunius. Dat scheelde hem toch zeker een tientje in het jaar. Verder bevatten de zijlrichtersrekeningen vrijwel jaarlijks kleine uitgaven aan Brunius. (12) Meestal staat er niet bij waarvoor het was, maar in 1790 betrof het kostgeld voor de timmerlui die de zijldeuren

Uitgaven van het polderbestuur voor en aan zijlwaarder Brunius in de jaarrekening over 1790. Archief Oostwolderpolder, inv.nr. 19.

maakten, naast het uitgraven en weer bedekken van een duiker, het “dijkpeilen” en anderhalve kroes jenever, terwijl het in 1794 en 1795 ging om geld dat Brunius voorschoot voor de “zijlboll” (= het bolschip), en verdiende met het “brouwen” (breeuwen) van dezelfde “bolle“. Hoewel de polderbestuurders geen reiskosten en verteringen mochten declareren, deden ze dat na verloop van tijd toch – daarom is niet uit te sluiten dat er consumpties schuilgaan achter ongespecificeerde uitgaven.

Bussen, schapen, vogels
Als tapper had Brunius een diaconiebus in zijn zijlwaardershuis hangen. Doorgaans noteerden de diakenen alleen een totaal-opbrengst van hun buslichtingsdag bij de kerspelhoreca, maar in 1774, 1780 en 1789 splitsten ze uit wat op elk van de drie lokaties tevoorschijn kwam. (13) In 1774 en 1780 leverde de diaconiebus in het Zijlhuis de in grootte tweede opbrengst op en in 1789 bleek het de grootste opbrengst. Niet slecht voor een herberg ver buiten het dorp. Midden op het traject Oostwold- Oostwolderhamrik zal menige passant zich hebben gelaafd en een duit in de armbus hebben gemikt.

Maar dat er nou veel te beleven viel, nee. Zo waren er geen vastgoedveilingen in het Zijlhuis. Soms liep er een schaap of lam in andermans land. Dat ging dan naar een schutstal en werd eventueel verkocht in het Zijlhuis. In 1779 graasde andermans vee of paard wederrechtelijk in land dat Brunius pachtte. Het schutgeld, een dukaton (ruim 3 gulden), schonk hij aan de diaconie. (14) In 1791 vond er in het Zijlhuis bovendien een verloting van een melkvaars plaats, terwijl Brunius van 1802 tot 1804 papegaaischieterijen organiseerde, waarbij de deelnemers een blikken vogel in onderdelen van een hoge paal moesten afschieten. Omdat Brunius hiervoor in kranten adverteerde, kan daar flink wat volk op afgekomen zijn. (15)

Na Brunius’ dood
Op vrijdag de dertiende september 1805 overleed de zijlwaarder dus na een “langdurige sukkeling”. Het diaconale bekken bij zijn begrafenis bracht bijna 8 gulden op, voor een kleine middenstander een bijzonder hoog bedrag. (16) Dat kan gekomen zijn doordat polderboeren de begrafenis bijwoonden, en/of door een vrij grote belangstelling in het algemeen. Hoe het ook zij, die polderboeren besloten in april 1806 dat de weduwe Brunius voorlopig nog mocht aanblijven als “zijlwaarderze”. Pas als er zes landgebruikers bij de zijlrichters zouden klagen dat ze haar werk niet goed deed, mochten de zijlrichters haar voordragen voor een ontslag “zonder daar verder reeden van te geeven”. De weduwe Brunius wist hiervan, want ze tekende er zelf voor. (17)

De zijlrichtersrekening van 1806 noemt nog haar volle traktement, naast een losse uitgave. In die van 1807 staat echter slechts een half jaar traktement, uitbetaald in mei. Die maand kreeg of nam ze ontslag. Als ze het kreeg, was de reden mogelijk dat ze het ploegen van het buitenkanaal overliet aan een “jongen”, die zijn werk slecht deed, zodat de Oude Geut buitendijks langzamerhand verslijkte. (18) In elk geval heeft ze niet mee hoeven maken, hoe in de nacht van 30 september op 1 oktober 1807 een vliegende noordwesterstorm met een bijkomende watervloed de zijldeuren finaal uit hun scharnieren deed springen. (19)

Enkele weken later stelden de landgebruikers van Oostwolderpolder haar opvolger Jan Freerks aan op de oude instructie van 1772 met één aanvulling: als de nood dat eiste, moest hij op eigen kosten een man aanstellen voor het ploegen van de “Oude Geute naar buiten”. Freerks bleef niet zo lang zijlwaarder, al in 1811 benoemden de landgebruikers zijn opvolger. (20)

Dit verhaal verscheen eerder deze maand in de Duvekoater, het blad historische van de historische vereniging Scheemda-Midwolda.

NOTEN:

  1. Ommelander Courant 17 september 1805.
  2. Gerrit Kuijk, fragment-genealogie Brunius: http://gwkuijk1.home.xs4all.nl/1680.htm (laatst gezien op 14.1.2018); James Robert Tanis, Dutch Calvinistic Pietism in the Middle Colonies (diss. Utrecht 1967) 33.
  3. RHC Groninger Archieven (GrA), op microfiche: resoluties van Burgemeesteren en Raad van Groningen d.d. 30.11.1743 en 14.11.1759 en rekesten aan dit stadsbestuur d.d. 26.4.1759 en 1.2.1773.
  4. Archiefbewaarplaats waterschap Hunze & Aa’s, Aquapark Veendam, archief Oostwolderpolder (OWP) inv.nr. 1 (bestuurshandelingen) tamelijk voorin het ongepagineerde deel. GrA, Toegang 535 (archief familie Hora Siccama) inv.nr 41.
  5. R. Muntinga, Geschiedenis van het waterschap Oostwolderpolder (z.p., z.j., gestencilde brochure van ca. 1970) 3-6; GrA, Toegang 535 (Hora Siccama) inv.nr 40; OWP inv.nr. 1 (helemaal voorin).
  6. Muntinga, Geschiedenis, 1-3.
  7. GrA Toegang 283 (archief hervormde gemeente Oostwold) inv.nr.1: Diaconierekenboek, ontvangsten uit het bekken bij begrafenissen.
  8. Diaconieboek Oostwold, ontvangst uit het begraafbekken op 30.9.1785.
  9. Idem, ontvangst uit het trouwbekken op 23.12.1789.
  10. Zo leert de ervaring met diaconierekeningen van Beerta, Finsterwolde, Oostwold en Nieuwolda. Ik wil nog een artikel over deze materie schrijven.
  11. GrA Toegang 731 (Oldambtster gerechten) inv.nr. 4873.
  12. OWP inv.nr. 19: rekeningen vanaf 1772.
  13. Diaconieboek Oostwold ontvangsten op 8.1.1774, 13.7.1780 en 11.11.1789.
  14. Idem ontvangsten op 21.10.1776, 27.4.1779 en 24.6.1800.
  15. Voor de verloting zie mijn artikel ‘Oldambtster verlotingen’ in Stad & Lande 2017 nr. 2, 18-21. Wat betreft de papegaaischieterijen: GrA Toegang 731 (Oldambtster gerechten) inv.nrs. 6141 en 6142: rekesten d.d. 29 juni 1802 en 24 mei 1803; bekendmakingen in de Groninger Courant van 6.7.1802, 27.5.1803 en 15.5 en 18.5.1804, en de Ommelander Courant van 9.7.1802.
  16. Diaconieboek Oostwold, ontvangst op 20.9.1805.
  17. OWP inv.nr. 1, chronologische besluitenlijst 9 april 1806.
  18. Muntinga, 12
  19. OWP, inv.nr. 19, rekening zijlrichters over 1807, aanhef. Over die storm: Ommelander Courant 6.10, Vriesche Courant 3.10 + 6.10, Leeuwarder Courant 7.10 en Groninger Courant 9.10,1807. Er vergingen meerdere schepen.
  20. Archief Oostwolderpolder inv.nr. 1, de bestuursbesluiten achter de instructie d.d. 17.10.1807.

2 reacties on “In het Zijlhuis van “Oostwoldemer polderzijl””

  1. H.Torenbeek schreef:

    Oy, mijn muisje is moe. Het moest zestien keer draaien eer het aan het einde kwam…..

  2. Reina schreef:

    t Zou zoveel gemakkelijker zijn als Oostwold WK en Oostwold Old anders genoemd zouden worden, nl.Oostwold bij Leek en Ootwold bij de Dollard, vaak zegt men alleen maar Oostwold en t is wel een hail enne lopen van de aine Oostwold noar de aanere as je verkeerd gokt hebben…. Geen zijlvesten bij Oostwold Old.? Viel me op dat dat kalf dat niet wilde drinken en maar zijlvest moest worden (die zopen blijkbaar als ketters!) in dit zielhoes van dorst dood zou zijn gegaan. Het reglement en arbeidscontract gaven eigenlijk aan wat iedere zich verantwoordelijjk voelende zijlwachter toch al zou hebben gedaan, dus was het duidelijk en eerlijk. Wat het gemeentebestuur van Groningen de vader aandeed was echter hoge-heren-gemenigheid: eerst iemand minstens 14 jaar het land tot goede grond laten maken met inpoldering en bemesting en het dan gauw voor een goede (en voor hem te hoge) prijs aan een ander verhuren. Valt het de mensen daar dan kwalijk te nemen dat ze later op rood stemden? Reina


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.