“De ondergang der bijenteelt zou eene onherstelbare ramp voor ooft- en landbouw zijn”

In 1896 diende de Friesche Maatschappij van Landbouw een subsidieverzoek in bij de minister van landbouw. Van het gevraagde geld wilde ze graag een “bekwaam imker” aanstellen, die op winteravonden in Zuidoost Friesland bijspijkercursussen bijenteelt moest geven. De bijenhouders waren qua vakkennis namelijk niet helemaal up to date. Minder vriendelijk geformuleerd: ze liepen decennia achter. Omdat de minister het Friese verzoek kon billijken, zette hij 150 gulden op zijn begroting voor de nieuwe vorm van kennisoverdracht.

Interessant is wat het vrijzinnige kamerlid Houwing, een Stellingwerver die als modern predikant naar het Drentse Havelte gekomen was en daar nog steeds woonde, bij de begrotingsbehandeling opmerkte. Allereerst constateerde hij dat het aantal bijenvolken in Nederland in de dertig jaar tussen 1864 en 1893 meer dan gehalveerd was:

“Dit vak van landbouwbedrijf, dat vroeger in betrekkelijk bloeienden toestand verkeerde, toen het nog een honiggewin opleverde, waarvan de jaarlijksche opbrengst op circa 1½ millioen guldens kon worden geschat, is in de laatste 30 jaren hard achteruitgegaan en dreigt geheel te gronde te gaan. Terwijl in 1864, volgens het Landbouwverslag, 216.000 bijenkorven door de gezamenlijke imkers gehouden werden, bleek dat getal in 1893 gedaald te zijn tot ruim 92.000. In de provincie Friesland was de verhouding tusschen toen en thans nog ongunstiger, en daalde het cijfer van ruim 17.000 tot ruim 6000 korven.”

Deze halvering tot tertiëring van het aantal bijenvolken komt overeen met de ontwikkeling in het aantal beroepsimkers in de akten burgerlijke stand, die ik voor Groningen constateerde. Ook daarin zit er een zeer forse dip in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Houwing beaamde wat de minister schreef over het gebrek aan vakkennis. Terwijl de modulaire bijenkasten met bijenramen al in opkomst waren, zaten de Nederlandse imkers nog te klooien met korven waarin ze wat latjes hingen als verbindingsmateriaal voor zeer ongelijkvormige honingraten.

Houwing zag bovendien het bredere belang van de bijenteelt voor land- en tuinbouw:

“… het geldt hier niet in eerste plaats en vooral de bijenteelt als middel van bestaan, en het belang der imkers. Er is meer mede gemoeid dan eenig loonend honiggewin. De ondergang der bijenteelt zou eene onherstelbare ramp voor ooft- en landbouw zijn wegens de belangrijke rol, die de bijen vervullen in het huishouden der natuur. Het is meermalen gebleken dat het geheel of ten deele mislukken van den ooftbouw, en van het verbouw van sommige landbouwgewassen als klaver, boekweit, koolzaad en boonen is veroorzaakt door de ontstentenis van bijen, die het stuifmeel van de eene bloem op de andere overdragende, voor de bevruchting zorgen.”

In iets andere bewoordingen en met wellicht wat andere gewassen zou het vandaag de dag nog precies zo kunnen worden gesteld.

Bron: Begrotingsbehandeling in Tweede Kamerverslag van de zitting op 9 december 1896 (via Staten Generaal Digitaal).

Advertenties


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.