Hoe het Oldambt ‘t Westerkwartier voorbij streefde

Hoera! Want ik heb ze teruggevonden: mijn aan elkaar geplakte kopieën van de grote vellen ruitjespapier met de Groninger belastingopbrengsten in de zeventiende en achttiende eeuw. Begin jaren 80 kreeg ik die cijfers van de heer Tijms op het Nederlands Agronomisch Historisch Instituut (NAHI), destijds aan de Vismarkt. Tijms had ze verzameld voor zijn baas, Meihuizen, die ze maar voor een beperkt deel gebruikte voor de Historie van Groningen (1976), een handboek, waar dat beperkte deel dan ook nog eens vrij klein is afgedrukt (veel historici hielden destijds niet zo van cijfers en grafieken). Maar nu vond ik dan de hele bups terug, met alle aparte rijen voor Westerkwartier, Hunsingo, Fivelingo, het Oldambt en de Stad (Westerwolde viel als Generaliteitsland fiscaal nog onder de Staten-Generaal).

De cijfertjes van Tijms, en dan vooral die van het ‘heerdstedengeld’, kon ik heel goed gebruiken voor de lezing die ik afgelopen woensdag gaf. De globale conclusies die ik eruit trok, had ik nog wel paraat, maar die wil je toch ook graag voor je publiek visualiseren, inzichtelijk maken met beeld. En dat ontbrak eraan, door de affreuze vermissing van de lappen gekopieerd ruitjespapier.

Het ging me vooral om het ‘heerdstedengeld’, een belasting op werkzame haarden in huizen. De opbrengsten van deze heffing geven bij gebrek aan bevolkingscijfers namelijk een mooie indicatie hoe een bevolking zich ontwikkelde: aangezien verreweg de meeste huizen slechts één heerdstede of haard hadden, terwijl het gemiddelde aantal bewoners per huis ongeveer gelijk bleef (4,5 à 5 per huis), duiden groeiende opbrengsten van het heerdstedengeld op vermeerdering van het aantal huizen, en daarmee bevolkingsgroei, terwijl afnemende opbrengsten duiden op demografische krimp.

De cijfertjes van Tijms had ik nodig voor een vergelijking van het Oldambt met het Westerkwartier. Wat betreft die gebieden heb ik de opbrengsten van het heerdstedengeld nu maar meteen ingevoerd. Voor het Oldambt ziet de grafiek er zo uit:

Het gaat om de bovenste, donkerblauwe lijn (A). Helaas zitten er twee gruwelijke verspringingen in, door een tariefsverdubbeling met nog wat kleine verhoginkjes van 1701 op 1702, en het met ingang van 1764 heffen van heerdstedengeld in Veendam e.o., kontreien die tot dan toe genoten van een veenkoloniale vrijstelling. Deze verspringingen zijn echter vrij gemakkelijk weg te poetsen, door vanaf 1764 de meeropbrengst van dat jaar af te trekken van de totaal-opbrengsten (de grijze lijn B) en door vanaf 1702 de (aldus gecorrigeerde) opbrengsten te halveren (lichtblauwe lijn C). Hoewel de resulterende grafiek dan nog enkele overdrijvingen bevat – door de bijkomende wissewasjes van 1702 en de onberekenbare groei van het aantal haarden in Veendam e.o. vanaf 1764 – geeft de deze grafiek (A – donkerblauw en vanaf 1702 C – lichtblauw) dan toch aardig de ontwikkeling in het aantal heerdsteden en daarmee de bevolking weer in het niet-veenkoloniale deel van het Oldambt:

Wat we zien is een ongeëvenaarde bloeiperiode in de jaren 1660, waarna er fors verval optreedt. Het absolute dieptepunt bij de opbrengsten ligt in de jaren 1686 en 1687, toen de Maartensvloed een deel van de Oldambtster huizen wegspoelde. Vanaf dan is er echter een ononderbroken stijgende lijn, die duidt op voortdurende bevolkingsgroei. Aan het eind van de lijn moeten we er overigens wel rekening mee houden dat die opgang wat aangedikt is, doordat ook in Veendam e.o het huizental gegroeid zal zijn.

Voor het Westerkwartier, waar geen sprake was van grote veenkoloniale vrijstellingen, hoefde alleen de verspringing door de tariefsverdubbeling van 1702 te worden gecorrigeerd. Hier ziet de ontwikkeling er zo uit:

De blauwe lijn bestaat uit de geboekte opbrengsten, het grijze vervolg uit de gecorrigeerde. Hier zien we dus eveneens een bloeiperiode in de jaren 1660, met verval erna. In de eerste helft van de achttiende eeuw was er in het Westerkwartier lichte krimp, in de tweede helft stagnatie op hetzelfde niveau.

Voor mijn verhaal was ik vooral benieuwd naar die achttiende eeuw. Door de correcties is het nu mogelijk, het romp-Oldambt en het Westerkwartier te vergelijken:

Wat we zien is een uiteenlopen van het Oldambt (blauw) en het Westerkwartier (bruin) – er ontstaat een kloof tussen de opbrengsten van het heerdstedengeld uit beide regio’s. Aanvankelijk zitten die nog dicht bij elkaar. Duidelijk is dat het Westerkwartier meer last heeft gehad van de eerste grote veepestepidemie in 1714 en volgende jaren; waarschijnlijk komt de dip door kwijtscheldingen. Het dieptepuntje van het Oldambt in 1720 kan ik nog niet verklaren; mogelijk heeft die wat te maken met vrijstellingen vanwege de Kerstvloed, drie jaar eerder. Ook de tweede veepestepidemie hakte er eind jaren 1740 in het Westerkwartier veel meer in dan in het Oldambt.

Van de jaren 1748-1751 zijn er geen cijfers, of heb ik ze niet opgenomen. Voordien werd de inning van het heerdstedengeld uitbesteed (‘verpacht’) tegen grote betalingen ineens, maar tegen die geprivatiseerde fiscaliteit rezen toen grote bezwaren, met als gevolg dat boeren of daartoe aangewezen personen de inning op zich namen, waarbij de totale opbrengsten van die jaren pas in 1751 als lump sum werden ingeboekt. Bij opname in de grafieken zouden deze opbrengsten een enorme piek veroorzaken en daar kan je dus ook niets mee als het je te doen is om een indicatie voor de bevolkingsgroei. Vandaar de weglating.

Vanaf 1751 werd het heerdstedengeld geïnd door collectors, plaatselijke belastingambtenaren, benoemd door GS op voordracht van grondgebruikers (met name boeren). Zoals je aan de grafiek ziet, zijn de opbrengsten dan gelijkmatiger van het ene op het andere jaar, d.w.z. zonder de fluctuaties die kennelijk met de verpachting samenhingen. Eind achttiende eeuw blijkt dat de opbrengsten van het Oldambt in een eeuw tijd met de helft zijn toegenomen, terwijl die van het Westerkwartier in dezelfde periode met een tiende zijn gedaald. Kortom, waar het Oldambt in de achttiende floreerde, had het Westerkwartier te maken met krimp en stagnatie.

Advertenties

2 reacties on “Hoe het Oldambt ‘t Westerkwartier voorbij streefde”

  1. Dat is een flinke uitdaging en puzzel geweest, allereerst om de cijfers te bemachtigen, vervolgens om ze goed te interpreteren, waar, zoals blijkt, de nodige kennis voor nodig is van de lokale en regionale omstandigheden in die tijd, die invloed hadden op bepaalde pieken en dalen, en waar nodig te corrigeren in het kader van het vermelde doel, en vervolgens e.e.a. door de grafieken aanschouwelijk te maken voor de toehoorder/lezer. Maar het is weer gelukt!

  2. Reina schreef:

    Die collectoren ofwel belastingambtenaren kunnen een genealoog voor raadsels stellen als ze in andere plaatsen de naam krijgen die de bevolking ze toedenkt. Uiteindelijk ben ik er uit gekomen, boerderijen en dergelijke hadden tegen eind 18e eeuw en in de Franse tijd en daarna ook een schoorsteen, keuterboerderijtjes en hutten/keten hadden gewoon een gat in het dak. Maar wie een echte schoorsteen had moest daar dan ook belasting voor betalen (en misschien ook meer “brandverzekering”, er zat immers gelf, anders bouwde je geen schoorsteen) en de belastingambtenaar, die daarmee belast was, heette bijvoorbeeld in het dorp Peize: schoorsteenkijker, ongetwijfeld in Nedersaksisch dialect uitgesproken, in ABN opgeschreven. Reina


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.