Hoe Trijntje Soldaats haar zoon verloor

Tot halverwege de negentiende eeuw werden mensen op het Groninger platteland nog bij voorkeur aangeduid met patroniemen, achternamen afgeleid van hun vaders voornamen. Voor ons hebben die namen het nadeel dat ze niet zo onderscheidend zijn: ze lijken allemaal op elkaar. Vandaar ook, dat het even duurde voordat ik de naam van Trijntje Alberts herkende. Maar ze kwam uit Ezinge en kort geleden had ik daar in de Torenstraat nog een plaquette gefotografeerd, die haar herdenkt. Daardoor viel, denk ik, het kwartje alsnog: het rekest dat ik ’s middags zonder herkenning gezien had, bleek ’s avonds van Trijntje Soldaats, de bekende sprookjesvertelster. En uit haar biografie werd ook duidelijk, dat dit verzoekschrift nog nooit eerder opgemerkt was.

Voor wie Trijntje Soldaats niet kent: als huisnaaister en oppaster vertelde ze tussen 1800 en 1804 sprookjes aan een paar buurtkinderen, waarvan er een die verhalen uitschreef in een schriftje dat zijn nazaten zo bijzonder vonden, dat ze het van generatie op generatie bewaarden. In 1928 gaf de folkloriste mevrouw Huizenga-Onnekes de sprookjes uit in een fraai verzorgd boek, met houtsneden van Johan Dijkstra en gedrukt door H.N. Werkman.

Trijntje Soldaats (1749-1814), die zo ruim een eeuw na na haar dood alsnog bekendheid verwierf, was geboren en getogen in Ezinge als dochter van een kuiper. Haar moeder kwam van een boerderij in het naburige Feerwerd. Volgens Jurjen van der Kooi, die haar sprookjes onderzocht, moet ze die hier in de omgeving hebben opgedaan. Hij noemde ze “echte Groninger sprookjes”. Ze kwamen dus niet uit Hessen, zoals ook wel eens is beweerd.

Uit Hessen was de man afkomstig met wie Trijntje in 1787 in de stad Groningen trouwde: de tien jaar jongere Andreas/Andries Cramer, ook wel Kremer, Greulingen, Kreuling en Krieling geheten. Vanwege deze soldaat – hij was in ’s Lands dienst – kreeg Trijntje haar bijnaam. Vlak na de doop van hun oudste dochter, begin 1788, verhuisde het paar naar Hessen, waar het weldra nog twee kinderen kreeg: een meisje en een jongen. De laatste, Gerhard, geboren circa 1790, staat hierna centraal.

In 1793 overleed Trijntjes man en keerde zij met de kinderen terug naar haar geboorteplaats Ezinge. Ze zou er in 1798 nog eens trouwen, nu met een twintig jaar jongere boerenzoon uit Fransum, Wybe Wybrands. Bij het opmaken van hun huwelijkscontract traden twee diakenen van de hervormde gemeente Ezinge op als getuigen, vrijwel zeker een teken dat Trijntje door hen bedeeld werd en dat zij deze mannen dus ook om toestemming voor haar huwelijk had moeten vragen.

Dan nu Trijntjes rekest. Op 1 februari 1806 werd Trijntjes ongeveer vijftien jaar oude zoon Gerhard Andries Krieling ter aarde besteld op het kerkhof van Ezinge. Vier dagen later maakte Trijntje met een advocaat, mr. Nauta Muntingh, haar opwachting bij de drost van het Westerkwartier met dit verzoekschrift, dat ze met een kruisje tekende, omdat ze het schrijven blijkbaar niet machtig was:

Geevt eerbiedig te kennen Trijntje Alberts, hoe dezelve met wijlen haar eheman Andries Krielinge twee nog minderjarige kinderen heeft verwekt, waarvan het eene, genaamd Gerardus, bij Jan Jans op Den Ham als knegt diende, en het zelve haar op donderdag den 23 jan[ua]ry l.l. in een aller ongelukkigste omstandigheid is te huis gebragt. Bij welke geleegenheid men haar verhaalde dat Gerardus stroo op de balk draagende, was komen te vallen, en dat Jan Jans zijn zoon had bevoolen, nadat het reeds drie daagen geleeden was, om hem op een paard na zijn ouders huis te brengen. Dan de zoon van Jan Jans zoude (in plaats van hem bij zijne ouders te brengen), hem bij Suttum van het paard hebben afgezet, waarop hij door menschen digt bij Suttum woonende is in huis geborgen, die daarvan aan mij kennis gaaven, en waarop (zonder eenige tijding van de boer Jan Jans nog iemand zijnentweegen te hebben ontvangen) Duurt Alberts te Suttum mij hem met een waagen te huis heeft gebragt, hebbende dat alles ten gevolge gehad, dat hij op de daaraanvolgende maandag is overleeden.

Met andere woorden, Trijntjes zoon diende als knecht bij een boer Jan Jans in Den Ham, zo’n 6 kilometer ten zuiden van Ezinge. Gewoonlijk verdiende zo’n jonge boerenknecht kost en inwoning met een paar gulden en wat kleding of schoeisel toe; dat zal ook hier het geval zijn geweest. Die paar gulden zullen dan, zoals te doen gebruikelijk, naar zijn moeder zijn gegaan. Gerhard droeg, waarschijnlijk via een ladder, stro naar een berging of zolder op de balken in Jan Jans zijn schuur. Bij dit karwei was hij naar beneden gestort. In zulke gevallen namen mensen niet vaak een dokter in de arm en dat deed ook nu de boer niet. Na het drie dagen te hebben aangezien, gaf hij zijn zoon opdracht om de patiënt op een paard naar in Ezinge te brengen, Gerhards moeder moest hem dan maar verder verzorgen. Het kan zijn dat de boerenzoon de tocht te lang vond duren, maar misschien leed Trijntjes zoon ook wel teveel pijn, zo rijdend op dat paard. In elk geval werd hij er bij Suttum, een gehucht halverwege Den Ham en Ezinge, al afgezet door de boerenzoon. Daar werd hij opgevangen door mensen die Trijntje bericht gaven. Je kunt je voorstellen dat Trijntje, die van de boer nog helemaal niets over het geval had gehoord, zich wezenloos schrok. Ze zal meteen naar Suttum zijn gegaan, waar ze een Duurt Alberts – geen familie – vroeg haar zoon op een wagen naar haar huis te brengen, en daar overleed de jongen na enkele dagen.

Maar wat beoogde Trijntje met dit verzoekschrift? Ze bracht het geval ter kennis van het gerecht, zei ze, omdat ze graag wilde dat de drost het zou laten onderzoeken:

De rem[on]s[tran]te vermeende zulks aan het E.E. Gerichte bekend te moete maaken, en verzoekt zeer submis, dat het E.E. Gerichte hierop (gratis) na behooren informatiën gelieve in te winnen of anders in deezen te doen, zoals zal vermeenen te behooren.

Zat er een luchtje aan de valpartij? Was haar zoon van de ladder of de balk afgeduwd? Hoe dan ook, uit de kantbeschikking blijkt dat de drost er meer van wilde weten. Hij ontbood voor de volgende ochtend, om precies te zijn donderdag 6 februari om 11 uur, de Ezinger heelmeester Melle Sikkes Rijtema, die kennelijk de jongen nog voor diens dood had onderzocht, wat dus in het huisje van Trijntje gebeurd moet zijn.

Op Rijtema’s verslag belegde de drost bovendien nog een zitting voor donderdag 13 februari, om zowel Trijntje te horen als Duurt Alberts, de boer uit Suttum die haar zoon naar huis had gebracht. Beiden vertelden daar nog eens hetzelfde verhaal, met wat meer bijzonderheden :

verklaarden dat des rem[onstran]tes overledene zoon op donderdag 23 januarii l.l. door den zoon van Jan Jans met het paard was gebragt tot Suttum en aldaar neergezet bij het schut van een vrouw Geeske genaamd. Dat dezelve met vele moeite in het huisje van laatstgenoemde gekomen zijnde, deze vrouw daarvan had kennis gegeven aan de rem[onstran]te, die terstond den 2den comparant Duurt Alberts had verzogt om haar zoon met de ley te huis te brengen, gelijk denzelve zulks dan ook gedaan had. Dat zij voorts geen gejammer van haar zoon gehoord hadde, maar dat dezelve niet bij zijn verstand had geschenen te zijn. Verzoekende voorts het verdiende loon en klederen van het huis van Jan Jans te mogen afhalen,…

De jongen was dus niet naar Trijntjes huis gebracht met een wagen, maar met een “leij” of lai (ook wel loijke of bodde geheten), een soort van paardenslee met een bak erop die destijds heel vaak op kleiwegen werd gebruikt. Thuis gekomen, gaf Gerardus geen kik. Hij leek alleen niet goed bij zijn hoofd en had mogelijk een zware schedelbasisfractuur, waaraan het ruwe vervoer beslist geen goed zal hebben gedaan. Van verdachte omstandigheden was nu geen sprake meer. Het enige wat Trijntje nog wilde, waren de kleren en het loon van haar jongen. Blijkbaar durfde ze zonder rugdekking van de drost niet naar de boer op Den Ham, om die op te halen.

Hoewel de drost nogmaals een zitting agendeerde, waar hij Jan Jans en diens zoon mede zou horen, heeft die zitting nooit plaatsgevonden. Waarschijnlijk kreeg Trijntje inderdaad de kleren en het loon van haar zoon, waarbij de Hamster boer mogelijk wat meer over de toedracht zal hebben verteld. Voor Trijntje hoefde daarna die nieuwe zitting niet meer zo. Ze had al geld genoeg uitgegeven aan advocaat en gerecht en haar zoon kreeg ze er niet mee terug.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven Tg. 735 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 725: rekestboek, notities van woensdag 5 en donderdag 6 februari 1806; en idem inv.nr. 766: commissieboek, notitie van donderdag 13 februari 1806.
  • Wija Friso & Jurjen van der Kooi, Trijntje Soldaats en de Torenstraat (Bedum 2001) met name p. 61-80 en 97.
Advertenties

5 reacties on “Hoe Trijntje Soldaats haar zoon verloor”

  1. Attie schreef:

    Een verschrikkelijke mededeling voor Trijntje.

  2. Een hard gelag voor Trijntje maar weer een prachtig vertelde geschiedenis.

  3. Harmien Torenbeek schreef:

    Wat mooi dat zij op die manier door een plaquette gememoriseerd wordt.

  4. Reina schreef:

    Er staat me vaag iets bij, dat ik uit de bibliotheek een dun boekje heb geleend, jaren geleden, over Trijntje Soldaats, dat zij met een Duitse soldaat getrouwd was geweest en weer naar Nederland was gekomen, Dat zij arm was herinner ik mij daarvan ook en verhalen vertelde, maar dat van die zoon stond er of niet in of ben ik vergeten. Volgens mij heette het boekje anders dan de twee in de voetnoten genoemde boekjes, (Het leven van Trijntje Soldaats…) maar, het is echt al jaren geleden dat ik dat Boekje leende, dus kan ik het mis hebben. Wie weet er iets over een derde boekje over Trijntje? Reina


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.