Een duivelbanner of wonderdokter van Surhuisterveen

Daniel Nikolaus Chodowiecki, Wonderdokter (1788), uitsnede. Collectie Rijksmuseum.

Op donderdag 20 oktober 1808 werd Pieter Jacobs, bijgenaamd Pieter Scharenslijper, overgebracht naar het rechthuis van Zuidhorn. Waarschijnlijk keken de gerichtsbedienden van het Westerkwartier al een poos naar hem uit, maar nu hadden ze hem dan te pakken, want hij was

bevonden met een pak medicijnen en op de Sevenhuyzen mede rondlopende, sonder enige acte of patent.

Het patent was de vergunning die een handelaar, winkelier of ambachtsman sinds een jaar of wat moest hebben om zijn beroep te kunnen uitoefenen – er ging een belasting mee gepaard. Het andere stuk, de akte, sloeg op de officiële erkenning waarover een medisch dienstverlener moest beschikken. Juist in deze tijd werd er een forse stap gezet in de professionalisering van de medische stand, door een inventarisatie van alle medische beroepsbeoefenaren, waarbij gekeken werd naar hun diploma’s, bekwaamheden en ervaring. Toegelaten personen kregen zo’n akte. Tegelijkertijd keerden Geneeskundige Commissies zich fel tegen mensen die medische diensten leverden zonder dat ze over zo’n akte beschikten. Daarmee kreeg ook de strijd tegen de kwakzalverij een flinke impuls, en dat terwijl veel gangbare medische praktijken toch ook niet bepaald ‘evidence based’ waren – men denke alleen al aan het veelvuldige aderlaten.

Hoe dan ook, Pieter Scharenslijper werd voorlopig vastgezet en de drost stuurde de fiscaal (aanklager) op onderzoek uit. Een week later deed deze verslag van zijn bevindingen. Het was hem gebleken dat Pieter Scharenslijper, woonachtig te Surhuisterveen,

al zedert onderscheidene jaren binnen deze jurisdictie, meestal nabij de grensen van Friesland, heeft rondgesworven, en onder het voorwendsel van medicijnen voor paarden en beesten te verkopen, ook ondernomen heeft medicijnen voor menschen te praepareren en te verkopen, en wel bijsonder voor de sodanige menschen, van welke de siekte daaraan wierd toegeschreven dat zij behekst of betovert souden sijn, hoedanige menschen er ongelukkig in deze meer afgelegene contrainen uit hoofde van een aldaar voortdurend bijgeloof en onkunde nog worden gevonden…

Niet alleen bestond er in de meer afgelegen delen van het Westerkwartier nog een redelijk groot publiek voor de onttoveringsmiddeltjes van Pieter Scharenslijper, ook verhief hij

bij onderscheidene zodane zieken (…) op eene buitensporige wijze de waarde en wonderdoende kragten van zijne medicamenten ter genezing en wegneming ener gewaande betoverij.

Zo bedong de Feanster wonderdokter van “minvermogende en hoogst verlegen mensen” veel meer geld voor zijn “niets beduidende medicamenten” dan ze hoe dan ook waard konden zijn. Kortom, als monopolist gedroeg Scharenslijper zich net zo als de huidige farmaceutische industrie. De fiscaal bracht drie concrete voorbeelden van zo’n exorbitante vraagprijs te berde. Het eerste betrof een Berent Koster “op de Zevenhuijzen”,

welke gezegd wierdt betovert te zijn en van binnen bij zig te hebben een aalreiger, of slange.

Scharenslijper leverde de man twee drankjes, in totaal voor 13 gulden. Bij het tweede geval ging het om een kind van de roderoede (veldwachter) Jan Bakker uit Marum, “hetwelk mede wierd gehouden betoverd te zijn”. Het drankje dat Scharenslijper “ter genezing” van deze patiënt leverde, kostte de vader 4 gulden, een bedrag dat voor hem minstens een weekloon vertegenwoordigde. Het derde voorbeeld gold het kind van Tjebbe Jans en vrouw in Tolbert, dat “nu onlangs” voor betoverd werd gehouden, waarbij Scharenslijper “de verlegene ouders” voor 6,5 gulden een drank verkocht “met nog enige nietswaardige droge kruiden”.

Dit alles werd ook niet ontkend door Scharenslijper, zodat de drost hem schuldig achtte aan

het misdrijf van op eene listige wijze misbruik te maken van de onkunde en verlegenheid, om dezelven langs dezen weg onbehoorlijk hun dikwijls zeer duur verdiende gerede penningen uit handen te brengen, sowel als aan het veroorsaken van onenigheid en wantrouwen in de huisgezinnen en buurten, ter oorsake van de ingewikkelde beschuldigingen en gissingen welke doorgaans met sodane gewaande betoveringen en onttoverringen zijn verbonden.

Als er min of meer iemand werd aangewezen die voor de betovering verantwoordelijk zou zijn, dan kon dat forse sociale gevolgen voor zo iemand hebben, zeker in een bijgelovige omgeving. Als hij of zij daar niet boven stond, dan kon hij of zij naar de rechter stappen met de eis, dat de beschuldiging openlijk zou worden herroepen door degene die haar in de wereld hielp. Mogelijk had de drost daar in zijn civiele rechtspraak ervaring mee. In elk geval vond hij het voeden en misbruik maken van zulk bijgeloof een misdaad van dien aard,

dat ofschoon deselve kan worden begrepen gene absolute materie op te leveren voor een regelmatig crimineel proces, egter ten hoogsten de attentie der goede policie moet na sig trekken, ten einde ook aan de maatschappij van die kante de benodigde veijligheid te doen erlangen, temeer daar deselve is gepleegd door een persoon, welke volgens zijne eygene confessie reeds twee malen in het departement Friesland in regtshanden is geweest.

Hoewel dat meermalen opgepakt zijn van Scharenslijper nog niet betekende dat hij ook veroordeeld was, laat staan voor eenzelfde vergrijp, suggereerde de drost hier dat hij een recidivist was. In de drost zijn ogen mochten de termen voor een regelrechte strafzaak dan ontbreken, maar hij maakte wel korte metten met de wonderdokter, door hem bij akte te veroordelen tot teruggave aan de kopers van het geld dat zij hem voor de drankjes hadden betaald. Bovendien werd Scharenslijper voor acht dagen op water en brood gezet in de toren van Midwolde, waarna gerichtsbedienden hem over de grens van de jurisdictie Westerkwartier zouden zetten met de aanbeveling

om sig in het toekomstige buiten deselve te houden, bij poena van nadere dispositie.

Of Scharenslijper, die toen al 56 was, zich inderdaad nooit meer in het Westerkwartier gewaagd heeft, is de vraag. In elk geval lijkt hij voorlopig zijn werkterrein naar Drenthe te hebben verplaatst, want daar veroordeelde de Etstoel (hoogste rechtbank) hem op 6 december 1808 tot een levenslange verbanning uit Drenthe en het daarmee gecombineerde Overijssel. Als hij zich aan beide ontzeggingen hield, en al  eerder ook in Friesland veroordeeld was wegens soortgelijke praktijken, dan zal dat alles zijn actieradius aanzienlijk hebben beperkt.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia 20 en 27 oktober 1808.
  • Klaas R, Henstra, Duivelbanners en wonderdokters in de Wouden (Leeuwarden 2007) 83-84. Bron van de laatste was uiteindelijk een verhaal dat in 1985 in de rubriek ‘Noorder Rondblik’ (NvhN) heeft gestaan, en waarin ten onrechte sprake is van een veroordeling in, en verbanning uit Groningen, waar slechts het stuk uit het Westerkwartier bedoeld kan zijn.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.