Meineed, en de straf erop

Ommelander landrecht (1601), boek VII, art 47:

Van een Meneed te sweeren
Sweerd jiemand een meneed, ende daervoor rechtlijck word verwonne, die sal verbeurt hebben zijn twee vorderste vingeren van sijn rechterhand. Ende de vingeren mach hij vryen met een manne-gelt, een rigter dubbelt. Dan wie de vingeren in der manieren niet lossen can, dien salmen zijn recht doen sonder genade. Ende alle degene die eenmaal eenen valschen Eed heeft gedaen, die sal stedes onteeret blijven ende niet weerdigh wesen eenigh recht te bedienen ofte voor recht eenigh tuygenisse te doen.

Interpretatief vertaald: Wordt bewezen dat iemand meineed heeft gepleegd, dan heeft die persoon de twee voorste vingers van zijn rechterhand verbeurd. Deze straf kan hij ontgaan door zijn vingers met een flinke som geld ‘vrij te kopen’. Wie dat geld niet opbrengen kan, ondergaat zonder pardon die straf. Iemand die eenmaal veroordeeld is wegens meineed, blijft levenslang infaam, inhabiel en eerloos, mag nooit weer een eed zweren, kan dus geen enkel ambt bedienen en mag ook niet als getuige optreden in wat voor zaak dan ook.

Advertenties

4 reacties on “Meineed, en de straf erop”

  1. Harmien Torenbeek schreef:

    Nou zeg, dat liegt er niet om…..

  2. lottifuehrscheim schreef:

    Dan werd waarschijnlijk met die twee vingers opgestoken gezworen?


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.