Hoe de Tolberter Tocht weer open raakte

Soms kom je in oude stukken waterlopen tegen die allang niet meer bestaan, weggepoetst als ze zijn door verlanding, ontginning, ruilverkaveling en grootschalige woning- en utiliteitsbouw. Neem de waterlopen die Haro Casper, baron van In en Kniphuizen en Heer van Nienoord, noemt in het verzoekschrift, dat hij hartje zomer 1809 inleverde bij de drost van het Westerkwartier. In dat rekest klaagt de baron

hoe dat vooral in den winter ten uitersten word geïncommodeerd door het water uit de Veensloot in het zuidelijkste gedeelte van de Tolberter Togt, welk water van daar overloopt over het Nienoordsche Veld in het Nienoordsche Molenkanaal, waardoor nadeel aan de wallen van hetzelve kanaal wordt toegebragt, welke overloop van water word veroorzaakt doordien het meer noordelijk gedeelte van opgem[el]de Tocht niet in de vereischte staat word gehouden…

De Tolberter Tocht loopt van zuid naar noord door bijna het gehele kaartbeeld, Halverwege passeert ze de Vredewoldster zandrug, met daarop de hoofdweg Tolbert-Midwolde (rode lijn). In het zuidelijke brongebied of “Bovenland” lagen het Nienoordse Veld (paarse bolletjes) en het Molenkanaal, bezittingen van Nienoord die zeer te lijden hadden onder de slechte afwatering naar het noorden. Onderlegger: http://www.hisgis.nl

Die Tolberter Tocht, een “gegraven waterloop ter ontlasting van hemelwater van venen en landen”, vormde al sinds de vroege Middeleeuwen, toen de ontginning van het Vredewold begon, de vrijwel kaarsrechte kerspelgrens tussen Tolbert en Midwolde, tevens de grens van twee verkavelingssystemen. De tochtsloot liep (zie kaart) vanaf onontgonnen Nienoordse venen even ten noorden van de Wolveschans, tussen Tolbert en Midwolde door en langs De Traan naar het Wolddiep, dat op zijn beurt weer naar het Hoendiep bij Enumatil stroomde. De Tolberter Tocht diende primair voor de afwatering van het Tolberter Veld ten zuiden van Tolbert, waar een of twee Veensloten erop afwaterden. De heer van Nienoord bezat hier nog een complex onontgonnen hoogveen, dat afwaterde op zijn eigen Molenkanaal. Blijkbaar werkte de afwatering langs de Veensloten en de Tolberter Tocht niet meer goed, waardoor ’s winters al bij een betrekkelijk geringe regenval zich hier overtollig water over het (heide)veld een weg baande naar het Molenkanaal, dat dan schade aan zijn wallen opliep.

De Heer van Nienoord zag de periodieke winterse overstromingen met lede ogen aan en wilde er graag vanaf. Vandaar dat hij de drost verzocht om een lastgeving aan de Tolberter dorpsvolmachten of “boerrichters” die het toezicht op die Tolberter Tocht hadden – wat betreft Nienoord maakten ze hun afwatering meteen weer in orde. De drost echter, verzocht de volmachten eerst om hun visie op de zaak te geven. Nadat die besproken was, hielden de drost en de volmachten in het najaar een schouw van de Tocht. Daarbij bleek in het meest noordelijke deel van de Tocht, “doorgaans genaamd de Blinksloot” – dat door Nienoord nog als bottleneck was aangewezen, totaal niets aan de hand. Er zat volop water in dat onbelemmerd zijn weg vond naar het Hoendiep en de Kommerzijl.

Zuidelijker, met name daar waar de Tocht de aanmerkelijk hogere zandrug met de hoofdweg Tolbert-Midwolde passeerde, stond de bodem van de Tocht echter “geheel droog”. Ook bleek

dat al verder op onderscheidene plaatsen dwars door dezelve droge togt van de eene wal na de andere waren geplaatst vlaken of schuttingen van rijswerk, dienende om het vee te beletten om dezen togt te gebruiken tot ene passage van het ene land naar het andere; dat daarenboven nevens meergemelte togt op onderscheidene plaatsen zoo nauw was gegraven, dat uit hoofde van deszelfs diepte de wallen nauwelijks konden worden gehouden, daardoor in deselve waren ingesakt, terwijl op andere plaatsen de wallen van deselve togt zo nauw met bomen en ruigte waren beplant, dat men niet in staat was om dezelve behoorlijk te kunnen graven, of de uitgegravene aarde te kunnen bergen.

Op het droogstaande middenstuk van haar tracé bleek de Tolberter Tocht dus gecompartimenteerd met afrasteringen van natuurlijk materiaal die moesten voorkomen dat vee aan de zwerf raakte. Op andere plaatsen was de Tocht zo smal en diep, dat haar wallen waren ingestort, terwijl de tochtsloot nog weer elders dichtgegroeid was met bomen en struweel. Ongetwijfeld was hier zeer lang geen adequaat onderhoud geweest, misschien wel enige tientallen jaren niet.

Ten zuiden van de zandrug en vlak bij de Veensloot (of Veensloten?) lag het aanzienlijk lagere terrein waarover de Heer van Nienoord klaagde. Hier stonden de Tolberter Tocht en de Veensloot (Veensloten?) weer vol water. Dat kon er niet weg naar het noorden door genoemde “beletselen” op het middenstuk van de Tocht. Vooral aan de voet van de zandrug bleek de Tocht zeer nauw en slecht onderhouden. Een en ander is ook wel enigszins begrijpelijk: op het hoge middenstuk moest de Tocht immers het diepst ingegraven worden en was het onderhoud bijgevolg het duurst.

De Tolberter Tocht was de enige schouwbare afwatering van Tolbert. Iedere ingezetene die er belang bij had, kon “onwedersprekelijk” eisen dat de Tocht aan dat doel voldeed en dus in een goede staat van onderhoud werd gehouden. De drost gaf daarom de Tolberter volmachten bevel om in het vervolg te voorkomen dat iemand nog eens een “rijswerk of schutting” dwars in de Tocht zou zetten, als “strekkende notoir, vooral als enige ruigte met water afstroomt, van deselve tocht te stoppen en de vrije loop van het water te beletten”. Wel mocht iedereen “bijlangs de togt zijn wal bevredigen naar zijn rade” – aan de Tocht parallelle afrastering was dus wèl toegestaan.

Daarnaast moest op het problematische middenstuk van de Tocht en dan vooral aan de zuidkant van de zandrug de slootbodem zoveel mogelijk worden opgeschoond en verdiept, zodat “de bovenste of meest zuidelijk gelegen landen” niet meer zouden overstromen. Bomen en houtgewas die de afwatering hinderden moesten worden weggehaald door de eigenaars van de tochtslootwallen. Als zo’n eigenaar weigerde, moesten de volmachten dit melden bij de drost, die de aangeklaagde dan een proces zou aandoen. Als de volmachten er geen werk van maakten, of anderszins in gebreke bleven, kregen ze zelf de boetes die ze de nalatigen hadden moeten opleggen. Mogelijk is hier impliciet sprake van nog een andere oorzaak van de overstromingen: de laksheid, jaren en jaren aaneen, van de Tolberter volmachten.

Er zou ook overigens ook nog wel eens een derde oorzaak geweest kunnen zijn, een oorzaak die men destijds echter niet onderkende. Mogelijk was het Tolberter en Nienoordse Veld in kwestie allang begruppeld en voorzien van sloten, waardoor het veen oxydeerde en het maaiveld ter plaatse daalde. Is dat inderdaad gebeurd, dan moet dat de afwatering mede hebben bemoeilijkt. Uiteindelijk heeft men hier ook de handdoek in de ring gegooid, want de Tolberter Tocht ten zuiden van de zandrug verloor weldra haar functie nadat men hier in de negentiende eeuw de afwatering anders ging regelen.

BRONNEN:

  • Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr.727: rekestboek. 26 hooimaand (juli) 1809 met op zich ongedateerde apostille (van 9 oogstmaand 1809); idem inv.nr. 729: protocol van notificaties en publicaties door de drost van het Westerkwartier, die van donderdag 16 Slagtmaand 1809.
  • Groninger Archieven Tg. 2137, inv.nr. 40-2: Kaart van de Leek, de Nienoort, Tolberter Togt &c. door Pieter Buwama Aardenburg, gedateerd op 1790-1805, maar mogelijk iets later gemaakt en dan samenhangend met (een vervolg op) de hier weergegeven verzoekschriftprocedure.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.