Bliksemafleiders en brandcontracten in Groningerland

Rond 1820, zo verhaalt Botke in zijn prachtige boek Boer en Heer, zag men nergens in Nederland meer bliksemafleiders dan in de provincie Groningen, waar een menigte boerenplaatsen erdoor beschermd werd. Dit was vooral zo in Hunsingo en de Marne. Onder aanvoering van ds. Uilkens van Eenrum implementeerden verlichte geesten hier massaal de uitvinding van Benjamin Franklin.

Bij orthodox-bevindelijke hervormden echter, zag je geen bliksemafleiders op het dak. Zij zagen blikseminslag als een straf van God: “God deed het onweer verwekken, opdat het ons tot straf zou verstrekken”. Het voorkomen van die welverdiende straf met een bliksemafleider gold als een inbreuk op Gods almacht. Orthodox-bevindelijken keurden het gebruik van bliksemafleiders daarom af. Het vele gebruik van bliksemafleiders in Groningerland en dan met name Hunsingo en De Marne, wees er dus ook op, dat die orthodox-bevindelijke opvattingen daar hadden afgedaan, tenminste: onder de eigenaars en beklemde meiers van boerderijen.

Voor de orthodox-bevindelijke mens bestond de zin van het leven uit het dienen van God. Van het nastreven van geluk is geen sprake in hun catechismus. Menselijk geluk wordt pas iets nastrevenswaardigs met de Verlichting. Denk maar aan het “Life, Liberty and the pursuit of Happiness”, uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776. Waarschijnlijk werd geluk daarin overigens vooral begrepen als voorspoed en welvaart. In die zin komt het ook terug in een rekest van een aantal vooraanstaande boeren uit Beerta, in 1802. Zij vonden het “de eerste plicht van de leden der burgerlijke Maatschappij”, om

alles wat in hun vermogen is bij te dragen, waardoor het belang, het nut, de voorspoed en de beveiliging der Maatschappij kan en moet worden bevordert.

Geluk is ook te bevorderen door het voorkomen van het tegenovergestelde, dus ongeluk. In dat opzicht zijn er nog twee innovaties die, net als de bliksemafleiders, als een soort van lakmoesproef voor het veldwinnen van de Verlichting kunnen dienen. Dat zijn de variolatie of of inenting tegen de pokken en de oprichting van brandcontracten of onderlinge brandverzekeringen. De inenting heb ik hier al eens kort behandeld, bij de brandcontracten sta ik nu stil, uitgaande van de vraag hoe deze innovatie ingang vond, en dan vooral in sociaal opzicht: wie waren de early adopters en wie volgden hun voorbeeld?

Brandcontracten

Net als tegen tegen vaccinatie waren orthodox-bevindelijke gereformeerden gekant tegen brandverzekeringen. Ook die vormden immers een inbreuk op de voorzienigheid Gods, maakten Gods straffen tot een illusie, en waren daarmee uit den boze. Bij verzekeringen gaat het net als bij vaccinatie om de toekomst, en die ligt in Gods hand en alleen daarop mag je vertrouwen.

Dat deze opvatting in de achttiende eeuw steeds minder effect had, blijkt uit de opkomst van de brandverzekeringen. Volgens Slechte waren verzekeringsmaatschappijen voor 1720 überhaupt nog onbekend in Nederland, maar werden er dat jaar vier actief die onder meer tegen brandschade verzekerden. In 1727 kwam er bovendien een collectieve brandverzekering voor Zaanse oliemolens tot stand. Na 1770 trad er een lichte versnellling op, met tien brandverzekeringsmaatschappijen tussen dat jaar en 1800. Na 1800 zou het verschijnsel pas echt een grote vlucht gaan nemen en schoten vooral de lokale, onderlinge brandverzekeringsmaatschappijtjes als paddestoelen uit de grond.

Molens

Kijken we naar de provincie Groningen, dan blijkt dat hier de ontwikkelingen op enige afstand werden gevolgd. De allereerste brandverzekeringen hier, waren louter bestemd voor molens, niet alleen zeer kostbare stukken onroerend goed, maar ook zeer ontvlambare. De eerste twee brandcontracten voor molens werden opgericht in 1743: een in de Stad, de andere in de Ommelanden. Die van de Stad dateert uit februari dat jaar en verzekerde vooral houtzaag- en oliemolens in de Stad en haar directe omgeving. Hun maximaal verzekerde waarde bedroeg 4500 gulden en de ondergrens zat op 1000 gulden voor een molen die minstens 2000 gulden waard moest zijn. De premie bedroeg per jaar een half procent van de verzekerde waarde. De kas werd beheerd door vier bestuurders, die Jan Gerrits Beerta, een oliemulder van het Winschoterdiep op de Stadstafel, tot hun volmacht en boekhouder kozen.

Het andere brandcontract voor molens werd drie maanden later te Mensingeweer opgericht en richtte zich louter op pelmolens in De Marne en Hunsingo. Bij aanvang werden er elf pelmolenaars lid. Bij hun brandcontract werd er geen fonds gevormd, maar verplichtte elk van de leden zich maximaal 1000 gulden uit te keren aan een gedupeerde van brand uit hun midden. Het contract besteedt ook aandacht aan brandpreventie: de molens moesten in een goede staat verkeren en er diende permanent bluswater aanwezig te zijn in de molen. Een tweekoppig bestuur ging jaarlijks de molens langs voor hertaxatie en controle op de brandpreventie.

Opmerkelijk is, dat in het conservatieve Oldambt pas veel later een brandcontract voor molens tot stand kwam. Dat gebeurde in 1781 en de eerste boekhouder was de molenaar Gerardus Molema uit Midwolda. In 1800 maakte dit brandcontract, naar het zich laat aanzien, een doorstart onder leiding van enkele veenkoloniale molenaars.

Boerderijen en andere huizen

De eerste onderlinge brandverzekering voor boerderijen in Stad en Lande kwam er in 1794. Daarna ging het snel, zoals dit lijstje laat zien:

  • 1794: Winsum
  • 1795: Leens, Uithuizen, Wehe den Hoorn, Middelstum, Zeerijp.
  • 1796: Usquert
  • 1798: Aduard, Uithuizermeeden
  • 1801: Eenrum, Grijpskerk
  • 1802: Oosterwijtwerd
  • 1802: Beerta
  • 1802: Midwolda, Zeerijp
  • 1803: Ezinge, Houwerzijl
  • 1805: Siddeburen
  • 1811: Ten Boer

Net als bij de brandcontracten voor molens, is hier sprake van een faseverschil tussen het voorlijke westen van de provincie, met name De Marne en Hunsingo, en het wat latere oosten, met name Fivelingo en het Oldambt. Ik zie hier een verband met de publieke opinie, die in het oosten destijds veel conservatiever was.

Wijde omgeving

Al deze brandcontracten bedienden een wijdere omgeving dan de vestigingsplaats alleen. Ze hadden dus een regiofunctie, hoewel de meeste leden vaak wel in de vestigingsplaats woonden. Dat van Winsum verzekerde opstallen in het Halfambt, dat van Uithuizen had noordelijk Hunsingo als zijn ressort, dat van Leens was er voor De Marne, dat van Ezinge voor Middag-Humsterland, dat van Beerta voor het oosten van het Oldambt en dat van Siddeburen voor Duurswold of de Woldstreek.

Voortrekkers, bestuurders, ledendemocratie

Van de ‘Sociëteit van Onderlinge Bijstand in geval van Brand’ in Winsum was Geert Reinders de oprichter. Deze bekende boer, die ook inenting tegen de veeziekte propageerde, kwam na de Bataafse Revolutie in het Ommelander bestuur. Hij was nota bene de zoon van een molenaar en werkte zelf in zijn jonge jaren ook op een molen. Wellicht dat hij daarom het fenomeen brandverzekering al wat langer kende. Reinders was patriot en ook in Eenrum schijnt een patriot de voortrekker te zijn geweest, namelijk de bekende landbouwhervormer ds. Uilkens.

Naast Reinders traden er in Winsum twee Huismannen, net als hij landbouwers, als directeuren op. De eerste dertig jaar was de schoolmeester Berend Swaagman hun secretaris-boekhouder. Die zal het meeste werk hebben gedaan. Prominent waren ook de eerste bestuurders in bijvoorbeeld Midwolda. Het betrof de dorpsdokter en enkele grote boeren. In Beerta ging om de grootste boeren van dat dorp, Nieuw-Beerta, Oostwold en Finsterwolde. Net als overal elders werden de volmachten er met meerderheid van stemmen door de leden gekozen. De leden beslechtten ook eventuele kwesties op democratische wijze. Dat gebeurde op een rekendag of jaarvergadering, die altijd in het voorjaar plaatsvond.

Werkzaamheden, methodiek

De brandcontracten konden op punten sterk verschillen. Hoe verder de tijd voortschreed, hoe gedetailleerder hun reglementen werden. Toch valt er voor deze periode ook nog wel iets algemeens over te zeggen. Zo taxeerden de bestuurders van de brandcontracten praktisch overal de woningen en schuren naar hun actuele waarde. Jaarlijks gingen ze bovendien de leden langs voor eventuele herziening van die waarde. De premie bedroeg alom een half procent van de taxatiewaarde, terwijl bij brand de hele taxatiewaarde werd uitgekeerd. Stond er na brand nog iets bruikbaars overeind, dan werd dat getaxeerd door timmerlieden, om tot een raming van de schade te komen. Omdat er niet zo heel vaak brand was, hadden de brandcontracten nogal eens flink wat geld in kas, dat dan werd belegd in hypothecaire leningen aan leden. Zodoende had zo’n verzekering ook een bankfunctie, lang voordat er banken waren op het platteland.

Aantallen leden

Van een handvol brandcontracten zijn de aanvankelijke aantallen leden bekend:

Winsum (1794) 43
Uithuizen (1795) 54
Leens (1795) 77
Ezinge (1805) 78
Siddeburen (1803) 124

In de loop van de tijd wordt dit aanvankelijke ledenbestand dus steeds hoger, mogelijk een teken dat er steeds minder sprake was van schroom. Hoewel er ook iets anders gespeeld kan hebben, waarover straks meer.

Gemiddelde taxatiewaardes

In Winsum en omgeving werden de 43 boerderijen in 1794 getaxeerd op gemiddeld een kleine 1500 gulden. Een jaar later bedroeg die gemiddelde taxatiewaarde in Leens iets meer dan 1200 gulden, terwijl dat in Ezinge anno 1803 1300 gulden was. In de Ommelanden kon je dus voor 1200 tot 1500 gulden een gemiddelde boerderij kopen.

Sociaal

Inderdaad kenden de brandcontracten voornamelijk of zelfs uitsluitend boeren als lid. Toch ging het doorgaans maar om een beperkt deel van de boeren in een bepaalde omgeving. In Winsum bijvoorbeeld, bestond er een relatief grote animo in Bellingeweer, terwijl er uit Obergum nauwelijks leden waren.

In Beerta sloot het contract huizen van minder dan 600 gulden waarde zelfs uit. Kleine middenstanders en arbeiders konden daarmee hun huizen nog niet verzekeren tegen brand. In Siddeburen gebeurde dat juist met de dure en licht ontvlambare windmolens. Opmerkelijk is dat het brandcontract voor die omgeving verder alle huizen toeliet, ook de goedkopere. Wellicht is dat ook de reden voor het grote aantal leden bij aanvang. Toch woog het aantal feitelijke leden hier in de vestigingsplaats bij lange na niet op tegen het totale aantal huishoudens.

Op drie ledenlijsten vinden we de taxatiewaardes van de verzekerde opstallen. Deze heb ik samengevat in het bijgaande staatje:

Taxatiewaarde Tot 500 500 tot 1000 1000 tot 2000 2000 of hoger
Leens 1795 (77) 3 % 19 % 70 % 8 %
Uithzn, 1795 (54) 0 % 15 % 56 % 29 %
Siddb. 1805 (124) 17 % 21 % 47 % 15 %
  • Bij de categorie tot 500 gulden zitten de arbeiderswoningen en kleine middenstandswoningen, eventueel als twee-onder-één kappers.
  • In de tweede, wat duurdere categorie, zitten onder andere winkelhuizen van koop- en ambachtslui.
  • Grotere bedrijven zitten net als de gemiddelde boerderijen in categorie III
  • Terwijl de grotere boerderijen net als de brouwerijen in de duurste groep zitten.

Wat met name opvalt is dat in Leens en Uithuizen niet of nauwelijks huizen uit het goedkoopste marktsegment in het brandcontract opgenomen zijn. In Siddeburen, met dat grote aantal leden bij aanvang, gaat het al om 17 % van het bestand. De onderlinge brandverzekering van dat dorp markeert de externe democratisering of verdere openstelling die na 1800 moet hebben plaatsgevonden bij de brandcontracten. Als er in de tweede helft van de negentiende eeuw in de krant verslag wordt gedaan van een brand in een arbeiderswoning, blijkt zo’n woning immers meestal verzekerd.

Dit is een deel van mijn lezing op de Dag van de Groninger Geschiedenis in oktober 2017. De tekst heb ik iets bijgesteld.


3 reacties on “Bliksemafleiders en brandcontracten in Groningerland”

  1. Harmiena Torenbeek schreef:

    Mooie afbeelding van Ben Franlkin en zoon William met het vlieger/ bliksem project waarbij eerlijk gezegd de eerste twee paragrafen met de beschrijving van de gedachtenwegen voor en tegen bliksemafleiders, voor mij genoeg verlichting was. Ik had deze uitleg inderdaad nooit gehoord.

  2. Attie schreef:

    Leuk om te lezen.

  3. Bert Visser schreef:

    In dik 200 jaar van Geert Reinders naar Unive.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.