De Groninger pepernotenkwestie

DSC02867 pepernoten

Op 18 februari 1640 liet het Groninger stadsbestuur een plakkaat in de stad ophangen, dat de oprichting van het koekenbakkersgilde bekend maakte. Voortaan was het voor mensen die geen lid van dit gilde waren, verboden om

eenige koeken ofte pepernoten te backen, vercopen ofte te kope holden, voor ende aleer sij de gilde gewonnen ende voldaen sullen hebben…

Dat de leden van het nieuwe gilde het alleenrecht verwierven op het bakken en verkopen van koek, sprak vanzelf. Maar dit privilege of monopolie gold ook voor pepernoten, die, naar het zich laat aanzien, hier voor het eerst in een Nederlands geschrift zijn genoemd.

De uitsluiting zat de wegge- of broodbakkers niet lekker, zoals jaren later bleek, bij een juridisch steekspel om de afbakening tussen hun gilde en dat van de koekenbakkers. In 1640 konden de koekenbakkers nog lid zijn van beide gilden, maar daar wilden de broodbakkers in 1658 vanaf. Volgens het laat-middeleeuwse Stadboek mocht een burger namelijk maar één enkel ambacht uitoefenen en dus van één enkel gilde lid zijn. De koekenbakkers van hun kant, beriepen zich echter op hun oprichtingsakten, besluiten en jurisprudentie uit de tussenliggende jaren, waarbij ze tevens mochten broodbakken, als ze tenminste ook lid waren van het broodbakkersgilde, een regeling waarmee de broodbakkers nota bene zelf hadden ingestemd, zodat die daar nou niet over moesten gaan miepen.

Dat vonden Burgemeesteren en Raad ook, want die gaven de koekenbakkers gelijk met hun vonnis,

dat de tegenwoordige gildebroeders, haar kinderen en nakomelingen, alsook hun knechten die al te boek bekend staan, in hun voor dezen bekomen recht van beide gilden te mogen winnen en uitoefenen, zullen mogen voortgaan, zonder meer.

De broodbakkers lieten het er niet bij zitten. In 1660 haalden ze alle achttien gewone gilden over, om een gezamenlijk verzoekschrift bij het stadsbestuur in te dienen, dat vroeg om het dubbellidmaatschap van gilden te verbieden. Het uitoefenen van twee neringen door één persoon zou namelijk sterk toenemen, in weerwil van het Stadboek en diverse jurisprudentie. Burgemeesteren en Raad willigden dit collectieve verzoek inderdaad in, maar maakten daarbij een uitzondering voor de brood- en de koekenbakkers, die zich moesten blijven houden aan de uitspraak uit 1658, al behielden de heren zich wel het recht voor om daar ooit nog eens verandering in te brengen.

Al na een week, begin februari 1660, tekenden de broodbakkers op één onderdeel beroep aan tegen deze uitspraak, namelijk op het punt van de pepernoten, die, zoals we hebben gezien, sinds 1640 louter en alleen door de koekenbakkers mochten worden gemaakt en verkocht.

De broodbakkers betoogden daarbij dat ze het op één na oudste gilde van de Stad vormden. Hoewel ze “van oudsheer” het recht op het bakken van pepernoten hadden gehad, was ze dat vanaf 1640 tot hun “merkelijke schade” verboden door de koekenbakkers. Knarsetandend moesten ze sindsdien aanzien,

dat de gansche stadt door op hoeken van de straten, in de poorten, corps de guarde, herbergen, op bruggen ende selfs naast de bakkershuisen pepernoten worden verkoft van lieden die men niet en weet waar se van heergekomen zijn (venters HP), dat ook van dezelve naar gelegenheyt van tijdt dikwijls bij nagte op gastmalen en anders niet alleene pepernooten, maar ook krakelingen en koekjes werden verkogt…

Het broodbakkersgilde, zo zeiden zijn bestuurders verder, was een groot gilde dat nog voortdurend groeide. Er leefden vele gezinnen van de broodbakkersnering. Ook de stadsarmen profiteerden er behoorlijk van mee. Met klem, maar ook “zeer deemoediglijk” verzochten ze het stadsbestuur om herziening van het stedelijke pepernotenbeleid, vooral ook omdat hun gilde in 1640 niet was gehoord bij de oprichting van het koekenbakkersgilde. Ze wilden dus graag weer zelf die uiterst populaire bakseltjes kunnen produceren.

Ditmaal gaven Burgemeesteren en Raad toe: voortaan mochten ook de broodbakkers pepernoten bakken. De koekenbakkers appelleerden nog wel tegen deze uitspraak, maar tevergeefs, ze waren hun monopolie kwijt: in april 1660 liet het stadsbestuur het bij de nieuwe regeling. Naderhand werden in de gilderol der broodbakkers ook triomfantelijk en met ere de namen van de gildebestuurders opgetekend, die het pepernotenmonopolie van de koekenbakkers hadden gebroken.

Bronnen:

  • Plakkaat Burgemeesteren en Raad (B&R) 18 februari 1640, in afschrift in Groninger Archieven, Toegang (Tg.) 1325 (gilden) inv.nr. 99;
  • GrA, Tg. 1534 (Volle Gericht) inv.nr. 127: rechtdagnotitie 13 mei 1658;
  • Resolutie B&R 28 januari 1660;
  • Rekest aan en apostille van B&R 4 februari 1660 (afschrift in Tg. 1325 (gilden) inv.nr. 1;
  • Resolutie B&R 14 april 1660.

One Comment on “De Groninger pepernotenkwestie”

  1. aargh schreef:

    Ha, gerechtigheid! (Ik ben natuurlijk helemaal op de hand van de broodbakkers). Ik ben wel benieuwd naar de pepernoten uit die tijd.


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.