Prinsenvreugde vergt vuurwerkslachtoffer

Dat niet iedereen altijd even gelukkig was met stadhouderlijke festiviteiten, heb ik hier wel eens verteld: in 1773 daverden de kanonnen op de Groninger stadswallen zodanig, dat de woning van een bejaard echtpaar buiten de Apoort forse schade opliep.

Van zo’n geval hoor je zelden in de vreugdegalmen en andere pamfletten, die zulke festiviteiten immer in juichtonen beschrijven. Zo raakte ik ook alleen via een Drentse omweg op de hoogte van een soortgelijk geval dat zich op 15 september 1729 in de stad Groningen voordeed.

Die dag was er een om nooit te vergeten voor Jacob Brandts (ook wel Brants of Brans), de koetsier van de heer De Hertoghe van Feringa. De Hertoghe was een aanzienlijk en machtig potentaat in Groningerland, en diens karos was dan ook de derde in een optocht van karossen, die zijn opwachting kwam maken bij het inhalen van prins Willem IV. De prins zou op die dag meerderjarig worden verklaard en werd daarmee tevens ingehuldigd als stadhouder van Groningen en Drenthe. De Hertoghes koets stond als derde van voren in de rij! En als koetsier deelde Jacob Brants in die eer van zijn baas. Hij zat dicht op het vuur!

Te dicht, zoals bleek. Want die avond, toen Jacob met duizenden andere mensen toekeek hoe een groots magnifiek vuurwerk “ter eeren van zijn Doorlugtige Hoogheijt” werd aangestoken, gebeurde er iets verschrikkelijks. Door onvoorzichtigheid van wat helpers bij het vuurwerk raakte er een kist met vuurpijlen en soortgelijk spul in brand. En Jacob trof het ongeluk

van door een pijl in zijn linker been zodanig gewondt te worden, dat zijn beide scheenbotten van de knie af tot middelweegs het been aan gruis waren geslagen en vermorzelt, zodat als doodt ter aarden was gevallen…

Wel een jaar lang had hij “onder doctoren en meesters handen” op bed gelegen. Maar de artsen en chirurgijns hadden weinig voor hem kunnen doen. Op dat been van hem zou hij nooit meer kunnen gaan of staan, en zijn broodheer had hem daarom zijn congé gegeven. En dat terwijl Jacob, afgezien van zijn koetsiersloontje, totaal geen andere middelen van bestaan had.

De gewezen koetsier kreeg op zijn verzoek wel wat geld los bij de Staten van Stad & Lande, maar dat was te veel om van te sterven en te weinig om van te leven. Er was echter nog een lichtpuntje voor Jacov: de inhuldiging van de prins als stadhouder gold immers ook voor de Landschap Drenthe en daardoor kwam Jacob op het idee om ook bij Ridderschap en Eigenerfden te verzoeken om een jaarlijkse of wekelijkse toelage.

Wonder boven wonder gaven de Drentse heren hem ook wat: 100 gulden maar liefst. Maar, zo waarschuwden ze, dat was “eens voor al”. Jacob moest, met andere woorden, niet nog eens in Assen om geld komen vragen.

Dat deed Jacob Brants toch. In 1732 deed hij zijn verhaal nog eens op de Drentse Landdag, met het verzoek om “een klein jaarlijks penzioentjen”. Hij ving bot, Ridderschap en Eigenerfden ‘difficulteerden’ in zijn verzoek.

Intussen hebben de Drentse resoluties me wel op het spoor gezet van Groningse besluiten. Had er vandaag even geen tijd voor, maar zal binnenkort eens kijken hoe dit geval in de resoluties van de Groninger Staten terechtkwam.

Bronnen: Drents Archief, Tg. 1 (OSA) inv.nr. 6.10: resoluties Ridderschap en Eigenerfden d.d. 20 maart 1731 – art.16. en 18 maart 1732 – art. 12.



Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.