Een schoolmeester pleegt zelfmoord

Op donderdag 8 juni 1775, even na de middag, verleent de Etstoel in Assen gehoor aan drie eigenerfde boeren uit de omgeving: Willem Remmels Haange van Grollo, naast Johannes Homan en Albert Eijsinge, beide van Rolde. Ze zijn in shock en in rouw als zwagers en schoonvader van Tonnis Gerrits, de koster-schoolmeester van Rolde. Die blijkt zeer recent overleden, want zijn aangetrouwde familieleden geven aan

dat zij gem[elde] Tonnijs Gerrits gisterenavond seer laat in den avond dood gevonden hebben in de school tot Rolde en wel sodanig, dat hij in een swaarmoedigen geest op een tijd dat zijn verstand niet magtig is geweest zijn doot heeft veroorsaakt.”

De schoonvader en de zwagers van Gerrits zeggen het wat voorzichtig, maar de schoolmeester had zichzelf in de school opgehangen. Impliciet blijkt dat ze hem daar nog niet hebben weggehaald. Sterker nog, hij hangt er nog steeds. De mannelijke verwanten vragen de Etstoel immers om toestemming voor “de losmakingen, verkledinge en begravinge van hun doot gevonden swager en schoonzoon”. Dat spreekt allemaal niet vanzelf – in de achttiende eeuw wordt ook in Drenthe iemand die zelfmoord heeft gepleegd – zo dat ruchtbaar wordt – meestal onder de galg begraven.  Dit keer echter, strijkt de Etstoel met de hand over het hart: de familie mag de schoolmeester gewoon op het kerkhof van Rolde laten begraven.

Tonnis Gerrits was al 43, toen hij met Pinksteren 1773 Egbertien Eissinge trouwde. Op Tweede Kerstdag 1774  werd hun dochtertje Hendrike gedoopt. Waarschijnlijk stierf de moeder in het kraambed, want Tonnis was weduwnaar toen op late juni-avond levenloos in de school werd gevonden. Mogelijk droeg de dood van zijn vrouw bij aan een ernstige depressie?

De aangetrouwde verwanten van de schoolmeester maken enkele dagen na hun lugubere vondst als voogden over Tonnis’ dochtertje een eerste boedelinventaris op van Tonnis en zijn vrouws bezittingen. Die lijst is vrij uitgebreid – voor een schoolmeester bleek Tonnis redelijk welvarend. Zo had hij aardig wat vastgoed: een klein aandeel in de boermarke, wat bouwland op de Rolder es, enkele percelen hooiland en meerdere “goorden” of tuinen. Met de 291 gulden aan contanten in zijn kabinet kon Tonnis nog minstens een jaar vooruit, ook gezien de voorraden rogge (drie zakken) en boekweit. Hij bezat twee koeien voor de melk, een vaars en ongeveer 25 schapen. Ook hield hij bijen getuige de lege “ymenkorven”, de  “olde ijmendoeken”, het imkersgereedschap en de honing in zijn achterhuis.

Vrijwel elke dorpsschoolmeester was er destijds nog boer bij, meestal alleen op kosterijland, maar Tonnis boerde bovendien nog op zijn eigen grond. Hij was echter van nòg een markt thuis en trad ook op als landmeter, getuige zijn landmetersketting, astrolabium (voor het meten van hoeken) en verrekijker. Hij bezat zelfs “een kaart wegens de plantagie &c van Alkmaar”, die enkele decennia eerder in Suriname gesticht was door een collega-landmeter.

Hoewel de achttiende eeuw vaak wel als ‘Pruikentijd’ werd neergezet, is dat zeer onterecht: lang niet iedere man droeg een pruik, dat waren vooral de welgestelden. Tonnis Gerrits had er wel een. Met zijn schoolmeesterschap hadden te maken de inktkoker, wat schrijfboeken, twee schrijfborden en een aantekeningenboekje waarin hij zijn “schoolverdienst” noteerde: niet alle kinderen betaalden immers elke week hun stuiver schoolgeld, dat moest je goed bijhouden.

Met de kerkelijke kant van zijn functie – het koster- en voorzangerschap – hadden Tonnis’ beide (kerk)bijbels met zilveren haken van doen, evenals het Nieuwe Testament met daaraan toegevoegd de psalmen in de nieuwe berijming die nog maar een half jaar eerder, eind 1774, in Drenthe was ingevoerd. Dat testament zat in een los omslag “waaraan enig zilver” zat. Sowieso bevond zich vrij wat zilver in Tonnis’ boedel. Curieus is de “baartmannegies schelling” die getuige de tweede kleinere boedelinventaris voor het dochtertje bewaard bleef..

Tonnis bezat verder een kastje met helaas ongespecificeerde boeken. Getuige de tweede inventaris – die na een of meerdere boeldagen in maart 1776 van de resterende goederen opgemaakt werd – waren dit kleinere formaten “over de godgeleerdheid”, naast een landrecht van Drenthe. De schoolmeester van Rolde was dus vooral geïnteresseerd in theologie. Welke richting die belangstelling precies uitging is ook bekend. Van twee stichtelijke werken worden de auteurs en titels genoemd, mogelijk omdat het om wat grotere formaten ging, die wat luxer waren ingebonden. Het betreft:

Beide werken staan in de traditie van de Nadere Reformatie, waren razend populair in bevindelijk-gereformeerde kringen en zijn zelfs nu nog courant in de Nederlandse Bible-belt. Dat van Van der Kemp, meer voluit getiteld De Christen geheel en al het eygendom van Christus in leven en in sterven, vertoont in 53 predikatiën over de Heidelbergsche Catechismus, verscheen voor het eerst in 1717, maar kreeg in 1773 nog een achttiende druk.  Het besteedde extra veel aandacht aan God als oorzaak van het goede en de mens als oorzaak van het kwaad en stond uitgebreid stil bij de strafwaardigheid van de zonde.

De menselijke onmacht tot het goede – een calvinistisch dogma dat haaks staat op het optimistische vooruitgangsgeloof van de Verlichting – is nog sterker uitgebouwd door de Oldambtster predikant Wilhelmus Schortinghuis in diens minstens even populaire bestseller  ‘t Innige Christendom, die in 1740 voor het eerst verscheen en eveneens tientallen malen herdrukt is. Van Schortinghuis zijn de bekende ‘vijf nieten’: ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet en ik deug niet’. Op de spits gedreven leidt zo’n adagium tot volslagen passiviteit, of lijdelijkheid zoals men dat noemde.

Op mensen die toch al geneigd zijn tot depressiviteit kan een dergelijk pessimistisch geloof leiden tot versterking van het ziektebeeld. Naast het overlijden van zijn vrouw, heeft mogelijk ook een inktzwarte geloofsovertuiging bijgedragen tot de gemoedsgesteldheid van de schoolmeester te Rolde. Tonnis Gerrits moet hebben gemeend dat er geen redding meer voor hem mogelijk was. Overigens was de predikant van Rolde, ds. Grootholtman, eenzelfde geloof toegedaan. Met zulke kerkelijke ambtsdragers, gekozen door de eigenerfde boeren, behoorde Rolde tot de  bevindelijk-gereformeerde zône, die destijds nog door heel Nederland liep, van Zeeland tot Oost-Groningen.

Bronnen, behalve de gelinkte:

Drents Archief, Assen:

  • Tg 85 (Etstoel) inv.nr. 14, deel 60, folio 3v, 8 juni 1775;
  • Tg 102 (Schultengerechten) inv.nr. 220 deel 4 (Rolde, voogdij) 11 juni 1775 en 6 maart 1776 (scans 338-350).

2 reacties on “Een schoolmeester pleegt zelfmoord”

  1. Attie schreef:

    Triest, niemand wil zo aan zijn eind komen, een zware depressie kan je bewegen een eind aan je leven te maken, denk maar aan al het pesten en vernederen op school door je klasgenoten, de schoolmeester door het overlijden van zijn vrouw en wat gaat er in de hoofden om van de mensen in deze corona tijd die helemaal vastlopen.

  2. Bert Visser schreef:

    Om met Prediker te spreken: ‘Er is niets nieuws onder de zon’


Mijn gedachten hierbij zijn:

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.