De volslagen afgang van Lewe van Aduard

Hoewel het stadhouderschap in mei 1748 monarchale trekjes kreeg en er op fiscaal gebied veel naar wens verliep, waren de Ommelander orangisten er nog lang niet gerust op. Op andere terreinen kwam er weinig van de toegezegde hervormingen. De heren van de provincie leken de zaken nogal te traineren. Toen ze eindelijk de nieuwe bevoegdheden van de prins formuleerden, ging dat de Ommelanders lang niet ver genoeg.

Ze zonnen op actie. Net als in mei wilden ze de Staten van de provincie hun eisen voorleggen. Maar dan moesten die Staten wel eerst bijeenkomen. Daarom kozen de Ommelander dorpsvolmachten op maandag 26 augustus twee afgevaardigden, die naar Aduard moesten om daar de heer Lewe, de Ommelander president, te verzoeken om het bijeenroepen van de Ommelander Staten

Die afgevaardigden waren Egbert Luitkens van Visvliet en Jan Clasen Nieboer van de Zeerijp. Vooral de laatste was niet op zijn mond gevallen. Te paard vertrokken beide naar Aduard en in de borg daar werden ze bij Lewe aangediend door zijn knecht, die ze meldde dat zijn heer op bed lag en niet te spreken was. Op nadere instantie kregen Luitkens en Nieboer te horen “dat ze zich konden verpakken”. Datzelfde ogenblik kwam Lewes militie in de wapens – volgens Luitkens en Nieboer ging het om zo’n 70 man, “van allerhande natie”. Deze militie bleek deels voor de herberg geposteerd, waar beide afgevaardigden hun paarden hadden gestald. Een ander deel stond verdekt opgesteld, “in de bosschen”. Bij het vertrek van Luitkens en Nieboer schoten deze huurlingen allemaal in de lucht, zodat de volmachten wel af moesten stappen om hun paarden aan de teugel Aduard uit te leiden.

De volgende dag, dinsdag 27 augustus, kwamen beide terug in Aduard. Pas na veel aandrang verleende Lewe ze gehoor. De kamer waar dat gebeurde, bleek “wel voorzien van gewapende manschap” en ook buiten de borg stond er het een en ander. Toen beide afgevaardigden hadden verwoord waarvoor ze kwamen, brandde de Heer van Aduard op ze los:

“Dat ze door hem wierden aangemerkt als de grootste rebellen dezer provincie, en dat ze ten hoogste strafbaar waren, waarom hij haar dierhalven het placcaat van de Staten van Stad en Lande tegen de oproermakers in de maand maart gepubliceert, eens wilde voorlezen. En na zulks gedaan was, wierde hetzelve placcaat in zijn volle beslag op haar toegepast, met verzekering dat zyn Wel-Geb. als Richter haar in alles by vervolg van tyd zou recht doen (…)

Waarop door de volmacht Jan Clasen Nieboer wierde geantwoord dat haar eigenltlyke oogmerk waar om recht te doen en recht te erlangen, en dat dit ook de reden was waarom zy zyn Hoog Wel-Geb. kwamen verzoeken: als mede om zyn Hoogheid den Prins van Orange in der daad te verheffen, gelyk voor dezen (so het scheen) alleen in naam geschied was.

Waarop de Heer Lewe van Aduard  antwoorde dat hy Jan Clasen Nieboer een fynen Sinjeur was en den allergrootsten rebelmaker die ooit meer gekend was.

Waarop Jan Clasen Nieboer andermaal antwoorde dat zyn Hoog-Wel Geb. konde verzekerd zyn dat alle ingezetenen van de drie Ommelander Quartieren de verheffinge van Zyn Hoogheid den Prins van Orange en het redres van hare rechten zouden ter uitvoer brengen, welken geweld zyn Hoog Wel-Geb. daartegens ook mochte gebruiken.

Hierop antwoorde zyn Hoog-Wel Geb.dat schoon hy een man was van by de tagtentig jaren, hy noch moed genoeg had, om zich aan het hoofd zyner bende te stellen en haar met kruit en loot terdegen t’onthalen en dat ’t hem noch aan volk, noch aan geweer ontbrak.

Des nietegenstaande dit (antwoorde Jan Clasen Nieboer) zullen wy en alle Ommelanders onze zaken uitvoeren.

En na enige woorden over en weer gesproken te hebben, zyn de volmagten vertrokken zonder haar oogmerk te bereiken.”

Op woensdag 28 augustus, vergaderden de Ommelander dorpsvolmachten in Middelstum. Het verslag van de bezending naar Lewe verwekte grote beroering. De vergadering besloot nu via de stad te gaan werken en stuurde er een gezant­schap heen dat het op een accoordje gooide met de orangistische aanvoerders daar. Die vroegen aan het stadsbestuur om de provinciale Staten bijeen te roepen en kregen dat gedaan ook. En zo zag men dan op donderdag 29 augustus duizenden Ommelanders de stad binnen trekken, “hebbende knodzen in plaats van snapha­nen op hare schouderen”. De dag zou werkelijk perfect geweest zijn, ware het niet dat een kleine onvolkomen­heid de gemoederen prangde: de heer Lewe was niet van zins te komen. Hij stuurde een briefje dat bij zich voorbaat bij alle besluiten neerlegde en die zou tekenen ook.

Maar daar namen de Ommelander volmachten geen genoegen mee. Ze wilden perse dat de  Lewe persoonlijk in de statenzaal zou compareren. In die zaal kwamen meerdere collega’s van Lewe alvast in onzachte aanraking met knuppels en ook namen de boerenregimenten twee zoons van Lewe, de heren van Kantens en Bierum, in gijzeling.  Het eerste voorstel was om ze beide als levend schild naar Aduard te laten marcheren, voor een boerenleger aan. Dit ging niet door. Uiteindelijk mochten beide heren plaatsnemen in een wagen die een een escorte kreeg van 30 man uit het garderegiment. Zo ontstond er een gevarieerde optocht: “Deze zeldzame vertoninge lokte een menigte menschen naar Aduart”.

’s Avonds om zeven uur arriveerde de Heer van Aduard eindelijk hier ter stede in een koets, omringd door gardsesoldaten. Maar op de Grote Markt drong het volk zo op, dat de paarden niet verder konden. De spiegelglazen van de koets gingen aan diggelen, de deur werd uit de sponning gerukt en de Heer van Aduard aan zijn arm uit de koerts gesleurd. Lopend naar de statenzaal nog steeds omringd door de gardesoldaten, vingen die de vele knuppelslagen op, welke voor hem waren bestemd. De menigte riep: “Sla hem dood!, Sla hem dood!” en niemand gaf er nog een duit voor dat Lewe het er levend af zou brengen. Toch bereikte hij de statenzaal en trof daar bijna alle Ommelander heren aan . Een “menigte landvolk” drong echter scheldend en tierend achter hem aan de statenzaal binnen, en sloeg nu werkelijk op de onbeschermde Lewe in,

“zoodat dien Heer voor het geweld moeste bukken, vallende onder de schoorsteen ter aarden; zyn aangezicht zeer bebloed zynde, en zyn paruik en hoed was reeds verloren.”

Er kwam zelfs een praatje van dat hij werkelijk de geest had gegeven. Dat was niet zo, drie personen wisten hem uit de mêlee te trekken en hem ongezien in veiligheid te brengen, eerst in de herberg onder de Poelepoort, naderhand dwars door een tuin naar het huis van de gezworene Tiddens aan het Schuitendiep.

“Het gemeen onvergenoegt zynde” dat Lewe ontkomen was, begon diens huis op de Vismarkt te plunderen, wat gestuit werd door de stedeijke burgerwacht. Een onweer hield veel mensen verder van de straat, er viel die avond alleen nog een relletje onder de Poelepoort te melden.

Op vrijdagochtend de 30e augustus ontdekte men dan toch de plaats waar Lewe zich schuilhield. Hij had willen ontsnappen in een verdekte wagen, maar de voermansvrouw stak er een stokje voor dat haar man met hem vertrok. Er ontstond een oploop voor het huis van Tiddens. De eis was dat Lewe alsnog in de statenzaal verscheen om daar de ingewilligde petities van de vorige dag te tekenen. Maar liefst acht compagnieën van de burgerwacht brachten hem erheen. Ook dit keer was het spitsroeden lopen.  Meteen nadat Lewe in de statenzaal zitting nam, diende een volmacht het voorstel in dat hij alle verteringen van de Ommelander knuppelregimenten van de vorige dag zou betalen. Dit zegde hij toe. Ook werd van hem geëist dat  hij “zich mogte ontdoen van alle snaphanen, kruit en loot, zoo op het slot te Aduart ter defensie van zyn persoon en goederen hadde verzamelt”.  Hij tekende grif een verklaring van die strekking en werd vervolgens door de acht compagniene burgerwacht  naar zijn huis aan de Vismarkt geleid, “onder een confluentie van duizenden menschen”.

Op zaterdag 31 augustus zou Lewe nog één keer een Ommelander statenvergadering mogen voorzitten. Dit keer ging hij onder een escorte van beroepssoldaten naar de statenzaal. Daar liet Jan Clasen Nieboer, de volmacht van Zeerijp, zich aanstonds aandienen met het voorstel namens alle Ommelander volmachten, dat de heer Lewe niet alleen zou ontwapenen en de soldaten bij hem op de borg van Aduard zou afdanken, maar ook als “onweerdig”  voor altijd uit al zijn ambten zou worden gezet. Een verzoek van die strekking ging inderdaad naar de Stadhouder, die zo geruisloos een van zijn belangrijkste Ommelander tegenstanders kon lozen.

Het twistgesprek op de borg van Aduard op 27 augustus 1748, leidde zo binnen vier dagen tot de volslagen afgang van de heer Lewe.

Voornaamste bron: Groningen ten tweede maal in onrust (pamflet, Groningen 1748)

 


Rondje Garnwerd – Ezinge

Kleiwerd, tussen Slaperstil en Dorkwerd:

Moest uiteraard even langs de Burgemeester Brouwersstraat in Garnwerd:

Nog steeds staat daar een pastorie, zij het dat deze gezien de architectuur dateert uit de jaren 1860-1870:

Even de kerk ingelopen, waar ik een hele tijd niet geweest ben – barok avondmaalstafeltje:

Herenbank met fantasiewapen:

De jonkersfamilie Lewe van Aduard had het hier voor het zeggen:

Langs het Waarhuis in Aduarderzijl. Volgens grote gele borden zou de boel er over 150 meter openliggen – niets van gemerkt. Mijn achterneef in Ezinge vertelde dat die borden er al een half jaar staan zonder dat er iets gebeurt. Een gevolg van de gemeentelijke herindeling?:

De ‘hut’ (bijschuur) bij de voormalige boerderij van mijn achterneef in Feerwerd is ingestort, zo lijkt het. Dat gebintenstel kwam ca. 1950 van de diaconie van Mensingeweer (of was het nou Baflo?) en zou best eens vrij oud kunnen zijn:


De schelmstukken van Lewe

De woede tegen Lewe van Aduard kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen. Zijn bejegening van de boerenvolmachten in Aduard gaf hoogstens een extra grief, bovenop allerlei andere.

Van die eerdere klachten zijn we goed op de hoogte dankzij een schimp- en hekelvers dat waarschijnlijk dateert uit de zomer van 1748: ‘Droom, wegens verscheide schelmstukken gepleegd by E. Lewe, Hr. van Aduwart’. Enkele jaren later verscheen dit poeem nog eens in het Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen, een bundeling van politieke poëzie uit de omwentelingsperiode. Vooral Amsterdam komt daarin aan bod, maar dus ook Groningen, en zelfs Steenwijk, waar nog een orangist is opgehangen, die later eerherstel en een herbegrafenis kreeg.

In zijn droom over Lewe ziet de auteur deze machtigste staatsgezinde jonker van de Ommelanden voor de hemelpoort staan:

“Doch de poort was just gesloten,
Dies zo gaf hy dien een kink
Met een van zyn Lewe pooten,
Dat ze schier sprong uit de klink.”

Sint Pieter (of Petrus), zoals bekend de hemelpoortbewaker, ontlokte dit een ruwe basterdvloek:

“…akkermast!
Is dat kloppen, vent, wat zoek je?
Zeg, wat ben je voor een gast!”

Lewe maakte zich bekend als de staatsgezinde heer, en Sinte Piet begon de jonker uit te maken voor alles wat maar lelijk was:

“…ik ken je,
O die plaag van wees en weeuw.

(…) eer-belieger, wees uitsuiper,
 Onrust rokker in den Staat
Boer bedrieger, ampt bekruiper,
Zo is uwen naam verhaat.

Wie heeft by u trouw vernomen?
Niemand; want gy hebt er geen:
Dan die zeker nooit met vromen,
Maar met schurken waart gemeen.”

Sint Pieter neemt het de “vervloekte Fiel” kwalijk dat hij niets te maken wilde hebben met de vromen en zich religieus afzijdig hield. Dan roert hij een aantal gevallen aan waarbij Lewe volgens hem ver buiten zijn boekje ging:

  • Lewe zou zerken van graven hebben gestolen, “een raboutstuk dat hу suste”, door nieuwe zerken te leveren,
  • Lewe zou iemand (een slachter) ten onrechte hebben vervolgd voor malversaties met lams- en schapenvlees. Met de 1500 gulden boete was de jonker financieel weer boven Jan.
  • Lewe zou voor de afbetaling van schulden in de stad 3000 gulden hebben geleend van een bejaarde “sul” en weigerde dat bedrag terug te betalen.
  • Hij had zich door list en leugen verzekerd van een schepperij in Friesland.
  • Ook zou hij zich op bedriegelijke wijze meester hebben gemaakt van de halve schepperij van Farmsum.

Wat er van deze beschuldigingen waar was, valt zonder nader onderzoek niet te zeggen. In elk geval is Lewe nooit in rechte vervolgd. Dat gebeurde wel met zijn tegenhanger in de stad, burgemeester Geertsema, al werd dat staatsgezinde kopstuk in 1753 op alle punten van de politiek gemotiveerde aanklacht vrijgesproken.

Voor zijn belangrijkste grief tegen Lewe geeft de droom-auteur Sint Pieter twee coupletten in de mond. Deze hebben te maken met het beruchte sodomietenproces van Faan (1731), dat op touw gezet was door Rudolf de Mepsche, anno 1748 een voornaam aanvoerder van de Ommelander orangisten. Lewe was ook tijdens het sodomietenproces al diens voornaamste tegenstander geweest – zo had Lewe iemand uit handen van De Mepsche gehouden, zeer tegen de zin van Sint Pieter:

“Maar, o gruwelsmet der smetten,
Gy beschermde een sodomyt,
En verbrak d’Omlander wetten
Dat gy hem van straf bevryd,
Gy zyt wel van Lewen groeizel,
Doch der Lewen naam niet waard,
Liever noem ik u ’t gebroeizel
Van een slang en addren aart.

(…)

Verder gaan uw schelmsche stukken!
Gy zoekt aan den Heer van Faan,
Die ’t gespuis zoekt te onderdrukken
Uw heillosen klauw te slaan,
Doch Gods wraak zal u niet missen,
Maar haast werpen van uw warsch
In de naarste duisternissen,
Met onlydlyk tandgeknarsch.”

Het staaltje Tale Kanaäns uit de laatste regels wijst er wellicht op dat we de auteur van de droom in bevindelijk-gereformeerde hoek moeten zoeken. In elk geval kwam Lewe bij hem de hemelpoort niet binnen. Sint Pieter verzocht de jonker naar de duivel te lopen, die zou Lewe dan wel een mooi plaatsje naast zijn broer Machiavelli geven.

Maar dat lokte Lewe niet erg aan. Hij kwam in de droom tot inkeer en beleed zijn schuld aan alle genoemde schelmstukken. Deze eerste tekenen van berouw bespeurend, gaf Sint Pieter de weg naar beterschap aan:

“Eerst zult gy de schaê vergoeden
Die gy Faan veroorzaekt hebt,
Door die guiten te beschermen.
Geef dan God wat Godes is.
Doe mildadigheid den armen,
Breng des Keizers in zyn kis.

Laat gemeentens niet lang dolen,
Geef de boeren ieder ’t zyn,
Van ’t geen gy hun hebt ontstolen,
Dat dan overblyft zy dyn.
Schend geen mensch met fonderschouwen
Handel op de monstring wel:
Zo gy dit oprecht zult houwen,
KOM DAN EENS WEEROM, EN BEL.”

Bron: Dichtkundig praal-tooneel van Neerlands wonderen, deel II (Emden 1748 (1750)) pag. 35-40.


Het veer te Garnwerd, ooit van Hammingh

Oversetterie Garnwerd octrooi Lewe 1728 2012-11-22 004

Evert Joost Lewe, Heer van Aduard en onderhorige dorpen, &c. verklare door desen dat ik aan Eghbert Clasen en Grietie Hindriks sijn huisvrow tot Garnwert heb geaccordeert en geoctrojeert tot het regt van de oversetterie tot Garnwert, gelijk ik haer octrojere bij desen op naervolgende conditiën:

  • Dat sij sullen wesen vlitige, nughtere en sobere oversetters, d[i]e mensen haren dienst van noden hebbende, gedienstigh, jverigh en beleeft sullen bejegenen en bedienen;
  • Dat sij niet meer en ook niet minder sullen mogen nemen als hier op door het Gerighte is gestelt so als hier onder koomt te volgen en uitgedrukt staet.
  • Dat sij ook in cas van quaede bejegeningh daervan het gerighte sullen moeten adverteren [= inlichten, HP], binnen so korten tijdt als de merite [=ernst] van de sake sal vereissen.
  • Dat sij van jeder mens out ofte jonk, allene ofte met anderen, ofte met enigh vee overvarende, sullen nemen een halve stuver, voor jder peert ofte koebeest andehalve stuver of twe blanken, voor jder out schaep een halve stuver, voor jder lam een oortien; ’s morgens voor sonnen opgangh, ’s avont na sonnen ondergangh en als er ijs in het water is dubbelt.
  • Sullen hiervan geëximeert [= uitgezonderd HP] en bevriet wesen het Huis van Aduard met alle die daertoe enige relatie hebben, het Geright van Aduard met hare dienaren, voor hare personen de predikant, schoolmeester en schatbeurder voor hare personen, de elf huisgesinnen van Klein Garnwert met hare domestiquen en arbeiders, so lange als die actueel in haren dienste sijn en niet langer, voor arme personen en met dese expresse conditie dat sij bij dage, dat is naer sonnen opgangh en voor sonnen ondergangh sullen moeten overvaren of anderzints daer voor betalen neffens  andere so hijr voren staet uitgedrukt.

Aldus gedaen tot Aduard den 13. Meert 1728,

Lewe

Zo luidde het octrooi (alleenrecht) voor de overzetterij of het veer van Garnwerd, verstrekt door de heer Lewe van Aduard in 1728, waarbij ik de voorwaarden maar even achter bolletjes heb gezet. Blijkbaar sprak het niet vanzelf dat  overzetters of veerlieden vlijtig, nuchter en klantvriendelijk waren, daarom werd dit een vereiste in het eerste artikel. Als de overzetters zelf slecht behandeld werden, dan moesten ze het gerecht daarvan op de hoogte stellen, des te sneller naarmate de zaak ernstiger was. De tarieven schreef de heer van Aduard voor in het vierde artikel – bij duister en ijsgang betaalden de klanten het dubbele. Tot slot definieerde hij in het vijfde artikel enkele groepen die (overdag) niet hoefden te betalen. Vooral die laatste voorwaarde zou in de nadagen van het veer problemen geven, waarover straks meer.

de afgesneden bocht van Garnwerd

Het Garnwerder veer dateerde van een eeuw eerder. De provincie, die hier grootgrondbezitter was, sneed toen de drie Hunze- of Reitdiepmeanders ten oosten van Garnwerd af met een kaarsrecht kanaal tussen Wetsingerzijl en Schilligeham. Op deze manier raakte een kleiner gedeelte van Garnwerd ten oosten van dit nieuwe diep, oftewel Klein Garnwerd, afgesneden van het grootste gedeelte van het kerspel inclusief het kerkdorp op de wierde. Dit was vooral nadelig voor de Klein Garnwerders. Als zij land aan de westkant van het nieuwe diep hadden, of koren naar de molen wilden brengen, of naar de kerk wilden, moesten ze over dat diep. Dat gold ook voor de dominee, de deurwaarder en de schatbeurder, als die iemand in Klein Garnwerd wilden bezoeken. Daarom verzochten de Klein Garnwerders in 1630 de provincie om de instelling van een “overvaart” of veer. En de Staten van Stad & Lande zagen het billijke van dat verzoek in. Anno 1631 stelden ze een provinciale veerman aan, die in ruil voor het gratis overzetten van de Klein Garnwerders de beschikking kreeg over een stuk dijk, groot 7 gras (bijna 3 ha.), ten zuiden van de Garnwerder molen.

Zowel het veer als het bijbehorende land raakten beklemd onder het huis van de veerman, die beide dus in onveranderlijke erfpacht kreeg. Dit hield wel in dat bij een overdracht van deze erfpacht een of meerdere ‘geschenken’ betaald moesten worden. Bij een verkoop van de beklemming betaalden de verkoper en de koper elk 40 gulden, en bij een vererving van ouder op kind gold kreeg de provincie eenmalig hetzelfde bedrag. Bij hertrouwen van een weduwnaar of weduwe was het bedrag voor het inboeken van zijn of haar nieuwe partner 25 gulden.  Als er geen erfgenamen in rechte lijn waren, verviel de beklemming van veer en land op de eigenaar, en moesten erven van de beklemde meier uit de collaterale of zijlinie 250 gulden betalen. Naast deze incidentele sommen kreeg  de provincie jaarlijks hoogstwaarschijnlijk een derde deel van de opbrengst uit de overzetterij.

Dit althans waren de voorwaarden die in de 18e eeuw golden, toen het veerrecht en het bijbehorende land hoorden bij de rechtstoel Aduard, die in handen was van de Lewes.  Waarschijnlijk had de provincie het veerrecht en ’t land in de tweede helft van de 17e eeuw overgedragen aan de rechtstoel. Onbekend is wanneer dit precies gebeurde, maar hoe dan ook, bij dergelijke overdrachten bleven de pachtvoorwaarden gewoonlijk onveranderd, want ook toen al brak koop geen huur.

Wel behield de provincie zich aanvankelijk het recht voor, dat een nieuwe veerman alleen met haar goedkeuring mocht worden aangesteld. Dat gebeurde in 1700 nog, maar dat was, naar het zich laat aanzien, dan ook de laatste keer, want uit 1728, bijvooreeld, is een dergelijke approbatie niet bekend.

In 1812 registreerde de keizerlijke overheid het Garnwerder veer nog eens, waarmee ze dit veer tevens als wettig erkende. Drie jaar later, toen alle vastgoed en heerlijke rechten van de familie Lewe van Aduard onder de hamer kwamen, kocht degene die het veer bediende het eigendom van het veerrecht met de grond uit deze boedel. Zo raakte zij niet alleen verlost van de betaling van de geschenken en de jaarlijkse afdracht van eenderde deel van de opbrengst, maar werd ze ook volledig eigenaar van het octrooirecht en het bijbehorende land.

Tot 1888 bestond het veer uit een bootje. Mensen, schapen, geiten en kleinere dieren werden met dit bootje overgezet, maar paarden en koeien konden er niet in. Die werden met een touw achter het bootje gebonden en zwommen zo het diep over. Dat jaar kocht de gemeente Ezinge van de provincie Groningen het veerpont van de Wierumerschouw, dat door een brug overbodig was geworden. Ze gaf het vaartuig in bruikleen aan kastelein Hammingh, dan de veerman van Garnwerd. De gemeente zorgde er ook voor, dat op beide oevers adequate aanlegplaatsen voor het veerpont kwamen.

Nog tot in de Eerste Wereldoorlog zette Hammingh, conform de eeuwenoude voorwaarden, de bewoners van Klein Garnwerd gratis over. Toen werd het hem te gortig en ging hij veergeld van ze vragen. Een van de boeren van Klein Garnwerd begon daarom in 1917 een proces tegen Hammingh, waarbij hij kosteloze overzetting eiste, naast een schadevergoeding wegens de betalingen tot dan toe. Volgens de boer zou het gaan om een privaatrechtelijk voorrecht, dat vanaf 1631 had bestaan. Hammingh ontkende een dergelijk privilege. Volgens hem was het veer een publiekrechtelijke instelling uit 1631, en was hij te beschouwen als slechts de veerknecht van de provincie. De Rechtbank was het met Hammingh eens en omdat er dus geen burgerlijke rechtsband tussen eiser en gedaagde bestond, verklaarde zij de boer niet ontvankelijk in zijn eis. Tegen dit vonnis tekende de boer geen hoger beroep aan, zodat Hammingh veergeld van de Klein Garnwerders kon blijven vragen. Het was overigens een pyrrhus-overwinning, want de de bewoners van Klein Garnwerd maakten voortaan geen gebruik meer van Hamminghs veer. Ze kochten  een eigen boot waarmee ze zichzelf gingen overzetten.

Café Hamming te Garnwerd met pontveer, ca. 1900. Bron: HJRNoorden op Flickr.

Café Hamming te Garnwerd met pontveer, ca. 1900. Bron: HJRNoorden op Flickr.

De voor hem zo goede afloop in het geding van 1917 zou zich nog verder tegen Hammingh keren. In 1931 wilde de provincie een brug over het Reitdiep bij Garnwerd aanleggen, waardoor het veer van Hammingh in één klap waardeloos zou worden. Hammingh verzette zich eerst tegen de komst van deze brug en eiste vervolgens 25.000 gulden schadevergoeding krachtens zijn veerrecht, dat hij, anders dan in 1917, nu wel als een publiekrechtelijke zaak wenste te beschouwen. De provincie bood slechts 8000 gulden en omdat de onderhandelingen op niets uitliepen, begon ze een proces tegen Hammingh. Daarbij beriep de provincie zich op het vonnis uit 1917 dat stelde dat Hammingh geen eigenaar van het veer was, maar slechts bedienaar. Hammingh koos eieren voor zijn geld en bood een schikking aan. Uiteindelijk kreeg hij slechts 4500 gulden, terwijl zijn netto verdiensten van het veer ongeveer 1000 gulden per jaar waren geweest. Als kastelein begroette hij trouwens wèl de brug bij zijn café in Garnwerd. Die brug zal de gederfde inkomsten uit zijn veer ook ruim hebben vergoed.

De beide rechtszaken over het Garnwerder veer vormden naderhand voer voor een voortdurend rechtshistorisch debat over het publiek-, dan wel privaatrechtelijke karakter van dit veer.

Momenteel is er een provinciaal plan om een eindje verder, tussen Aduarderzijl en Schaphalsterzijl, een nieuw veerpontje voor fietsers aan te leggen.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven toegang 547, archief familie Lewe inv.nr. 414: staatboek Evert Joost Lewe van Aduard fol. 61 en 62.
  • A.S. de Blécourt, ‘Het veer te Garnwerd’, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis V (1924) 57-75.
  • A.S. de Blécourt, ‘De opheffing van het veer te Garnwerd’, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis XIII (1935) 405-436.
  • Frits Brandsma, ‘Een sigaar uit eigen doos. Café Hammingh en het veerrecht’ in: Paul Brood en René Flach red., Historische Groninger rechtszaken (Bedum z.j.) 42-48.

Garnwerd brug 1977


Geertruida Franke een savante?

Haar vader had in 1753 voor een prikje de borg Elmersma in Hoogkerk gekocht, om een zeepziederij op het borgterrein te stichten. Daarmee boerde hij zo goed, dat hij de oude borg kon vervangen door een modern herenhuis. Bovendien belegde hij zijn winst in diverse stukken onroerend goed in en om Hoogkerk.

Toen de ongehuwde Geertruida Franke dit alles van hem erfde, verplaatste zij de zeepfabriek naar  een pand aan de Brugstraat in Groningen. Toch hield ze een band met Hoogkerk. Zo kocht ze bij de veiling van Lewe van Aduard in 1815 een heel pakket heerlijke rechten van Hoogkerk, maar ook van Leegkerk en Dorkwerd. Vervolgens vroeg zij een wapen voor haar heerlijkheid aan. Bij Koninklijk Besluit werd haar toegestaan om hiervoor het wapen van de familie Franke te nemen, met een klokje als addendum. Dit wapen werd later het wapen van de gemeente Hoogkerk.

In haar proefschrift over Verlichting en Romantiek in Groningen noemt Lies Ast-Boiten de zeepfabrikante “fascinerend”. Voor het onderzoek naar boekenbezit en leescultuur, maakte Ast-Boiten gebruik van een inventaris van Geertruida’s bezittingen, opgemaakt in 1820, oftewel drie jaar na Geertruida’s dood. In Geertruida’s huis aan de Groninger Brugstraat bevond zich op zolder een bibliotheek, waarvan de boeken helaas niet apart werden opgenoemd, maar die in zijn geheel op 100 gulden werd getaxeerd. Volgens Ast-Boiten was deze boekerij daarmee een van de grootste bij de Groninger burgerij. Op de inventaris staat bovendien, dat Geertruida voor bijna 82 gulden in het krijt stond bij boekhandel Roemelingh. Wat ze daar kocht is helaas ook weer onbekend. Ast-Boiten erkent weliswaar in een noot dat het ook schrijfbehoeften, prenten en schilderijen geweest kunnen zijn, maar concludeert niettemin dat:

“Geertruida Franke lijkt te bevestigen dat niet alle berichten over lezen als levensbehoefte uit de lucht zijn gegrepen en tevens dat vrouwen het lezen van boeken uitdrukkelijk hebben omarmd.”

Wat mij betreft kende Ast Boiten hier iets te weinig gewicht toe aan het feit, dat Geertruida’s bibliotheek op zolder stond, een gewoonlijk duistere plek waarvoor je een ladder of trap op moest en dat met een brandende kaars of lantaarn. Die boeken lagen niet voor het grijpen, wil ik maar zeggen, en ze zouden ook wel van Geertruida’s vader geweest kunnen zijn. De schuld bij Roemelingh kan bovendien (deels) samenhangen met aankopen van papier, benodigd voor zeepwikkels. Om louter op basis van enkele geldbedragen te suggereren dat  Geertruida Franke een soort van savante was, lijkt me dus wishful thinking.

Bron: Lies Ast-Boiten, Stad tussen Verlichting en Romantiek. Groningen 1780-1850 (Assen 2011), in het bijzonder de pagina’s 72-74 en noot 131 op oagina 362.

Zie ook: Lavater in Hoogkerk


De 17 edele heerden van Hoogkerk

Ommelander jonkers konden lokaal en regionaal veel macht verzamelen, door allerlei rechten op te kopen qua rechtspraak, waterstaat en keuze van kerkelijke functionarissen. Oorspronkelijk zaten die rechten vast aan de grond, maar ze waren er los van geraakt, apart verhandelbaar geworden en op die manier op te hopen. Aan dit proces van het losscheuren van rechten van grond maakte de bescheiden revolutie van 1748 een einde. Wat nog vast aan de grond zat, bleef daaraan vast, maar wat los van de grond was, bleef los. Om te voorkomen dat het losmakingsproces verder ging, werden al dit soort rechten geregistreerd.

Hoe sterk de macht van een jonker plaatselijk kon zijn, toont het lijstje aan, dat in 1754 is opgemaakt van de rechten in “de Grietenije van Hoogkerk”. Oorspronkelijk waren de rechten op het uitoefenen van rechtspraak hier verbonden aan 17 heerden – een term waarmee zowel boerderijen als lappen land werden aangeduid. – en konden de eigenaars van elk van die heerden eens in de 17 jaar recht spreken of een rechtspreker aanstellen op de rechtstoel van Hoogkerk. Anno 1754 waren echter 16 van de 17 redgerrechten in handen van de erven Lewe van Aduard,  wier erflater Evert Joost, voor  1748 de machtigste man van de Ommelanden, ze voor het merendeel al voor 1715 verworven had. Naast de quasi-alleenheerschappij in de jurisdictie, bezat deze jonker ook nog een meerderheid  van de ommegangen in de Schepperij van Hoogkerk en in de collatie van dit kerspel. Hij kon dus de waterstaat naar zijn hand zetten, de rechter aanstellen die de boeten voor hem oplegde en de wedman die bij wanbetaling beslag legde op goederen, en de dominee en schoolmeester benoemen die oud en jong tot gehoorzaamheid vermaanden.

Hoewel in Hoogkerk 15 van de 17 ommegangen in de grietenij los van de grond waren geraakt, worden de namen van de heerden waaraan deze rechten oorspronkelijk  verbonden waren, wel genoemd op de lijst van 1754. Vaak gaat het om dan al lang vergeten huisnamen en toponiemen, die alleen nog voortleefden in akten van eigendomsoverdracht. Zo was het Cruisemahuis voor 1634 al gesloopt, toen de 110 grazen grote heerd van die naam, in dit geval dus het onderliggende areaal, gerechtelijk geveild werd. Van de Abbingewerff, de enige heerd waarvan het redgerrecht niet afgescheurd was, resteerden slechts de meldingen in de rekenboeken van het Groninger Heilige Geestgasthuis – de 17 gras, onder die naam verhuurd, raakten beklemd onder een boerderij met een heel wat minder voornaam klinkende naam: het Moeshuis, dat op de hoek van het Kliefdiep en de Kerklaan stond.

Van alle namen kwam slechts een minderheid bekend voor. De Popko Jongeringsstede op Bangeweer bestaat nog steeds, de boerderij daar heet nu Yankee Doodle. Elmersma was de vervallen borg ten zuidoosten bij de brug over het Hoendiep, sinds 1753 zat er een zeepfabriek. Waar de Luizenborg stond weet ik niet, maar die naam vind je meermalen in het doopboek van Hoogkerk. Ook dat betrof waarschijnlijk geen florissant vastgoed, tenzij je Luis op zijn Spaans lezen moet, maar dat zal wel niet.

Omdat er een Gronings veldnamenproject aankomt en de lijst met 17 edele heerden van Hoogkerk in dat kader wel eens relevant zou kunnen zijn, laat ik de namen hier in de oorspronkelijke, spatierijke spelling volgen, met een enkele opmerking.tussen haakjes:

  1. Eltekema stede
  2. Het Hol
  3. Cruissema huis (boer: Sjabbe Abbring?)
  4. Bennekema heem (ook wel Bennekemahuis)
  5. Stullinga heem (een heem is een erf)
  6. Abbinge werff (het woord werf duidt op een huiswierde)
  7. Siccama heert of Reutelweert (vergelijk 12)
  8. Uwerga Werff
  9. Elmersma (hiervan bezat Lewe eerst de ommegang, later kocht hij er de grond bij)
  10. Juwersma
  11. Hiddinga heem
  12. Siccama stede (vergelijk 7)
  13. Helema werff
  14. ’t huis ten Hamrik of Luisenborgh
  15. Gijsselma stede
  16. Ottema stede
  17. Popko Jongerings stede tot Bangeweer

Bron: Groninger Archieven, toegang 136: Hoge Justitiekamer, inv. nr. 2580.


Taats en zijlkom

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Dit zijn de grootste spijkers die ik ooit van mijn levensdagen zag. Het betreft vier bronzen taatsen of taatsnagels.

Zo’n taats zat aan de onderkant van een sluisdeur, waar de bolvormige kop rustte in de ronde holte van de eveneens bronzen taats- of zijlkom die in de  drempel van de sluis verwerkt was:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Samen vormden taats en zijlkom het scharnier waarop de zijl- of sluisdeur aan de onderkant draaide. De getoonde taatsen zijn afkomstig uit een Boterdiepzijl. Op twee ervan staat het jaartal 1593, uit dat jaar zal het hele kwartet dateren. De zijlpot is iets jonger, want anno 1733 gegoten in opdracht van jonker Evert Joost Lewe van Aduard als ”hoofmester”” (opperhoofd, president) van het Winsumer- en Schaphalsterzijlvest.

Taatsen en zijlkom maken deel uit van een mini-expositie van het Groninger Museum over de opsmuk van Groninger zijlvestenijen, die morgen te zien zal zijn op de vooral aan water gewijde Dag der Groninger Geschiedenis.


Zeldenwind (II)

Om even op Zeldenwind terug te komen, de stad-Groninger verzegeling waarover ik het had blijkt een boedelscheiding van de erven Everhard Ringels, die dateert uit 1708.

Van haar kinderen mocht de weduwe Ringels ad vitam, dus levenslang, het vruchtgebruik houden van de boedel, In volgorde van belang gaat het dan om:

  • Het huis aan het A-Kerkhof zuidzijde in de stad dat ze zelf bewoonde, met de bijbehorende hof en de stal
  • Het (blijkbaar verhuurde) huis De Eenhoorn, aan de oostkant van dit huis aan het A-Kerkhof zz.
  • Een heerd land De Koningspoort genaamd met twee ommegangen in de Schepperij van Hoogkerk, waarvan de ene mandelig is met de heer Abdias Velingius, predikant te Leiden; plus twee ommegangen in de Grietenij van Hoogkerk, volgens het klauwboek horend bij ’t Hol en Abelema Werf
  • Een heerd land Seldenwint te Hoogkerk, mandelig met dezelfde dominee Velingius
  • 16 gras Drystenborger land en Het Molenhiem, groot 4 gras, te Hoogkerk
  • Een hof in de Brandenburgersteeg buiten de Oosterpoort, met de grondpacht van het (verhuurde) hof ernaast
  • 4 ommegangen in de Grietenij van Leegkerk en Dorkwerd, waarvan er een mandelig is met de Gezworene Alstorphius
  • Een halve stem in de collatie (verkiezing van predikant, kerkvoogden en schoolmeesters) te Leegkerk, eveneens mandelig met ds. Velingius

De grootte van Zeldenwind wordt dus niet opgegeven, en evenmin vermeldt men of het een behuisde heerd land is en of deze verhuurd wordt. Wel valt op dat Zeldenwind net als de ommegangen die bij De Koningspoort  horen en de halve stem in de collatie van Leegkerk mandelig bezit is met de Leidse predikant Abdias Velingius. Waarschijnlijk was Velingius op de een of andere manier (aangetrouwd) familie van de Ringels en stammen deze goederen uit een enkele erfenis, waarin de Koningspoort het belangrijkste element vormde.

Genoemde Abdias Velingius was van 1678 tot 1693 predikant van Groningen, waarna hij naar Leiden vertrok, waar hij in 1735 stierf. Volgens het Ommelander Borgenboek was hij getrouwd met Bernardina van Ewsum, die via haar moeder, een MacDowell, in 1706 het huis Elmersma aan de zuidkant van het Hoendiep in Hoogkerk erfde. Waarschijnlijk hebben Velingius en vrouw dit borgje niet veel later verkocht.

De Koningspoort, nu vloeivelden van de suikerfabriek in de zuidoosthoek van Hoen- en Peizerdiep bij Vierverlaten, was volgens hetzelfde Borgenboek nog in de zestiende eeuw bezit van de commanderij der Duitse Orde te Bunne. In elk geval vanaf 1574 bestond dit goed uit twee heerden. De ene werd later omgezet in een borgje, de andere bleef een boerenplaats. Het borgje was in 1719 eigendom van Wesselus Ringels, in 1702 al genoemd als hoveling te Hoogkerk, ongetwijfeld als opvolger van zijn vader Everhard Ringels, grietman van Vredewold, die in stukken van 1683 voorkomt als hoveling op Koningspoort, Hoogkerk, Leegkerk en Dorkwerd.

Volgens het Borgenboek hoorden het borgje Koningspoort en de heerd Seldenwint ook in 1712 nog bij elkaar. Bij de borg hoorden namelijk 41 grazen land, “het Seldenwint genaamd”, waarop ene Andries Vreriks als meierboer zat. Later waren het borgje Koningspoort en beide heerden het eigendom van de familie Lewe van Aduard.

In de boedelscheiding van 1708 wordt gezegd dat de aandelen Koningspoort en Seldenwint na de dood van de weduwe Everhard Ringels het eigendom zullen worden van Johan Schott, Proviandmeester van de Nieuweschans, en diens vrouw Gesina Ringels. Aan zoon Wesselus Ringels werden andere goederen toegescheiden. Als dan Wesselus Ringels in 1719 eigenaar is van het borgje Koningspoort en Seldenwint, houdt dat niet alleen in dat de weduwe Everhard Ringels inmiddels gestorven is, maar ook dat Wesselus Ringels deze goederen overnam of erfde van zijn zwager en zuster. Bovendien moet ds. Velingius tussen 1708 en 1719 zijn uitgekocht.

Al met al zijn er voldoende aanknopingspunten om de eigendomslijn van Zeldenwind verder uit te zoeken. In het archief van de Kadaster-inspectie zitten drie bladen, die wat meer kunnen vertellen over de landerijen en hun ligging in de periode 1820, 1830. Die vraag ik bij een volgend archiefbezoek maar eens aan.


Aduarderstraat, Aduardersteeg

I

De Aduarderstraat, een onooglijk en rommelig straatje aan de westkant van de Hereweg, is aan de Herewegkant van de aardbodem verdwenen. Er staat nu een schot voor:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Het restante gedeelte, hier naar het westen gezien:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Op dit doodlopende restant bevindt zich ook nog het verweerde straatnaambord:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Aan de Herewegkant komt er een appartementencomplex, dat ze ‘De Heeren’ gaan noemen. Zodra dat opgetrokken is, voert een onderdoorgang (althans daar lijkt het op) naar de Aduarderstraat:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

II

Voor 1950 heettte het straatje nog Aduardersteeg. Oorspronkelijk was het een hofsteeg, genoemd naar de grote tuin die de heren Lewe van Aduard hier in de eerste helft van de achttiende eeuw hadden. Volgens Siem Jager, die het lokale grondeigendom onderzocht, had die tuin van de Heren Lewe een vijver. Later werd de tuin in tien hoven opgedeeld.

Een “extra Vermaakelyk en groot Vrugtbaar Hof” alhier, was dat van Tamme Jacobs in 1751. Deze bevond zich vanaf de Hereweg gezien op het eind van de tuin van Lewe van Aduard ,

“hebbende haar uytzigt over het Land (…), met extra vrugtbaare Wynstokken, Persiken, Abricosen, Kersen en 8 schoone Aspergie-Bedden”.

In 1718 was er een rechtzaakje over een bijenzwerm in deze omgeving. De weduwe van Albert Segers, die er woonde, en de bijenhouder Jan Maat, die zijn imen op haar grond had staan, eisten van Erenst Hovenier de teruggave van de zwerm die hun “ontvlogen” was. Deze zwerm had zich vlakbij het huisje van de weduwe Segers neergezet op de grote tuin van Erenst zijn baas baas: de Heer Lewe van Aduard.

In opdracht van de machtige Ommelander potentaat weigerde diens hovenier de zwerm weer af te geven, hoewel de president-Burgemeester, bij wie de weduwe Segers en de imker waren komen klagen, hem dat bevolen had. Impliciet viel het Nedergericht de Burgemeester af, want het besloot dat de eisers eerst maar eens moesten bewijzen dat de zwerm hun eigendom was. Helaas bleek het niet mogelijk de bijen als getuigen op te roepen, en dat betekende einde proces.

Het was in de achttiende-eeuwse rechterlijke archieven van de stad het enige stukje jurisprudentie over een bijenzwerm. Je zou er uit kunnen opmaken dat de grondeigenaar hier alle rechten had. In Westerwolde was de zwerm juist helemaal het eigendom van degene die haar met een penning, zakdoek, of hoed markeerde, terwijl “de jonge Yme ofte Zwarm” in Drenthe voor de helft aan de markeerder en voor de andere helft aan de grond- of houteigenaar toekwam.

De Aduardersteeg circa 1825:

Geplaatst op 23 september 2006  e