Voor Vakantie! moet je in Veendam zijn

Station Veendam. Bij de spoorwegovergang passeert net een Duitse loc van de museumspoorlijn STAR,  die, naar ik hoorde, ook passagiers met fietsen vervoert, zodat je vanuit Stadskanaal heel mooi Westerwolde afpeddelen kunt:

Doel van de reis was intussen het Veenkoloniaal Museum, waar de tentoonstelling Vakantie! er op uit, 1900-1980 geopend werd. Voor de gelegenheid stond daar deze BMW-caravancombinatie uit de jaren 60 voor de deur:

De eigenlijke tentoonstelling is boven:

Hotels, pensions, huisjes en groepsreizen blijven (goeddeels) buiten beschouwing, het accent valt duidelijk op het kamperen dat voor het gewone volk mede mogelijk gemaakt werd door het vakantiegeld, dat vanaf 1968 werd uitbetaald. Camping-ameublement uit de jaren 70 – de noppen-vloerbedekking van vinyl komt me heel bekend voor:

Bungalowtent met zitje:

Een van de fraaie affiches op de tentoonstelling, stammend uit een tijd dat er nog een waas van idealisme rond het kamperen hing:

Het is verwonderlijk wat men niet al aan bric-à-brac bewaart – een hele wand is gereserveerd voor historische souvenirs:

Franse plaat over het kamperen:

De samensteller van de expositie, Fred Ootjers, ontdekte dat er in Oost-Groningen destijds ettelijke caravan- en vouwwagenbouwers zaten. Reclame voor het merk Tezet, uit Zijlstra’s carrosseriefabriek in Zuidbroek:

Ook nog even bij de vaste opstelling van het museum gekeken – veenkoloniaal winkeltje:

In de belendende veenkoloniale knijp deze fraai vormgegeven reclame van distilleerderdij Van Calcar te Hoogezand:

Tarief van sluis- of bruggelden met inningsklomp aan touw:

Terug op het station bleek dat de trein pas over een half uur kwam. Beetje rondgekeken – curieus kunstwerk van Limburgse kunstenaar:

Detail van het stationsgebouw:

Dat gebouw wordt weer geëxploiteerd door de STAR, na een periode dat het verpacht werd. Er is een kleine expositie met treinspullen ingericht:

Te zien is onder meer dit jubileumbord van Arie Gijsbertus Kenemans uit 1938, met al diens standplaatsen, o.a. Musselkanaal:


Grofsmid was de Mozes van Oostwold (2)

Nortonpomp Oostwold

Het hok met de Nortonpomp in Oostwold. Foto met dank aan Daniel Oudman.

Natuurlijk moet je een mooi verhaal niet kapotchecken, maar ergens kwam het gedicht dat mijn zegsman declameerde me bekend voor. Ik kon het dus niet laten en ging op zoek.

En zo bleek, dat het poeem over Frans Kant en de Nortonpomp van Oostwold ook staat in een ‘Noorder Rondblik’ uit 1980 en in een verzameling dorpsgeschiedenissen door Abel Blokzijl uit 2006 (p.14-16). Beide bronnen geven het pomp-opschrift met minieme variaties. De versie uit de Noorder Rondblik luidt:

“Gelijk eens Mozes met zijn staf
Zijn volk uit rotsen water gaf,
Zoo bracht Frans Kant ter goeder stond,
Hier kost’lijk water uit den grond.
Wat vroeger boren niet vermocht
Heeft nu Frans Kant voor ons gewrocht.”

Verder verschilt de bijkomende informatie enigszins, bijvoorbeeld voor wat betreft de locatie van de pomp. In de Noorder Rondblik, een regionale cultuurrubriek van het Nieuwsblad van het Noorden, komt de oud-Oostwolder Edzo de Groot aan het woord, die zich afvraagt waarom de Nortonpomp “aan de Huningaweg, naast het perceel van mevrouw De Groot—Baas (vroeger rijksveldwachter Welbergen)” moest verdwijnen:

“Aan die pomp, destijds een overvloedige bron in hete droge zomermaanden, ingebouwd in een houten huisje, hing een ijzeren nap, stevig vastgeklonken met een ketting; voor de voorbijganger een pauzeteken om even de dorst te lessen.”

Volgens Blokzijl stond de pomp tegenover de pastorie, vlakbij de ingang van het kerkhof. Hij meent dat ze werd geslagen door de gemeente Midwolda, waarbij zelfs op 70 meter diepte nog geen wel van geschikt grondwater was gevonden. Daarom beschouwde men het project als mislukt en kwam er een dop op de buis. Totdat de lokale grofsmid Frans Kant de grond huurde en die dop er weer vanaf draaide. Het water spoot er uit en dat werd het gesprek van de dag in Oostwold. Waarop de gemeente het water liet onderzoeken – het bleek van puike kwaliteit en zeer geschikt voor consumptie. Vanaf die dag had Oostwold dus in tijden van droogte goed drinkwater. Wat Blokzijl, anders dan mijn zegsman, echter niet vermeldt is dat de gemeente het houten bord liet overschilderen.

Voor ik nog verder in de historie duik, eerst maar even de summiere biografie van de hoofdfiguur. Dat deze Frans Kant werkelijk grofsmid te Oostwold is geweest, bewijzen de burgerlijke standsakten met zijn naam. Hij werd in 1862 geboren in Oostwold als zoon van de smid Lammert Kant, trouwde, zelf smid geworden, op zijn 33ste, kreeg met zijn vrouw een hele serie kinderen, waarvan er enkele jong stierven, en kwam zelf uit de tijd in 1931. De historie moet zich dus voor dat sterfjaar hebben afgespeeld. Misschien in de jaren twintig?

Nee, ze is nog ouder, zo blijkt uit de krantendatabank Delpher. Op 27 april 1907 berichtte het Nieuwsblad van het Noorden:

“OOSTWOLD (O) 25 April. Voor eenige jaren sloeg hier iemand uit Leeuwarden een Nortonpomp circa 570 voet in den grond, maar daar het water onbruikbaar was, staakte men het werk maar liet de buis zitten. Een onzer smeden kwam dezer dagen op ’t idee het ding eens weer te probeeren en men pompte, pompte 2½ dag en heeft nog volop water. De heer Van Dam, apotheker te O. Pekela, die het drinkwater onderzocht, verklaarde het voor uitstekend drinkwater. Gelukkig Oostwold !”

De grondwaterwel waar de pomp op aansloeg zat dus op bijna 168 meter, nog veel dieper dan de 70 meter die Abel Blokzijl noemt. De rest van het verhaal komt overeen met de overleveringen. Uit een bericht van eind september 1907, bijna vijf maanden later, blijkt wie het bord met het gedicht op de pomp bevestigde:

“OOSTWOLD 23 Sept. Dankzij ’t werken van onzen smid Kant hebben wij hier een Nortonpomp gekregen, die ons dezen zomer voor watergebrek heeft behoed. De kerkeraad heeft gemeend niet beter het véle goede, door K. gedaan, te kunnen beloonen, dan door ’t aanbrengen van ’n gedenkplaat aan de pomp waarop een passend gedichtje.”

Het was derhalve niet een anonieme spotvogel, zoals mijn zegsman wilde, maar het hervormd consistorie, dat hiermee zijn dankbaarheid wilde betonen. Zodat het overschilderen op last van het gemeentebestuur ook minder waarschijnlijk is, temeer daar de Nortonpomp op notabel hervormd initiatief geslagen blijkt te zijn. In oktober 1908 bezocht namelijk een Zweedse hoogleraar, Hjalmar Nilsson, de Oostwolderpolder en omgeving, waarbij zijn rondleiders hem ook de Nortonpomp toonden:

“Dat onze kerkvoogden voor eenige jaren in een werkelijk bestaande behoefte wilden voorzien, bewees deze dag het bezoek aan onze bekende Nortonpomp, die bijna 600 voet diep is. Reusachtig is de hoeveelheid water, die zij in dezen drogen tijd elken dag maar weer met volle stroomen opgeeft. Deze datum is vanwege het kerkbestuur het aantal emmersvol, dat uit de pomp werd gehaald, geteld door onzen doodgraver, die den geheelen dag als ’n politieagent op den weg flaneerde. De man kreeg het respectabel aantal van ruim 500 om ± 6 uur des avonds.

Bij deze gelegenheid kreeg de dorpssmid nog eens een pluim:

“Een eeresaluut zij bij dezen nog aan Frans Kant gebracht, die ons die weldaad heeft bewezen, want zonder hem, zouden we ook hier, evenals andere jaren te strijden hebben tegen watergebrek. En nu – volop van het heerlijkste bronwater.”

Dat de Nortonpomp er op initiatief van de hervormde kerkvoogdij van Oostwold kwam, wordt ook aangetoond door wat raadsverslagen uit 1938 en 1939, die melden dat die kerkvoogdij de burgerlijke gemeente Midwolda verzocht om een jaarlijkse subsidie voor het onderhoud. Op voorstel van B&W stelde de raad toen zonder hoofdelijke stemming een bedrag van 25 gulden per jaar vast.

Helaas lijkt het archief van de hervormde gemeente Oostwold poter, zodat niet is na te gaan hoeveel de kerkvoogdij betaalde voor aanleg en onderhoud van de pomp. Een Nortonpomp in Zuidhorn, in 1911 te slaan tot een diepte van 60, 65 meter, moest die gemeente echter 1600 gulden kosten bij gebleken succes, en ruim 300 gulden aan materiaal en arbeidsloon als de zaak mislukte. Gezien het feit dat de pomp in Oostwold bijna drie maal zo diep kwam, terwijl de arbeidslonen flink zullen toenemen bij een grotere diepgang, moet de pomp in Oostwold minstens drie maal zoveel hebben gekost, dus 900 gulden bij de aanvankelijke mislukking. Of de Leeuwarder firma die het werk uitvoerde na het later gebleken succes nog wat extra beurde, blijft een open vraag.

De pomp in Zuidhorn moest volgens de raming vooraf zo’n 25.000 liter zuiver drinkwater per uur kunnen leveren. De hierboven gemelde 500 volle emmers op een oktoberdag in 1908 te Oostwold vallen daarbij in het niet. Ook de vergelijking met een Nortonpomp op het oosteind van Midwolda, geslagen in 1913, valt negatief uit voor Oostwold. De Midwoldiger pomp, reikend tot slechts 42 meter diepte, had een capaciteit van 12.000 liter per uur. Ook daar werd overigens de waterkwaliteit gecontroleerd door apotheker Van Dam uit Oude Pekela, die haar uitstekend bevond. Bij de pomp van oost-Midwolda kwam er nog een “ontijzeringstoestel”, “zoodat het water ook voor de wasch gebruikt zal kunnen worden”.

De Midwoldiger pomp was gemeentelijk, anders dan die van Oostwold. Ook elders in de gemeente Midwolda kwamen pompen tot stand op particulier initiatief. Zo willigde de gemeenteraad in 1929 een verzoek van H. Hagenus en anderen in, om een Nortonpomp aan de Klinkerweg in Oostwold te plaatsen. Deze verrees op een perceeltje van de gemeente op de hoek van de Klinkerweg en de weg naar Kromme Elleboog. Een soortgelijk verzoek van de bewoners van Niesoord werd in 1938 echter afgewezen.

Zoals gezegd was de pomp in Oostwold in 1980 verdwenen. Via de Noorder Rondblik vroeg Edzo de Groot destijds om een foto van het opschrift. In 1990 kreeg de vereniging Dorpsbelangen Oostwold 500 gulden van de Heidemij voor een reconstructie. Volgens Abel Blokzijl kwam deze er in 1997, waarbij het houten bord is vervangen door een bord van metaal.


Grofsmid was de Mozes van Oostwold (1)

Hoorde vandaag een kostelijke anekdote uit de mond van een Oldambtster boer die op zijn ouwe dag in de Achterhoek beland is.

Volgens hem speelde het verhaal voor de oorlog in Oostwold en had hij de gewraakte tekst als jongen nog gezien. Deze tekst ging over de Nortonpomp, die in Oostwold geslagen was. “In die tijd was er nog geen TV”, aldus mijn zegsman, “en moest men zelf nog plezier maken”. En hij declameerde een gedicht, dat op een bord stond, dat aan die Oostwoldiger Nortonpomp vastzat. Het ging over de “dorpsgek” Frans Kant en diens rol bij het op gang helpen van de bewuste pomp:

“Gelijk eens Mozes met zijn staf
Zijn volk uit rotsen water gaf
Zo bracht Frans Kant te goeder stond
Hier kost’lijk water uit den grond
Wat velen zochten en geen vermocht
Dat heeft Frans Kant voor ons gewrocht”

Volgens mijn zegsman vond deze Frans Kant het maar wat heerlijk om zo bewierookt te worden:

“Hij deed alsof hij die pomp zelf had geslagen, maar dat had-ie niet. Toen die pomp was geslagen kwam er een hele poos geen water uit. Frans Kant gaf hem een slinger, en toen kwam er wèl water uit. Het was een heel gedicht, dat bord was wel een meter hoog.”

Mijn zegsman kwam op het gedicht, nadat ik het orthodoxe karakter van Oostwold en Midwolda ter sprake had gebracht. Volgens hem had het “christelijke gemeentebestuur van Midwolda” bezwaar tegen de vergelijking van Frans Kant met Mozes gemaakt:

“Ze gaven de schilder orders om het over te schilderen. Naderhand stond alleen nog heel pietluttige lettertjes Nortonpomp op dat bord.”

Natuurlijk moet je een mooi verhaal nooit kapotchecken, maar…

Wordt vervolgd.


Rondje Ezinge

Leegkerk – de nieuwsgierigste van het stel blaarkopjes:

Grazige weiden iets ten noorden van Aduard:

Bij Fransumer Voorwerk in de buurt, deze blackfaced sheeple:

Mooie beesten, toch:

In Ezinge kreeg de voormalige gereformeerde kerk een nieuw dak:

Mijn beide achterneven, toen ze nog leefden en in Feerwerd woonden:

Landschap tussen Ezinge en Allersma:

Tarweveld bij Aduarderzijl:

Antumerweg – ieder zijn meug, de een vreet topgras, de ander vreet riet:

Bij Garnwerd, op het nieuwe fietspad richting Winsum aan de binnenkant van de Reitdiepdijk. Ik verbaas me dus over de populariteit in deze periode van ’t skaten, dat veel meer ruimte inneemt dan fietsen, zodat je er op zulke paden heel gemakkelijk mee in andermans cirkel komt:

Wat die bloem hier in haar uppie moet aan de binnenkant van de dijk? Is ze natuurlijk of gaat het om een restante tuinplant?

Landschap bij Hekkum:

Het haventje van Sauwerd, dat ik nog nooit had gezien:

Boerderijdak, Sauwerd:

Melkenstijd bij de Walfridusbrug:

Graffiti op de Walfridusbrug – de molen in de verte, de Wilhelmina van Noorderhogebrug, heeft geen optimale molenbiotoop:


De eerste verlaatsmeesters van de Drentse Hoofdvaart

Ben vrijdagochtend naar het Drents Archief in Assen geweest voor de archivalische nalatenschap van de Administrateur der Vaart en Venen. Ik trof er een buitengemeen rijke administratie aan, met onder andere de kwitanties voor daglonen, uitgekeerd aan bijvoorbeeld de turfgravers en zandschieters die voor de Landschap Drenthe werkten. Ook  de verlaatsmeesters die de sluizen in de nieuwe Hoofdvaart bedienden en er woonden in de daarbij gebouwde huisjes – vaak tevens winkels en tapperijen – dienden voor buitengewone of extra werkzaamheden rekeningen in, waarvan er vier hieronder zijn gereproduceerd.

Adam Mennes kwam van de Kiel-Windeweer, waar hij en zijn vrouw Grietje tussen 1750 en 1764 een heel rijtje kinderen kregen. Kiel-Windeweer ligt vlakbij Spijkerboor, waar de landmeter Lambertus Grevelink, de ontwerper van de Drentse Hoofdvaart, destijds nog woonde. Waarschijnlijk heeft die Adam Mennes aangenomen om in 1770 de verlaatsmeester te worden van het benedenste verlaat, naderhand de Paradijsschut geheten. Deze lag vlakbij Meppel, maar nog op Havelter grondgebied. Mennes zal omstreeks 1785 overleden zijn, waarna zijn schoonzoon hem opvolgde.

De nota’s van Mennes in het archief van de Administrateur der Vaart en Venen verschillen steeds qua handschrift. Kennelijk stelde iemand anders steeds de rekeningen op, die Mennes dan vrij onbeholpen ondertekende. Schrijven kon hij dus wel, maar daar is ook alles mee gezegd.

In 1774 werkte Mennes, afgezien van de bediening van het verlaat, nog 22 dagen los voor de Landschap Drenthe. Zijn loon bleek 13 stuivers per dag, waarmee hij vrij hoog in de boom zat, vergeleken bij de agrarische daglonen die ik uit het Havelter momberprotocol optekende.

Berend Doggen kwam van Nijeveen, waar hij in 1742 geboren werd. Hij was de verlaatsmeester van de Boskampschut (iets ten zuiden van de huidige Boskampbrug in Havelte) die ook wel eens het Overcingeverlaat heette, hetzij omdat de Boskamp nog bij Overcinge hoorde, hetzij omdat je het huis van stand nog in de verte kon zien liggen, iets wat nu onmogelijk is door al het aangeplante bos. Ergens in de Franse tijd werd het Boskampschut opgeheven en verwijderd, zodat deze sluis niet meer op de kadasterkaart van 1830 te vinden is.

In 1787 werkte Doggen aan verschillende bruggen en schutten elders langs de Hoofdvaart. Anders dan bij zijn collega Adam Mennes van het benedenste verlaat, was Doggens handschrift van rekening op rekening wel uniform. Zijn dagloon was nog hoger dan dat van Adam Mennes, namelijk 16 stuivers.

Jochem Ysebrants, ook wel Jochem Bakker. De huidige Haveltersluis had in de jaren 1770 twee namen: de Pastoorssluis en de Bakkerssluis. Die eerste naam dankte ze aan de vergraven Pastoriegrond of Papenweide op deze locatie. De tweede naam kwam in de wereld dankzij verlaatsmeester Jochem Ysebrants, naar zijn andere beroep ook wel Jochem Bakker geheten. Hij kwam van De Blesse en was ook wat betreft zijn bakkerij een eerste in een lange reeks: op de locatie van het verlaatshuis heeft ruim 200 jaar (tevens) een bakkerij gezeten, wijlen mijn klasgenoot Geert Bergman was de laatste uit de lange reeks uitbaters.

In 1777 declareerde Jochem Isebrants drie dagen werk voor een totaalbedrag van een rijksdaalder, wat neerkomt op bijna 17 stuivers per dag. Dat was iets meer dan zijn collegae van de twee lager gelegen sluizen.

Lucas Schenkel was de eerste verlaatsmeester van de nog steeds bestaande Uffeltersluis. Hij kwam van Hoogezand, waar hij 1737 geboren werd en in 1767 trouwde. Vermoedelijk  kwam ook hij in het kielzorg van landmeter en kanaalontwerper Lambertus Grevelink. Schenkels vrouw kwam uit Nieuwolda, waar Grevelink ook weer connecties had.

Overigens had je in mijn tijd (jaren 60 en begin jaren 70) twee café’s Schenkel in Uffelte. Het ene, aan de Rijksweg (westkant vaart), had een groot bord bij de weg staan: “Het vanouds bekende café Schenkel!” Meen dat dit wel enigszins bezijden de waarheid was. Het allereerste café Schenkel zal namelijk gehuisvest zijn geweest in de verlaatsmeesterswoning die weliswaar eveneens aan de westkant van het kanaal stond, maar veel dichterbij de tweede Uffelterbrug. Het zogenaamd vanouds bekende café is nu ter ziele,  al hangt er nog wel een bierspiegel op een aanbouw. Het nog steeds bestaande brugcafé was voor de coronatijd al gesloten, volgens welingelichte kringen definitief.

Lukas Schenkel werkte in 1774 achttien dagen los voor de Landschap, en declareerde daarvoor 9 gulden, maakt 10 stuivers per dag, veel minder dan zijn drie collegae stroomafwaarts naar Meppel.


Rondje Ezinge

Het gemaalhuisje aan het Aduarderdiep dat ca. 1886 de plaats innam van poldermolen De Oude Held:
DSC04328
Zuidwending bij Nieuwbrug:
DSC04329
Baltsende fuut op het Aduarderdiep:
DSC04338
Bij Fransum:
DSC04347
Ezinge – schroefjes te koop bij de voormalige smederij in de Torenstraat:
DSC04378
Gezicht op Garnwerd vanaf de noordkant van Feerwerd:
DSC04386
De Feerwerdermeeden – hier had mijn oudoom Klaas veel land liggen:
DSC04388
Scholekster waakt bij het pad naar het Aduarderdiep:
DSC04395
Pelotonnetje soepganzen op de oever van het Aduarderdiep:
DSC04396
De kerk van Dorkwerd:
DSC04404
Grazende paarden bij de Gaaikemadijk:
DSC04408
De Gaaikemadijk gezien vanaf Kleiwerd:
DSC04410


Scheepsbouworden van de Lage Landen

Via Twitter verneem ik dat Gerrit Jan Schutten begin juli overleden is. Bij zijn promotie in 2004 heb ik hem geïnterviewd. Hieronder de neerslag van dat gesprek.

Kaartje, ontleend aan Schuttens dissertatie, van de verspreiding van de Friese bouworde met haar verschillende scheepstypen.

Fysicus promoveert op verdwenen schepen

“Ik ben altijd al gek geweest van zeiljachten”, verklaart Gerrit Jan Schutten. “Sinds ik als jongen een Kapitein Rob-boekje van mijn vader kreeg, hebben die me gefascineerd.”

Met het onderzoek dat vandaag tot zijn promotie leidt, begon hij al in 1963. “Als student”, vertelt hij, “zag ik toen het ultieme ontwerp voor een zeiljacht in een Engels blad. Via een boek over Nederlandse rond- en platbodems kwam ik vervolgens terecht bij de traditionele houten schepen van ons eigen land. In dat boek stond een tekening van een zomp, een schip uit mijn geboortestreek Twente, en als Tukker zag ik meteen dat er iets niet klopte. Vandaar dat ik ouwe zompschippers ben gaan opzoeken. En van die schippers hoorde ik zulke fascinerende verhalen, dat ik in deze totaal verschillende wereld terechtkwam.”

Op dat moment studeerde Schutten natuurkunde, een vak waarin hij ook altijd werkzaam is geweest. Hij was stralingsdeskundige, onder andere bij de RUG, waar hij vijf jaar geleden met pensioen ging. Dat er uit zijn langzamerhand enorm uitdijende scheepsdocumentatie een proefschrift zou groeien, lag dan ook lange tijd niet zo voor de hand: “Daar heb ik heel lang over geaarzeld”, zegt hij. “Wat ik er oorspronkelijk mee van plan was weet ik niet meer, al vond ik het wel vreselijk belangrijk om dat bijna totaal verdwenen culturele erfgoed vast te leggen en voor de herinnering te redden. Maar een plan om een boek te maken kwam er eigenlijk pas in ’89, door een lezing die ik hield voor een club in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen. Daarna besloot ik om de leemtes in mijn onderzoek aan te vullen en schepen op te meten en tekeningen te maken, zodat er langzamerhand toch een publicatie van zou kunnen komen. In 1996 zocht ik professor Reinders op die ik al kende van het scheepsarcheologisch depot in Ketelhaven, en sindsdien heb ik aan dit proefschrift gewerkt.”

Schuttens dissertatie valt in twee delen uiteen. Enerzijds is het een uitvoerige catalogus van alle vijfhonderd bekende kleine houten beroepsvaartuigen, vrachtvaarders en vissersschuiten die anno 1900 in de Lage Landen in gebruik zijn geweest. Deze verdeelde Schutten onder naar de manier waarop ze gebouwd werden, en hij voorzag elk scheepstype van historisch fotomateriaal en precieze tekeningen die hij zelf maakte. Op basis van die catalogus analyseerde hij anderzijds het ontstaan van al deze scheepstypen in hun historisch-geografische context.

Van alle beschreven schepen – zoals tjalken, aken, pramen, jollen, bokken, schouwen en boeiers – moeten er voor 1850 ongeveer 60.000 stuks hebben rondgevaren, becijferde Schutten. Maar veel is er niet van bewaard: “Een hoop liefhebbers hebben voor eigen rekening houten schepen opgekalefaterd, in Hoogwoud staat er een loods met zeventig, tachtig van die boten en verder heb je op diverse plekken nog een stuk of vijftig, maar dan houdt het op, en beschik je alleen nog over modellen en tekeningen in de scheepvaartmusea.”

En dat terwijl ongeveer een vijfde van ons land zonder zulke schepen geheel en al onbereikbaar zou zijn geweest. “Dat geldt met name voor de veenweidegebieden”, zegt Schutten. “In Holland benoorden het IJ werden de venen in negende, tiende eeuw al ontwaterd door het graven van sloten, elders in Holland gebeurde dat later. Op het ontwaterde veen hielden boeren vee en teelden ze eerst ook granen. Na een paar eeuwen was dat veenland ingeklonken tot de grondwaterspiegel en was er alleen nog veeteelt mogelijk. Dat veen was te zacht voor vervoer over land, zodat de boeren hun koeien en mest alleen nog maar over water konden vervoeren.”

Elk scheepstype raakte in de loop der tijd optimaal aangepast en gestandaardiseerd op de breedte en diepte van haar vaarwater, hindernissen als sluizen en bruggen, de aard van de vervoerde goederen, en/of de soort vis die ermee gevangen werd. Schutten onderscheidt zo veertig vaarzones voor de kleine beroepsvaartuigen, elf voor de beroepsvaartuigen, en veertien voor de vissersschuiten. “Dat begrip vaarzone”, haast hij zich te verklaren, “komt van de Zweed Westerdahl, die het gebruikte voor een maritiem landschap waar scheepstypen zo specifiek zijn, dat ze niet snel door andere vervangen worden. Hier in Nederland bleek de situatie wel wat complexer dan in Westerdahls gebied, maar verder bleken zijn ideeën hier heel goed toepasbaar.”

Ook bekeek Schutten hoe alle scheepstypen gebouwd waren, hoe de scheepstimmerlieden de planken groepeerden en samenvoegden tot de scheepshuid, wat voor stevens de schepen hadden enzovoorts. Uiteindelijk kon hij zo negen principiële constructieplannen of bouworden voor de Lage Landen onderscheiden en deze lieten zich ook zeer ver in de tijd terug traceren.

De wijze waarop uit die slechts negen bouworden, door aanpassing aan een specifiek vaarmilieu, al die verschillende scheepstypes ontstonden lijkt sterk op de manier waarop diersoorten in hun aparte biotopen evolueerden. “Dat klopt”, beaamt Schutten. “Darwin baseerde zich op de classificatie van Linaeus, en ik heb eerste zo’n classificatie voor schepen ontwikkeld. Net als bij dieren heb je bij die schepen ook bepaalde overgangssoorten tussen de hoofdtypen. Zo zou je de bacove, een tuindersschuit die bij Saint Omer in Frans Vlaanderen in gebruik was, kunnen betitelen als het vogelbekdier onder de vaartuigen, omdat ze qua typologie tussen de Friese en de Vlaamse bouworden inzit. Ze heeft heel duidelijk Friese kenmerken wat betreft bouw en vlak, maar vertoont ook veel overeenkomsten met de goedkope Vlaamse schuiten. Mogelijk waren die daar al in de twaalfde eeuw in gebruik, toen monniken op grote schaal veen ontgonnen. Dezelfde bouworde was ook bij Utrecht en bij Gent te vinden; ook daar begon men in de twaalfde eeuw veen te graven.”

Dat een bouworde zulke oude wortels kan hebben, verbaasde ook Schutten. Zelf vindt hij moeilijk te zeggen wat zijn grootste ontdekking is geweest, maar dat de bekende middeleeuwse koggen teruggaan op een prototype uit de Karolingische tijd, komt daar zeker voor in aanmerking, evenals zijn bevinding dat de kogge en dat prototype beide eigenlijk behoren tot de Friese bouworde.

“Schepen van die bouworde”, verklaart Schutte, “zijn overnaads gebouwde platbodems met een ronde overgang tussen het vlak en de zijkanten. De oudste afbeelding van zo’n soort schip dateert van omstreeks 825. Al langer is duidelijk, dat de vroege Friese handelsscheepvaart toen een enorme omvang kende Waarschijnlijk moesten koggen en hun voorgangers wel een plat vlak hebben, omdat ze droog moesten kunnen vallen op een strand of in een kreek. Met een kiel zouden ze door de lading kapotgedrukt worden en ook veel moeilijker kunnen loskomen. Door die functie is de constructie eeuwenlang bewaard gebleven, want daar had men goeie ervaringen mee. Anno 1900 was die Friese bouworde alleen nog te vinden in Friesland en in een vijftig kilometer brede strook langs de kust van Vlaanderen tot Oostfriesland. Dit betreft dan met name tjalken, al kende elke streek daarin eigen vormen.”

G.J. Schutten – ”Verdwenen schepen. De houten kleine beroepsvaartuigen, vrachtvaarders en vissersschepen van de Lage Landen. De Walburg Pers Zutphen, 512 pagina’s, € 44,95,

Ongeveer zo gepubliceerd in de UK van 15 september 2004.


Rondje Ezinge

Leegkerk vanaf het Aduarderdiep:

Bij Nieuwbrug:

In veel sloten staat het water weer bedenkelijk laag – pink steekt over naar belendend weiland (Hogemeeden):

Fluitje van een cent. Dat weiland waar hij inklom. had geen hek bij de dam, dus hij kon ze de weg op. Daarom heb ik nog een poging gedaan hem terug te drijven naar het weiland links, wat helaas niet lukte:

Craquelé slootwal van klei:

Antiracistisch stockplaatje:

Franssum:

Saaksum:

Tussen Rodehaan en Schouwerzijl

Eindje verder:

In Klein-Garnwerd (overkant Reitdiep Garnwerd) bleek een nieuw fietspad aangelegd achter twee boerderijen langs en parallel aan de dijk. Het geeft een nieuw gezicht op de kerk van Garnwerd:

Links het nieuwe fietspad, het gedeelte langs de dijk – rechts het Reitdiep met de brug van Garnwerd:


In hoeverre bestond de woningvoorraad uit arbeiderswoningen?

In 1808 wilde de overheid met het oog op een nieuwe belasting weten hoeveel woningen er in elk dorp stonden, en hoeveel van die onderkomens arbeiders- en armenwoningen waren. Voor het Westerkwartier zijn de opgaven bewaard gebleven. Ik heb ze in deze tabel ondergebracht:

Plaats Totaal bewoonde huizen Boeren en ingezetenen Arbeiders dagloners + armen Percentage arbeiders
Vredewold
Marum +

de Wilp

115 51 44,3 %
Nuis 49 12 24,5 %
Niebert 55 20 36,4 %
Tolbert 119 52 43,7 %
Midwolde 49 15 30,6 %
Leek 151 45 29,8 %
Zevenhuizen 200 145 72,5 %
Lettelbert 46 10 21,7 %
Oostwold 35 11 31,4 %
Lagemeeden 22 6 27,3 %
Hoogkerk &c.
Hoogkerk 76 26 34,2 %
Leegkerk 31 11 35,5 %
Dorkwerd 17 4 23,5 %
Aduard etc.
Aduard 98 44 44,9 %
Hogemeeden 44 12 27,3 %
Den Ham 42 12 28,6 %
Fransum 23 6 26,1 %
Wierum 26 1 3,8 %
Oostum 14 3 21,4 %
Garnwerd 85 48 56,5 %
Westerdeel-Langewold
Grijpskerk 124 85 33 + 6 31,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Sebaldeburen 62 40 19 + 3 35,4 %
Lutjegast 93 59 28 + 6 36,6 %
Grootegast 145 84 55 + 6 42,1 %
Doezum 123 80 40 + 3 35,0 %
Opende 47 36 10 + 1 23,4 %
Lucaswolde 16 11 5 31,2 %
Oosterdeel-Langewold
Zuidhorn 133 57 42,9 %
Noordhorn 135 54 40,0 %
Niekerk 70 28 40,0 %
Oldekerk 68 37 54,4 %
Faan 10 1 10,0 %
Niezijl 78 39 50,0 %
Visvliet etc.
Visvliet en Pieterzijl 130 50 38,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Middag-Humsterland
Oldehove 134 63 47,0 %
Niehove 100 44 44,0 %
Saaksum 40 21 52,5 %
Ezinge 98 36 36,7 %
Feerwerd

De grootste kernen Zevenhuizen en Leek waren juist ook hele jonge – ze hadden hun ontstaan aan de vervening te danken. Maar terwijl Zevenhuizen het hoogste aandeel arbeiderswoningen van het Westerkwartier kende (72,5 %) was dat in Leek juist aan de lage kant (29,8 %). Zevenhuizen was veel proletarischer dan het verzorgingscentrum Leek, mag je concluderen. Hoge percentages arbeiderswoningen waren er ook in Kommerzijl en Garnwerd met hun kleinschalige havenactiviteiten. Door de bank genomen zal in het Westerkwartier ruim een derde van de woningvoorraad uit arbeiderswoningen hebben bestaan. Laag waren de percentages in typische boerendorpen als Dorkwerd en Lettelbert.

Verder heb ik de percentages geclassificeerd in vier groepen: 20-29% (geel), 30-39 % (oranje), 40-49 % (rood) en meer dan 50 % (paars). Hoe donkerder de kleur, hoe hoger het percentage arbeiderswoningen op de gehele woningvoorraad. In kaart gebracht levert dat het volgende beeld op:

De paarse stippen (relatief veel arbeiderswoningen) zitten vooral vlakbij het Reitdiep, waar afgezien van de haventjes de grote boerderijen op de jonge zeeklei ’s zomers behoefte aan veel losse arbeidskrachten hadden. In de omgeving van de stad en het noorden van het Vredewold vallen juist de lage percentages op. Ten zuiden van het Hoendiep is het paars van Zevenhuizen vrij uitzonderlijk.

Bron; Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 752.


Hoe Trijntje Soldaats haar zoon verloor

Tot halverwege de negentiende eeuw werden mensen op het Groninger platteland nog bij voorkeur aangeduid met patroniemen, achternamen afgeleid van hun vaders voornamen. Voor ons hebben die namen het nadeel dat ze niet zo onderscheidend zijn: ze lijken allemaal op elkaar. Vandaar ook, dat het even duurde voordat ik de naam van Trijntje Alberts herkende. Maar ze kwam uit Ezinge en kort geleden had ik daar in de Torenstraat nog een plaquette gefotografeerd, die haar herdenkt. Daardoor viel, denk ik, het kwartje alsnog: het rekest dat ik ’s middags zonder herkenning gezien had, bleek ’s avonds van Trijntje Soldaats, de bekende sprookjesvertelster. En uit haar biografie werd ook duidelijk, dat dit verzoekschrift nog nooit eerder opgemerkt was.

Voor wie Trijntje Soldaats niet kent: als huisnaaister en oppaster vertelde ze tussen 1800 en 1804 sprookjes aan een paar buurtkinderen, waarvan er een die verhalen uitschreef in een schriftje dat zijn nazaten zo bijzonder vonden, dat ze het van generatie op generatie bewaarden. In 1928 gaf de folkloriste mevrouw Huizenga-Onnekes de sprookjes uit in een fraai verzorgd boek, met houtsneden van Johan Dijkstra en gedrukt door H.N. Werkman.

Trijntje Soldaats (1749-1814), die zo ruim een eeuw na na haar dood alsnog bekendheid verwierf, was geboren en getogen in Ezinge als dochter van een kuiper. Haar moeder kwam van een boerderij in het naburige Feerwerd. Volgens Jurjen van der Kooi, die haar sprookjes onderzocht, moet ze die hier in de omgeving hebben opgedaan. Hij noemde ze “echte Groninger sprookjes”. Ze kwamen dus niet uit Hessen, zoals ook wel eens is beweerd.

Uit Hessen was de man afkomstig met wie Trijntje in 1787 in de stad Groningen trouwde: de tien jaar jongere Andreas/Andries Cramer, ook wel Kremer, Greulingen, Kreuling en Krieling geheten. Vanwege deze soldaat – hij was in ’s Lands dienst – kreeg Trijntje haar bijnaam. Vlak na de doop van hun oudste dochter, begin 1788, verhuisde het paar naar Hessen, waar het weldra nog twee kinderen kreeg: een meisje en een jongen. De laatste, Gerhard, geboren circa 1790, staat hierna centraal.

In 1793 overleed Trijntjes man en keerde zij met de kinderen terug naar haar geboorteplaats Ezinge. Ze zou er in 1798 nog eens trouwen, nu met een twintig jaar jongere boerenzoon uit Fransum, Wybe Wybrands. Bij het opmaken van hun huwelijkscontract traden twee diakenen van de hervormde gemeente Ezinge op als getuigen, vrijwel zeker een teken dat Trijntje door hen bedeeld werd en dat zij deze mannen dus ook om toestemming voor haar huwelijk had moeten vragen.

Dan nu Trijntjes rekest. Op 1 februari 1806 werd Trijntjes ongeveer vijftien jaar oude zoon Gerhard Andries Krieling ter aarde besteld op het kerkhof van Ezinge. Vier dagen later maakte Trijntje met een advocaat, mr. Nauta Muntingh, haar opwachting bij de drost van het Westerkwartier met dit verzoekschrift, dat ze met een kruisje tekende, omdat ze het schrijven blijkbaar niet machtig was:

Geevt eerbiedig te kennen Trijntje Alberts, hoe dezelve met wijlen haar eheman Andries Krielinge twee nog minderjarige kinderen heeft verwekt, waarvan het eene, genaamd Gerardus, bij Jan Jans op Den Ham als knegt diende, en het zelve haar op donderdag den 23 jan[ua]ry l.l. in een aller ongelukkigste omstandigheid is te huis gebragt. Bij welke geleegenheid men haar verhaalde dat Gerardus stroo op de balk draagende, was komen te vallen, en dat Jan Jans zijn zoon had bevoolen, nadat het reeds drie daagen geleeden was, om hem op een paard na zijn ouders huis te brengen. Dan de zoon van Jan Jans zoude (in plaats van hem bij zijne ouders te brengen), hem bij Suttum van het paard hebben afgezet, waarop hij door menschen digt bij Suttum woonende is in huis geborgen, die daarvan aan mij kennis gaaven, en waarop (zonder eenige tijding van de boer Jan Jans nog iemand zijnentweegen te hebben ontvangen) Duurt Alberts te Suttum mij hem met een waagen te huis heeft gebragt, hebbende dat alles ten gevolge gehad, dat hij op de daaraanvolgende maandag is overleeden.

Met andere woorden, Trijntjes zoon diende als knecht bij een boer Jan Jans in Den Ham, zo’n 6 kilometer ten zuiden van Ezinge. Gewoonlijk verdiende zo’n jonge boerenknecht kost en inwoning met een paar gulden en wat kleding of schoeisel toe; dat zal ook hier het geval zijn geweest. Die paar gulden zullen dan, zoals te doen gebruikelijk, naar zijn moeder zijn gegaan. Gerhard droeg, waarschijnlijk via een ladder, stro naar een berging of zolder op de balken in Jan Jans zijn schuur. Bij dit karwei was hij naar beneden gestort. In zulke gevallen namen mensen niet vaak een dokter in de arm en dat deed ook nu de boer niet. Na het drie dagen te hebben aangezien, gaf hij zijn zoon opdracht om de patiënt op een paard naar in Ezinge te brengen, Gerhards moeder moest hem dan maar verder verzorgen. Het kan zijn dat de boerenzoon de tocht te lang vond duren, maar misschien leed Trijntjes zoon ook wel teveel pijn, zo rijdend op dat paard. In elk geval werd hij er bij Suttum, een gehucht halverwege Den Ham en Ezinge, al afgezet door de boerenzoon. Daar werd hij opgevangen door mensen die Trijntje bericht gaven. Je kunt je voorstellen dat Trijntje, die van de boer nog helemaal niets over het geval had gehoord, zich wezenloos schrok. Ze zal meteen naar Suttum zijn gegaan, waar ze een Duurt Alberts – geen familie – vroeg haar zoon op een wagen naar haar huis te brengen, en daar overleed de jongen na enkele dagen.

Maar wat beoogde Trijntje met dit verzoekschrift? Ze bracht het geval ter kennis van het gerecht, zei ze, omdat ze graag wilde dat de drost het zou laten onderzoeken:

De rem[on]s[tran]te vermeende zulks aan het E.E. Gerichte bekend te moete maaken, en verzoekt zeer submis, dat het E.E. Gerichte hierop (gratis) na behooren informatiën gelieve in te winnen of anders in deezen te doen, zoals zal vermeenen te behooren.

Zat er een luchtje aan de valpartij? Was haar zoon van de ladder of de balk afgeduwd? Hoe dan ook, uit de kantbeschikking blijkt dat de drost er meer van wilde weten. Hij ontbood voor de volgende ochtend, om precies te zijn donderdag 6 februari om 11 uur, de Ezinger heelmeester Melle Sikkes Rijtema, die kennelijk de jongen nog voor diens dood had onderzocht, wat dus in het huisje van Trijntje gebeurd moet zijn.

Op Rijtema’s verslag belegde de drost bovendien nog een zitting voor donderdag 13 februari, om zowel Trijntje te horen als Duurt Alberts, de boer uit Suttum die haar zoon naar huis had gebracht. Beiden vertelden daar nog eens hetzelfde verhaal, met wat meer bijzonderheden :

verklaarden dat des rem[onstran]tes overledene zoon op donderdag 23 januarii l.l. door den zoon van Jan Jans met het paard was gebragt tot Suttum en aldaar neergezet bij het schut van een vrouw Geeske genaamd. Dat dezelve met vele moeite in het huisje van laatstgenoemde gekomen zijnde, deze vrouw daarvan had kennis gegeven aan de rem[onstran]te, die terstond den 2den comparant Duurt Alberts had verzogt om haar zoon met de ley te huis te brengen, gelijk denzelve zulks dan ook gedaan had. Dat zij voorts geen gejammer van haar zoon gehoord hadde, maar dat dezelve niet bij zijn verstand had geschenen te zijn. Verzoekende voorts het verdiende loon en klederen van het huis van Jan Jans te mogen afhalen,…

De jongen was dus niet naar Trijntjes huis gebracht met een wagen, maar met een “leij” of lai (ook wel loijke of bodde geheten), een soort van paardenslee met een bak erop die destijds heel vaak op kleiwegen werd gebruikt. Thuis gekomen, gaf Gerardus geen kik. Hij leek alleen niet goed bij zijn hoofd en had mogelijk een zware schedelbasisfractuur, waaraan het ruwe vervoer beslist geen goed zal hebben gedaan. Van verdachte omstandigheden was nu geen sprake meer. Het enige wat Trijntje nog wilde, waren de kleren en het loon van haar jongen. Blijkbaar durfde ze zonder rugdekking van de drost niet naar de boer op Den Ham, om die op te halen.

Hoewel de drost nogmaals een zitting agendeerde, waar hij Jan Jans en diens zoon mede zou horen, heeft die zitting nooit plaatsgevonden. Waarschijnlijk kreeg Trijntje inderdaad de kleren en het loon van haar zoon, waarbij de Hamster boer mogelijk wat meer over de toedracht zal hebben verteld. Voor Trijntje hoefde daarna die nieuwe zitting niet meer zo. Ze had al geld genoeg uitgegeven aan advocaat en gerecht en haar zoon kreeg ze er niet mee terug.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven Tg. 735 (Gerechten Westerkwartier) inv.nr. 725: rekestboek, notities van woensdag 5 en donderdag 6 februari 1806; en idem inv.nr. 766: commissieboek, notitie van donderdag 13 februari 1806.
  • Wija Friso & Jurjen van der Kooi, Trijntje Soldaats en de Torenstraat (Bedum 2001) met name p. 61-80 en 97.

De blekers en hun honden

In de achttiende eeuw bevonden zich enige bleekvelden onmiddellijk buiten de Oosterpoort oostzijde langs de stadsgracht, daar waar nu nog het Cultuurcentrum staat. De exploitanten van deze bleekvelden, de blekers, wasten en droogden linnengoed voor beter gesitueerden. Hun nering was onzeker door de zesjarige pachttermijnen, door perioden van gebrek aan klandizie en door overstromingen vanuit de stadsgracht en het Winschoterdiep. Meer hierover een andere keer. Nu eerst iets over nog een ander probleem waarmee de blekers kampten en het wapen dat ze tegen dat probleem plachten in te zetten.

Dat probleem vormden de vele diefstallen waarvan blekers het slachtoffer werden. Daarbij moeten we bedenken dat de primaire levensbehoeften toentertijd veel duurder waren dan tegenwoordig. Dat gold zeker voor linnengoed, allemaal nog handwerk, een product van spinnen, weven en naaien. Dat linnengoed lag bovendien voor het grijpen op de relatief open, hooguit met heggen afgeschermde bleekvelden. Eventueel pakte men een stok om het spul over een heg naar zich toe te halen.

Blekers buiten de Oosterpoort en het Kleinpoortje werden o.a. op die manier meermalen het slachtoffer en zelden werd er een dader gepakt. Het was zelfs zo dat een bleker moest uitkijken om niet zelf van diefstal beschuldigd te worden. Dat overkwam Derk Bos, bleker buiten de Oosterpoort, die in 1747 door een klant ervan werd beticht dat hij vier hemden, tien neteldoekse doeken en 24 stukken kleingoed had ingepikt. De kwestie werd uiteindelijk geschikt, maar kan onmogelijk in Bos’ kouwe kleren zijn gaan zitten. Het was een dieptepunt in zijn carrière, zeg maar.

De gelegenheid maakte ook toen al de dief en de stadsoverheid zag erop toe dat men niet al te gemakkelijk gelegenheid gaf: linnen dat al te dicht bij de weg over een heg hing, werd onverbiddelijk in beslag genomen. Van hun kant deden de blekers er ook alles aan om diefstal te voorkomen. Zo vroegen de gezamenlijke blekers van de stad Groningen in 1795 om gespaard te mogen blijven voor inkwartiering van Franse troepen omdat ze toezicht moesten houden op de spullen, die hen waren toevertrouwd.

Mocht hiermee de schijn gewekt zijn dat ze dat toezicht louter in hoogst eigen persoon uitoefenden, dan is een rechtzetting op haar plaats. Want de blekers stonden bekend om hun grote, bijtgrage honden. Zo vroegen de Groninger blekers in 1638 aan het stadsbestuur of ze hun honden overdag los mochten laten. Dat mocht niet, ze moesten deze aan de ketting leggen “tot voorkoming van onheilen”, en anders kregen ze een boete.

In 1641 hielden enige blekers zich niet aan deze regel. Hun honden veroorzaakten een dermate grote schade op een hof (siertuin) dat het stadsbestuur bepaalde dat de slachtoffers in het vervolg zulke honden desnoods mochten doodslaan of vergiftigen. Maar ondanks zulke maatregelen waren er in de achttiende eeuw nog regelmatig klachten over blekershonden. Zo pakten deze in 1753 een vrouw, beten ze in hetzelfde jaar een twaalftal schapen dood en in 1772 een 40 à 50 stuks pluimvee. Tussen die wanbedrijven door, in 1764, was er nog een geval waarbij een bleker iemand met zijn honden bedreigde.

Toen in 1807 hier ter stede de hondenbelasting werd ingevoerd – twee gulden per hond per jaar in twee termijnen – waren de gezamenlijke blekers uit de stad, waaronder Sicke Thies Sickens van buiten de Oosterpoort, er ook als de kippen bij om vrijstelling te verzoeken. Ze konden weliswaar begrip opbrengen voor het argument van het stadsbestuur dat honden in de regel een soort van weelde vormden en dat alleen de meer gegoeden honden bezaten, maar ze zagen zichzelf als een duidelijke uitzondering op deze regel. Want, zo voerden ze aan, zonder hun honden bestond er een “zeker gevaar van dieverij”,

“daar men toch gemakkelijk kan vooruitzien, dat wanneer zij deeze trouwe wachters verwijderden de door een groot aantal ingezetenen aan hun vertrouwde goederen zeer schielijk een prooi van den roofgierigen dief zouden worden”.

Ja, het was onmogelijk die honden weg te doen zonder tegelijkertijd gedag tegen de kostwinning te zeggen, want vervanging van de honden door mensen zou de bleektarieven dermate doen stijgen dat de bleekmarkt zou inzakken.

Helaas voor de blekers kregen ze nul op hun rekest. De tweede termijn van de hondenbelasting, die van januari 1808, leverde overigens 504 gulden op, waaruit we mogen opmaken dat er hier in Groningen slechts 504 geregistreerde honden waren, inderdaad een luxe.

Nu was de blekersnering zeker geen vetpot. De blekers hadden het niet breed – als ondernemers met een gering bedrijfskapitaal behoorden ze tot de kleine middenstand. Hun weinig beduidende positie op de maatschappelijke ladder roept nog de vraag op hoe de blekers het voor elkaar kregen om hun grote, geduchte honden van voedsel te voorzien.

Welnu, ook daarover is wel iets bekend. In 1754 was er een rechtzaakje over de grote hoeveelheden “gedarmte en andere vuijligheijdt van slagters komende”, die Jan Remmerts, bleker buiten het Klein Poortje, voor zijn hondehok placht te deponeren, waardoor zijn buurman, de scheepstimmerman en hellingbaas Anthonie Jans van Bergen en diens knechten

“dagelijks seer veel ongemak moesten ondervinden, insonderheijdt wanneer de windt west is, soo dat van stank daar door gecauseert niet konnen alsdaar verblijven”.

Anthonie Jans wilde dat Jan Remmerts het spul zou verwijderen, mede omdat Remmerts het vroeger altijd op het andere eind van zijn bleek had gelegd. Remmerts echter, voelde daar weinig voor. Hij moest immers, zo zei hij, jaarlijks “groote lasten en swaerigheden” voor zijn stadsgrond betalen en bovendien was hij verplicht om zijn zeven (!) honden aan de ketting te laten liggen, zodat hij wel gedwongen was om ze juist op die plek te voederen. Anthonie’s bewering als zou het slachtafval eerder elders hebben gelegen, waren wat Jan Remmerts betreft maar “blote segswoorden” – Remmerts kon anders ook wel over Anthonie’s “secreet” (plee) gaan klagen, “waar uit ook niet als stank komt”, maar ging daar “uit genegentheijdt” liever aan voorbij.

Na ter plaatse poolshoogte te hebben genomen stelden de Heren van de Kluft, de scheidsrechters in dit soort burenruzies, de bleker min of meer in het gelijk, dat wil zeggen hij mocht zijn honden op dezelfde plek blijven voeren, al diende hij bij de aanvoer wel enige matiging te betrachten: zou Remmerts bij uitzondering nog eens “dusdane voedsel (…) komen opmennen en ansleepen”, dan zou het stadsbestuur op een klacht van Anthonie andere maatregelen nemen…

Bleef het bij kleine hoeveelheden slachtafval dan was dat dus tot daar aan toe. Maar het kon nog erger. Vijftien jaar eerder, in juni 1739, kwam er bij het stadsbestuur een klacht binnen van de buren buiten de A-poort, van inhoud dat de weduwe Albert Alberts, de aldaar woonachtige bleekster, haar honden voedde door ze kadavers van o.a. paarden voor te zetten, “waar door dusdanig somwijlen de lugt is geïnfecteert dat er bijna geen mensch kan duiren”. Het stadsbestuur verbood vervolgens aan àlle blekers, dus niet alleen die van buiten de A-poort, om nog langer kadavers op hun bleken neer te leggen. De kadavers die er op dat moment al lagen moesten ze direct begraven; lieten ze dit na dan kregen ze een boete van twaalf gulden.

Ondanks die lang niet malse boete – ongeveer een maand loon voor een gewone arbeider – was dit niet de laatste klacht over kadavers op een bleek. Zo kregen de vroede vaderen van onze stad in juni 1795 (alweer vlak voor de hondsdagen!) de melding dat er op een van beide bleken buiten de Oosterpoort en het Kleine Poortje een plaats was aangelegd waar de Fransen hun zieke paarden mochten laten afmaken. Het stonk er soms zo erg, dat de werklui op de bovengenoemde scheepswerf, dan van de weduwe Van Bergen, het niet konden uithouden.

Hoe schoon het linnen ook werd door toedoen van de blekers, helemaal fris rook het in hun omgeving niet altijd.

Verhaal, eerder verschenen in De Oosterpoorter van 199? en nu ontdaan van Ventura-tags en opnieuw geredigeerd.


Ommetje Ezinge

Sloot, Lagemeeden:

Oude tractor, westkant Aduard:

Kerk, Fransum:

Oldijk tussen Suttum en Ezinge:

Gestoord bij het vissen:

Muur met golfslag, Oldijk:

Oldehoofsterdiep tussen Ezinge en Feerwerd – vroeger was dit een redelijk fotogenieke ophaalbrug:

Oldehoofsterdiep – sfeerbeeld:

Plas en dras bij Hekkum:

Fouragerende grutto:

Schapen in stalopening, Hekkum:

Dijkzicht:

Oostum in de verte:

Drinkende zwaan voorbij Wierumerschouw:

De dartele drie:

De andere helft had geen zin om mee te doen – bij de kerk van Dorkwerd:


Politiek in de kerk van Termunten

Ontvangstposten in het diaconieboek van Termunten:

4.1.1786

Dankstond wegens vrede met Duitse Keizer, uit de buil 5-1-3..

Een jaar eerder was er een crisis geweest om de Schelde, waarbij Joseph II, de keizer van Oostenrijk, ons land dreigde binnen te vallen. Juist vanwege die dreiging stimuleerden de Staten van Stad & Lande burgerwapening. Begin 1786 werd de zaak bijgelegd.

17.5.1795

“Geen preedikdienst wegens den oorlog met het beleggen van Fransche troupen in het caspel van Termunten en meer andere plaatsen die onder onse kerke behooren.”

Omdat er inkwartiering van Franse soldaten plaatsvond in het kerspel, kon de preek op zondag niet doorgaan. Deze soldaten, ook gelegerd bij batterijen op de Punt van Reide, moesten de Pruissische overkant van de Eems in de gaten houden. Frankrijk en Pruissen waren officieel nog in oorlog.

6.8.1797

“Geen kodgisaatsy weegens het stellen der stemopnemers op den 8 augusty over het goedt of afkeuren van de konsystuitsy.”

Geen catechisatie vanwege het verkiezen en aanstellen van stemopnemers in de grondvergadering waarin door de stemgerechtigden (die de eed van burgertrouw hadden afgelegd) gestemd werd over het eerste ontwerp van constitutie (het “dikke boek”) voor de Bataafsche Republiek. Het ontwerp werd twee dagen later afgekeurd bij het allereerste Nederlandse referendum.

19.11.1799

“Weegens een redevoering gedaan van domeni over het verlaaten van de Engelsen van onze Republijk en uit de bekken” 4-15=1

In het najaar van 1799 ondernamen Engelsen en Russen een invasie in het zompige Noord-Holland. Mede door dominees zoon werden ze weer de zee in gedreven.

3.6.1804

“Domnie van Oterdom agtermiddag preekt met mantel en bef”, uit de buil 1-18-6

Een tijd lang hadden predikanten omwille van de gelijkheid (in de trits vrijheid-gelijkheid en broederschap) niet meer gepreekt met mantel en bef. Waarschijnlijk deed de predikant van Termunten dit medio 1804 nog steeds niet. Toen de buurpredikant van Oterdum een vervangingsbeurt kwam houden, vond de diaken diens ambtskleding daarom het vermelden waard. Hij nam notitie van een kleine restauratie.


Windmeerit vanaf Uithuizen via Merum

Poort naar de tuin, Menkemaborg Uithuizen:

Achterzijde schathuis Menkemaborg – deze zag ik voor het eerst sinds 1981:

Er zit een gevelsteentje in uit 1686 – drie Franse lelies in goud op een bedje van azuur:

Na een bezichtiging van het interieur om de borg heen gelopen:

Borg en schathuis:

De zonnige zijkant waaraan je goed de drie bouwfases kunt zien:

Vroeger had ik helemaal niets met dit soort tuinen, nu vind ik ze wel mooi:

Moderaat filosoof wijst op de Albestierder:

Zonnewijzer uit 1722:

Op de buitenzoom van de gracht stikte het van de daslook:

Onderweg naar Oldenzijl – scholekster op aardappelveld:

De toren van Uithuizermeeden kijkt tegenwoordig uit op bollenvelden:

Boer bewerkt kleiland, Oldenzijl:

De Groninger vlag wappert uitnodigend bij de kerk van Oldenzijl:

Even binnen gekeken dus:

Deze romaanse kerk is bekend om de halfronde koorafsluiting, de zogenaamde absis:

Dichtgezet venster (links) in kleinere baksteen dan de originele:

Oldenzijl, boerderij:

In Startenhuizen nam een nieuwe “schuurwoning” de plaats in van een eeuwenoude boerderij die vanwege de aardgasbevingen niet te handhaven viel. Ik vind dat overheersende zwart en grijs wat afwerend overkomen, gelukkig zit er die goudgele nuance in:

Garsthuizen,  fundamenten van de afgebroken kerk:

Boerderij tussen Garsthuizen en Loppersum:

Ook in Merum bij Garrelsweer staat zwarte aardbevingsnieuwbouw:

Schuurtje zonder dak bij weggesloopte boerderij in de buurt van Winneweer:

Koolzaadveld bij Loppersum, op de voorgrond zwarte kippen op de rand van een weiland:


Het Stationskoffiehuis te Vierverlaten, zijn lokatie en façade

We staan op de brug van Vierverlaten met onze rug naar de Roderwolderdijk en kijken schuin over het bevroren Hoendiep naar het streekje aan de noordkant, dat ook wel eens de Vierhuizen werd genoemd:

Hoendiep nz. Vierverlaten, 1903-1905. RHC Groninger Archieven 818-16220.

Uiterst rechts, daar waar het Hoendiep kruist en zich even identificeert met het Koningsdiep, staat het Stationskoffiehuis van Vierverlaten. Zoomen we daarop in via een uitsnede uit bovenstaande ansicht:

Links van de voorgevel staat de hand- of strijkpaal, waarover een paar dagen geleden enige discussie was. Die voorgevel oogt nogal gewoontjes. Een rijtje knotlinden moet ’s zomers voor schaduw en verkoeling zorgen. Rechts van het eigenlijke koffiehuis het kruidenierswinkeltje dat de koffiehuis- of caféhouder tevens uitbaat, en de wagendeuren van zijn doorrit. De bocht van de weg ligt om die doorrit heen. Achter die bocht zie je enkele goederenwagons op de spoorweg.

Het volgende plaatje liet ik al eens zien, daarom dit keer de eigenlijke foto zonder zijn bloemrijke omlijsting. Links de hand- of strijkpaal, het gewonige voorgeveltje, nu zonder de linden, nog een paal met een bordje met het devies ‘Langzaam’ in kapitalen, het winkeltje, de doorrit en het jachtwagentje bij de bocht van de weg. Voor het huis poseren vrouw Boerma, haar piepjonge dochtertje en haar dienstbode voor de langskomende fotograaf:

Dat jaar, 1907, was er een verbouwing geweest, waarbij de doorrit er een hoek ruimte bij kreeg ten koste van het winkeltje, dat er echter een aardig puitje voor terugkreeg met een kroon er bovenop en een Jugendstil-krul in het etalageraam:

Bouwtekening (calque) van Eldering en Duisterwinkel uit 1907. Collectie RHC Groninger Archieven 1748-2739.

Een jaar later, in 1908, kreeg het eigenlijke koffiehuis een facelift in de vorm van een eclectische veranda met negentiende-eeuwse en Jugendstil-elementen. De omgekeerde blauwdruk:

Bij het eeuwfeest 1813-1913 van de bevrijding van het Franse juk stak eigenaar Boerma de nationale vlag uit. Tevens bouwde hij een erepoort met veel groen voor de ingang van zijn veranda, die verder met lampions werd versierd. Boerma’s dochtertje, dan 8 jaar en zoontje, dan 4, poseren voor de veranda, die aan de zijkant niet helemaal lijkt uitgevoerd zoals het bewaard gebleven ontwerp van architect Eldering aangaf:

Collectie Bert Visser.

Van weer een paar jaar later is er opnieuw een fraaie overzichtsfoto, waarvan een bekwaam schilder eens een schilderij zou moeten maken. De grindweg langs het Hoendiep lijkt net een laagje nieuw zand te hebben gekregen. Uiterst links, op de hoek van het Hoendiep en het Koningsdiep, staat een prieel op de landtong. In het midden een oude herberg die boven alles uitsteekt, de brug met het verlaat of de sluis erachter en het verlaatshuis, waar je ook wel wat kon drinken.  Links op de voorgrond twee scheepsjagers bij een rolpaal. In de verte het schip dat ze trekken, het komt net door de brug heen. En rechts het Stationskoffiehuis met zijn veranda en een fietsenrek ervoor:

Bocht Hoendiep Vierverlaten gezien naar het westen, ca. 1915. RHC Groninger Archieven 1986-23523.

De hand- of strijkpaal staat er dan nog en vanuit dit standpunt in de bocht is ook goed te zien dat hij aan zijn doel beantwoordt. Immers, schippers die vanaf Hoogkerk komen, zullen hier naar rechts over de weg heen kijken of de vaart naar de brug en sluis vrij is. De paal loopt ze dan in het oog, en voor schippers vanuit de richting De Poffert geldt uiteraard hetzelfde.

Achter het Stationskoffiehuis is dit in 1919 het beeld:

Collectie HJRNoorden (Flickr).

Er is nog veel vrije ruimte met weiland of moestuinen. Aan de overkant van het spoor zien we het stationnetje en de dienstwoningen. Meer naar rechts zit de spoorwegovergang, die gesloten is vanwege een passerende stoomtrein. Uiterst rechts kan je nog niet een randje van Boerma’s opstallen zien. Later zal in die vrije ruimte nog een rijtje arbeiderswoningen verrijzen.

Tot slot een foto waarbij Boersma’s opvolger Danhof poseert voor zijn café- en winkel. Hij nam de zaak in 1927 over en maakte vrijwel meteen korte metten met alle Jugendstiltierelantijnen. De veranda verdween en maakte plaats voor een gevel waarvan de sterk vergrote ramen tot op de grond doorliepen. De winkel kreeg een strakke art deco-pui. Aan de bovenkant van de ramen zitten nu bij zowel de winkel als het café gekleurde glas in loodvensters:

Café Danhof Vierverlaten, ca. 1935. RHC Groninger Archieven 1986-23524.

In 1937 hield Danhof op met het Stationskoffiehuis, dat nog enkele decennia door andere uitbaters werd voortgezet als een gewoon café. Ook achter de gevels veranderde er in de loop der jaren het een en ander. Maar daarover graag een volgende keer.