Voor Vakantie! moet je in Veendam zijn

Station Veendam. Bij de spoorwegovergang passeert net een Duitse loc van de museumspoorlijn STAR,  die, naar ik hoorde, ook passagiers met fietsen vervoert, zodat je vanuit Stadskanaal heel mooi Westerwolde afpeddelen kunt:

Doel van de reis was intussen het Veenkoloniaal Museum, waar de tentoonstelling Vakantie! er op uit, 1900-1980 geopend werd. Voor de gelegenheid stond daar deze BMW-caravancombinatie uit de jaren 60 voor de deur:

De eigenlijke tentoonstelling is boven:

Hotels, pensions, huisjes en groepsreizen blijven (goeddeels) buiten beschouwing, het accent valt duidelijk op het kamperen dat voor het gewone volk mede mogelijk gemaakt werd door het vakantiegeld, dat vanaf 1968 werd uitbetaald. Camping-ameublement uit de jaren 70 – de noppen-vloerbedekking van vinyl komt me heel bekend voor:

Bungalowtent met zitje:

Een van de fraaie affiches op de tentoonstelling, stammend uit een tijd dat er nog een waas van idealisme rond het kamperen hing:

Het is verwonderlijk wat men niet al aan bric-à-brac bewaart – een hele wand is gereserveerd voor historische souvenirs:

Franse plaat over het kamperen:

De samensteller van de expositie, Fred Ootjers, ontdekte dat er in Oost-Groningen destijds ettelijke caravan- en vouwwagenbouwers zaten. Reclame voor het merk Tezet, uit Zijlstra’s carrosseriefabriek in Zuidbroek:

Ook nog even bij de vaste opstelling van het museum gekeken – veenkoloniaal winkeltje:

In de belendende veenkoloniale knijp deze fraai vormgegeven reclame van distilleerderdij Van Calcar te Hoogezand:

Tarief van sluis- of bruggelden met inningsklomp aan touw:

Terug op het station bleek dat de trein pas over een half uur kwam. Beetje rondgekeken – curieus kunstwerk van Limburgse kunstenaar:

Detail van het stationsgebouw:

Dat gebouw wordt weer geëxploiteerd door de STAR, na een periode dat het verpacht werd. Er is een kleine expositie met treinspullen ingericht:

Te zien is onder meer dit jubileumbord van Arie Gijsbertus Kenemans uit 1938, met al diens standplaatsen, o.a. Musselkanaal:


Grofsmid was de Mozes van Oostwold (2)

Nortonpomp Oostwold

Het hok met de Nortonpomp in Oostwold. Foto met dank aan Daniel Oudman.

Natuurlijk moet je een mooi verhaal niet kapotchecken, maar ergens kwam het gedicht dat mijn zegsman declameerde me bekend voor. Ik kon het dus niet laten en ging op zoek.

En zo bleek, dat het poeem over Frans Kant en de Nortonpomp van Oostwold ook staat in een ‘Noorder Rondblik’ uit 1980 en in een verzameling dorpsgeschiedenissen door Abel Blokzijl uit 2006 (p.14-16). Beide bronnen geven het pomp-opschrift met minieme variaties. De versie uit de Noorder Rondblik luidt:

“Gelijk eens Mozes met zijn staf
Zijn volk uit rotsen water gaf,
Zoo bracht Frans Kant ter goeder stond,
Hier kost’lijk water uit den grond.
Wat vroeger boren niet vermocht
Heeft nu Frans Kant voor ons gewrocht.”

Verder verschilt de bijkomende informatie enigszins, bijvoorbeeld voor wat betreft de locatie van de pomp. In de Noorder Rondblik, een regionale cultuurrubriek van het Nieuwsblad van het Noorden, komt de oud-Oostwolder Edzo de Groot aan het woord, die zich afvraagt waarom de Nortonpomp “aan de Huningaweg, naast het perceel van mevrouw De Groot—Baas (vroeger rijksveldwachter Welbergen)” moest verdwijnen:

“Aan die pomp, destijds een overvloedige bron in hete droge zomermaanden, ingebouwd in een houten huisje, hing een ijzeren nap, stevig vastgeklonken met een ketting; voor de voorbijganger een pauzeteken om even de dorst te lessen.”

Volgens Blokzijl stond de pomp tegenover de pastorie, vlakbij de ingang van het kerkhof. Hij meent dat ze werd geslagen door de gemeente Midwolda, waarbij zelfs op 70 meter diepte nog geen wel van geschikt grondwater was gevonden. Daarom beschouwde men het project als mislukt en kwam er een dop op de buis. Totdat de lokale grofsmid Frans Kant de grond huurde en die dop er weer vanaf draaide. Het water spoot er uit en dat werd het gesprek van de dag in Oostwold. Waarop de gemeente het water liet onderzoeken – het bleek van puike kwaliteit en zeer geschikt voor consumptie. Vanaf die dag had Oostwold dus in tijden van droogte goed drinkwater. Wat Blokzijl, anders dan mijn zegsman, echter niet vermeldt is dat de gemeente het houten bord liet overschilderen.

Voor ik nog verder in de historie duik, eerst maar even de summiere biografie van de hoofdfiguur. Dat deze Frans Kant werkelijk grofsmid te Oostwold is geweest, bewijzen de burgerlijke standsakten met zijn naam. Hij werd in 1862 geboren in Oostwold als zoon van de smid Lammert Kant, trouwde, zelf smid geworden, op zijn 33ste, kreeg met zijn vrouw een hele serie kinderen, waarvan er enkele jong stierven, en kwam zelf uit de tijd in 1931. De historie moet zich dus voor dat sterfjaar hebben afgespeeld. Misschien in de jaren twintig?

Nee, ze is nog ouder, zo blijkt uit de krantendatabank Delpher. Op 27 april 1907 berichtte het Nieuwsblad van het Noorden:

“OOSTWOLD (O) 25 April. Voor eenige jaren sloeg hier iemand uit Leeuwarden een Nortonpomp circa 570 voet in den grond, maar daar het water onbruikbaar was, staakte men het werk maar liet de buis zitten. Een onzer smeden kwam dezer dagen op ’t idee het ding eens weer te probeeren en men pompte, pompte 2½ dag en heeft nog volop water. De heer Van Dam, apotheker te O. Pekela, die het drinkwater onderzocht, verklaarde het voor uitstekend drinkwater. Gelukkig Oostwold !”

De grondwaterwel waar de pomp op aansloeg zat dus op bijna 168 meter, nog veel dieper dan de 70 meter die Abel Blokzijl noemt. De rest van het verhaal komt overeen met de overleveringen. Uit een bericht van eind september 1907, bijna vijf maanden later, blijkt wie het bord met het gedicht op de pomp bevestigde:

“OOSTWOLD 23 Sept. Dankzij ’t werken van onzen smid Kant hebben wij hier een Nortonpomp gekregen, die ons dezen zomer voor watergebrek heeft behoed. De kerkeraad heeft gemeend niet beter het véle goede, door K. gedaan, te kunnen beloonen, dan door ’t aanbrengen van ’n gedenkplaat aan de pomp waarop een passend gedichtje.”

Het was derhalve niet een anonieme spotvogel, zoals mijn zegsman wilde, maar het hervormd consistorie, dat hiermee zijn dankbaarheid wilde betonen. Zodat het overschilderen op last van het gemeentebestuur ook minder waarschijnlijk is, temeer daar de Nortonpomp op notabel hervormd initiatief geslagen blijkt te zijn. In oktober 1908 bezocht namelijk een Zweedse hoogleraar, Hjalmar Nilsson, de Oostwolderpolder en omgeving, waarbij zijn rondleiders hem ook de Nortonpomp toonden:

“Dat onze kerkvoogden voor eenige jaren in een werkelijk bestaande behoefte wilden voorzien, bewees deze dag het bezoek aan onze bekende Nortonpomp, die bijna 600 voet diep is. Reusachtig is de hoeveelheid water, die zij in dezen drogen tijd elken dag maar weer met volle stroomen opgeeft. Deze datum is vanwege het kerkbestuur het aantal emmersvol, dat uit de pomp werd gehaald, geteld door onzen doodgraver, die den geheelen dag als ’n politieagent op den weg flaneerde. De man kreeg het respectabel aantal van ruim 500 om ± 6 uur des avonds.

Bij deze gelegenheid kreeg de dorpssmid nog eens een pluim:

“Een eeresaluut zij bij dezen nog aan Frans Kant gebracht, die ons die weldaad heeft bewezen, want zonder hem, zouden we ook hier, evenals andere jaren te strijden hebben tegen watergebrek. En nu – volop van het heerlijkste bronwater.”

Dat de Nortonpomp er op initiatief van de hervormde kerkvoogdij van Oostwold kwam, wordt ook aangetoond door wat raadsverslagen uit 1938 en 1939, die melden dat die kerkvoogdij de burgerlijke gemeente Midwolda verzocht om een jaarlijkse subsidie voor het onderhoud. Op voorstel van B&W stelde de raad toen zonder hoofdelijke stemming een bedrag van 25 gulden per jaar vast.

Helaas lijkt het archief van de hervormde gemeente Oostwold poter, zodat niet is na te gaan hoeveel de kerkvoogdij betaalde voor aanleg en onderhoud van de pomp. Een Nortonpomp in Zuidhorn, in 1911 te slaan tot een diepte van 60, 65 meter, moest die gemeente echter 1600 gulden kosten bij gebleken succes, en ruim 300 gulden aan materiaal en arbeidsloon als de zaak mislukte. Gezien het feit dat de pomp in Oostwold bijna drie maal zo diep kwam, terwijl de arbeidslonen flink zullen toenemen bij een grotere diepgang, moet de pomp in Oostwold minstens drie maal zoveel hebben gekost, dus 900 gulden bij de aanvankelijke mislukking. Of de Leeuwarder firma die het werk uitvoerde na het later gebleken succes nog wat extra beurde, blijft een open vraag.

De pomp in Zuidhorn moest volgens de raming vooraf zo’n 25.000 liter zuiver drinkwater per uur kunnen leveren. De hierboven gemelde 500 volle emmers op een oktoberdag in 1908 te Oostwold vallen daarbij in het niet. Ook de vergelijking met een Nortonpomp op het oosteind van Midwolda, geslagen in 1913, valt negatief uit voor Oostwold. De Midwoldiger pomp, reikend tot slechts 42 meter diepte, had een capaciteit van 12.000 liter per uur. Ook daar werd overigens de waterkwaliteit gecontroleerd door apotheker Van Dam uit Oude Pekela, die haar uitstekend bevond. Bij de pomp van oost-Midwolda kwam er nog een “ontijzeringstoestel”, “zoodat het water ook voor de wasch gebruikt zal kunnen worden”.

De Midwoldiger pomp was gemeentelijk, anders dan die van Oostwold. Ook elders in de gemeente Midwolda kwamen pompen tot stand op particulier initiatief. Zo willigde de gemeenteraad in 1929 een verzoek van H. Hagenus en anderen in, om een Nortonpomp aan de Klinkerweg in Oostwold te plaatsen. Deze verrees op een perceeltje van de gemeente op de hoek van de Klinkerweg en de weg naar Kromme Elleboog. Een soortgelijk verzoek van de bewoners van Niesoord werd in 1938 echter afgewezen.

Zoals gezegd was de pomp in Oostwold in 1980 verdwenen. Via de Noorder Rondblik vroeg Edzo de Groot destijds om een foto van het opschrift. In 1990 kreeg de vereniging Dorpsbelangen Oostwold 500 gulden van de Heidemij voor een reconstructie. Volgens Abel Blokzijl kwam deze er in 1997, waarbij het houten bord is vervangen door een bord van metaal.


Grofsmid was de Mozes van Oostwold (1)

Hoorde vandaag een kostelijke anekdote uit de mond van een Oldambtster boer die op zijn ouwe dag in de Achterhoek beland is.

Volgens hem speelde het verhaal voor de oorlog in Oostwold en had hij de gewraakte tekst als jongen nog gezien. Deze tekst ging over de Nortonpomp, die in Oostwold geslagen was. “In die tijd was er nog geen TV”, aldus mijn zegsman, “en moest men zelf nog plezier maken”. En hij declameerde een gedicht, dat op een bord stond, dat aan die Oostwoldiger Nortonpomp vastzat. Het ging over de “dorpsgek” Frans Kant en diens rol bij het op gang helpen van de bewuste pomp:

“Gelijk eens Mozes met zijn staf
Zijn volk uit rotsen water gaf
Zo bracht Frans Kant te goeder stond
Hier kost’lijk water uit den grond
Wat velen zochten en geen vermocht
Dat heeft Frans Kant voor ons gewrocht”

Volgens mijn zegsman vond deze Frans Kant het maar wat heerlijk om zo bewierookt te worden:

“Hij deed alsof hij die pomp zelf had geslagen, maar dat had-ie niet. Toen die pomp was geslagen kwam er een hele poos geen water uit. Frans Kant gaf hem een slinger, en toen kwam er wèl water uit. Het was een heel gedicht, dat bord was wel een meter hoog.”

Mijn zegsman kwam op het gedicht, nadat ik het orthodoxe karakter van Oostwold en Midwolda ter sprake had gebracht. Volgens hem had het “christelijke gemeentebestuur van Midwolda” bezwaar tegen de vergelijking van Frans Kant met Mozes gemaakt:

“Ze gaven de schilder orders om het over te schilderen. Naderhand stond alleen nog heel pietluttige lettertjes Nortonpomp op dat bord.”

Natuurlijk moet je een mooi verhaal nooit kapotchecken, maar…

Wordt vervolgd.


Monumentendagrondje

Hoewel er een groot Monumentendag-spandoek voor de westelijke gevel hing, bleek de kerk van Hoogkerk, ook in weerwil van diverse aankondigingen, gesloten, Tenminste, om twintig voor twaalf ’s ochtends was dat zo. Daarom de buitenkant maar wat beter bekeken. Dit is het koor, oorspronkelijk uit de dertiende eeuw:

Via de nieuwe brug van Aduard, het pad langs Fransum en de Ezinger Zuiderweg binnendoor naar Ezinge gefietst. Achter het transportbedrijf bij de Medenerweg (daar waar het pad naar Fransum afsplitst), lagen deze schapen in een afgeperkt stukje berm. Na gedane arbeid is het goed rusten:

De kerk van Ezinge. Net als die van Hoogkerk uit de dertiende eeuw. Bij de beroemde opgraving van de dorpswierde wilde Van Giffen hem laten slopen:

Kansel uit 1721 met de vier evangelisten – Lukas:

Angelsaksisch? potje in een vensternis:

Grafsteen van Abeltien (ook wel Abelia) Millema (of Mellema) uit 1679. Van de 12 biografische regels zijn er 3 aan haar gewijd en 9 aan haar man. Samen schonken ze de kerk divers avondmaalsgerei (meerdere schotels en een beker):

De regels van Psalm 27 vers 4, zoals ze eind zestiende, begin zeventiende eeuw op de koormuur zijn geschilderd:

Gesneden leeuw op herenbank, begin achttiende eeuw:

De betrekkelijk lage toren bij de kerk met de vroegere kosterij en school:

Via grazige weiden over de Oldijk terug naar Den Ham:

In de kerk daar – springend paard op grafsteen:

Rococo kerkbanken:

‘Penwerk’, maar dan van een steenhouwer, op de grafsteen van Trijntien Jans Nienhuis, de vrouw van een Ommelander bestuurder, uit 1783:

Snijwerk op de meest bewerkte bank: een mand met bloemen en vruchten:

Wapen op het graf van een Hamster Schepper (waterschapsbestuurder), 1724. Dat dubbel doorschoten hart komt ons weer bekend voor:

Nog een blik achterom – behalve misschien de ondermuren is het kerkje nauwelijks drie eeuwen oud, en daarmee een jonkie onder de Ommelander kerken:


Kleurrijk rondje Westerbroek

Een Westlander van ruim een eeuw oud bij de Van Hallbrug op het Hoornsediep. Het schip diende vroeger voor het vervoer van groente:

Een welkom voor de nieuwe studenten in Groningen – tegenover het station bij het Groninger Museum:

Nieuwe muurschildering met fictief, samengeraapt stadssilhouet op de hoek van de Mauritsdwarsstraat en de Mauritsstraat in de Oosterpoort. Van links naar rechts de Apenrots van de Gasunie, de Dronkemanstoren met de Jozefkerk, het Academiegebouw, de Martinitoren, het Groninger Forum, het Groninger Museum, iets wat ik niet thuisbrengen kan en de Tasmantoren:

Gemeentelijke schaftkeet bij het Oude Winschoterdiep:

De andere zijde, met een evocatie van de Grote Markt zuidzijde (of Botermarkt), waarbij het Blok de gele kleur kreeg van de Museumtoren:

Ook het Oude Winschoterdiep ligt vol kroos:

Gebouw van autobedrijf aan de Wismarweg (Eemspoort) steekt gunstig af bij de omringende schoenendozen:

Trekkersporen in het natte gras onderaan het viaduct over de A7 voorbij Engelbert:

Pastorielaan, Westerbroek:

Stainkoelen, Rodehaan:

Logo van een bedrijf dat zich ‘Phoenix M-M werf’ noemt, maar dat blijkbaar geen website heeft:

Gideonweg – verkoopkantoor van een bedrijf dat in tweedehands Franse automobielen doet:

Een eindje verder zit een concurrent met een kanariegele Trabant op een platform. Het brikje is voorzien van de ideale snelheid:

Het industriële landschap er tegenover:

Die zwarte gebouwen met oranje balkons links van de oranje Hete Kolen op het Europapark zijn nieuw voor me. De kolenmuur van de verdwenen elektriciteitscentrale is erin verwerkt met graffiti en al:

Op de kolenmuur balanceert een speels oranje hondje als ornament:


Avondrondje Beswerd – Hekkum

Gapend paard in het Viooltjesland langs de Roderwolderdijk, Vierverlaten:

Bij de Zuidwending, onder Nieuwbrug:

Steentil – hier zijn nog wel wat meer fietsers onderweg, verderop nauwelijks meer::

Scholekster op wacht bij Fransum:

Haas in hooiland:

En weg was Zoef:

Bij Beswerd – de nieuwe hoogspanningslijn dringt zich visueel meer op dan de oude:

50 tinten groen:

Anders dan bij Den Horn is de populierenrij bij Beswerd nog blijven staan:

Nog steeds Beswerd – boerenschuur halverwege afbraak – de liggers van het gebint lijken ouder dan de zuilen:

Hier is het even holdert:

Via Feerwerd en Garnwerd naar de andere kant van het Reitdiep. Jongen springt van de brug in Garnwerd:

Wakende grutto bij Hekkum:

Ook bij Hekkum:

Koeien op de dijk bij de Wierumerschouw:

Bij Dorkwerd – paarden op afgehooid land doen zich tegoed aan de slootwal. Het klonk heel knapperig:


Middelstum v.v.

Heen over Bedum, terug over Winsum.

Het watermolentje halfweg Zuidwolde:

Boterdiep bij Bedum:

Op Ter Laan een groot koolzaadveld met een heistelling:

Aan de andere kant van de weg wel drie heistellingen – er komt een nieuwe onderdoorgang onder het spoor, mede voor vervoer van en naar de zuivelfabriek.

Doel van de expeditie was het maken van een portret voor bij een interview in Stad & Lande – missie geslaagd en dit object ook nog even meegepikt:

Boerdam – schapen zoeken de schaduw maar eens op:

Bij en in Garnwerd de enige bui. Gelukkig was de kerk open, waar meerdere fietsers kwamen schuilen:

Kerkraam:

Stukje huisvlijt ter promotie van “kakelverse scharreleieren” op de Feerwerdermeeden:

Hier komt de nieuwe hoogspanningslijn langs:

Nog meer huisvlijt bij de boerderij Joeswerd op de Feerwerdermeeden, nabij het Fransumer Voorwerk:

Melkenstijd op Leegkerk:


Ongewenst klokgelui op Lagemeeden

Op donderdag 8 maart 1804 werd tot twee maal toe langdurig de klok van Lagemeeden geluid. Tien jaar eerder was dat nog traditie op die datum en zou niemand ervan opgekeken hebben. Het was immers Prinsjesdag, de verjaardag van prins Willem V, de stadhouder. Maar die leefde al tien jaar in ballingschap. Sterker nog: inmiddels had de prins zich door Napoleon laten afkopen met een Duits vorstendommetje en daarmee de Bataafse republiek erkend. Zijn aanhangers had hij bovendien de vrijheid gegeven om binnen het nieuwe staatsbestel samen te werken met het ‘patriotse’ bestuur. Desondanks waren er ook nog altijd vurige oranjeklanten gebleven, die hoopten op een terugkeer van de oude orde. Via dat klokgelui demonstreerden die waar hun sympathie lag. En dat zat de autoriteiten niet lekker, zulke politieke manifestaties waren nog steeds verboden.

De drost van het Westerkwartier besloot de zaak in onderzoek te nemen. Hij stuurde zijn fiscaal (aanklager) naar Lagemeeden voor het inwinnen van informatie. Ook kregen de boer die het dichtst bij de kerk woonde en de schoolmeester van Lage- en Hogemeeden een uitnodiging om in het gerecht een verklaring af te komen leggen.

Die buurman is hier wel eens ter sprake gekomen vanwege een parkeerkwestie. Wat de schoolmeester ermee te maken had, is een raadsel, want die woonde bij de school op Hogemeeden (waarschijnlijk in Den Horn). Maar er waren wel vaker klachten geweest over het “ergerlijk gedrag” van deze Hidde Pieters Feringa, onder andere omdat hij een bevindelijke oefenaar toestond godsdienstige bijeenkomsten in zijn school te houden. Op de orthodox-bevindelijke flank van de hervormde kerk zaten de fanatiekste aanhangers van het Huis Oranje. Zou meester Feringa misschien de hand hebben gehad in het politiek ongewenste klokgelui?

Op 21 maart beoordeelde de drost de verschafte informatie als onvoldoende. De kerkvoogden Enne Everts en Jacob Abels kregen eveneens een uitnodiging om een verklaring voor het gerecht af te komen leggen.

Op de eerste rechtdag na de Paasvakantie – 11 april – meldden die “dat zij geen beheringe of toeverzigt hadden over de klokstoel” die in Lagemeeden aan de westkant van het kerkhof stond. Bij de scheiding van de kerkgoederen tussen de diverse gezindten in 1797 was de kerk van Lagemeeden uiteraard aan de hervormden gebleven, maar de klokkestoel onder een aparte, gezamenlijke beheerscommissie geplaatst, die bestond uit Tijmen Jans van de Lagemeeden en Roelf Sinninge van de Hogemeeden. Ook deze twee kregen nu een oproepje om voor de drost te verschijnen.

De kerkvoogden maakten intussen nog even van de gelegenheid gebruik om te klagen over schoolmeester Feringa. Die zou “dikwijls nalatig” zijn in het afsluiten van de Lagemeedenster kerk na de  godsdienstoefeningen aldaar. Dat het godshuis goed dicht was, achtten de kerkvoogden noodzakelijk, ook vanwege het armblok in de kerk – een soort houten kluis voor de diaconale collecte-opbrengsten, gezekerd met veel ijzeren beslag. De meester weigerde hun orders te gehoorzamen, zo luidde de klacht van de kerkvoogden.

Op 18 april hoorde de drost Timen Jans en Roelf Sinninge als volmachten van de Legemeedenster klokkestoel over het illegale klokgelui op prinsjesdag.  Ze namen de verantwoordelijkheid op zich, zo verklaarden deze,

om tegen alle gelegenheden, bij welke dat misdrijf wederom zoude kunnen plaatshebben, het kloktouw eraf te nemen

De drost liet aantekening van deze belofte maken in de gerechtsakten. Ook onderhield hij meester Feringa over de klacht van de kerkvoogden, gaf de pedagoog zijn “welmening” te kennen en gelastte hem “op het ernstigste” om voortaan de kerk na iedere dienst goed af te sluiten. Waarschijnlijk heeft Feringa daar keurig aan voldaan. We horen immers geen nieuwe klachten.

Bronnen:

  • Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 610: notulen criminele zittingen 1803-1806, die van 14 en 21 maart, en 11 en 18 april 1804.

Rondje Kloosterburen

Leegkerk:

Bij de Nieuwbrug:

Bij Warfhuizen in de buurt, meen ik:

Industrieel monument, Wehe:

Broek en het Broekster- of Wierhuistermaar:

Bij Hornhuizen: art déco dampaal:

Bij Hornhuizen, sluitsteentje met koe:

Vreemde structuren in sloten door de snelle dooi:

Kloosterburen, ornament van keramiek, ongetwijfeld van Anno Smith:

Bij Kloosterburen:

Dorpsgezicht Hornhuizen:

Leens:

Jugenstil topgeveltje, oostkant Leens:

Iets ter herdenking van Ede Staal, ook daar:

Buizerd bij Roodehaan:

Fransum:


De Pilemelles of Pijlmels

Naamsvariant Aantal meldingen AG Periode meldingen Plaats
Pilemelli 1 1707 Oudeschans
Pilemelle 15 1708-1730 Oudeschans
Pillemel 1 1712 Bellingwolde
Pillemelle 1 1722 Oudeschans
Pijlmelle 1 1734 Bellingwolde
Pijlmel 1 1736 Oudeschans
Pijlmell 1 1744 Groningen
Pijlmel (vv 1) 21 1753-1825 Groningen
Pilemelle (vv 1) 4 1758-1777 Groningen
Pijlmel (vv 2) 4 1759-1826 Veendam
Pijlmels 5 1783-1812 Groningen
Pilemel 2 1792-1846 Groningen
Pilmels 1 1807 Groningen
Pielmel 1 1810 Groningen
Pilenel 1 1847 Groningen
Totaal 60

Mijn onderzoekje naar de nooit gerealiseerde Groninger maliebaan vloeide voort uit een fascinatie voor een curieuze familienaam, die ik al wel vaker was tegengekomen. De varianten van die naam heb ik vanuit Alle Groningers hierboven in schema gebracht op volgorde van hun verschijning en daarna op plaats. De naam duikt in 1707 als Pilemelli op in Oudeschans, maar gezien de Nederlandse voornamen gaat het waarschijnlijk niet om een Itaiaanse komaf. Een volgend jaar komt ze ook al meermalen voor als Pilemelle, in de eerste helft van de achttiende eeuw tevens de sterk overheersende variant, althans in Stad en Lande, waarbij Oude- of Bellingwolderschans in het leeuwendeel van de gevallen de woonplaats van de naamdragers is.

Daar en in het naburige Bellingwolde voltrekt zich in de jaren 1730 een verschuiving van Pilemelle naar Pijlmelle en Pijlmel, een variant die de overheersende is tussen 1744 en 1847, als de naamdragers voornamelijk in de stad Groningen wonen.

Qua oorsprong van de naam zijn er twee verklaringen denkbaar:

  • een verbastering van het Franse pêle-mêle, wat staat voor: mengelmoes, allegaartje, warboel;
  • een vernoeming van het maliespel op een vaste baan, dat in het Frans pallemaille heette, wat weer verwees maar het Italiaanse pallamaglio, in het Nederlands ook wel vervormd tot palmalie.

De tweede naamsverklaring lijkt het verst gezocht, maar landelijk bleek de vroegste naamdrager de Haagse militair Bernardus Pijlmel (!), die in 1707 opduikt, dus vlak voordat Jacobus Pilemelli en (diens broers?) Anton, Derck en Jan Pilemelle eind 1707 en begin 1708 vanwege hun belijdenissen ingeschreven worden in het Oudeschansker lidmatenregister. In Den Haag was er destijds nog een grote en fraaie maliebaan. Daar zou de bijnaam aan kunnen zijn ontleend. Dat Haagse soldaten in de vesting Oudeschans terechtkwamen, is evenmin ondenkbaar: de garnizoenen circuleerden over heel het land en zelfs langs de vestingen van de Barrièresteden in de Zuidelijke Nederlanden. Dat de familie- of bijnaam in Oudeschans vrij curieus werd opgeschreven, ligt zelfs voor de hand: maliebanen waren er in Groningerland niet. Naderhand, en dan vooral nadat de familie grotendeels naar de Stad Groningen verhuisde, zal de bijnaam dan weer naar de oorspronkelijke, Haagse spelling ‘gefatsoeneerd’ zijn.

Een en ander roept ook  de vraag op naar de maatschappelijk status van de Pilemelles of Pijlmels. Over die eersten kon ik maar weinig vinden. Jacobus Pilemelli of Pijlmelle werd echter medio 1720 door GS benoemd als chercher – lagere belastingambtenaar – bij de molen van Grijpskerk.

Wat meer is bekend over de latere Pijlmels. Zo was Coenraadt Anthonie Pijlmel vanaf de jaren 1740, 1750 custos of huisbewaarder(-schoolmeester) van de Latijnse school aan de Zwanestraat nz. in de Stad Groningen. Hij bewoonde daar een eigen huis, dat na zijn dood in 1785 werd geveild met enkele hoven in de Appelstraat, waar hij bovendien een tweede huis bezat. Daar in de buurt, aan de noordkant Leliestraat woonde zijn zoon “Monsieur” Anthonie Coenraad Pijlmel, een meester-timmerman, die in 1787 tevens musketier was bij het Groninger exercitiegenootschap Voor Onze Duurste Panden. Later had deze Anthonie een groter huis aan het A-kerkhof zz., maar ging daar failliet.  En dan hebben we nog Jacob Pjjlmel, ook een patriot, die in 1796 door het stadsbestuur werd benoemd tot turfstouwer. In 1806 had hij nog financiële belangen bij Oudeschans. Maar de bekendste Pijlmel zal toch Coenraadts dochter Margaretha of Marchien geweest zijn. Na 1800 trad ze als schoolhouderes te Veendam min of meer in de voetsporen van haar vader, maar als huisbewaarster behoedde ze in haar jonge jaren eens de Oude Boteringestraat voor een regelrechte ramp door kloekmoedig een achteloos weggezette, maar brandende kaars bij een vat buskruit weg te halen. Om deze heldendaad gold ze later ook wel als een “Kenau van een maid”.

Kortom, bij de Groninger Pilemelles en Pijlmels ging het voornamelijk om lagere ambtenaren en kleine middenstand. Waarschijnlijk kwam de familie via een militaire route in Oudeschans terecht. Mogelijk had een Haagse voorzaat de bijnaam opgedaan doordat hij ‘iets had’ met de Haagse maliebaan. Dit echter, staat zeker niet vast.


De Groninger maliebaan

Op zaterdag 21 maart 1646 namen Burgemeesteren en Raad van Groningen het besluit  om een “maille baene” of maliebaan aan te laten leggen naar een ontwerp dat ze al klaar hadden liggen. De baan zou moeten lopen aan de binnenkant van de oostelijke stadswal vanaf de Jacobijnerdwinger (uiteind Bloemstraat) tot aan de Steentildwinger (waarschijnlijk uiteind Nieuweweg bij het Damsterdiep, omdat ze anders het Damsterdiep had moeten passeren). De maliebaan werd daarmee zo’n 800 meter lang. Verder zou ze 2 roeden, dus 8,2 meter breed moeten worden, maar er zou ook nog een parallelweg aan de stadskant langs moeten  komen van 1 roe of 4.1 meter breed, en een sloot ter breedte van 8 voeten, dus bijna 2,4 meter. Al met al zou het project daarmee een strook van  zo’n 800 bij 15,7 meter grond gaan innemen. Ook werd besloten dat er een touwslagerij voor moest wijken.

Tegenwoordig ligt de Oostersingel zo’n beetje op het tracé. Die had dus ook Maliebaan kunnen heten, ware het niet dat we verder niets meer vernemen van het hele project. Bijgevolg ging ook de ontwerptekening helaas verloren. En dat terwijl het plan toch vrij ambitieus begon, met een vrij zware commissie onder leiding van burgemeester Julsingh, waarvan niet alleen vier raadsheren, maar ook een rentmeester en de stadsbouwmeester deel uitmaakten. Mogelijk had men de kosten toch wat onderschat: er moesten bijvoorbeeld niet één, maar twee lijnbanen wijken (zowel bij de Jacobijnerdwinger als de Steentilpoort). Wilde men een geheel rechte baan, zoals elders gebruikelijk, dan had de Stad ook heel wat lapjes tuingrond moeten kopen in de oostelijke stadsuitleg.

Waar de voorgenomen maliebaan ongeveer moest komen, met rood afgetekend op de kaart van Haubois (ca. 1640). Collectie Groninger Archieven 1536-1743.

Het maliën of maliespel (pag. 330-332) was ten tijde van het Groninger plan zéér in de mode. Het kwam zoals we meer zaken, uit Frankrijk overwaaien, waar hovelingen zich er in de zestiende eeuw al mee vermaakten. Hier in Nederland verdrong het maliën vooral het kaatsen, waar de deftige lui hun neus voor optrokken. Qua spelregels hield het ’t midden tussen croquet en golf. Met een hamer op een lange steel moest de bal in zo min mogelijk slagen van het ene naar het andere uiteinde van de baan worden geslagen. Bij de finish stond een paal die de deelnemers moesten zien te raken. Later schijnt er een poort te zijn bijgekomen, waar de bal onderdoor moest. Het spel vereiste net als golf dus kracht èn finesse, al moest de bal wel laag worden gehouden. Bij de baan stond vaak dan vaak nog een wijnhuis of herberg, waar de deelnemers hun dorst konden lessen. De waard had tevens het materiaal in bewaring.

Maliebaan op een Italiaanse prent. Collectie Rijksmuseum.

In Nederland waren er maliebanen op ’t Loo bij Apeldoorn, in Arcen (L.), Groenlo (Gld) en naar het schijnt ook in Jorwerd (Fr.), maar de bekendste banen lagen toch in of bij de steden Den Haag, Utrecht, Leiden en Amsterdam. Die van Den Haag, naast het Malieveld, schijnt relatief lang geweest te zijn. Die van Utrecht, in 1637 door de stad aangelegd tot “cieraat deeser Stad”, was uitdrukkelijk bestemd

tot eerlyk vermaak en exercitie van de burgers ende inwoonders van dien, ende der geener, die de Academie alhier frequenteeren

De Utrechtse baan was ruim 800 meter lang, dus ongeveer van de lengte die de Groninger baan ook had moeten krijgen. Er lagen “verscheyden allées ofte wandelpaden” langs met hoge lindebomen die de baan ruim van schaduw voorzagen. De baan zelf was afgeperkt met lage schuttingen, waarop getallen de afstanden aangaven. Aan beide uiteinden stonden palen met het Utrechtse stadswapen De Utrechtse baan gold als dermate fraai, dat toen de Fransen in 1672 Utrecht veroverden, de Zonnekoning haar graag als oorlogsbuit mee wilde nemen naar Versailles, iets wat tot zijn grote spijt onmogelijk bleek.

Was de Utrechtse baan een initiatief van het stadsbestuur aldaar, de Leidse werd ongeveer tegelijkertijd aangelegd door het universiteitsbestuur. De Amsterdamse maliebaan, gelegen in de Diemermeer, was mogelijk particulier. Deze was bijna 700 meter lang – dus wat korter dan de Haagse, Utrechtse en voorgenomen Groningse – en ze had aan weerzijden, net als de Utrechtse, geschoren lindebomen.

De Amsterdamse baan oefende tot medio achttiende eeuw grote aantrekkingskracht uit op de Amsterdamse jeugd. Daarna kwam er de klad in – zoals het spel in heel Holland in vergetelheid raakte – en al voor het revolutiejaar 1795 was deze baan verdwenen. In Utrecht werd het spel toen nog wel wat gedaan, maar het stadsbestuur liet hier in 1811 de schotten en palen weghalen.  Als Groningen überhaupt een maliebaan gekregen had, zou die niet veel langer hebben bestaan.

Adriaen van de Venne, Prins Frederik Hendrik en de Winterkoning op een maliebaan. Collectie British Museum.


Hoe de zon er toch nog doorkwam

De Buienradar toonde vanmiddag om één uur een grote bal mist rond de stad Groningen. Maar in het westen leek de zon op te rukken. Ruim een half uur later was dit nog het beeld vanaf de Legeweg bij Leegkerk, richting suikerfabriek:


Tien minuten later. De Jonge Held vanaf andere kant Aduarderdiep:

De afslag naar Adorp en Oostum, volop in de zon, ook vanaf de westkant van het Aduarderdiep:

Het kerkje van Fransum:


Rondje Ezinge

Leegkerk – de nieuwsgierigste van het stel blaarkopjes:

Grazige weiden iets ten noorden van Aduard:

Bij Fransumer Voorwerk in de buurt, deze blackfaced sheeple:

Mooie beesten, toch:

In Ezinge kreeg de voormalige gereformeerde kerk een nieuw dak:

Mijn beide achterneven, toen ze nog leefden en in Feerwerd woonden:

Landschap tussen Ezinge en Allersma:

Tarweveld bij Aduarderzijl:

Antumerweg – ieder zijn meug, de een vreet topgras, de ander vreet riet:

Bij Garnwerd, op het nieuwe fietspad richting Winsum aan de binnenkant van de Reitdiepdijk. Ik verbaas me dus over de populariteit in deze periode van ’t skaten, dat veel meer ruimte inneemt dan fietsen, zodat je er op zulke paden heel gemakkelijk mee in andermans cirkel komt:

Wat die bloem hier in haar uppie moet aan de binnenkant van de dijk? Is ze natuurlijk of gaat het om een restante tuinplant?

Landschap bij Hekkum:

Het haventje van Sauwerd, dat ik nog nooit had gezien:

Boerderijdak, Sauwerd:

Melkenstijd bij de Walfridusbrug:

Graffiti op de Walfridusbrug – de molen in de verte, de Wilhelmina van Noorderhogebrug, heeft geen optimale molenbiotoop:


De eerste verlaatsmeesters van de Drentse Hoofdvaart

Ben vrijdagochtend naar het Drents Archief in Assen geweest voor de archivalische nalatenschap van de Administrateur der Vaart en Venen. Ik trof er een buitengemeen rijke administratie aan, met onder andere de kwitanties voor daglonen, uitgekeerd aan bijvoorbeeld de turfgravers en zandschieters die voor de Landschap Drenthe werkten. Ook  de verlaatsmeesters die de sluizen in de nieuwe Hoofdvaart bedienden en er woonden in de daarbij gebouwde huisjes – vaak tevens winkels en tapperijen – dienden voor buitengewone of extra werkzaamheden rekeningen in, waarvan er vier hieronder zijn gereproduceerd.

Adam Mennes kwam van de Kiel-Windeweer, waar hij en zijn vrouw Grietje tussen 1750 en 1764 een heel rijtje kinderen kregen. Kiel-Windeweer ligt vlakbij Spijkerboor, waar de landmeter Lambertus Grevelink, de ontwerper van de Drentse Hoofdvaart, destijds nog woonde. Waarschijnlijk heeft die Adam Mennes aangenomen om in 1770 de verlaatsmeester te worden van het benedenste verlaat, naderhand de Paradijsschut geheten. Deze lag vlakbij Meppel, maar nog op Havelter grondgebied. Mennes zal omstreeks 1785 overleden zijn, waarna zijn schoonzoon hem opvolgde.

De nota’s van Mennes in het archief van de Administrateur der Vaart en Venen verschillen steeds qua handschrift. Kennelijk stelde iemand anders steeds de rekeningen op, die Mennes dan vrij onbeholpen ondertekende. Schrijven kon hij dus wel, maar daar is ook alles mee gezegd.

In 1774 werkte Mennes, afgezien van de bediening van het verlaat, nog 22 dagen los voor de Landschap Drenthe. Zijn loon bleek 13 stuivers per dag, waarmee hij vrij hoog in de boom zat, vergeleken bij de agrarische daglonen die ik uit het Havelter momberprotocol optekende.

Berend Doggen kwam van Nijeveen, waar hij in 1742 geboren werd. Hij was de verlaatsmeester van de Boskampschut (iets ten zuiden van de huidige Boskampbrug in Havelte) die ook wel eens het Overcingeverlaat heette, hetzij omdat de Boskamp nog bij Overcinge hoorde, hetzij omdat je het huis van stand nog in de verte kon zien liggen, iets wat nu onmogelijk is door al het aangeplante bos. Ergens in de Franse tijd werd het Boskampschut opgeheven en verwijderd, zodat deze sluis niet meer op de kadasterkaart van 1830 te vinden is.

In 1787 werkte Doggen aan verschillende bruggen en schutten elders langs de Hoofdvaart. Anders dan bij zijn collega Adam Mennes van het benedenste verlaat, was Doggens handschrift van rekening op rekening wel uniform. Zijn dagloon was nog hoger dan dat van Adam Mennes, namelijk 16 stuivers.

Jochem Ysebrants, ook wel Jochem Bakker. De huidige Haveltersluis had in de jaren 1770 twee namen: de Pastoorssluis en de Bakkerssluis. Die eerste naam dankte ze aan de vergraven Pastoriegrond of Papenweide op deze locatie. De tweede naam kwam in de wereld dankzij verlaatsmeester Jochem Ysebrants, naar zijn andere beroep ook wel Jochem Bakker geheten. Hij kwam van De Blesse en was ook wat betreft zijn bakkerij een eerste in een lange reeks: op de locatie van het verlaatshuis heeft ruim 200 jaar (tevens) een bakkerij gezeten, wijlen mijn klasgenoot Geert Bergman was de laatste uit de lange reeks uitbaters.

In 1777 declareerde Jochem Isebrants drie dagen werk voor een totaalbedrag van een rijksdaalder, wat neerkomt op bijna 17 stuivers per dag. Dat was iets meer dan zijn collegae van de twee lager gelegen sluizen.

Lucas Schenkel was de eerste verlaatsmeester van de nog steeds bestaande Uffeltersluis. Hij kwam van Hoogezand, waar hij 1737 geboren werd en in 1767 trouwde. Vermoedelijk  kwam ook hij in het kielzorg van landmeter en kanaalontwerper Lambertus Grevelink. Schenkels vrouw kwam uit Nieuwolda, waar Grevelink ook weer connecties had.

Overigens had je in mijn tijd (jaren 60 en begin jaren 70) twee café’s Schenkel in Uffelte. Het ene, aan de Rijksweg (westkant vaart), had een groot bord bij de weg staan: “Het vanouds bekende café Schenkel!” Meen dat dit wel enigszins bezijden de waarheid was. Het allereerste café Schenkel zal namelijk gehuisvest zijn geweest in de verlaatsmeesterswoning die weliswaar eveneens aan de westkant van het kanaal stond, maar veel dichterbij de tweede Uffelterbrug. Het zogenaamd vanouds bekende café is nu ter ziele,  al hangt er nog wel een bierspiegel op een aanbouw. Het nog steeds bestaande brugcafé was voor de coronatijd al gesloten, volgens welingelichte kringen definitief.

Lukas Schenkel werkte in 1774 achttien dagen los voor de Landschap, en declareerde daarvoor 9 gulden, maakt 10 stuivers per dag, veel minder dan zijn drie collegae stroomafwaarts naar Meppel.


Rondje Ezinge

Het gemaalhuisje aan het Aduarderdiep dat ca. 1886 de plaats innam van poldermolen De Oude Held:
DSC04328
Zuidwending bij Nieuwbrug:
DSC04329
Baltsende fuut op het Aduarderdiep:
DSC04338
Bij Fransum:
DSC04347
Ezinge – schroefjes te koop bij de voormalige smederij in de Torenstraat:
DSC04378
Gezicht op Garnwerd vanaf de noordkant van Feerwerd:
DSC04386
De Feerwerdermeeden – hier had mijn oudoom Klaas veel land liggen:
DSC04388
Scholekster waakt bij het pad naar het Aduarderdiep:
DSC04395
Pelotonnetje soepganzen op de oever van het Aduarderdiep:
DSC04396
De kerk van Dorkwerd:
DSC04404
Grazende paarden bij de Gaaikemadijk:
DSC04408
De Gaaikemadijk gezien vanaf Kleiwerd:
DSC04410