Esser veldnaam Kloes wijst op kluizenarij

In mijn stukje over het veldnamenlandschap van Essen moest ik iets in het midden laten. Want uit streektaal-woordenboeken en het WNT kon ik maar niet gewaar worden wat die veldnaam Kloes of Kloese betekende. Daarom schreef ik Rudolf Ebeling, gepensioneerd naamkundige van de RUG, en legde hem de vraag voor:: “Heeft u misschien een idee?”

Inmiddels weet ik dankzij hem wat dat Kloes betekent. Achteraf verbaast het me dat ik
er zelf niet op kwam, want ik zat er al zo dichtbij, dat het bijna niet te missen viel. Het betekent inderdaad: kluis. Ebeling wees me namelijk op het middelnederlands clûse of kluse voor: kluis, kluizenarij of bergengte. En aangezien die laatste woordverklaring hier bij gebrek aan steile hellingen niet in aanmerking komt, blijven de twee eerste over.

Volgens het Middelnederlandsch Woordenboek dat de Taalbank op internet zette, verbreedde de betekenis van cluse zich weliswaar tot elke afgesloten ruimte, maar was de eerste en voornaamste betekenis toch:

“Kluis, het eenzame en afgezonderde verblijf eens kluizenaars, kluizenaarshut, monnikskluis.”

Afgaande op de veldnaam Kloes of Kloese, die Wieringa er in de jaren 1970, 1980 noteerde, heeft er achterop het terrein van het klooster Essen,  op de grens van de bewoonde wereld met de laaggelegen wildernis ten oosten van het klooster, waarschijnlijk een kluis van een kluizenaar gestaan. Of beter: van een kluizenares, want dat lijkt meer in overeenstemming met het vrouwenklooster hier.

Tussen de middag sprak ik er even over met Jan van den Broek, mediëvist en oud-stadsarchivaris, en hij wees me op een kluizenaar in het Hareholt, die vanaf 1479 een flink stuk Hereweg voor de stad Groningen onderhield (d.w.z. de al te diep ingereden wagensporen dichtmaakte)  en in ruil daarvoor de beschikking kreeg over een huisje, twee koeien, een paard en een stortkar, met nog 12 gulden toe.

Het fenomeen kluizenaar was hier in de omgeving dus niet onbekend. In de stad Groningen had je een kluizenares, die de Martinikerk de arm van Sint Jan bezorgde, een kostbaar reliek, waar de Groningers eer mee inlegden en hun stad toeristen mee trok. Bovendien woonden er kluizenaars bij de dorpskerken van Usquert en Stitswerd.

Intussen blijkt uit het voorbeeld van de kluizenaar uit het Hare- of Harenerholt, een bos aan de noordkant van het dorp Haren, dus dichtbij Essen, dat niet alle kluizenaars (m/v?) zich lieten inmetselen. Sommige hadden kennelijk werkzaamheden buiten de deur.

Nog iets over de verspreiding van toponiemen als Kloes, Kloese of Kluse – volgens Ebeling is het  vrij zeldzaam, al komt het in Noordwest-Duitsland wel iets vanker voor dan in Noord-Nederland:

“Vroeger zag ik wel eens langs de B70 in het Emsland een plaatsnaambord KLUSE, en ook bij Varel, Landkreis Friesland, is er een KLUS, waarvan bekend is dat “hier früher eine Klause” stond. Uit Westfalen zijn enkele veldnamen KLUSE bekend. Een Westfaals kluse was niet overal een complete kapel, maar kon ook een eenvoudig processiehuisje of -kruis zijn.”

Dat het toponiem in een streek als Westfalen vaker voorkomt dan in Noord-Nederland, lijkt geen wonder. In Noord-Nederland maakte de calvinistische reformatie rond 1600 een eind aan het kluizenaarswezen, terwijl de praktijk in het overwegend katholieke Westfalen nog wel even kon voortbestaan. Daar kreeg het toponiem, kortom, meer kans om te beklijven.


Het klooster te Essen vlak voor zijn sluiting

Een schetsje van het klooster te Essen in 1568, het eerste jaar van de de Tachtigjarige Oorlog. Het grondplan, met een zich naar twee kanten toe vertakkende weg rond een gracht, lijkt wel zo’n beetje te kloppen. Van de gebouwen weten we zo goed als niets, maar ze worden voorgesteld als vrij laag. Toch ligt hier roofgoed, vandaar de versterkingen rond het klooster tegen plunderende geuzen en misschien ook wel muitende soldaten. Die verdedigingswerken vormen strategische informatie, evenals de brug over het Schuiten- of Winschoterdiep achter het klooster, en het hoornwerk aan de overkant van het diep.

Deze tot nu toe onopgemerkt gebleven schets mag nu eens met recht uniek heten, want het is werkelijk de enige tekening die we hebben van het klooster Yesse in zijn geheel. Ze is te vinden op een militaire kaart van Groningen, die verder niet super precies is en die deel uitmaakt van de atlas van Pierre le Poivre. Deze atlas geeft een beeld van militaire gebeurtenissen uit de periode 1560-1620. Onlangs heeft de Koninlijke Bibliotheek van Brussel hem integraal op internet gezet. Nieuwsgierig? Ziehier

De navigatie ging mij eerst eerst wel wat  moeizaam af. Bladeren doe je hetzij via de pijltjestoetsen vlak boven hetzij via de schuif onder de thumbnails. Na het opplussen van en inzoomen op een kaart kan je eroverheen navigeren met het groene vierkant linksboven of het handje onderin links. De kaart met het klooster Essen erop is de rechterpagina op scan nummer 13. Ook de scans 14 en 15 betreffen de stad Groningen en omgeving. Ze laten onder meer de dwangburcht zien, die Alva in 1569 voor de Herepoort liet bouwen.

Meer over Essen op dit weblog:


Het veldnamenlandschap van Essen

De veldnamen van Essen, zoals Wieringa die in de jaren zeventig optekende, geprojecteerd op de kadasterkaart van omstreeks 1825, zoals HisGis die ons biedt.

Centraal op het kaartje de Olle Hof, waarmee bedoeld wordt het ooit geheel door een gracht omgeven, rechthoekige terrein van het middeleeuwse klooster Yesse. Ten tijde van het eerste kadaster staan er drie boerderijen op dat terrein. De meest zuidelijke boerderij, de Hemmesheerd, staat buiten de voormalige kloosterhof, net als een noordwestelijk gelegen boerderij.

Op het kloosterterrein wordt de grond in 1825 voornamelijk benut voor moestuinen (paars) en boomgaarden (middelgroen). Voordat hier in 1215 een klooster kwam, lag er al een es (bouwland) met een gehucht, zo bleek vorig jaar bij een opgraving. Het klooster bracht waarschijnlijk de tuinen, die er in 1825 nog steeds zijn, zij het niet noodzakelijkerwijs op dezelfde percelen. De twee witte stukjes bouwland op het oude kloosterhof zullen ook nog wel relatief vruchtbaar zijn, maar dat geldt wellicht wat minder voor het centraal achterop het terrein  gelegen, lichtgroen gekleurde stuk weiland. Hoeveel steen zit daar in de grond?

Kijken we naar het gebied rond de Olle Hof, dan valt ten eerste een strook geelgekleurde hooilanden op. Dit zullen de laagste en drassigste gronden zijn geweest, en de veldnamen De Zulten en De Onlanden duiden er ook op dat dit niet de duurste grond was.  Zult betekent: zout, zilt. Misschien kwam er wel eens zout water over De Zulten, misschien was de grond hier op sommige plekken zelfs nog ziltig.  Teysinga noteerde omstreeks 1730 ter plaatse van de Onlanden dat het “gemeen”” (= gewoon), respectievelijk “leeg” (laag hooiland was waar “veel pijpgras“” groeide, dat is een plant die veel van water houdt. Afgezien van het winnen van hooi of het weiden van vleesvee of paarden kon je dus weinig met de Onlanden beginnen. Ik vermoed dat Zulten en Onlanden en de tussenliggende gele percelen samen de westgrens van de middeleeuwse es markeren.

Ten noorden van de Olde Hof zien we verder een Zwienven – een laaggelegen weiland waar zwijnen hun gang mochten gaan -,  Molenmaten en een Molensloot. Op de kaart van Teysinga  uit 1730 heet die sloot nog De Olde Schipsloot, er was dus ooit een (bescheiden) scheepvaartverbinding met het Schuitendiep (nu Winschoterdiep), en/of eerder misschien met de Hunze. Die scheepvaart werd onmogelijk toen er bij de uitmonding van de sloot op het Schuitendiep een watermolen kwam, die het water van de laaggelegen Esser landen moest lozen.  Vandaar de naamsverandering van de sloot. Overigens kan der naam Molenmaten ook slaan op een korenmolen, die ooit op de grens van Helpman en Essen stond. Ten noorden van De Zulten noteerde Wieringa een Meulenbaargien, daar moeten we die molen situeren. 

Ten oosten van de Olle Hof lagen er diverse kampen: de Noorderkaamp, twee Zuderkaampen, een Hoogkaamp en een Rieskaamp. Een kamp behoorde niet tot de oorspronkerlijke es, maar was er een uitbreiding van. Als de kampnamen inderdaad oud zijn, dan hebben we hier de oostgrens van de middeleeuwse es te pakken. Op de Rieskaamp werd rijshout opgekweekt voor vlechtwerk – bijvoorbeeld in wanden – of aanwending op tuinen. De Kooikampen verwijzen naar een eendenkooi, waar waterwild een soort fuik ingedreven werd. Ook zo”n eendenkooi kon je van van rijshout bouwen – als lokatie komt vooral het donkergroene bosje op de rand van de kaart in aanmerking.

Interessant is een wat hoger gelegen strook grond tussen de Noorder- en de Zuiderkampen, die mogelijk ooit de Middelkamp(en) heette.  Van west naar oost zien we daar staan:  Roggenstukkies, Ruivenstukkie en Kloes (volgens Wieringa ook wel Kloese). Op de Roggenstukkies zal rogge verbouwd zijn en  op het Ruivestukkie de beroemde Hoarender knollen, ruiven of roefies, kleine gele herfstknolraapjes die in het Groningse ooit als een delicatesse golden.  Wat een Kloese was heb ik nog net mogen ontdekken, maar waarschijnlijk hangt de naam samen met kluis en close, en moeten we er ons een dichte omheining bij voorstellen.

Tot slot nog weer even terug naar de Olle Hof – op het noordoostelijke deel daarvan tekende Wieringa de veldnaam Hoppentoene aan, en daar zal dus ooit hop verbouwd zijn, voor verwerking in bier. Vooral Peize stond bekend om de hopteelt in de 17e en 18e eeuw, maar ook elders in de omgeving waren er wel hoptuinen. Overigens is dit wel de eerste keer dat ik iets van deze teelt in Groningerland bespeur.

Zie verder: Esser veldnaam Kloes wijst op kluizenarij