Ho Ho Pierlalo of Het Paterslied

“Men zingt hier, behalve eenige zoogenoemde straatdeuntjes, een zeer oud en bekend lied, onder de benaming van Ho, Ho, Pierlalo, hetwelk op bruiloften onder het dansen eener Ronde gezongen wordt, bestaande hetzelve uit tweeregelige verzen, met herhaling telkens van ho, ho, Pierlalo en ho zie zo.”

Aldus, in 1828,  de schoolmeester van Midwolde (Wk.). En zijn collega van het vijftien kilometer verderop gelegen Haren schrijft hetzelfde jaar, nadat hij de bij lokale huwelijksvieringen “aanhoudend” gevulde en “veeltyds” met smaak geleegde brandewijnskommen ter sprake heeft gebracht:

“Tegen den avond is men reeds uitermate vrolyk, wanneer de jongelingschap in de schuur, zich in eenen ronden kring schaart, en dan onder het zingen van een oud zeer gebrekkig en voor het gehoor vervelend lied (het Paterslied) begint in het ronde te springen enz.”

Dat het Paterslied uit Haren en het Ho, Ho, Pierlalo uit Midwolde op één en dezelfde dansdeun neerkomen, leert een sondering in de Liederenbank, die voor tekst en uitleg verwijst naar Zeden, gewoonten en gebruiken in de provincie Groningen, een werkje van Johannes Onnekes (1885) dat ook in de DBNL te vinden is als artikel. Volgens deze ongelukkige Ulrumer onderwijzerszoon werd “eertijds… op de volksvermakelijkheden” – dus niet alleen op bruiloften – “druk werk gemaakt van den bekenden rondedans ‘Daar ging een patertje langs den kant’”:

“Deze rondedans is zeer oud en was reeds bekend bij onze voorouders van de dertiende eeuw. Een enkelen keer komt hij in deze streken nog voor, gewoonlijk tegen het einde der pret, als de lui tamelijk vroolijk zijn geworden en ook de aanwezige gehuwden en meer bejaarden in den jonkmöln (jonkmolen) komen, d.i. zich als het ware weder jong beginnen te voelen en het gezelschap der vroolijke jongelui zoeken. De wijze, waarop hij wordt uitgevoerd, is ongeveer als volgt: de dansers formeeren een kring om een jonkman en dansen al zingende in het rond, nu eens met de zon om, dan tegen haar in. Men zingt:

1.
Daar ging een patertje langs den kant,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En nam een nonnetje bij de hand,
Ho ho, pierlalo en ho zie zoo!

Volgens Onnekes verving men de tweede regel ook wel door “het oudere ‘Hei, ’t was in de mei, mei, mei’. Mei, zo herinneren we ons, was (en is) traditioneel dé trouwmaand. Bij de derde regel trok de man in de kring een vrouw uit de hem omringende kring naar zich toe. In de oorspronkelijke opzet knielde hij eerst voor haar, spreidde een zakdoek uit, waarop zij dan tegenover hem moest knielen:

2.
Kom, pater, gij moet knielen gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En laat je non alleenig staan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

3.
De pater spreidt de non een kap,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Alwaar de heilge non op stap,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

4.
Kom, pater, geeft uw non een zoen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Dat moog je nog wel driemaal doen,
Driemaal, driemaal, driemaal, doen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

5.
Kom, pater, beur je non weêr op,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En dans nu met uw kermispop,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

Bij deze regel stonden man en vrouw op, zoenden elkaar nog eens en walsten naar den kring. Vervolgens nam de man weer zijn plek in de kring in en ging daarmee weer in de ronde dansen:

6.
Kom, pater, gij moet scheiden gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En ’t nonnetje moet blijven staan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

Het volgende couplet werd volgens Onnekes vaak weggelaten:

7.
Maar hij (of zij) kan zoo niet scheiden gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En zonder zoen hem (of haar) laten staan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

De vrouw, alleen overgebleven in het midden van de kring, moest nu een andere man uit de kring rondom haar kiezen.

8.
Nonnetje, gij moet kiezen gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En nemen een ander pater aan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

9.
Kom, geef je pater nu een zoen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Dat moog je nog wel driemaal doen,
Driemaal, driemaal, driemaal doen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!

Nadat ’t zoenen was afgewikkeld, schrijft Onnekes,

“vangen de rondedansers op nieuw aan te zingen, in den regel nu niet bij het eerste, maar bij het vierde couplet. Bij den voortgang van het dansspel is het beurtelings een pater of een non, die in den kring staat en hierna worden ook de betrekkelijke versregels veranderd. Is er een non in den kring, zoo zingt men b.v. couplet 5: Kom, beur je pater nu weèr op, e.z.v.”

Het komt wel een beetje raar voor dat in nagenoeg totaal gecalviniseerde streken nog medio negentiende eeuw op deze manier gezongen werd over paters en nonnen. Bovendien waren die in contreien waar ze nog wèl rondliepen, sinds het Concilie van Trente toch serieus aan geloften van kuisheid gebonden. Het danslied zal dan vast niet zo oud geweest zijn als Onnekes veronderstelde, maar het zou toch best om een antiklerikaal relict kunnen gaan uit de vijftiende of zestiende eeuw. Hoe dit ook zij, het met meer of minder enthousiasme zoenen gaf de omstanders natuurlijk een mooie indruk van de al dan niet bestaande sympathie bij vooral de uit de kring getrokken danspartner, en uit dat inzicht zal dan wel een flink deel van de lol hebben bestaan.

In elk geval luidde deze rondedans het einde van het feest in – vanuit de dans ging men huiswaarts. Thineus, de uit de stad Groningen afkomstige predikant Tonnis van Duinen, koppelt in zijn werkje Ons Dorp (1846) de dans eveneens aan het laatste stadium van de bruiloft, als de vele brandewijn met rozijnen haar uitwerking niet had gemist en de een na de ander huppelend naar de schuur vertrok:

“Ze hebben een speelman weten magtig te worden en de leemen vloer dreunt onder de zolen der dansenden. Dan weer vormen zij  een ronden kring en de speelman dreunt het oude: Ho, ho pierlalo! lustig op. ’t Is een mooi liedje, vooral om het:

                           De pater gaf de non een zoen,

dat er telkens in voorkomt, en tot eene heerlijke scène aanleiding geeft, die treffelijk wordt uitgevoerd…”

In Friesland was de dans evenmin onbekend. zoals blijkt uit het bekende werk van Waling Dijkstra (1892 e.v.j.). In 1913 noemde T. (de Ommelander Jacob Tilbusscher?) Ho Ho Pierlalo nog eens in het Nieuwsblad van het Noorden, en merkte op dat hij deze en andere deuntjes “niet veel meer” hoorde:

“Toch jammer, dat ze in ’t vergeetboek raken.”

Wel was de dans hier en daar nog in zwang, getuige de melding in 1967 door de dan 62–jarige Jan Nijenbanning uit Gees in Drenthe. Volgens deze boer werd hij daar in zijn jonge jaren, dus rond de Eerste Wereldoorlog, nog op allerlei feesten gedanst: “Als de jeugd echt uitgelaten was”, ging ze er spontaan toe over. Ook Oldenbanning releveert het partner kiezen en het zoenen, maar het refrein is bij hem ’t ‘Het was in de mei, het was in de mei’, dat door Onnekes nog voor de oudere versie werd gehouden.  Een “mooie kant” aan deze dans vond Oldenbanning het emancipatoire aspect, namelijk “dat een meisje stappen kon ondernemen naar de jongen die ze wou”, iets wat normaal niet ging.

Helaas noteerden de oudere auteurs geen melodie en lijkt die corrupt overgeleverd bij Oldenbanning. Maar in de onvolprezen Liederenbank vinden we ook plausibele versies, zoals in een opname van Maria van Douwen Kuipers-van Meekeren, die de dans kende uit haar jeugd in het Hindeloopen van vlak voor de Eerste Wereldoorlog.

Hield zij het voor een pinksterdans, voor de fabrieksarbeider Hermanus Oldenheuvel (geb. 1891) uit Losser, die het lied in 1959 voor de microfoon van Onder de Groene Linde inzong, was het weer typisch een bruiloftslied.

Tot slot nog een mooie gedragen versie, in 1953 opgenomen bij de toen 53-jarige Pietertje Langereis-Kistemaker uit het Westfriese Sijbekarspel.


Een maandagmorgen in Groningen (ca. 1850)

Het is drie uren in den morgenstond en men kan evenmin zeggen, dat het donker, als dat het licht is. Een flaauw, naargeestig grijs licht verbreidt zich tegelijk met eene gevoelige koude door de straten, en stelt ons in staat, de uitgebleekte straatsteenen en de huizen behoorlijk te onderscheiden. Alles is stil, als in het graf. Een oogenblik treft ons oor het verwarde gejoel en geschreeuw van een troepje nachtloopers, die in de eene of andere naburige straat arm in arm met waggelenden tred voortstrompelen. Ook worden eenige langzame, afgemeten treden in de verte hoorbaar, en op den hoek der straat ontdekken wij een korporaal der hoofdwacht, van een tweetal soldaten vergezeld, bestemd om hunne makkers op hun post af te lossen, en wier heldenvuur op de brits zoodanig is uitgedoofd, dat zij zich thans maar als automaten schijnen te bewegen in den lamlendigen pas, waarvoor de sabel van den korporaal op zijne kuiten de maat slaat.

Somtijds ook vertoont zich een nachtwacht op een hoek, wiens zware tred door de ledige straten weergalmt; een enkele kraai vliegt met zijn akelig ka! ka! over ons hoofd, en een ongelukkige hond, wien de armoede of wreedheid zijns meesters een nachtverblijf ontzeide, snuffelt langs de huizen, om zich straks hongerig en mistroostig onder een bank neder te leggen en van leverworst en kluifjes te droomen. Buiten deze weinige uitzonderingen, die dan toch ook alle nog maar zeer voorbijgaande zijn, ontdekt men geen teeken van leven, en bovendien zijn zij van een aard, dat zij den indruk van doodsche slaperigheid zoo mogelijk nog vermeerderen.

Maar de lampen worden opgestoken. De toppen der torens en van de gevels der huizen weerkaatsen een liefelijk licht, waarin geel en purper hunne tinten vermengen. Het is, of de levensfakkel, die in het oosten aan den hemel wordt ontstoken en hare stralen gedeeltelijk door de ledige straten werpt, de huizen uit hunne slaperigheid wekt. Frisch en vrolijk vertoont zich alles in den zachten gloed en het geheel doet zich voor, alsof zoo op het oogenblik eerst de verwer de laatste hand aan alles gelegd had.

Om de vrolijkheid van het oogenblik nog te vermeerderen, beginnen al de torenklokken te slaan. Martinitoren laat de zuivere toonen van zijn welluidend klokkenspel door de frissche morgenlucht trillen, het snikklokje op de Apoort heft zijn schel geklingel aan, als het keffen van een dameshondje tusschen het knorren en grommen van den grooten bullebijter, en het is vier uur. Voor ons raam zien wij een tweetal paren mannen en vrouwen deftig voorbij stappen. De handstokken en reiszakken in de handen der mannen, de onmisbare parapluien en proviandtrommetjes in die der vrouwen doen ons hen kennen als reizigers, die van de vieruurschuit gebruik willen maken. Op hunne gezigten staat een air van gewigt; de mannen zetten hunne voeten veel harder op de straatsteenen neer, dan noodig of dienstig is, en de vrouwen doen bijna bovenmenschelijke pogingen, om met hen gelijken pas te houden. Geen wonder! Zij gaan op reis, waarschijnlijk wel tot zelfs buiten de provincie, en wat is er, dat ons gewigt in onze eigene oogen meer verhoogt dan dit? (…)

Terwijl onze reizigers den hoek van de straat, die aan ons uitzigt een eindpaal stelt, omslaan en wij weer nederzien in de stille, ledige straat, slechts door het licht bewoond, hooren wij tegen ons over het raam op eene bovenkamer openen, en het fidele bonjourl van eenen muzenzoon (student HP) klinkt ons tegen, wien heilige aandrift voor de wetenschap of wel het uitzigt op een dagelijks nader aanrukkenden examendag zoo vroeg uit het bed en naar zijne boeken heeft gedreven. Overigens blijft alles stil, en slechts een troepje duiven stapt met al de haar eigen deftigheid over de straat, begeerig ieder korreltje oppikkende, dat de achteloosheid der ongevederde tweebeenigen daar mogt hebben neergestrooid.

Een uur verloopt in onafgebroken stilte, behalve wanneer een zwaar geklompt persoon, die er een handwerk van gemaakt heeft, fatsoenlijke lieden in hun slaap te storen, op een sukkeldrafje voorbij klotst en, overeenkomstig de bestelling, den vorigen avond ontvangen, bij mijnheer Smiling aanschelt, maar, daar hij eenigermate in onzekerheid is aangaande het huis, waar hij wezen moet, voorzigtigheidshalve ook bij de beide naaste buren van genoemden heer het geheele huishouden door een verschrikkelijk luiden aan de huisbel op de been brengt: – een beleefdheid, waarvan wij niet durven beweren, dat zij aan de buren van den heer Smiling bijzonder aangenaam is.

Vijf uur! Paardengetrappel en het ratelen van wagenwielen verkondigen ons reeds lang voor wij ze zien kunnen, dat er rijtuigen in aantogt zijn. Het geoefend oor van den stadbewoner onderscheidt dadelijk aan het geraas op de straatsteenen, welke soort van rijtuig hem nadert. Wij durven ons beroemen, het in deze onderscheidingskunst tot eene tamelijke hoogte gebragt te hebben, en wedden tien tegen één, dat wij hier nu chars-à-bancs zullen aanschouwen. Wanneer er zoo weinig op straat gezien wordt, dat onze aandacht boeit, wordt ieder voorwerp voor ons een belangrijk ding, en waarlijk, wij kunnen bij het naderkomen der bedoelde rijtuigen een gevoel van blijdschap niet bedwingen, dat wij weer wat zullen zien, en reeds liggen wij halverwege uit ons vensterraam.

Neen, wij bedrogen ons niet. Twee chars-a-bancs, een groene en een gele, en een gezelschap jongelui binnenin. Op ieder van de zes banken een jong heer met een sigaar, die sterk naar kaneel ruikt, in den mond, en naast een ieder hunner eene jonge dame met een witten zakdoek in de hand. Kort en goed, zes Groninger jongens en even zoo veel Groninger wichter (en dat woord: „Groninger wichter” is al genoeg om aan te duiden, dat het lieve, knappe meisjes als melk en bloed zijn) allen in hun zondagspak, gezamenlijk leden van een zanggezelschap, waar men Evangelische gezangen en Hazeusche liederen vierstemmig zingt. Thans hebben bassen en alten, sopranen en tenors  één doel, t. w. een dag pleizier hebben voor het geld in den pot, door inleggen en boeten tot een zoet stuivertje aangegroeid. Nu jongelui, goede reis en veel pleizier!

Nieuw wielengeraas van de andere zijde! Welk een contrast! Daar nadert een roodgeverwde equípage (van de reinigingsdienst HP), zoo als men ze slechts in onze oude vaderstad aanschouwt, met één paard bespannen, bestuurd door een koetsier in zeer bijzonder liverei, terwijl een schop en bezem achterop de plaats der lijfknechten innemen. Welk een contrast tusschen de rijtuigen van zoo even en dit! Pleizierwagens en het pleizier behooren tot het ideale, tot de poëzij des levens; hier een rijtuig, dat aan bittere werkelijkheid en het platste, meest alledaagsche proza herinnert. En toch: hoe fier en stemmig zit de koetsier op zijn bok (…)

Er komt meer leven en beweging op straat‘.(…) Handwerkslieden, metselaars en timmermansknechten, met hunne schootsvellen voor, stappen, vaak rekkende en geeuwende, ons raam voorbij, en zekere bijzondere bewegingen en geluiden schijnen aan te duiden, dat neus en keel nog dien graad van reinheid missen, welke hun regtmatige eigenaar van hen verlangt. Ook de kleine leerjongen spoedt zich naar zijn winkel, terwijl geheel zijn uiterlijk aanwijst, hoe alleen eene harde noodzakelijkheid hem uit zijn bed gedreven heeft. Met voorover gebogen hoofd en hoog opgetrokken schouders, het gelapte buisje zoo digt mogelijk toegeknoopt, loopt hij slaapdronken voort op eene wijze, die ons bij ieder tred vreezen doet, dat zijn neus in gevoelige aanraking komen zal met de harde straatsteenen.

Wanneer wij zoo van gesloten huizen spreken, dan maakt het huisje daar ginds vlak op den hoek daarop eene uitzondering. Reeds voor een groot kwartier werd het geopend, de kleine toonbank afgeveegd, en nu is er al drukke nering. ’t Is een klein inloopje, waar des daags talhout bij het bosje, bezems, mosterd en snoeperijen voor de kinderen verkocht worden. Maar het best van de negotie is de klare, die uit het vat loopt, en hoe vroeg het ook nog zijn moge, er loopt al magtig veel uit het vat, waaromheen zich zoo vele personen als verdringen, die voor drie cent een hapje nemen, eer zij met schik naar hun winkel of karrewei kunnen komen. Er zit een oneindige aantrekkingskracht in dat winkeltje; maar weinigen die niet binnen worden getrokken. Wat meent gij, dat het jeneverlust is, die hen naar binnen en het glas aan hunne lippen voert? Och neen! de zaak is maar, dat zij een medicijntje gebruiken. Vraagt het die lui zelven, en zij zullen u zeggen; „Man, dit is er een voor de pieren, en dat is er een voor de maag!” Die slagtoffers! Men kan hun ook wel aanzien, hoeveel werk zij er van hebben, de medicijn in te nemen. Hoe trekken ze met de lippen, hoe lang houden ze ’t vocht in den mond, eer het zakken wil, en hoe brommen en kreunen ze, als het eindelijk naar binnen is!

Langzamerhand en als met onmerkbare trappen neemt nu leven en beweging op straat toe, vooral naarmate het oogenblik nadert, waarop de torenklokken ons verkondigen, dat het zes uur is. Sommige winkels, wier eigenaars gaarne den naam hebben, dat zij knap bij de pinken zijn en geene gelegenheid om iets te verdienen laten voorbij gaan – een zeer betamelijke trots! – worden geopend door den winkelbediende, die ons bij die gelegenheid den vollen aanblik vergunt van zijn geel of rood vijfschaften hemdrok en zijn leeren bretëls. Op sommige stoepen aanschouwen wij werkvrouwen, met het blaauwwollen voorschoot opgerold onder den arm, besteld om heden, daar het maandag is, de groote wasch te doen, en om toch vooral‚ vroeg te komen, daar er zoo ijsbaarlijk veel vuil goed is. Op andere stoepen zien wij jongens en meisjes, ieder met een mandje in den arm, welks inhoud, schoon voor allen die niet slapen zigtbaar, nog ten overvloede kenbaar wordt gemaakt door het onophoudelijk geroep van: „rediesl redies!” waarmede deze maagsterkende vrucht wordt uitgevent.

De straten worden hoe langer zoo drukker en voller, terwijl zij voor weinige uren nog zoo diep eenzaam en verlaten waren. De straks al genoemde roode equipages doen ware omnibusdienst, daar zij alles opnemen, wat haar voorkomt, waarbij een geweldig ratelen van den voerman eene zeer aangename muziek verwekt. Turfwagens, zoo groot, dat men onwillekeurig medelijden krijgt met den armen knol, die ze trekken moet en onophoudelijk door een klein kataas van een jongen in den bek getrokken wordt, komen met horten en stooten over de straatsteenen aandreunen, en de paarden voor de hooggevulde korenwagens schijnen elkander in het oor te fluisteren, dat ze grooten lust hadden, om de voerlui eens een uurtje voor den wagen te spannen en zelven daar boven op de zakken te gaan zitten.

De melkvrouw met haar rood juk en sierlijk blanke koperen melkemmers doet hare ronde, onder het meten een klein discoursje houdende met de meid, die nog en profond négligé vóór komt, om melk te nemen; hier en daar ook in een woordenstrijd gewikkeld, uitgelokt, door de omstandigheid, dat de meid hoog en duur verzekert, eergisteren morgen betaald, en partij even hoog en duur staande houdt, geen cent ontvangen te hebben. Soms bemerken wij ook eene meid, die met de haren onder de nachtmuts weg flodderende, gewapend met den huissleutel, een boodschap in de buurt gaat verrigten met een haast, waardoor zij bijna een student in de armen vliegt, die van portefeuille en duitsche pijp voorzien, heden zijn eerste collegie gaat houden.

De winkels zijn nu. alle open; leerlingen en winkelbedienden hebben het druk genoeg met de glazen af te vegen en de koopwaren zoo te rangschikken, dat zij den kooplust der voorbijgangers het meest opwekken. Nergens echter is meer drukte, dan in het voorhuis van den bakker, waar nagenoeg alle meiden uit de buurt, trippelende van ongeduld, wachten op het uitkomen van het eerste baksel wittebrood, en middelerwijl een zeer fragmentarisch gesprek aanknoopen, waaruit duidelijk blijkt, dat allen het bijzonder druk hebben van daag, en door een toevalligen zamenloop van omstandigheden zich juist heden bijna allen verslapen hebben.

Naarmate het later wordt, verdwijnen de koperen emmers van de ‘straat, en opgehoopte manden met allerlei soort van groenten hangen thans aan dezelfde roode jukken, terwijl het honderdvoud herhaalde: „Jufvraauw, ook gruinte?” telkensde voorbode is van een knibbelen en dingen, dat met niets vergeleken kan worden, dan met het overmatig eischen van de verkoopster.

Allerlei soorten van geluiden treffen ons oor en vormen eene muziek, die ons onwillekeurig aan Hogarths ‘Geplaagden Musicus’ denken doet. De koopman, die daar achter zijn kruiwagen schuift, roept zijn: „Ook zand?” eene aria, die door gindschen vriend in een duet wordt veranderd door zijn: „Ook turf?” terwijl dit weder tot een trio aanleiding geeft door het: „Talholt!” van een ander, totdat het muziekstuk, alle graden van quartet, quintet en sextet doorloopen hebbende, eindelijk in een vol koor zich oplost, door brieschende paarden, knarsende wagens, schreeuwende jongens, vloekende voerlui, kloppende, zagende en vijlende ambachtslui en uitventende kooplieden uitgevoerd.

Acht uurl..-. half negenL… kwart voor negen! Nieuwe, heden nog ongeziene gezigten vertoonen zich op straat. Toevalgerwijze vormt zich daar voor ons vensterraam een groep. Vooraan die dienstmeiden, ieder met een meisje of jongetje aan de hand, dat eene geforceerde wandeling naar de school doet en welks korte beentjes, ook zelfs in de sukkeldrafbeweging, nog het tempo niet schijnen aan te slaan voor de driftige haast, welke de meid bezielt, die luidkeels klaagt over ’t geloop en gesjouw, dat men in eene huishouding heeft, waar „kinder” zijn. Het knaapje leert braaf op school en wordt groot, wat alle kindertjes worden, die zoet leeren. Vooral is rekenen zijn lust, en zijn spaarpot, met zoo vele mooije dubbeltjes van oom en tantes en een paar guldens van grootvader, getuigt, hoe hij sparen kan. Achter hem zien wij een jongen winkelbediende, trotsch op zijn bruin voorschoot, gekleed in een rokje met korte slippen en een pet op één oor, een koopmanskar schuivende.

Nommer drie is eveneens een winkelbediende, maar ouder en grooter; — een paar haartjes om de kin geven veel hoop op een baard à la grecgue, en een sigaar in den mond en een reiszakje onder den arm getuigen, dat de drager van beide thans met de hoogere bezigheden van den handel is belast en voor zijn patroon zaken gaat doen. In onze verbeelding zien wij in zijn rokzak eene bruine portefeuille, waarin een paar wissels, die straks een paar arme zielen aqua tofana zullen doen zweeten

Hierop volgt een jongman, zeer netjes gekleed met een hooge das en groote boorden, en naast hem een snoeperig gezigtje, om weer vervangen te worden door een jongen man, die aan een pakhuisknecht, met een zeker hoog air, zijne orders uitdeelt.

Wat verder de straat op aanschouwen wij een man van een deftig uiterlijk en van middelbare jaren, met een meisje van negen jaren aan de andere zijde: een achtenswaardig burger, door velen benijd, maar door allen geacht, lid der kamer van koophandel en van nog vele genootschappen, tot nut en welvaart zijner medeburgers ingesteld.

Rondom al deze personen woelt en gonst eene bonte menigte. Bureaulisten, met zorgvuldig afgeborstelde hoeden en zeer glimmende schoenen, begeven zich naar hunne bureaus; commissionaírs met monsters en stalen gaan naar hunne kalanten; ambtenaren van hooger of lager rang begeven zich, waar belang en pligt hen roepen. Tusschen beide snort eens doctors rijtuig over de straat, en mogt de medicus soms over eene gezondheidsepidemie klagen een blik op gindsche vrouw, die daar: „ook diksoepen of room?” uitkraait, op dien kruiwagen met onrijpe appelen en zoo goedkoope gele pruimen kan hem hoop geven op talrijke patiënten.

De werklieden gaan ten tweeden male naar hun werk, Joden en andere kleinhandelaars venten hunne waren uit, schippers en sjouwers snellen in vollen draf ons raam voorbij: alles is leven en beweging en het slaat — negen uur!

Dat is een gewigtig oogenblik! — Nu begint de dag in vollen ernst, met al zijn zuur en zoet. Wat wij tot dusverre hoorden en zagen, was nog maar voorbereiding voor den dag.

Ingekorte versie van: ‘Een maandag-morgen’, de tweede van ‘Een paar schetsen uit de stad Groningen’, te vinden in Teekeningen en schetsen uit de nalatenschap van Thineus (Groningen 1857).

Met dank aan Otto Knottnerus voor de tip!


Een zondagochtend in Groningen (ca. 1850)

Tonnis van Duinen (1817-1857) was zoon van een Groninger ambtenaar en al vroeg voorbestemd om hervormd predikant te worden. Na zijn theologiestudie, ook in de stad Groningen, stond hij vanaf 1841 op de kansel in een aantal Friese gemeenten (o.a. Surhuisterveen) en ook een Drentse (Vledder). Hier deed hij veel aan sociaal werk. Tegelijkertijd publiceerde hij een aantal literaire schetsen en verhalen, dat ook gebundeld is, deels postuum. Onder die schetsen bevinden zich twee die gaan over de stad waar hij geboren en getogen was. Ze zijn heel aardig, zij het nogal breedsprakig. Ik heb ze ontdaan van de metaforiek en vooral ook van de al te wijdlopige moralistische passages, en zet ze in deze ingekorte, meer zakelijke vorm op dit weblog, te beginnen met de schets over de zondagochtend in Groningen, waaruit ik met name de passages selecteerde die gaan over het straatleven tussen ongeveer acht en elf uur.

“Het is bladstil op straten en pleinen. Geen schreeuwende kooplieden en kramers, geen ratelen van zwaar bevrachte wagens en karren storen de stilte; hoogstens rolt een enkel rijtuig met pleiziergangers onze deur voorbij, en alleen de melkvrouw doet zonder gedruisch hare gewone ronde.

Een enkelen keer vertoont zich eene dienstmeid op straat, om het verzuim eener boodschap bij den bakker, slager of kruidenier te herstellen, die ze gisteren avond warempel in alle drokte vergeten heeft, en snelt haastig en als ter sluip voort, den ingekochten proviand zorgvuldig onder haar voorschoot bedekkende. Somtijds ook stapt een man in een langen jas – den wel bewaarden zondagspronk – en met een witten halsdoek, die een krachtigen blaauwseldoop heeft ondergaan, zoo haastig voorbij, als het balanceren van een hoogen, zorgvuldig afgeborstelden hoed op zijn hoofd hem veroorlooft, om nog vóór kerktijd een boodschap bij zen baas of bij meneer te verrigten; terwijl eindelijk hier of daar een jonge knaap voor de halfgeopende straatdeur des huizes staat, wien de gedachte aan een nieuw buisje, het eerste, dat hij over de broek zal dragen, of aan een paar nieuwe laarzen vroegtijdig den slaap uit de oogen dreef en die geen rust had, voordat hij aangekleed was, om nu zich zelven te bewonderen en de bewondering van alle voorbijgangers op te wekken.

Naarmate echter het oogenblik nadert, waarop de wijzers der torenklokken eene vlakke, horizontale rigting aannemen, wordt de levendigheid op straat vermeerderd, en de dertig minuten tusschen negen uur en half tien bevolken straten en pleinen met geheele groepen kerkgangers, zich begevende naar de onderscheidene kerken, al naar dat hunne geloofsbelijdenis of een blik op het kerkbriefje hunne schreden eene bepaalde rigting geeft. Allen gaan zij daar henen, knap of sierlijk gekleed, armen en rijken, thans met één doel bezield, om namelijk de plaats te bezoeken en Hem te dienen, waar en voor wien geen armoede of rijkdom der wereld geldt. De zondag oefent zijnen invloed onwillekeurig op hen uit, gelijk zelfs in den tred en den gang van allen zigtbaar is. Het is de zondagspas, geheel verschillend van dien, welke des daags door ijver en winzucht of gunstbejag wordt bestuurd. Langzamer en slepender, ernstiger en deftiger is de tred der schare, als ging zij ter bedevaart (…)

Nooit biedt eene stad verhevener schouwspel aan, dan tegen het begin der openbare morgengodsdienstoefening. Goddank! dat in onze vaderstad de menschen nog niet te wijs zijn, om in eenvoud des geloofs te vertrouwen, dat de eeuwige Wijsheid wijze bedoelingen had met het instellen ‘van den wekelijkschen rustdag, en nog niet genoeg doordrongen van eenen uitheemschen geest der eeuw, die het woord eens gewijden schrijvers bespot: „Laten wij onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten!”

Gaarne vertoeven wij om dezen tijd op de Groote Markt, in de nabijheid der Martinikerk. Meermalen welt dan een traan, die geene bitterheid kent, in ons oog op bij het zien van de lange rijen, die daar van alle kanten opkomen, om de woorden des levens te vernemen; terwijl de plegtigheid en majesteit van het geheel nog verhoogd wordt door de dreunende toonen van het kerkorgel, die in onbestemde klanken ons oor bereiken en de scharen als het ware toeroepen: Heiligt u voor Hem! De Heer is nabij. (…) Als kind dachten wij eens op zulk een oogenblik, dat de engeltjes daarboven nu wel regt blijde zouden zijn, omdat zoovele menschen naar de kerk gingen, om den goeden God te bidden en te danken, en ja, ook nu nog gelooven wij gaarne, dat zulk een aanblik de blijdschap des hemels verhoogt.

In het midden der voetgangers rolt soms eene vigilante of statige huurkoets in het onder huurkoetsiers aangenomen sukkeldrafje over de straatsteenen, om eene oudachtige dame of een podagreus heer kerkwaarts te brengen: eene ellendige nabootsing, een schim en schaduw en dat nog maar naauwelijks, van de kerkstaatsie in vorige dagen, waarvan de grijsaards nog met geestdrift spreken, toen dertig, soms veertig eigen koetsen door Groningens straten daverden en in lange rijen voor de deuren van Martini- of Broederkerk op hare meesters en meesteressen stonden te wachten. Dat waren nog tijden. – O!

Langzamerhand vermindert de toeloop en nog maar enkelen spoeden zich met verhaasten tred voort, want het speelwerk van Martinitoren stelt zich in beweging; het is half tien en de godsdienstoefening begint. Straten en pleinen zijn nu in een oogenblik onbevolkt en slechts hier en daar ontmoet ge nog iemand, die niet regt op den tijd kan klaar komen, en nu met alle kracht zich rept, om ten minste nog onder het eerste gezang de kerk te bereiken en dus niet al te veel stoornis te verwekken. (…)

Onder kerktijd biedt zich wel weinig voor onze beschouwing aan op die stille straten, door helle zonnestralen verguld. Alles schijnt u toe te roepen, dat uwe plaats thans elders is. Ja, zoo stil en rustig is het dikwijls, dat gij het gonzen der vliegen en uit de verte de hooge toonen van het statig kerkgezang verneemt…. twee liederen voor den Allerhoogste!

Nu en dan echter ziet ge, dat er eene huisdeur geopend wordt, waaruit een dienstmaagd treedt met den kamerbezem gewapend, om de stoep nog eene kleine reiniging te doen geworden en tevens te voldoen aan het bevel eener zorgvuldige moeder, om eens rond te zien naar de „kinder” twee kleine zusjes met een nog kleiner broertje in hun midden, die, allen in hun zondagspak en met vol mathematische juistheid gescheiden haar, handje aan handje zoo lief op het riepien (klinkerstoep HP) en in het zonnegien heen en weer kuijeren (…)

Somtijds ook bemerkt gij een klein troepje jongens, bezig met een spelletje, waarvoor de bruine Bremer vloeren van een huisstoep noodwendige vereischten, althans zeer geriefelijke dingen zijn, een spelletje, gespeeld tot groote ergernis van de meid, die ondanks alle aangewende en herhaalde pogingen ondervindt, dat het niet zoo gemakkelijk is, het erf van zulke kwade katazenvan jongens als van stof en vuilnis te reinigen, totdat zij in eenen policiedienaar een bondgenoot krijgt, wiens opgeheven stok de beenen van het kleine goed in bijzondere vlugheid brengt.

Hebt ge het gezigt op een dier kelders, waarin des middags naauwelijks meer dan schemerlieht heerscht en waarin menschen wonen, als waren zij geboren mijnwerkers, drie tegen één, dat dan, nagenoeg om half elf , op den trap, die naar dat onderaardsch verblijf voert, den oudsten zoon van het molachtig huisgezin zult ontdekken, een jongman, die van ’t jaar meeloten moet (voor de dienstplicht HP), stralende en blinkende in den helderen zonneschijn met al den zwier van een wijde broek van licht blaauw laken, een geel gestreept vest en blaauw en wit gestreepte hemdsmouwen, maar bovenal van een zilveren horologieketting om den hals en een koperen sleutel met een rooden steen op de broek. In zijne handen ziet gij een lange pijp, gisteren avond op den koop toegekregen van den tabaksverkooper waar hij ieder zaturdagavond zijn wekelijkschen inslag doet van baai of krul, en aan zijn haar bespeurt gij de onmiskenbare sporen van groote zorgvuldigheid, kunst en pompwater, door wier vereenigde krachten alleen zulke dingen tot stand kunnen worden gebragt, als ge nevens de slapen van zijn hoofd opmerkt: volmaakte afbeeldsels van twee reusachtige kurketrekkers.

Kwartier voor elven! elf uur! Er begint langzamerhand meer levendigheid op straat te komen. Enkele mannen stappen vrij haastig voorbij, veel gelijkende op de zoogenoemde kwartiermakers die de aannadering van een armeecorps vooraf gaan. Zij zijn de voorloopers uit de kerk, die in het Amen, waarmede de preek besloten werd, het met ongeduld verlangde sein hoorden om nu maar te vertrekken. (…)

Levendiger en levendiger wordt het nu spoedig op straten en pleinen. Van alle kanten dagen bonte scharen op, die voor een oogenblik de straat als overstroomen. Daar ziet gij een deftigen burger naast zijnen buurman of een goeden bekende aankomen, in levendig gesprek gewikkeld over de gehoorde preek. Ginds een ander met zijne vrouw gearmd en telkens groetende, daar zoo velen hem voorbijgaan, die in hem den achtenswaardigen man gaarne erkennen. Daar tusschen in ook verliefde paartjes, zoo puntig en netjes gekleed, voor wie het naar huis brengen eene zaak van even veel gewigt is, als de bijgewoonde godsdienstoefening. Daar deftige matronen met neepjesmutsen onder de zwart zijden hoeden, en met lange zwart lakensche omslagdoeken. Hier nadert een echtelijk paar uit de burgerklasse hunne woning en wordt reeds in de verte opgemerkt door de oogen van hun kroost, dat sedert een kwartier op de stoep staat te wachten, om vader en moeke in ’t gemoet te loopen als zij uit de kerk komen. (…) Straks weer gaat een jeugdig echtpaar uit de.mindere burgerklasse uw raam voorbij, pronkende met een, zoo lang gewenschten, katoenen parapluie, schoon geen wolkje aan den hemel regen belooft; en eindelijk ziet gij den student driftig doorstappen, om zijn kast te bereiken, onder ieder vrouwenhoedje naar een lief gezigtje turende. Zoo gaan allen daarheen en kruisen elkander; — maar geweken is de statige en afgemeten tred, die een paar uren geleden de kerkgangers kenmerkte. Er is een magneet, een sterke magneet, die allen nu huiswaarts trekt: de gulle, lieve koffijpot, het echt Groningsch elfuurtje!

Het uitgaan der kerken mist al het stichtelijke van het aangaan. Meteen ook hoort men slaande trommen en luid schetterende trompetten, die de aannadering der kerkparade verkondigen, en straks ziet ge, zoo ge in de Stoeldraaijer- of Kijk in ’t Jatstraat mogt wonen, de militaire bezetting voorbij marcheren, innig verheugd, uit eene plaats ontslagen te zijn, waar zij zeer doelmatig achter den preekstoel en zware pilaren zoo geplaatst is, dat de meesten niets zien en niets hooren kunnen, en waar alleen de allerchristelijkste vloeken van den juist zelf ontwaakten korporaal of sergeant eene geheele bank van slapende Marszonen weer wat kunnen opfrisschen. Al deze beweging en drokte duurt echter niet lang. Spoedig keeren de straten wel niet tot de doodsche stilte van zoo even, maar toch tot de plegtige rust van den zondag terug.”

Uit: ‘Een zondag-voormiddag’, de eerste van  ‘Een paar schetsen uit de stad Groningen’, te vinden in Teekeningen en schetsen uit de nalatenschap van Thineus (Groningen 1857).

Met dank aan Otto Knottnerus voor de tip!