Aduarderstraat, Aduardersteeg

I

De Aduarderstraat, een onooglijk en rommelig straatje aan de westkant van de Hereweg, is aan de Herewegkant van de aardbodem verdwenen. Er staat nu een schot voor:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Het restante gedeelte, hier naar het westen gezien:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Op dit doodlopende restant bevindt zich ook nog het verweerde straatnaambord:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Aan de Herewegkant komt er een appartementencomplex, dat ze ‘De Heeren’ gaan noemen. Zodra dat opgetrokken is, voert een onderdoorgang (althans daar lijkt het op) naar de Aduarderstraat:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

II

Voor 1950 heettte het straatje nog Aduardersteeg. Oorspronkelijk was het een hofsteeg, genoemd naar de grote tuin die de heren Lewe van Aduard hier in de eerste helft van de achttiende eeuw hadden. Volgens Siem Jager, die het lokale grondeigendom onderzocht, had die tuin van de Heren Lewe een vijver. Later werd de tuin in tien hoven opgedeeld.

Een “extra Vermaakelyk en groot Vrugtbaar Hof” alhier, was dat van Tamme Jacobs in 1751. Deze bevond zich vanaf de Hereweg gezien op het eind van de tuin van Lewe van Aduard ,

“hebbende haar uytzigt over het Land (…), met extra vrugtbaare Wynstokken, Persiken, Abricosen, Kersen en 8 schoone Aspergie-Bedden”.

In 1718 was er een rechtzaakje over een bijenzwerm in deze omgeving. De weduwe van Albert Segers, die er woonde, en de bijenhouder Jan Maat, die zijn imen op haar grond had staan, eisten van Erenst Hovenier de teruggave van de zwerm die hun “ontvlogen” was. Deze zwerm had zich vlakbij het huisje van de weduwe Segers neergezet op de grote tuin van Erenst zijn baas baas: de Heer Lewe van Aduard.

In opdracht van de machtige Ommelander potentaat weigerde diens hovenier de zwerm weer af te geven, hoewel de president-Burgemeester, bij wie de weduwe Segers en de imker waren komen klagen, hem dat bevolen had. Impliciet viel het Nedergericht de Burgemeester af, want het besloot dat de eisers eerst maar eens moesten bewijzen dat de zwerm hun eigendom was. Helaas bleek het niet mogelijk de bijen als getuigen op te roepen, en dat betekende einde proces.

Het was in de achttiende-eeuwse rechterlijke archieven van de stad het enige stukje jurisprudentie over een bijenzwerm. Je zou er uit kunnen opmaken dat de grondeigenaar hier alle rechten had. In Westerwolde was de zwerm juist helemaal het eigendom van degene die haar met een penning, zakdoek, of hoed markeerde, terwijl “de jonge Yme ofte Zwarm” in Drenthe voor de helft aan de markeerder en voor de andere helft aan de grond- of houteigenaar toekwam.

De Aduardersteeg circa 1825:

Geplaatst op 23 september 2006  e

 


Een onverwachte plek voor asperges

Manet aspergebundel 1880 Wallraf Richartz

Groningen, voorjaar 1715. De plotseling mataglap geworden kandidaat in de theologie Van Selbach slaat zijn broer dood. “Hij had het paaslam geslacht”, verklaarde de predikant in spe achteraf:

“Het moest volbracht worden”.

En dan te weten dat de gebroeders Van Selbach de dag tevoren nog genoeglijk met elkaar asperges hadden zitten eten. Dat overheerlijke galgenmaal zegt natuurlijk nog niet dat het voornaamste ingrediënt hier ook vandaan kwam. De asperges kunnen immers import zijn geweest. Hoewel ze dan bij de toenmalige, zeer langzame middelen van vervoer als paard en wagen, beurtschip en trekschuit aanzienlijk aan kwaliteit zouden hebben ingeboet.

Inderdaad zijn er bewijzen, dat de aspergeteelt ooit min of meer gewoon was in en om de stad Groningen. Ten eerste werden werden aspergeplantjes hier rond 1750 bij de vleet aangeboden. Zo woonde er een bloemist en deurwaarder aan de Rademarkt, Lambertus van Alsema, die vanaf 1744 herhaaldelijk in de Groninger Courant adverteerde, dat hij onder meer “enige duizenden allerbeste aspergeplanten” te koop had. Begin jaren 1760, als deze Van Alsema gestorven is, springen er twee hoveniers in het gat in de markt: J.G. Becker aan de Nieuwe Kijk in het Jatstraat (anno 1764 als stadshovenier de ontwerper van het Sterrebos) en zijn collega Andreas Danikes vooraan in de Volteringestraat (= Folkingestraat). Ook koopman H. Brommelkamp in De nieuwe Spijkerboor aan de Steentilstraat verkoopt dan jonge aspergeplanten. En in de jaren 1770 duikt dergelijk commercieel pootgoed buiten de stad op, bij de hovenier van artilleriemeester Trip op de Vredenburg, een huis van stand in Sappemeer.

De prijzen waarvoor de één en tweejarige aspergeplantjes werden aangeboden? Per honderd kostten ze tussen de 15 en 22 stuivers, ruim het dagloon van een geschoolde, volwassen timmerman. Geen spul dat iedereen zich kon veroorloven. Of ligt dat wat genuanceerder?

De bovengenoemde bloemist Lambertus van Alsema moet zijn aspergeplantjes buiten de Oosterpoort hebben opgekweekt. Daar had hij een hof (= siertuin) van meer dan 100 roeden en nog een flinke lap grond tussen de Witte Latten- en de Oliemuldersteeg, die hij naderhand in percelen ging verhuren, toen hij een moeskerij met 661 roeden (ruim een hectare)  Pelstergasthuisgrond aan de westzijde van de Oosterweg overnam. Of Van Alsema zelf ook het product asperges teelde, weet ik niet. Maar in de omgeving van zijn gronden kwamen, getuige een viertal verkopingen, wel aspergebedden voor:

1728

De hof van Nanne Aijkes aan het pad langs het Nieuwe Graven Diep oftewel de Griffe,

“sijnde voorsien met een somerhuijs, deftige aspergie bedden en vrugtbomen”.

NB: Aijkes had in de Steentilpoortendwinger nog een hof.

1734

De hof van wijlen secretaris Hoisingh tussen de Cuba- en de Witlattensteeg met “schoone vrughtbomen, planten en aspergiebedden”. N.B.: Hoising bezat verder drie panden aan de Schoolholm en het A-kerkhof. Op zijn hof buiten de Oosterpoort zat een pachter, de kennelijk ter zake kundige “mr. Joost hovenier”, wiens aanplant èn huisraad uitdrukkelijk van het verkochte hof werden uitgezonderd. Waarschijnlijk bewerkte deze Joost de aspergebedden van de notabele hof-eigenaar. Er woonden in de omgeving wel meer hoveniers en mensen die hand- en spandiensten op hoven verrichtten. Zeer waarschijnlijk waren dit de eerste vaste bewoners van het gebied buiten de Oosterpoort na de moeskers.

1745

De “tuin of behovinge” van weesheer P. de Cock en zijn vrouw,

“Voorsien van tyn voor 3 jaar groote nieuws angelegte Asperge Bedden en veelerhande jonge exquisite Vrugtdragende boomen, zeer angenaam gelegen aan de overzijde van de Trekvaart buyten ’t Kleine Poortjen op de streek van ’t MIEUWERT, als meede een Somer huijs, staande boven een Gragte uytziende over de Groenlanden op de Stadt, de weg, en het lopend Trekdiep; Een prieel en verdere Commoditeyten, als de Gegadigde in ogenschijn kunnen neemen.”

N.B. De precieze ligging van deze hof was aan het Winschoterdiep, even binnendijks ten zuiden van de oliemolen, temidden van groenland, op een lokatie tussen de huidige Van Julsinga­straat en Verlengde Frederikstraat. Inderdaad had je van hieruit, als je standpunt maar hoog genoeg was, een fraai uitzicht op de stad met haar wallen, poorten en torens.

1758

De “Welgeleegen Hof” van A.J. Schutte,

“zynde het eerste in de Kuibasteeg, zynde voorzien met een steene Zomerhuys, Stookhuys, Privé en Regenbak, benevens 6 Aspersie Bedden en veel Fyne Vruchtdraagende Boomen; beneffens een groot getal Persiker Abrikosen en Wyn Stokken. Die het zelve in Oogenschyn gelieft te neemen, kan de Sleutels by bovengenoemde laaten haalen; Het zelve is reeds bepoot en beplant.”

N.B. Schutte was wijnhandelaar, eigenaar van Het Provinciale Koffiehuis aan de Brede Markt en handelaar in Franse pruimen. Zijn hof lag in de hoek Oosterweg-Cubasteeg noordzijde.

Bij verkopingen van de meestal veel grotere moeskerstuinen werden aspergebedden nooit genoemd. Deze vier hoven vormden bovendien maar een kleine minderheid van alle hoven buiten de Oosterpoort en het Kleine Poortje. De teelt van asperges was dus niet grootschalig. Anderzijds ging het wel om zeer opvallende hoven. Iedereen die toentertijd in deze omgeving rondliep, moet ze hebben gekend. In drie van de vier gevallen bleken de eigenaren van hoven met aspergebedden in goede doen. Zij zullen het arbeidsintensieve werk aan de bedden hebben overgelaten aan hoveniers, die vaak in de onmiddellijke nabijheid, zo niet op de hoven woonden.

Toch ontbeerde een van de vier eigenaren een titel en een familienaam. Maar een armoedzaaier kan deze Nanne Aijkes niet echt geweest zijn, daar hij ook elders nog een hof bezat. Hoe het ook zij met die Aijkes, buiten de Oosterpoort was de grond uitstekend geschikt voor de aspergeteelt. Want de asperge gedijt met zijn dikke, vlezige, diepgroeiende wortels het best op zandgrond en het allerbest op zandgrond met een ondergrond van klei, omdat die snel opwarmt. Maar van veel vocht heeft de asperge zijn bekomst, dus moet die zandgrond wel goed afwateren. En aan die criteria voldeed de grond buiten de Oosterpoort. Onder een laag middeleeuwse en later opgebrachte cultuurgrond van één à anderhalve meter zat er immers nog een half metertje dekzand, waaronder zich keileem bevond. Maar dat keileem hield het water niet op. Als het flink regende, vloeide het hemelwater dankzij het aflopen van de Hondsrug vlot naar de ringsloot van polder de Meeuwerd (nu Meeuwerderweg).

Diezelfde oostelijke helling van de Hondsrug zorgde ervoor, dat de aspergebedden er na zonsopgang razendsnel opwarmden. Nu bevonden zulke gronden waar asperges het goed op doen zich wel meer in de omgeving van Groningen. Inderdaad waren er vlakbij of wat verder weg nog wel meer hoven met aspergebedden. Aan de andere kant van de Hereweg, op de westflank van de Hondsrug, bijvoorbeeld:

1743

De hof van de weduwe van Jan Bazuin aan de Baresteeg, met “drie Espergy Bedden”.

1751

Een “extra Vermaakelyk en groot Vrugtbaar Hof” van Tamme Jacobs aan het eind van de Aduardersteeg,

“hebbende haar uytzigt over het Land (…), met extra vrugtbaare Wynstokken, Persiken, Abricosen, Kersen en 8 schoone Aspergie Bedden (…)”

Opmerkelijk: in geen van beide gevallen ging het om gerenommeerde eigenaars. Dat was wel weer het geval met de Gezworene H. Bloemert, die in 1744 behoorlijk wat onroerend goed aan de oostzijde van het Schuitendiep, tussen de Steentil- en de Sint-Jansbrug, van de hand deed, onder andere een hof met “Deftige Vrucht Bomen, Aspergie Bedden &c”.

Eveneens in goede doen waren de bezitters van buitenhuizen in de omgeving van de stad, waarbij zich soms aspergebedden bevonden. Zo lagen er anno 1751 maar liefst achttien in een keukenhof bij een huis van stand te Eelde en beschikte ook het landgoed Ekenstein bij Appingedam anno 1753 over meerdere aspergebedden.

Tijd voor een afronding. Rond 1750 vormden aspergebedden vlakbij en in de stad Groningen bepaald geen onbekend verschijnsel. Niet dat iedereen er nou asperges teelde, verre van dat, maar iedereen kende wel liefhebbers, gezien de verspreiding. Getuige de namen en functies van eigenaars der aspergebedden, waren die vaak in goede doen, maar niet noodzakelijkerwijs, want er zitten ook mensen bij zonder titels en klinkende familienamen.

Zullen de notabele eigenaars het arbeidsintensieve werk aan hun bedden hebben overgelaten aan hoveniers, die vaak in de onmiddelijke nabijheid van, zo niet op hun hoven woonden, ook sommige mensen die van zonsopgang tot zonsondergang moesten werken om zich in leven te houden, leken er de tijd en het geld voor over te hebben. Dit waren de èchte liefhebbers, dunkt me.

Omstreeks 1994 in iets andere vorm verschenen in wijkkrant De Oosterpoorter.