Van Baflo naar Leens op Open Monumentendag

Beslag op kerkdeur in Baflo:

Tamelijk licht daar in de kerk:

Het wapen van Bouwe Coenders op een grafkistplaat, met dansende bokken:

Het effect van gekleurd glas op een witte raamomlijsting:

Bovenkant armblok of -paal:

Landschap even buiten Raskwerd – hier en daar rook het gewoon naar uien:

Middeleeuwse plafondschildering van duellerende ruiters (de strijd van goed en kwaad) in Den Andel:

Het wapen op het graf van de predikant Henricus Hulzebusch. Hij kwam uit Winschoten,  maar de Hulzebusch (of Hulzebos) was in de zeventiende eeuw een grote herberg in de stad Groningen op de hoek van het Kattendiep en het Schuitendiep. Daar zou de familie oorspronkelijk wel eens vandaan kunnen komen. Klopt dit vermoeden, dan had de herberg in Stad wellicht eenzelfde wapen op het uithangbord staan:

Tussen Den Andel en Saaxumhuizen:

Weer een peerdje erbij in mijn verzameling:

Gezicht op Saaxumhuizen:

In de kerk daar een boekenmarkt:

Vaas toont apostelen:

Hiddingezijl, daar was ik nog nooit geweest, had er zelfs niet eens van gehoord:

Vervallen schuur in Westernieland:

Het sobere kerkje daar:

Bloemen op de kansel:

Even buiten Westernieland – strobult in strijklicht:

In Pieterburen liep mijn ketting eraf. Geen fietsenmaker ter plaatse bekend. Daarom doorgelopen naar Kloosterburen en onderweg in Broek bij een zorgboerderij (Keroazie), waar ik een ijsje kocht, opnieuw gevraagd of men er een fietsenmaker wist. De dichtstbijzijnde zat in Winsum. Maar ze bleken er zelf fietsen op te knappen en wilden die ketting er wel voor me opleggen. Betaling bliefden ze niet. Geweldig, want anders had ik mijn broer moeten vragen om me op te halen.

Bij Keroazie hadden er onder meer alpaca’s:

Nog even in de katholieke kerk van Kloosterburen geweest:

Gezicht op Leens:

Herenbank, met ook hier dansende bokken:

Engel met cello op het orgelfront:

Voorheen schand- en geselpaal fungeert nog steeds als grenspaal tussen Leens en Ulrum.


Een Ommelander reis van Loppersum naar Baflo

Het boerenjugendstil pand bij station Loppersum staat te koop:

Zonder airco aan boord is dit niet te doen – bewerking aardappelveld bij Zeerijp:

Even voorbij Zeerijp – schapen zoeken verkoeling onder een watertank:

Oud trekkertje in de berm:

Uithangteken boerderij:

Dorpsgezicht Godlinze 1:

Dorpsgezicht Godlinze 2:

Een ouwe rocker (getuige het vaantje achter de voorruit) gaat deze Garant vrachtwagen uit 1957-1960 in ongelooflijk veel vrije uren piekfijn in orde maken:

Had er niet aan gedacht dat het theaterfestival van de Stichting Oude Groninger Kerken aan de gang was. Maar mocht toch even in de kerk van Godlinze. Fraaie plafondschilderingen uit de 16e eeuw met o.a. deze twee hijgende herten in één:

De deur in de driehoekige topgevel van de toren  glom in de zon:

Na mijn stichtelijke kerkvisite doken verleidingen van allerlei aard op en dat nog wel in Godlinze:

Havikskruid in Spijk:

Torentje en mölentje van Spiek:

Gevelsteen aan de andere kant van Spijk:

Kolhol – de manen van het veulen worden minutenlang gevlooid door zijn moeder (had er eigenlijk een filmpje van moeten maken – hij bewoog zijn kop langzaam op en neer, zodat ze er beter bij kon):

De toren van Uithuizermeeden:

Menkemaheerd, Uithuizen:

Acrobaat op het erf aldaar:

Windmolen, schuur en aardappelveld tussen Uithuizen en Usquert:

Windvaan met griffioen op het dak van de voormalige brandweerkazerne te Usquert:

Warffumerklooster ten zuiden van Warffum:

De helft van het fraaie hek staat er nog:

Er worden afgrijselijk veel aardappels verbouwd, dit jaar – het staat me bij dat ergens de oogst mislukt is, waardoor hogere prijzen worden verwacht. Stukje land-art tussen Warffum en Onderdendam:

Eindpunt van de reis – het nu mediterraan ogende station Baflo:


Het begin van de radio in Baflo

radio 1926 Baflo

Notitie d.d. 2 maart 1926 in het dagboek van Aafke Sijtsma uit Baflo.

Dat was in de pionierstijd van de radio. Ga maar eens na wanneer de oudste omroepen werden opgericht: de NCRV (1924), de KRO en de VARA (1925), de VPRO (1926) en de AVRO (1927).

De leverancier, C. Veldman, was eigenlijk de dorpssmid van Baflo. Hij handelde in tweedehands maai– en schoffelmachines en kachels. Het merk radio dat hij leverde was Philips. Vrij standaard, lijkt me. Philips was in die tijd ’s wereld grootste fabrikant van radiobuizen, las ik ergens.

De 346 gulden die de Sijtsma’s voor hun radio neertelden zou volgens het tooltje van het IISG nu meer dan 2600 euro zijn. Een behoorlijk bedrag!

Hoe belangrijk Aafke de aanschaf vond, blijkt ook uit de rest van haar dagboek. Ze hield het bij in de jaren 1915-1919, jaren van oorlog en andere ellende zoals hoge prijzen en distributie. Daarna hield het op en pas in 1926 schreef ze er weer wat in dankzij de komst van de radio, maar na dat jaar liet ze het definitief liggen.


Sint-Maartensganzen

Leonardus Schweickhardt, Wensbrief met een boer en zijn ganzen (uitsnede),1815. Rijksmuseum.

Tamme ganzen werden vooral om hun vlees gehouden en in het najaar geslacht. Vrij bekend waren de Sint-Maartensganzen: langdurig vetgemeste jonge dieren die in Oost-Nederlandse contreien op Sint-Maartensdag (11 november) op het menu stonden. Elders in Nederland, zoals in Friesland, at men gans vooral met kerstmis, zodat men daar wel sprak van kerstganzen.

Het aantal Groninger meldingen van Sint-Maartenganzen is vrij beperkt, maar dat komt wellicht ook doordat het houden, vetmesten en consumeren van ganzen vooral een particuliere aangelegenheid was, waarmee de overheid zich weinig bemoeide. De oudste Groninger melding van een “sunt Meertens gans” die ik vond, dateert in elk geval pas van zaterdag 10 november 1590. Deze is te vinden in het Diarium van de Groninger stadssecretaris Egbert Alting, daar waar hij schrijft over een inval door staatse soldaten bij Delfzijl en Appingedam die roet in dit lekkere eten gooide. [1].

Niet alleen daar bij de Eems, maar ook in de stad Groningen verorberde men graag een Sint-Maartensgans. In een stedelijke ordonnantie uit 1631 is er sprake van herbergiers die met Sint Maarten hun gasten maaltijden met als hoofdgerecht een Sint-Maartensgans voorzetten,

streckende tot groote schaede van de gemelte tappers ende onnutte verleinge van spise ende dranck”.[2]

Die verleiding en schade golden vooral het zieleheil. Met name orthodoxe godgeleerden en predikanten fulmineerden tegen de Sint-Maartensganzen omdat die naar een katholieke heilige verwezen, terwijl het eten nogal eens met drankmisbruik gepaard ging. Zo schreef Martinus Schoock, later hoogleraar in Groningen, in zijn Deventer tijd een traktaatje tegen het eten van Sint-Maartensgans door zijn studenten/[3].

Sint-Maartensganzen zullen het meest bij mensen thuis zijn genuttigd. De toenmalige Groninger horeca zag er de commerciële mogelijkheden van in, zoals nu ook de kerstmaaltijd in restaurants eigenlijk afgeleid is van het kerstmaal thuis. Hoe dan ook, het stadsbestuur verbood de tappers voortaan nog het bereiden van Sint-Maartensganzen op straffe van een pond groot of 6 gulden, zowel voor hemzelf als elk van zijn gasten. Zo’n boete vertegenwoordigde destijds ruim een weekloon voor een geschoold arbeider. Overigens was het geld half voor de stad en half voor het tappersgilde dat kennelijk op de naleving toe moest zien. [4].

Een volgende melding van Sint-Maartensganzen komt van Hemmo Dijkema, een landhuishoudkundige uit de buurt van Baflo, en slaat op diens jeugdjaren in de eerste decennia van de negentiende eeuw. Op de “meedens” (lage hooi- en weilanden) van Hunzingo en Fivelingo werden toen volgens Dijkema vele ganzen gehouden, die een “niet onbelangrijk aandeel bijdroegen” aan de inkomsten van de doorgaans wat kleinere boeren daar. Ook in het Westerkwartier, Duurswold en Westerwolde werden ganzen “in groote hoeveelheid aangefokt en maakten er een belangrijk artikel uit van de landelijke inkomsten”. Volgens Dijkema dreef men de ganzen (in het najaar) naar de Stad en elders. In een noot kondigde hij aan dat hij hier nog op terug wilde komen in verband met “den zogenoemden St. Maartensgans”, maar aan het uitvoeren van dat nobele voornemen kwam hij helaas niet toe. [5].

Een soortgelijke herinnering als Dijkema, maar dan uit de jaren 1840-1850, had de later in Friesland wonende , maar in de stad Groningen geboren en getogen advocaat J. Pelinck Stratingh. Over de Sint-Maartensganzen schrijft hij:

Ik herinner mij nog flauw, dat een groote troep ganzen door Gruno’s veste werd gedreven, denkelijk naar eene ganzenmarkt te Zwolle, zooveel ganzen waren er toen…” [6]

Kennelijk waren er later veel minder ganzen in Groningerland. Wat aansluit bij een waarneming van ene J.W.v.R. in een editie van het katholieke dagblad De Tijd van november 1898. Hoewel deze constateerde dat Sint-Maarten nergens nog zo gevierd werd als in Groningerland, bleef het “hoofdnummer van het program”, namelijk het eten van een gebraden gans, hier toen achterwege “omdat de ganzen niet meer in ieders bereik vliegen”. [7] Anders gezegd: ze waren voor menigeen te duur geworden, denkelijk door een veel geringer aanbod.

Een oude, vrij algemene gewoonte

Het aanrichten van een feestmaal met een vette, gebraden gans op Sint-Maartensdag was beslist niet typisch Gronings – zoals gezegd was de gewoonte wijdverbreid, ook in het nabije buitenland, vooral Westfalen. Medio negentiende eeuw was het gebruik in Nederland op zijn retour, maar dat vooral in de steden – op het platteland van met name Overijssel en Gelderland leefde deze traditie nog volop. Daar ook had je de laatste grote ganzenmarkt, die van Deventer. [8] Verder waren er zulke markten in Coevorden, Oldenzaal, Zwolle en Utrecht, ooit allemaal sterkten van het wereldbisdom Utrecht waarvan de schutspatroon Sint-Maarten was.

De oudste melding van een Sint-Maartensgans dateert uit de twaalfde eeuw. Hoewel er in volksoverleveringen allerlei verbanden werden gelegd tussen de heilige en de gans, zijn die volgens kerkelijke levensbeschrijvingen van Sint-Maarten op weinig gestoeld. Het gebruik hangt veeleer samen met de kerkelijke kalender en een verandering daarin. Oorspronkelijk waren er meerdere vastenperiodes in het kerkelijke jaar, waaronder een van 40 dagen voor Pasen, welke nog steeds bestaat en die op de dag na vastenavond of carnaval begint, en een ander van 40 dagen voor Kerstmis die de dag na Sint-Maarten begon. Net als vastenavond was Sint-Maartensdag dus een uitgelezen moment om nog eens flink uit te pakken met eten en drinken, voordat men aan het vasten begon. Toen in de dertiende eeuw de vastenperiode voor kerst werd afgeschaft, bleef de gewoonte voortbestaan om op Sint-Maartensdag nog eens lekker een gans te verorberen. [9].

Volgens een dialectstukje uit Westfalen waarvan de Groningse vertaling in 1842 in de Groninger Volksalmanak stond, werd zo’n Sint-Maartensgans urenlang boven een vuur aan een spit gedraaid en dan opgediend met gestoofde appels met krenten, pannekoekjes van tarwemeel, gepofte tamme kastanjes en gebakken eieren. Vooral de bruin-gebraden ganzehuid gold als delicatesse. [10] Nadat de gans soldaat gemaakt was, kwam er nog een staaltje bijgeloof aan te pas en onderzocht men de kleur van het borstbeen: was deze geel of doorschijnend wit? In het laatste geval kwam er een strenge winter aan, met veel sneeuw en ijs. [11]

Noten:

[1] W.J. Formsma (ed.), Diarium van Egbert Alting, 1553-1594 (’s Gravenhage 1964) 807.

[2] Groninger Archieven (GrA)A Tg. 2100 (stadsbestuur voor de reductie) inv.nr. 12-2: ordonnanties en plakkaten, tot 1640 uitgevaardigd door het stadsbestuur, en dan die van 21 maart 1631.

[3] L.J.F. Janssen, ‘Over den oorsprong der St. Maartensganzen’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1850, 171-181, aldaar 173.

[4] Zie noot 2.

[5] H. Dijkema, Proeve van eene geschiedenis der landhuishouding en beschaving in de provincie Groningen, deel II (Groningen 1851) 399, 402.

[6] J. Pelinck Stratingh, ‘De ganzen van Klein Altenburg’, Leeuwarder Courant 1 januari 1900.

[7] J.W.v.R., ‘Brieven uit Groningen IX’, De Tijd 23 november 1898, rubriek Binnenland.

[8] L.J.F. Janssen, ‘Over den oorsprong der St. Maartensganzen’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1850, 171-181.

[9] L.J.F. Janssen, ‘Over den oorsprong der St. Maartensganzen’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1850, 171-181; zie ook Joës a Leydis, ‘De St-Maartensgans’, De Tijd 6 november 1898.

[10] C.F. Westphal (vert.), ‘De Sunt Meertens-Gans; of hoe de Pastoor van Grasheim van zien gans en cijperwien ofkwam’, Groninger Volksalmanak 1842, 165-166; zie ook Jan ter Gouw, De Volksvermaken (Haarlem 1871) 250-251.

[11] Joës a Leydis, ‘De St-Maartensgans’, De Tijd 6 november 1898.


Jonker Wyfferinge met zijn wapen in het graf gelegd

Het familiewapen Wyffringe bevindt zich nog op een rouwbord in de kerk van Baflo. De adelaar zal van de stad komen, de posthoorns duiden misschien op een postmeesterschap van een voorzaat.

Rtv Drenthe kreeg van de week de vraag voorgelegd om eens uit te spitten of er werkelijk waar een kasteel in Bonnen bij Gieten had gestaan. Uit het bericht op haar website blijkt in ieder geval dat de verslaggever rotsvast in die burcht is blijven geloven. Curieus, want in werkelijkheid was het kasteel een buitenhuisje met drie kamers, althans volgens het standaardwerk Huizen van stand (Assen 1989).

Zeker woonden er voorname personages in het Huis te Bonnen, maar dat maakte dat huis nog niet tot een kasteel. Het was ook niet zo oud, uit 1605 komt pas de eerste melding. Destijds bouwde men al geen verdedigbare kastelen meer, omdat je er toch al niets meer aan had tegen geschut. Bestaande kastelen werden vaak ook wel omgebouwd tot buitenhuizen. Het buitenhuisje te Bonnen werd in genoemd jaar waarschijnlijk nieuw gebouwd door de Groninger burgemeester Johan Wifferinck, die er ’s zomers met zijn familie verblijf zal hebben gehouden. Want dat was zo de gewoonte onder stadsregenten: ’s winters woonden die in de Stad en ’s zomers verbleven die op het platteland, een vrij ideale constellatie, moet ik zeggen.

Aan de adellijke familie Wifferinck, in de stad Groningen zelf ook wel Wyfferinck of Wijfferinge geheten (om de meest voorkomende spellingsvarianten te noemen), zit nog een aardig verhaal vast. In de mannelijke lijn stierf zij namelijk begin oktober 1678 uit met jonker Johan Wijfferingh, denkelijk de kleinzoon van de naamgenoot uit 1605. Johan juniors erfgenamen kwamen toen bij het stadsbestuur met een uitermate bijzonder verzoek. Ze waren namelijk voornemens

bij de begraeffnisse van het doode lichaem van gesiede juncheer derselver wapen voor het lijck te laeten draegen, ende vermits hij de laeste mannelijcke oor van dat geslaghte is, het gedachte waepen in het graft t’ doen leggen.

Ze wilden hiervoor graag toestemming van het stadsbestuur en dat willigde het verzoek in. De laatste jonker Wijfferingh werd dus met zijn familiewapen en al begraven.

Aan Redmer Alma, die beschikt over een grote kennis van de heraldiek, vroeg ik of dit nu een gewoonte was bij het uitsterven van adellijke families en of hij het vaker was tegengekomen. Een echt oude traditie bleek het niet:

Het was inderdaad een vast gebruik, in elk geval vanaf de zeventiende eeuw. Doorgaans wordt het wapen boven het graf gebroken en dan erin gelegd. Heel veel laatsten van een geslacht zijn er natuurlijk niet, maar je zou verwachten dat ergens wel een graf bewaard is waar de stukjes van een (waarschijnlijk houten) wapenschildje te vinden zijn.

In één opzicht was het Groninger geval uniek, aldus Alma:

Dat er speciaal toestemming aan de stad werd gevraagd, ken ik niet van andere voorbeelden.


Rondje Garnwerd – Ezinge

Kleiwerd, tussen Slaperstil en Dorkwerd:

Moest uiteraard even langs de Burgemeester Brouwersstraat in Garnwerd:

Nog steeds staat daar een pastorie, zij het dat deze gezien de architectuur dateert uit de jaren 1860-1870:

Even de kerk ingelopen, waar ik een hele tijd niet geweest ben – barok avondmaalstafeltje:

Herenbank met fantasiewapen:

De jonkersfamilie Lewe van Aduard had het hier voor het zeggen:

Langs het Waarhuis in Aduarderzijl. Volgens grote gele borden zou de boel er over 150 meter openliggen – niets van gemerkt. Mijn achterneef in Ezinge vertelde dat die borden er al een half jaar staan zonder dat er iets gebeurt. Een gevolg van de gemeentelijke herindeling?:

De ‘hut’ (bijschuur) bij de voormalige boerderij van mijn achterneef in Feerwerd is ingestort, zo lijkt het. Dat gebintenstel kwam ca. 1950 van de diaconie van Mensingeweer (of was het nou Baflo?) en zou best eens vrij oud kunnen zijn:


Bijenteelt concentreerde zich op hoogveen en heide

Aantallen korven met bijen per gemeente, 1866. Bron: Gemeenteverslagen, RHC Groninger Archieven 1099-8117 e.v.

Tussen 1866 en 1906 vermeldden de Groninger gemeenten in hun gemeenteverslagen de aantallen bijenkorven van hun eigen inwoners. Voor het eerste jaar heb ik de aantallen in kaart gebracht.

De dertien gemeenten die geen opgave van het aantal inheemse bijenkorven verstrekten, kregen op het kaartje geen bolletje van me. Driekwart van die gemeenten motiveerde het verzuim met de mededeling dat er geen bijenteelt was. Haren, waar je juist wel enige bijenteelt mocht verwachten, deed helemaal geen opgave in 1866, maar schreef in 1867: “Bijenteelt wordt hier niet anders uitgeoefend, dan door eenige liefhebbers in het klein”. Professionele imkers waren er dus niet in Haren.

De gemeenten tot 100 korven voorzag ik van een wit bolletje. Net als de gemeenten zonder opgave van cijfers komen deze het meest voor in het noordelijk Westerkwartier, De Marne, Hunsingo en noordelijk Fivelingo. Afgezien van het Lageland lag dat niet aan een gebrek aan drachtplanten, eerder aan afkeer en angst voor de angel.

Aan de randen van het grote bijenloze en bijenarme gebied zijn gele bolletjes te zien, daar trok de bijenteelt al wat meer. De oranje bolletjes staan voor een middencategorie: gemeenten met 200 à 500 korven. Deze trof je vooral in het Oldambt en noordelijke Westerwolde aan. De subtop, met rode bolletjes die staan voor 500 tot 1000 korven, zat vooral in het zuiden van het Westerkwartier. De gemeenten met de meeste bijenkorven, die de paarse bolletjes kregen, moet je echter zoeken in het zuidoosten van de provincie, in de Veenkoloniën en Westerwolde. Op de rij af vanuit het westen: Veendam (1282 korven), Nieuwe Pekela (942 korven), Vlagtwedde (1860) en Onstwedde (911). De absolute topgemeente qua eigen bijenteelt was echter de grote gemeente Slochteren, met maar liefst 2890 korven. In Slochteren zoemde het, in Slochteren zat de buzz.

Conclusie: waar nog hoogveen met heide was en die heide samen met boekweit in de nazomer de nectar verschafte, had je veel meer eigen bijenteelt dan op de klei met zijn koolzaad en klaver in het voorjaar en de voorzomer. Het beeld, opgeroepen door de Staat van den Landhuishouding, wordt hiermee bevestigd.

Uitheemse bijenvolken telden niet mee. Toch wijdden een stuk of wat gemeenten daar wel woorden aan. Het betrof deze vijf: Baflo, Warffum, Usquert, Uithuizen en Uithuizermeeden, nu een rijtje stationsplaatsen op het Hogeland. Deze vijf hadden allemaal jonge polders langs de Waddenkust met veel koolzaad. Drie van de vijf deden geen opgave van het aantal bijenvolken, omdat er, zoals ze zeiden, helemaal geen bijenteelt was. Uithuizen gaf 59 korven op en Uithuizermeeden slechts 1 (!). Al met al dus nogal karig. Dat werd echter gecompenseerd door Drentse imkers, die in deze gemeenten in het voorjaar hun bijen op het bloeiende koolzaad kwamen zetten. In Warffum en Usquert waren het enkele en in Uithuizen enige; in Uithuizermeeden daarentegen, ging het om vele. Naar het oosten namen de aantallen Drentse korven dus toe.

Overigens blijkt uit de gemeenteverslagen van Oude Pekela en Eenrum dat de bijenteelt er verminderde. De Staat van den Landhuishouding constateerde in 1818 al een achteruitgang voor het kleigebied.

In het overgrote deel van Groningerland vormde het bijenhouden een liefhebberij. Zelfs in een topgemeente als Onstwedde waren er slechts enkele semi-professionele imkers. Mogelijk zat er ook eentje in Appingedam. Echte profs, met 150 korven of meer, zullen er alleen in de paarse gemeenten hebben gezeten, Slochteren voorop.

De gegevens van alle Groninger gemeenten op een rij, naar aantallen korven:

GEMEENTE AANTAL KORVEN BIJEN OPMERKINGEN
Slochteren 2890
Vlagtwedde 1860
Veendam 1282
Nieuwe Pekela 942
Onstwedde 911 “Weinige ingezetenen dezer gemeente zoeken in de bijenteelt een middel van bestaan. Er worden slechts enkele gevonden die bijen vluchten houden, maar doen zulks als een bijkomende zaak.”
Leek 650
Wildervank 627
Marum 570
Scheemda 444
Finsterwolde 334
Midwolda 281
Oude Pekela 260 “Sommige personen houden zich hier nog met de teelt bezig (…), uit hoofde men van hier te veel met de korven moet reizen, eerst naar de klei en om de koolzaad en dan naar Westerwolde om de boekweit.”
Grootegast 230
Wedde 227 “Op de bijenteelt legt men zich hier niet veel toe.”
Zuidbroek 220
Noordbroek 207 “Slechts door eenige personen als bijzaak uitgeoefend, Het getal dier personen bedroeg 11.”
Sappemeer 195
Bierum 193
Meeden 184
Termunten 181
Muntendam 148 Hier alleen liefhebberij.
Bellingwolde 141
Grijpskerk 130 Wordt weinig en enkel uit liefhebberij gedaan.
Nieuwolda 128
Eenrum 122 “De bijenteelt vermindert.”
Oldekerk 120 “Bijen worden hier slechts bij enkele korven uit liefhebberij aangehouden.”
Appingedam 105 Er zijn in deze gemeente slechts twee bijenhouders.
Bedum 86
Aduard 84 De bijenteelt is hier van geringe omvang en bij velen een onbekende zaak
Hoogezand 79 Bijenteelt is hier “in zeer geringe mate”.
Winschoten 79 “De bijenteelt betekent hier weinig”
’t Zandt 76 “De Bijenteelt is van weinig beteekenis.”
Zuidhorn 75 “De bijenteelt wordt alhier meest uit vermaak aangehouden.”
Uithuizen 59 “Wordt hier weinig gedreven. In den regel komen hier eenige bijenhouders uit de provincie Drenthe welke gedurende den bloeitijd van het koolzaad hunne bijenkorven bij sommige landbouwers plaatsen.”
Noorddijk 53 Heeft hier weinig of niet plaats.
Hoogkerk 50 “De bijenteelt is hier van geene beteekenis.”
Ulrum 41 De bijenteelt is in deze gemeente van weinig belang.
Groningen 22
Loppersum 18
Nieuweschans 9
Kantens 7 “Is hier niet van beteekenis.”
Ezinge 6 à 7 “Aan bijenteelt wordt hier weinig gedaan. 6 à 7 stuks korven telt men in deze gemeente, welke aan vier eigenaars toebehooren…”
Stedum 3 “Bijenteelt wordt hier in de gemeente niet gedreven, slechts één persoon houdt drie korven voor zijn genot.”
Uithuizermeeden 1 “De bijenteelt wordt hier zeer weinig gedreven. Daarentegen komen hier vele Drentsche bijenhouders gedurende de bloeitijd van de koolzaad…”
Adorp Hier niet uitgeoefend
Baflo “Bijenteelt heeft in deze gemeente niet plaats, behalve door Drenthenaren die telkens voorjaren hier komen en tegen het najaar de ten deele gevulde korven weder met zich voeren.”
Beerta
Delfzijl Bijenteelt heeft men hier niet.
Kloosterburen Dit jaar geen bijenhouders hier aangetroffen.
Leens Van bijenteelt wordt hier in de loop van dit jaar geen gebruik gemaakt.
Middelstum
Oldehove Bijenteelt is hier niet.
Ten Boer
Usquert “De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend dan door enkele bijenhouders uit Drenthe.”
Warffum “De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend dan door enkele bijenhouders uit Drenthe.”
Winsum “Bijen worden hier niet gehouden.”
Haren Geen opgave 1867: “Bijenteelt wordt hier niet anders uitgeoefend, dan door eenige liefhebbers in het klein.”

 


Te ruil

Boerderijenboeken van

  • Het Halfambt (Baflo, Rasquert, Tinallinge, Saaxumhuizen, Den Andel, Westernieland, Pieternburen, Eenrum, Mensingeweer, Maarslag, Maarhuizen, Obergum, Ranum, Menkerweer) met kaartenmap;
  • en Middelstum-Kantens

tegen

  • die van Beerta (drie delen);
  • en/of het Wold-Oldambt (Midwolda e.o).

Diftarontduiker misbruikt blikvanger

Gezien op Hammeland, iets ten oosten van Baflo – iemand vond een manier om de diftar te ontduiken zonder een berm te vervuilen:

Vermoedelijk is de deposant van de vuilniszakken stiekem een beetje trots op zichzelf: hij heeft immers zichzelf en ons allemaal geld bespaard door niet voor de slechtste oplossing te kiezen. Natuurlijk zijn die vangnetten daar niet voor bedoeld, dat weet hij ook wel. Die netten zijn er immers om de energiedrankblikjes, snoepverpakkingen en lachgaspatronen van de voorbijrazende jeugd op te vangen. Dat die netten overal weggehaald moeten worden als iedereen daar zijn vuilniszakken in dumpt? Och, daar heeft hij nog niet over nagedacht. Zover denkt hij niet vooruit.

Het achterliggende idee van alle vuilnisdumpers is natuurlijk, dat de afvoer van hun afval gratis moet zijn. We willen allemaal wel betalen voor de spullen die we in huis halen, maar het moet maar gratis weg. Dat achterliggend idee, zeer wijdverbreid, daar zou eens aan gesleuteld moeten worden.


Hunsingoër boderoute, 1652

kerspelen-1769-rondgang-hunsingo

In februari 1652 moest de bode Roeleff Philips vanuit de stad een placcaat van Gedeputeerde Staten rondbrengen en aanslaan bij de rechthuizen in  Hunsingo. Waar hij dat gedaan had, tekende de wedman ter plaatse zijn naam op een lijst, die Philips had genoteerd op de achterkant van een placcaat. Doordat dit stuk bewaard is, weten we welke route Philips volgde: vanuit de stad eerst naar het noorden tot Baflo-Rasquert, daarna zwenkte hij naar het westen,  om vanuit Vierhuizen zo’n beetje de kustlijn te gaan volgen tot Uithuizen. Vanaf die plaats volgde hij tot slot een wat kronkelige weg naar het zuiden, terug richting stad.

Willem G. Doornbos vond het stuk en vertelt erover in de jongste aflevering van GroninGen, het orgaan van de Nederlandse Genealogische Vereniging afdeling Groningen. Doornbos vindt de route na Kantens een minder logische, maar zouden de kronkels daarna niet ingegeven kunnen zijn door de aanwezigheid van met puin verharde trekpaden? In februari met een paard over gewone kleiwagen trekken, moet bepaald niet vlot gegaan zijn.

Dat de reis meerdere dagen moet hebben geduurd, blijkt uit de beloning van de bode. Hij ontving er een pond groot voor, 6 gulden. Voor een vakbekwame ambachtsman in loondienst vertegenwoordigde dat een à twee weken loon. Ik denk niet dat de bode zo lang onderweg was, in de som zullen ook de kosten voor logies onderweg verdisconteerd zijn,.


Slachtoffers van de Maartens- en de Kerstvloed

Plaats

Maartensvloed   (1686)

Kerstvloed   (1717)

 

Oldehove

7

Niehove

13

Garnwerd

1

Ulrum

73

Vierhuizen en Zoutkamp

18

41

Hornhuizen

4

117

Leens

182

Nijenklooster

7

Kloosterburen

11

Wehe

25

Zuurdijk

55

Warfhuizen

63

Niekerk

1

73

Vliedorp

7

48

Wierhuizen

40

Pieterburen

70

172

Eenrum

3

126

Westernieland

60

79

Saaxumhuizen

10

30

Den Andel

4

43

Baflo

21

Raskwerd

27

Tinallinge

12

Breede

1

Warffum

22

63

Usquert

41

44

Uithuizen

72

67

Uithuizermeeden

313

208

Oosternieland

4

20

Oldenzijl

5

Zandeweer

10

Eppenhuizen

6

Rottum

5

Kantens

2

Toornwerd

9

Westerwijtwerd

4

Huizinge en Menkeweer

3

Bedum

4

Onderwierum

9

Ter Laan en ‘t Reidland

1

Wetsinge

3

Winsum en Bellingeweer

12

Ranum

8

Maarhuizen

4

Mensingeweer

31

Maarslag

11

‘t Zandt

9

47

Godlinze

53

18

Spijk

104

53

Bierum

61

67

Holwierde

37

20

Uitwierde

9

4

Delfzijl

1

Farmsum

17

4

Oterdum

97

2

Heveskes

11

Termunten

223

Borgsweer

17

Woldendorp

37

Wagenborgen

27

Siddeburen

4

4

Garmerwolde

1

Westeremden

1

2

Garsthuizen

5

Loppersum

5

Wirdum

10

Leermens

15

Oosterwijtwerd

13

Krewerd

1

13

Katmis en Oldenklooster

10

Marssum

2

Losdorp

6

Solwerd

6

8

Nieuwolda

13

Nieuw-Scheemda

4

Oostwold

10

Finsterwolde

8

Eexta

1

 

TOTAAL

1394

2091

De vijf meest getroffen plaatsen waren in 1686 Uithuizermeeden (313), Termunten (223). Spijk (104), Oterdum (97) en Uithuizen (72).

De vijf meest getroffen plaatsen waren in 1717 Uithuizermeeden (208), Leens (182), Pieterburen (172), Eenrum (126) en Hornhuizen (117).

Uithuizermeeden was de gevaarlijkste plek om te wonen. Toch vermoed ik dat Termunten in 1686 relatief nog zwaarder getroffen werd – er kunnen maar weinig bewoners die ramp hebben overleefd. Verder maakte de Maartensvloed vooral slachtoffers in volkrijke plaatsen langs de Eemskust, terwijl de Kerstvloed vooral dergelijke plaatsen langs de kust van De Marne trof.  Relatief weinig slachtoffers vielen er beide keren in het Oldambt.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten) inv.nr. 817 – Slachtofferlijst van de Maartensvloed; en Johannes Adrianus Mobachius, Groningerlands zeer Hooge en Schrikkelyke Watervloed, Ter  Overstrooming van een groote menigte van Menschen, enz. op Kers-tyd den 25 Decemb. 1717 (Groningen 1718), de lijst achterin.


Hanebijtersgang (III)

Jean-Claude Taburet

Het bericht over de Hanebijtersgang uit 1922 vond ik door te zoeken op de naam van Cloetingh (1881-1931), een socialistische boekhandelaar en leesbibliotheekhouder, wiens zaak  na zijn dood, bij de Bevrijding, werd vernietigd doordat een Canadese tank er brandend op inreed. Cloetingh was het boegbeeld van de buurtcommissie die in 1929 succesvol de naamsverandering van de Zuidersingelstraat in de Ubbo Emmiusstraat bepleitte.  Eenzelfde rol vervulde hij al in 1922 toen een buurtcommissie een (mislukte) schildering van een hanentoernooi boven de ereboog aan het begin van de straat liet aanbrengen.

Gister zat ik te zoeken op hanebijterij in de verschillende spellingsvarianten, en zo kwam ik de heer Cloetingh warempel wéér tegen, althans  zijn initalen P.L.C. onder een ingezonden stuk uit 1926, dat de geschiedenis van de “Zuidersingelstraat, wijlen Hanebijtersgang” behandelt. Citaat:

“De Zuidersingelstraat ontving in 1874 na de opheffing der vesting dien naam. maar nog steeds leeft in den volksmond de naam „Hanebijtersgang” voort.

Waaraan die naam haar ontstaan dankt, is niet met zekerheid te zeggen. Jhr. Mr. Feith hechtte geen geloof aan de hanebijterij. Of te wel hanegevechten die in deze straat vroeger plaats gehad zouden hebben.

Rasechte oude Groningers weten echter met trots te vertellen van die „hoanekerels”, die in een klein kroegje, waar ze met hun haan-favoriet verschenen, de tegenstanders kwamen uitdagen en onder aan de wallen werd dan zoo’n hanentournooi afgespeeld.”

Niet dat ik zo’n liefhebber ben van dat “rasechte” (meestal is het een adelsbrevet waaraan geen noemenswaardige prestatie ten grondslag ligt), maar ik denk wèl dat Pieter Leonard Cloetingh een goed buurtnetwerk had. Volgens zijn overlijdensbericht dankte hij een “groote bekendheid” aan zijn leesbibliotheek. Hij was trouwens in zijn jonge jaren nog lid van de gemeenteraad geweest voor de SDAP, en vakbondsvoorman van de Groninger typografen. Dat deze man dat gegeven van dat hanentoernooi zomaar verzon, wil er bij mij niet in, al speculeerde hij er na dit citaat wel graag op los..

Zoals gezegd was er in 1761 elders in de stad Groningen een “Sociëteit van de Hanebijterie”, die in een herbergzaal hanegevechten organiseerde, die zelfs door heren uit de hoogste kringen werden bijgewoond. De waarschijnlijk heel wat proletarischer hanengevechten in de open lucht bij de stadswal, waar de Hanebijtersgang naar toe voerde, vonden volgens Riddering plaats voordat die wal geslecht werd (ca. 1875). In Groningen zullen de hanengevechten de 19e eeuw niet hebben overleefd. Dat gebeurde wel in de Friese Woudstreek, waar in de crisisjaren voor de oorlog zelfs nog “hoannebiterijen” werden georganiseerd. De Leeuwarder Courant laat in 1970 enkele getuigen aan het woord die dit “wrede volksvermaak” met eigen ogen te Oudkerk en Murmerwoude hadden aanschouwd. Vooral werklozen hielden zich hier veelvuldig met de hoannebiterij bezig, ze fokten er speciale hanen voor op. Zo’n hanengevecht was “een grote attractie”, maar ook een “bloederig schouwspel”, en “na afloop was er nogal eens ruzie tussen de eigenaren van de kemphanen”.

Net als bij de Groninger stadswal mocht de politie er absoluut niet achterkomen. De hanengevechten vonden daarom ook in de Friese Wouden op achterafplekjes plaats. Streekbewoners waren woedend op een fotograaf die in een vakbondstijdschrift foto’s van zo’n hanengevecht publiceerde, al kwam dat waarschijnlijk ook door de redactionele bijschriften waarin ze als “grote slechterikken” waren neergezet. Zeker was het vermaak vrij oud in deze omgeving. In Drachten vierde de hanebijterij hoogtij tot een predikant er in 1767 een eind aan maakte. Net als in Groningen, Uithuizen, BafloScheemda en Gieten was in Augustinusga een nauw straatje naar de hanebijterijen genoemd , namelijk de ‘Hoannebitersstege’.


Bewonerslijst Grouwelderij

De Grouwelderij, voorlopige lijst van hoofdbewoners, functies en spellingsvarianten

1720, 1722: Claes Claesen. Hij huurt het huis de Grouwelerije onder de klokslag van Wierum (= onjuist) met 10 gras land van de erven olderman Roelef Lanckhorst. Bij boedelscheiding gaat het eigendom over op diens schoonzoon, de oorspronkelijk  uit Diever afkomstige brouwer Hendrik Ottinga van De Sleutel aan de oostzijde van de A, bij de Vissersbrug. Dat een brouwer eigenaar is, maakt het waarschijnlijk dat het goed toen al een herberg was. Mogelijk was ook Lankhorst al brouwer, maar dat heb ik nog niet kunnen verifiëren.

1744, 1747, 1757: Claas Claasen Groewel. In maart 1744 overlijdt eigenaar Hendrik Ottinga. Diens dochter Henrica, getrouwd met brouwer Albertus Vos van De Gekroonde Vos aan het Damsterdiep nz., erft de Grouwelerije en de 10 gras land in de Paddepoel, met daarbij nog twee gras eigen grond in de Paddepoel die door iemand anders worden gebruikt. Volgens een later bericht is de Grouwelderie samen met een huis in Baflo verkocht “voor 100 gulden en een olt peer”. Op de boedelscheiding van 1747 krijgt Henrica in plaats van het huis wel wat meer dan dat: drie schuldbrieven ten laste van Claas Claasen Groewel, samen waard 300 gulden, waarbij diens vastgoed het onderpand is. Ik denk dus dat Claas Claasen het door hem bewoonde pand heeft gekocht,  maar kon het bewijs daarvoor niet rond krijgen. De achter- of bijnaam Groewel levert verder geen aanknopingspunten op.. Die lijkt eerder incidenteel toegekend, dan vast.

1763: Claas Clasen, de zoon(s). Van wijlen Claas Claasen in de Groewelderij onder het Carspel Noorddijk worden de roerende goederen geïnventariseerd.  Daaronder bevinden zich:

qua meubilair:

  • 11 stoelen
  • 3 tafels

qua drinkgerei:

  • 8 tinnen kroespullen
  • een dito mengel
  • een dito oort
  • vier dito half oorden
  • enige flessen
  • enige roemers en bierglazen

qua rijtuigen en boerengerei:

  • een sjees toebehorende aan de zoons
  • twee sjeestuigen en een beltuig toebehorend aan de zoon Claes Clasen
  • twee beslagen wagens
  • een bodde, een eide en seeltuig

aan levende have:

  • 2 oude peerden (oud = volwaasen HP)
  • 2 koeien
  • 3 hokkelings
  • 2 kalver
  • 1 schaap
  • 2 biggen

Wat hier doorheen schemert is een kleine tapperij,  gecombineerd met een klein boerenbedrijf. Dat het aantal paarden en koeien gelijk is, zegt wat. Waarschijnlijk verhuurt de gelijknamige zoon van Claas Clasen zich met die sjees (luxegoed!) aan mensen die snel voor de een of andere boodschap of visite het platteland op willen gaan, maar zelf niet over zo’n rijtuig beschikken.

!783: Claas Clasen. Op 4 februari vindt in het Blauwe Paard aan het Nieuwe Kerkhof de veiling plaats van: I. – Een Behuizinge , zynde een Neringryke Herberge (de Grouwelderie genaamd) staande en geleegen onder Selwert; II – De vaste beklemming van 16 grazen land mede aldaar geleegen, en eveneens door Claas Clasen en vrouw gebruikt. Eigenaar van dit land is de doopsgezinde koopman Berend Abrahams Hulshoff, aan wie Clasen 96 gulden per jaar aan beklemhuur betaalt. NB: er is een beklembrief, die de gegadigden vanaf drie dagen voor de veiling kunnen inzien. Hulshoff was voor 1757 waarschijnlijk al in bezit van een kwart aandeel in dit Paddepoelster land. In 1757 en 1766 kocht hij twee mede-eigenaren met elk een kwart aandeel uit. In de desbetreffende koopacten wordt gezegd dat de de behuizing de Grouwellerije, ook wel de Grouwelderije op dit land staat. Waarschijnlijk komt al het land uit een en dezelfde doopsgezinde familie voort. Naderhand moet Hulshoff het laatste kwart nog hebben verworven. De zwetten zijn:

  • noord: de wed. Wassenborgh / Jan Anken als meier
  • oost: de kinderen van Heins Anken / Jan Anken als meier
  • zuid: de tocht of ds. Pabus (een nazaat van Lanckhorst!)
  • west: de Weg

Eind 1784, begin 1785: Jan Bastiaans. De neringryke herberge (de Groewelderie genaamt), staande onder Selwert, staat nog steeds te koop. Als Hulshoff geen eigenaar meer is, zal dat waarschijnlijk iemand zijn uit de doopsgezinde familie Ten Cate. Afgaand op het gereformeerde doopboek zou de achternaam van de huurder Jan Bastiaans wel eens Bazuin kunnen zijn. Na de mislukte veiling  staat in februari de behuizing zijnde een Herberg in de Paddepoel de Groeweldery genaamt, onderhands te koop en te huur, naar keuze van de gegadigde met of zonder de vaste beklemming van nog steeds die 16 Grazen groen- en bouwland. Liefhebbers moeten zich wenden tot de doopsgezinde koopman Jacob te Cate in de Nieuwe Ebbingestraat.

Begin 1804: De weduwe Arend Jans.

Met Gerichts Consent gedenkt de Wedw. van ARENT JANS publiek op Strykgelds Conditien te Verkopen : Hare BEHUIZINGE en HEEM, nevens de vafte BEKLEMMINGE van plus minus 14 Grazen best GROEN en BOUWLAND, staande en gelegen in de Paddepoel, DE GROEWELDERY genaamd, doende de Landeryen ’s jaarlyksche huur 90 guld. en het Heem 4 guld. Deze Verkopinge zal zyn ten Huize van bovengemeld in de Paddepoel, op Donderdag den 12 January 1804. ’s avonds om 5 uur, de Conditien zullen aldaar 3 dagen bevorens zyn te zien en te lezen.”

(advertentie Groninger Courant). NB De veiling vond dus in eigen huis plaats, wat er op wijst dat het nog steeds een herberg was, want vastgoedveilingen vonden vrijwel altijd in herbergen plaats.

Berend Jans Zuidema. Volgens het bevolkingsregisteris hij tapper. Hij heeft als weduwnaar in 1840 drie werkboden in huis, waaronder een weduwe van 35, Enje Jans de Boer. Met haar is hij op 13 juli 1842 getrouwd  Hij heet dan tapper en landbouwer. Op 29 oktober 1856 overlijdt hij. Als weduwe blijft zij op de Grouwelderij wonen.

1858-1871: Steven Jacobs Zevenberg. Op 1 februari 1858 hertrouwt de weduwe Zuidema, “tappersche”, met Steven Jacob Zevenberg, die sinds 13 mei 1857 bij haar inwoont. Bij hun huwelijk staat hij nog te boek als arbeider, maar dat verandert snel, want in het bevolkingsregister heet hij tapper.

mei 1871-mei 1884: Hindrik van der Zwaag. Hij wordt Landbouwer, ook wel landgebruiker genoemd in het bevolkingsregister. Maar hij staat te boek als tapper in in een lijst van ingediende verzoekschriften om vergunningen tot het verkopen van sterke drank in het klein, 1881 e.v.j. Volgens deze lijst tapt hij ook tussen zaterdagavond 6 uur en maandagochtend 6 uur.

mei 1884-1887: Jan Olcherts Clevering. Volgens het bevolkingsregister Landgebruiker. Echter Tapper volgens een lijst van ingediende verzoekschriften om vergunningen tot het verkopen van sterke drank in het klein 1881 e.v.j.

mei 1887-juni 1898: Sako Huizinga. Landbouwer en koemelker volgens het bevolkingsregister. Tapper volgens een lijst van ingediende verzoekschrift
en om vergunningen tot het verkopen van sterke drank in het klein 1881 e.v.j.

juni 1898 – maart 1901: Jan Kwint. Koemelker volgens het bevolkingsregister. Er is géén vergunning tot tappen van hem bekend.

april 1901 – maart 1902: Geertje Munting. Koemelkster volgens het bevolkingsregister. Er is géén vergunning tot tappen van haar bekend.

april 1902 – ????: Hendrik Kwint ? Kastelein, maar niet in het bevolkingsregister. Broer of zoon van Jan? Van april 1902 dateert een (nogal standaard) huurcontract, waarbij Jacob Munting (broer of zoon van Grietje?) tot zetkastelein aanstelt Hindrik Kwint, landgebruiker, wonende te Paddepoel, gemeente Noorddijk.

  • Het betreft een behuizing met vergunning, stal en schuur aan de grintweg te Paddepoel, waarvan het precieze adres (letter en nummer) in het contract achterwege wordt gelaten, maar dus hoogstwaarschijnlijk wel de Grouwelderij is.
  • De pacht bedraagt 130 gulden per jaar, steeds in twee termijnen te voldoen, per mei en november (de traditionele verhuizingsdata). De looptijd van het huurcontract is van 1 mei 1902 tot 30 april 1904.
  • Voorwaarden: Kwint moet het huis met zijn gezin betrekken , het gedurende die tijd bewonen en het van genoegzame stoffering voorzien. De eigenaar mag dit controleren. Alle roerende goederen van de pachter dienen als onderpand voor het opbrengen van de huur.
  • De zetkastelein zorgt voor zijn eigen rekening voor het gewone klein onderhoud. En hij moet grotere herstellingen en vernieuwingen door de eigenaar gedogen, zonder huurvermindering te vragen, zelfs  al duurt zo’n karwei langer dan veertig dagen.

mei 1903 – mei 1919: Gerrit Meyer. Koemelker volgens het bevolkingsregister. Niet bekend als tapper uit de bewaard gebleven vergunningsregisters.

mei 1919 – okt. 1919: Leegstand voor een opknapbeurt?

oktober 1919 – mei 1921: Jan Enne Van Dijken. Veehouder volgens het bevolkingsregister. Niet bekend als tapper uit de vergunningsregisters. Wel bekend als tapper uit het boek van de nazaat over boeren in de Paddepoel. Hield dus waarschijnlijk een stille knip.

mei/juni 1921 evj: Jakob Nienhuis.Melkslijter volgens het bevolkingsregister. Niet bekend als tapper uit de vergunningsregisters. Wel bekend als tapper uit het boek over boeren in de Paddepoel.

Naar de conclusie uit deze lijst


rtv Noord en de harde feiten

Mischa van den Berg, hoofdredacreur van rtv Noord, neemt zijn omroep de journalistieke maat waar het gaat om Baflo.

Door Twitter, zegt hij, gingen er gisteravond veel geruchten, terwijl er weinig harde feiten bekend waren. Het was spitsuur op de redactie, die voor moeilijke keuzes stond. Ze moest haast wel mee met de snelheid van Twitter. Rustig de feiten brengen is nu "volstrekt onmogelijk geworden", aldus Van den Berg, die vroom meldt dat zijn redactie steeds sneller wil komen met de harde feiten.

Wat mij echter vanochtend aan de nieuws-uitzending tussen half acht en acht vooral opviel, was niet zozeer een flitsende snelheid, laat staan een grote hoeveelheid harde feiten, als wel de eindeloze herhaling van steeds weer dezelfde karige feiten, waarbij er volstrekt niets nieuws werd toegevoegd aan datgene wat gisteravond en vannacht al bekend was. In uitgesmeerde vox-pops kwamen bovendien bewoners aan het woord met ten ene male voorspelbare reacties. Kennelijk houdt rtv Noord zijn publiek voor domkoppen, die dezelfde stof tig maal opgedist moeten krijgen, voordat ze deze eindelijk eens onthouden. Het belastinggeld dat in deze uitzending werd gestoken, had wat mij betreft vele malen beter kunnen worden besteed, door ook eens wat aandacht te besteden aan wat minder sensationele, maar veel structurelere ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld het ophanden zijnde ontslag van ruim 1500 mensen met gesubsidieerde banen in de stad.


Herfst op ’t Hogeland

Een vervallen Jugendstil-topgevel bij het station van Uithuizen:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Uithuizermeeden in de verte:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Bot in schelpenperkje bij kerkingang te Zandeweer:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ploegende boer tussen Doodstil en Kantens:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De skyline van Kantens:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Tussen Rottum en Warffum is een hakselaar bezig met het allerlaatste strookje mais:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Het kerkhof van Den Andel:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Op een voormalig hotel in Baflo vindt men een eigenzinnige interpretatie van het wapen van Winsum:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA