Le Hachek en zijn vrouw geportretteerd

Naar aanleiding van de logjes over de fakir Le Hachek en zijn vrouw Netty Streef, kreeg ik deze gesigneerde foto van iemand die ze heeft gekend:

1-fakir Le Hackek-001blog

Dezelfde foto blijkt ook tot ansichtkaart verwerkt voor reclame-doeleinden. Dit is de achterkant, waarbij hun huis ‘De kleine Wereld’ in Oosterwijtwerd nog een letter- en nummeradres heeft,:

img109blog

Optreden voor radio en televisie – hier met hoofdletters geschreven – is allang niet zo bijzonder meer als in de jaren zestig, toen we één, uiteindelijk twee TV-zenders hadden, Geen artiest zal het meer als aanbeveling gebruiken. Geen artiest verspreidt nog van dergelijke kaartjes.

Met dank aan H.B. en J.S.

Advertenties

Hachek, de fakir met heimwee

Hachek met vis

Van de week vertelde Jakob Franken, die Veendammer trouwakten uit 1937 invoert voor Alle Groningers, dat hij erg lang had zitten puzzelen op één zo’n akte. Hij kon maar niet ontcijferen wat voor beroep de bruidegom had. Tot hij het doorkreeg: de man was fakir.

Een fakir uit Veendam, anno 1937. Heel apart! Maar dat gold niet voor diens naam, want hij heette Schaap, wist Jakob nog. Wat me deed denken aan het TV-spelletje ‘Wie van de Drie’: “Mijn naam is Schaap, ik ben fakir”. We lachten, ik was nieuwsgierig naar de details en Jakob liet me de akte zien.

Het betrof het huwelijk van Anne Schaap, 40 jaar, van beroep dus fakir, geboren te Veendam op 3 november 1896 en daar sinds kort weer wonend,  maar daarvoor nog in Amsterdam domicilie houdend. Zijn ouders waren Arend Schaap, een sjouwerman, en diens vrouw Maria Dekens. Schaap jr. trouwde in 1937 de geboren Amsterdamse Margje Tang, van beroep “artiste”, 20 jaar oud en dus 20 jaar jonger dan Schaap. Desondanks bleek zij al eens gescheiden. Dat gold trouwens ook voor haar bruidegom. Hij en Tang zouden eveneens nog scheiden, in 1946, zo leerde een marginale notitie op de akte.

Dan kijk je in de krantenbanken of er misschien ook iets te vinden is over de fakir uit Veendam en dat bleek inderdaad het geval. Uit alle stukken samen viel  een summiere biografie te destilleren. Bij deze geef ik die.

Al meteen moet gezegd worden dat de fakir zelf vaak de informatie verschafte en dat het aandikken wel een beetje in zijn aard lag, zodat enige scepsis geen kwaad kan. Zo beweerde hij later dat zijn vader in Veendam veldwachter was. Dat is onzin, want bij de aangifte van de kinderen noemde die vader zich, naast sjouwer,  fabrieksarbeider, werkman en brugwachter.

Hoe dan ook, de fakir was van eenvoudige komaf.  Als jochie van 14, zo vertelde hij eens aan Het Volk, bezocht hij in de stad Groningen een klein circus:

“De circusman vroeg, of iemand uit het publiek enige moeilijke kunstjes kon nadoen. De kleine Schaap trad naar voren en hij slaagde hierin zo voortreffelijk, dat hij onmiddellijk de uitnodiging kreeg met het circus mee te trekken. „Er zit wat in je, jong”, zei de directeur van het circus. Zo begon het avontuurlijke leven van den jongen, die eens fakir zou worden.”

Schaap ging met het circus mee naar Engeland, waar hij al optrad met een spijkerbed en flessen op zijn rug stuk liet slaan, wat hem vooralsnog echter weinig succes bracht. Dat begon pas na het oversteken van de Atlantische Oceaan, in het Amerika van de Drooglegging, begin jaren twintig. Hij nam de naam Le Hachek aan (ook  wel mr. Hachek of kortweg Hachek) en bereisde de hele wereld. Zo kwam hij in  China, Japan, op de Philippijnen, Java, Celebes, Sumatra en Cuba, met gerenommeerde circussen als Barnum & Bailey, Hagenbeck en Sarassani. Daarbij was hij niet alleen fakir:

 “Ik ben dompteur geweest: leeuwen en tijgers. Ik heb ook twee pythons gehad. Eén van vier en een halve meter. Eén van vijf meter. Rotzakken, slangen kun je nooit vertrouwen, die proberen je steeds een loer te draaien. Ik keerde me een om en hup daar hing er alweer een aan mijn arm gif te spuiten. Ik was blij dat ik ze kon ruilen voor een hondennummer.”

Uiteindelijk kwam hij als “de blanke fakir” weer in de Verenigde Staten terecht met engagementen bij “de grootste theaters” en Barnum & Bailey:

 “In dit circus vertoonde hij zijn grote fakirkunsten. Daar maakte hij zijn vuurnummer: “Vuureten naturel, mijnheer”. Hij beet het vuur van sigaren en sigaretten af en maakte daar een vuurspuwende berg van. “Ik ben de enige in Europa, die dat kan”, vertelt de Groningse fakir trots. Dan vertoonde hij het „levende aquarium”. Vijf liter water slikt hij naar binnen plus een aantal goudvissen. Daarna rookt hij kalm een sigaretje en als de laatste rookwolk uit zijn mond verdwenen te, komen de vijf liter water en de goudvissen terug en is het aquarium weer compleet. En alles naturel, alles zonder zwendel!”

Na Amerika volgden successen in Europa, met name Frankrijk en België. In het crisisjaar 1933 dook hij echter in Nederland op: werkloos, “evenals vele andere menschen van zijn vak”. Ook de Nederlandsche Artisten-Organlsatie kon hem niet aan een engagement helpen, maar zorgde wel voor een artikel in het socialistische dagblad Het Volk:

 “Ziet u, dat is een zonderling gezicht als iemand bij u binnenkomt, zich voorstelt, zijn tong uitsteekt en zoo maar, alsof het een kleine surprise voor u is, een half dozijn naalden in die tong steekt, zoodat ze er bijna heelemaal in verdwijnen. Dat is zonderling en… een beetje pijnlijk ook. Ten minste voor den man, die er naar kijkt, want de man, die het deed, scheen het werkje te verrichten met het allergrootste genoegen. Hij zei, dat-ie naalden kon eten ook en terwijl hij stond te praten, stak-ie zoo hier en daar zijn body, waar wat bloot te zien was, vol met dat scherp-gepunte goedje.”

(…)

”Niet alleen met naalden werkt hij, maar ook met spijkers en glasscherven. Hij gaat met zijn bloote body op een plank liggen, waarin spijkers rechtop staan en waar de glasscherven bij bosjes op gedeponeerd zijn. Zoo uitgestrekt torst hij anderhalve ton! We zagen hem op een foto, zoo  liggend; een zware motorfiets met maar even tien personen dragen!”

Deze redactionele reclame hielp, want in oktober 1933 mocht Hachek zijn medewerking verlenen aan de huldiging van de dichter-zanger Dumas in Amsterdam, terwijl hij in november dat jaar met een gezelschap Nederlandse artiesten optrad in sociëteit De Vriendschap te Doetinchem. In de Doetinchemmer aankondiging heette hij “de sensatie van dezen tijd” en zijn optreden kreeg een welwillende bespreking in de Graafschapsbode:

“Met een drietal controleurs — om zijn bewegingen na te gaan — om zich heen, verwerkte hij eenige naalden en wat garen; het geheel kwam, aaneengeregen en geknoopt even later langs denzelfden weg weer terug. Twee naalden gingen door zijn tong en mochten er door iemand uit het publiek uitgetrokken worden. Eerst nadat twee heeren vergeefs hun krachten beproefd hadden, slaagde de derde.

Tenslotte gaf Hachek nog een staaltje van de ongevoeligheid van zijn huid, door met blooten rug, liggend op een spijkerbed een motorrijwiel, beladen met 6 personen te torsen. Wel iets om te smullen voor op sensatie beluste personen.”

Een buitenlands engagement zat er voorlopig niet in, en hij trad nu hier, dan daar in Nederland op. In januari 1935 stond hij bijvoorbeeld een weekend lang in het City Theater te Delfzijl:

“Ongelooflijke proeven van fakirisme – Wondersensatie ! – Men moet het zien om te kunnen gelooven.”

1935 NvhN

En in september 1936 kon het stad-Groninger publiek hem zien in Hotel Frigge aan het wijde van de Herestraat. Het Nieuwsblad van het Noorden was er best over te spreken:

“Het programma in den Wintertuin Frigge is deze week weer zeer goed verzorgd. (…) De fakir Hachek houdt het publiek eenigen tijd bezig met allerlei geheimzinnigheden. Hij doorpriemt een in een kist opgesloten dame met degens, zonder dat deze er ook maar eenig letsel van ondervindt, hij eet brandende sigaren en cigaretten, spuwt vuur enz. Men staat versteld van zijn kunststukjes en verdiept zich er in, hoe het mogelijk is. Doch dit „hoe” zal voor velen een onopgeloste puzzle blijven.”

Dat najaar was Hachek op toernee in zijn geboortestreek. Wegens groot succes kreeg zijn optreden in hotel De Nieuwe Brug te Hoogezand een reprise –

“Velen heeft hij ook den tweeden avond weer verbaasd doen zijn.” –

terwijl hij begin 1937, vlak voor zijn tweede huwelijk, nog optrad in zaal Staalstra te Harkstede, De Unie in Appingedam en Hotel de Kroon in Uithuizen.

1937 Uithuizen

Na de trouwerij in Veendam (20 april) zag men hem echter voorlopig niet weer in het Noorden. In de mobilisatieperiode, najaar 1939, vormden vooral militairen zijn publiek. Volgens  de Nieuwe Tilburgsche Courant was daarbij een zaal in Chaam “flink bezet”, terwijl deze krant het variété-programma van Hacheks gezelschap “in alle opzichten geslaagd” noemde. Bij een tweede optreden aldaar, noteerde het blad echter ook een wanklank:

“Het heroptreden van ’t gezelschap Hachek- Pallieter, maandagavond in het patronaatsgebouw was in één woord af. Alle medewerkenden oogstten een onbedaarlijk applaus. Jammer dat enkele militairen zich te luidruchtig gedroegen. Naar wij vernemen zal voor deze heeren politietoezicht gevraagd worden.”

Toen de Duitsers ons land hadden bezet, deed Het Volk alsof hij nooit eerder over de Groninger fakir schreef, door een kolomlang profiel te plaatsen waarin Hachek eigenschappen werden toegedicht

“…die totdusver alleen aan de echte Indische fakirs worden toegeschreven.”

Hachek vierde op dat moment een jubileum in het Amsterdamse cabaret Van de Vliet. Hij vertelde dat hij in België veel succes had met zijn nieuwe “partnerin”,

 “een Amsterdamse jongedame, die niet bang is en in 1931 tot „Miss Cinema België” werd uitgeroepen.”

Je zou dan denken dat dit de vrouw was, met wie hij in Veendam trouwde. Al wekt het bevreemdeing dat ze op haar veertiende aan buitenlandse films meedeed. In elk geval was ze niet bang uitgevallen, aldus een trotse Hachek:

 “Een tijdje geleden kwam hij met haar ln een plaats, waar zich een circus bevond. Er was ook een leeuwentemmer, die er twee gevaarlijk uitziende leeuwen op na hield. De temmer waarschuwde haar niet te dicht bij het hok te gaan, maar in plaats van die waarschuwing in acht te nemen, stapte zij het hok binnen en ging rustig op de leeuwen af, die haar kopjes begonnen te geven. “

Hachek had een nieuw Amerikaans nummer met haar. Zijn vrouw stond in een grote kist met 28 gaten, waar hij dan evenzoveel zwaarden doorheen wierp. Ze liep hus wel eens een schrammetje op, maar gaf nooit een kik.

“De Groningse fakir, die de laatste tijd veel succes heeft gehad bij de militairen, heeft doktoren en professoren versteld doen staan door zijn wonderlijke kunsten. De echte fakirs kunnen een lesje bij je nemen, heeft men hem gezegd. “

Natuurlijk hoopte hij “weer door de wijde wereld te kunnen trekken”, maar dat zat er vanwege de oorlog niet in. Daarom trad hij op in plaatsen als Drouwenerveen.

Na de oorlog vinden we hem terug in een Amsterdamse bioscoop, waar hij optrad als pauzenummer bij de vertoning van Het meisje en het monster. Hij was toen weer gescheiden van de durfal. In 1952 met een Afrika Show in Appingedam, vroeg hij via de krant een meisje

 “om mee op reis te gaan als assistente, met goede vooruitzichten.”

1952 Appingedam

Onwillekeurig doet de personeelsadvertentie denken aan de film La Strada van Fellini – en aan het begin van Hacheks eigen carrière als artiest. Een hele poos bleef hij uit beeld, tot hij in de jaren zestig meermalen – in elk geval in 1964 en 1969 – op de vaderlandse beeldbuis te zien was. “Alles wat ik doe, is echt”, beweerde hij bij de eerste gelegenheid: “Ik beduvel de mensen niet”. En bij de tweede deed hij als 73-jarige

“nog altijd verbazingwekkende dingen met vissen en horloges”.

Ongeveer tien jaar eerder was Hachek getrouwd met zijn derde vrouw, de christelijke meisjesboeken- en streekromanschrijfster Netty Streef, dochter van een Haagse makelaar. Voor haar werk deed ze veel research, zo was ze ten behoeve van haar roman De Kleine Wereld gaan werken in het circus waar ze Hachek ontmoette, haar derde man, die ze steeds aanduidde als ‘de baas’. Onder de artiestennaam Marouchka Capitanowa was ze zijn assistente geworden en “helemaal met het circus vergroeid geraakt”.

In november 1961 vestigde het paar zich in het Groningse Oosterwijtwerd. Kennelijk had de fakir heimwee naar zijn geboorteprovincie. “Schrijfster en fakir voelen zich in Groninger terpdorp volledig thuis”, kopte het Nieuwsblad drie jaar nadien, om vervolgens alleen de schrijfster aan het woord te laten. Uit het stuk blijkt dat hun huis, eveneens ‘De Kleine Wereld’ geheten, nogal vervallen was toen zij en Hachek het betrokken. Samen knapten ze het op. Hachek deed veel van het timmer- en metselwerk, terwijl zijn vrouw alle binnenmuren beschilderde met “vreemde veelkleurige motieven”.

037

Haar eerste kennismaking met Groningerland was overigens niet in alle opzichten positief verlopen, want de timmerman die ze hadden ingehuurd, voerde weinig uit, terwijl  hij wel gepeperde rekeningen bij “die stadsmensen” indiende. Naderhand trok haar mening over de Groningers bij:

 ““Ik zou die mensen wel in een gouden lijstje willen zetten”. Ze zei ons dit, nadat ze ons verteld had over de grote behulpzaamheid en de vriendschap die ze in het terpdorp ondervond.”

Oosterwijtwerd en zijn bewoners inspireerden Netty Streef inmiddels tot een roman, die ze de titel Dorpje op de wierde gaf.  Ik heb het boek niet gelezen, maar getuige een bespreking ontleende ze elementen uit het leven van haar man:

“Anne Willinga is een Groninger boerenzoon, enig kind, wiens hart niet voor het boerenbedrijf maar voor de muziek klopt. Tot groot verdriet van zijn ouders trekt hij weg met een circusgezelschap. (…) Anne besluit, nadat hij weet, dat zijn vader dood is, naar de boerderij terug te komen.“

Ook vanuit Oosterwijtwerd bleef Anne Schaap als fakir Hachek optreden, zij het vooral in het schnabbelcircuit, dat zelden de krant haalt. Eind 1964 bood hij zich daartoe aan in een advertentie, waarin hij zich “T.V.-Artist” noemde.

1964 fakir biedt zich aan Oosterwijtwerd

In 1967 luisterde hij zo eens een avond voor vrachtwagenchauffeurs in Leeuwarden op, terwijl anderhalf jaar later optrad in een zaal te Leiden. Over dit laatste  optreden stond er een uitgebreide, ironische, bijna ontluisterende reportage in de Leidsche Courant.  Marouschka Kapitanowa bleek haar fakir helemaal van Oosterwijtwerd naar Leiden te hebben gereden, wat de verslaggever tot de veronderstelling bracht dat  de fakir zich onderweg concentreerde op zijn aanstaande karwei. Hachek ontkende dat ten stelligste:

“Ben je bedonderd”, roept hij. “Niks te concentreren. Dat is allemaal flauwekul. Je gaat gewoon op de spijkers liggen. Pijn doet het toch”

De fakir was ontevreden over de kleedkamers die men hem toewees:

“Je staat je vaak in een stal om te kleden”, zegt hij verbitterd, “niet eens een emmer water om je te wassen. Daarom neem ik alles zelf wel mee.”

Terwijl Kapitanowa alle requisieten zoals goudvissen, spijkerbed en flessen controleerde, trok Hachek een stemmig paars gewaad met wijde mouwen en een ballonbroek aan, kleren, die hem volgens de anonieme verslaggever op een “gelouterde missiebisschop” deden lijken. De journalist nam met de fakir diens programma door. Hacheck over de act met de spelden door zijn tong:

“Het gevoeligste deel van het menselijk lichaam”, zegt hij vermoeid, “maar als je sterk aan vrolijker zaken denkt, merk je het niet eens”

Tijdens zijn optreden zou hij een ouderwets boerenhorloge (of “knol”) inslikken en een toeschouwer op zijn borst naar het tikken laten luisteren.  Verder liep Hachek over glasscherven en ging hij vuurspuwen. Het hoofdnummer was duidelijk het spijkerbed, waarbij hij een plank op zijn borst kreeg, waarop zes man uit het publiek staande moesten plaatsnemen. Dat nam nogal wat tijd in beslag. De verslaggever viel intussen een “meeuwwitte borst met veel verdrietig craquelé” op. Achteraf noteerde hij:

“De spijkers hebben een symmetrisch Mondriaans patroon in het weke vlees gestanst.”

Hoogtepunt van diens beschijving vormde evenwel het moment dat de fakir het vele water en de goudvisjes naar binnen had gewerkt:

“Le Hachek glimlacht. Strompelt vervolgens klotsend naar de kom en begint vanuit het middenrif met schrijnende peristaltische bewegingen zijn vissen weer naar boven te werken. Hij zucht, schudt de grijze, verlepte manen, drukt met beide handen krachtig op de buik en krijgt dan plotseling de grauwe uitdrukking van een cruisepassagier, die in de Golf van Biscaje door een acute zeeziekte getroffen wordt. Het volgende moment spuwt hij de visjes als een gouden tand in de kom terug. Op de eerste rij zegt een vrouw tegen haar man: “Wim, ga jij even wat saté halen”.“

Met zo’n optreden verdienden de fakir en zijn assistente 400 gulden, destijds een redelijke gage, zo lijkt het. Soms liep het geld ze ook weer vlug door de vingers heen, dat moet bijvoorbeeld het geval geweest zijn na het brandje dat in 1969 in hun slaapkamer woedde.

In 1973 kwam er nog een keer een verslaggever naar Oosterwijtwerd, om mevrouw Schaap-Streef te interviewen over haar streekromans, waarin volgens hem nogal eens uit het lood geslagen dochters figureerden, die zich vergooiden aan goddeloze artiesten. Netty praatte honderduit over “de baas”, die zichzelf afzijdig hield. Al gauw kwamen er plakboeken op tafel, waar nog ”de geur van applaus” uit opsteeg. Het stel zou in zijn Villa Kakelbont een mooi onderwerp voor een uitzending van Showroom of Paradijsvogels geweest zijn, moet je concluderen, want hun goeiige heemhond Pipo, die ooit een pasgeboren lammetje verzorgde, beschikte ’s ochtends bij zijn vrouwtje in bed bijvoorbeeld over onvermoede zangtalenten.

Overigens bleek Hacheks vrouw ook waarzegster te zijn geweest:

 “Ik heb me altijd erg geïnteresseerd voor astrologie en archeologie. Ik deed het wel met een glazen bol en kaarsen maar het was wel een beetje wetenschappelijk hoor. Ik vroeg dan eerst naar het sterrenbeeld waaronder de mensen geboren waren. Als je eens wist hoe gek ze daar op zijn. Ze bleven soms tot vier uur ’s nachts aan je rokken hangen.”

Misschien was “de baas” ten tijde van dit interview ook wel opgenomen. Op 9 maart 1974 overleed namelijk Anne Schaap, alias de fakir Hachek, op 77-jarige leeftjd. Er kwam geen overlijdensadvertentie in de krant, maar wel een monument op zijn graf.

Hoewel op de lijst van bekende overledenen van dat jaar, werd hij al snel vergeten. Zijn  vrouw kwam twintig jaar later uit de tijd in zorgcentrum De Wiemersheerd in Loppersum. “Lid van de vereniging van letterkunde”, staat er in haar overlijdensadvertentie. Die als motto kreeg: “Wij kiezen niet”.

113

Vervolg: De fakir en de kerkeraad.


De fakir en de kerkeraad

2013-10-10 006 Hachek fakir en kerkeraad b

Met dit simpele briefje maakte Anne Schaap, alias de fakir Hachek, op 13 oktober 1964 kenbaar dat hij lidmaat wilde worden van de hervormde gemeente Oosterwijtwerd en dus graag in een openbare dienst belijdenis wilde doen. Al in de aanhef is er sprake van een vergissing. De gecombineerde gemeente Oosterwijtwerd-Eenum had namelijk geen predikant op dat moment. Via de pastoraal werker, de kandidaat Jan ter Steege, bereikte het briefje de kerkeraad van Oosterwijtwerd en daarmee diens archief.

Een maand later kwam de aanmelding van Schaap ter sprake in de Oosterwijtwerder kerkeraad. Er werd “nogal een poosje” over gediscussieerd,

“de vergadering zag nl. graag wat meer kerkelijk meeleven van de heer Schaap en besloot dus om Schaap nog eens te bezoeken en hem aan de tand te voelen wat hem ertoe bracht om belijdenis te doen.”

Met deze weinig welwillende missie belastten zich Ter Steege en een ouderling. Terzijde zij opgemerkt dat Ter Steege later voorzitter was van de Confessionele Vereniging, een behoudende pressiegroep in de kerk die tegen de Gereformeerde Bond aanschurkte. Mogelijk zegt dit ook iets over de richting die in de kerkeraad van Oosterwijtwerd de dominante was.

Hoe dan ook, begin 1965 handhaafde de kerkeraad zijn bezwaar tegen de fakir, die in het dorp uiteraard als een vreemde vogel gold. Volgens de kerkeraad leefde hij te weinig mee met de kerk en moest hij eerst maar eens een jaartje wachten. Als hij dan wat meer medeleven met de kerk toonde, kon hij alsnog belijdenis doen.

In het vroege voorjaar vertrok de afgestudeerde Ter Steege als predikant naar Vrouwenparochie in Friesland. Het leek erop dat Anne Schaap in zijn voorlopige afwijzing berustte, want we horen er pas weer iets over in februari 1966. De provinciale kerkvisitatoren bezochten toen Oosterwijtwerd om de “kwestie” van de afwijzing, die intussen almaar voortwoekerde, “tot op de bodem” uit te zoeken. Schaap en zijn vrouw, de christelijke kinderboekenschrijfster Nettie Streef, nodigden ze met de gehele gemeente uit voor een gesprek, maar daarbij kwam er niemand opdagen. In het formele gedeelte van de visitatie – met de kerkeraad – kwamen de visitatoren (mede daarom) tot de conclusie dat de kerkeraad “volkomen correct” gehandeld had:

“Hier is geen sprake van baasspelerij, maar wij konden volkomen billijken dat men aan de heer Schaap de raad gaf nog een jaar te wachten, omdat deze slechts een zeer geringe mate van kerkelijk medeleven vertoonde.”

Volgens de visitatoren hadden Schaap en zijn vrouw teveel waarde toegekend aan de woorden van de pastoraal werker en een ouderling die Schaaps aanmelding hadden aangenomen. Alleen de voltallige kerkeraad was beslissingsbevoegd en niet slechts een commissie uit de kerkeraad. Als Schaap “inniger” met de kerk zou meeleven, had de kerkeraad geen bezwaar tegen diens toelating tot de belijdenis, aldus de visitatoren in hun brief aan mevrouw Schaap-Streef, die al wel belijdend lidmaat was en die haar man, zoals later zou blijken, “in zaken van bijbel en geloof” had “onderricht”. Een afschrift van hun brief stuurden de visitatoren aan de kerkeraad van Oosterwijtwerd, waarbij ze “vurig” hoopten dat een commissie uit de kerkeraad het echtpaar Schaap zou gaan bezoeken “om de bestaande wanverhoudingen te verbeteren”.

Dat bezoek bleef uit. Schaap legde zich niet bij de situatie neer, en deed zijn beklag bij de Provinciale Kerkvergadering, waarvan het breed moderamen (algemeen bestuur) in zijn vergadering van 13 juni 1966 de zaak behandelde. Begin die maand was een commissie uit het breed moderamen naar Oosterwijtwerd afgereisd, om in een “pastoraal gesprek” te onderzoeken of het probleem niet in der minne op te lossen viel. Dit maal echter, liet de kerkeraad nogal opzichtig verstek gaan. Zelfs toen de afgevaardigden van het moderamen bij enkele kerkeraadsleden aan de deur kwamen vragen om mee te gaan naar het huis van Schaap, bleken die daar niet toe bereid:

“…een houding die het breed moderamen ten zeerste moet afkeuren als zijnde onbroederlijk en getuigend van weinig bereidheid om gerezen geschillen in het gezin van de gemeente op een bijbels-evangelische wijze op te lossen.“

Het moderamen noemde de gang van zaken “de kerk onwaardig”. tegenover de commissie bleef Schaap bij zijn jaren eerder ingediende, en al enkele malen herhaalde verzoek. Ook waren er wat andere gemeenteleden in zijn huis, die een boekje open deden over het bestuur van hun gemeente:

“Zij beklaagden zich over liefdeloze dan wel beledigende bejegening van de kant van de kerkeraad of een lid van de kerkeraad.”

Met de wèl aanwezige consulent – een predikant die toezicht hield op de vacante gemeente – spraken de afgevaardigden van het moderamen af dat hij alles zou doen om de betrokkenen hun onderlinge grieven –“die de verhoudingen in de gemeente vertroebelen” te laten uitpraten, zodat het oud zeer zou kunnen verdwijnen. Het breed moderamen zelf wilde daar echter niet op wachten. Omdat Schaap zich “ten zeerste gegriefd en gedupeerd” voelde, zette het de zaak op scherp en vroeg de kerkeraad binnen een week te berichten of hij onvoorwaardelijk kon toestemmen in de openbare geloofsbelijdenis van Schaap.

Dat kon de kerkeraad niet en daarom kwam het moderamen in september 1966 tot de conclusie dat het “een niet meer op te lossen plaatselijk probleem” betrof. Het hakte de knoop door: Schaap kon op zondag 2 oktober 1966 belijdenis doen in de Oosterkerk te Groningen, in een dienst van de bepaald niet orthodox opererende ds. J. Matzer van Bloois, de schipperspredikant. Dat zou dan volledig onder verantwoordelijkheid gebeuren van het moderamen, dat van mening was dat de zaak ook geen verder uitstel gedoogde omdat Schaap in het ziekenhuis moest worden opgenomen.

Inderdaad deed Schaap die bewuste dag belijdenis in Groningen. Zoals gewoonlijk ging de gemeente na de schippersdienst even verderop koffie drinken in het Sophiahuis, een kerkelijk wijkgebouw aan de Sophiastraat, en daar vertoonde de fakir, die zijn spijkerbed en zijn aquarium met goudvissen mee had genomen, zijn kunsten aan het aanwezige kerkvolk. Daarbij wekte de act van het inslikken en weer uitspugen van de goudvissen nogal afgrijzen op – sommige mensen moesten er zelfs van kokhalzen en overgeven (dit vernam ik tenminste van iemand die erbij was).

Mochten de provinciale kerkbestuurders hopen dat de gekozen oplossing naar tevredenheid van de Oosterwijtwerder kerkeraad was, dan vergisten ze zich deerlijk. De kerkeraad klaagde dat hij voor een voldongen feit gesteld werd. Het had geen toestemming gegeven, integendeel, en vroeg zich af welke functie hij dan nog had.

Toen de hervormde gemeente Groningen Schaaps attestatie van lidmaatschap naar Oosterwijtwerd stuurde, zond de kerkeraad daar die verklaring dan ook meteen terug. Aan de Groninger kerkeraad schreef hij, dat Schaaps belijdenis in de gemeente Oosterwijtwerd had moeten plaatsvinden, maar dat de kerkeraad aldaar dit ontoelaatbaar achte vanwege “onkerkelijk medeleven” van Schaap “en ook zijn handel en wandel”. De kerkeraad was gepasserd door het moderamen, dat de verantwoordelijkheid op zich nam, kortom, de kerkeraad vond dat de attestatie bij hun aan het verkeerde adres gericht was en weigerde Schaap als lidmaat in oosterwijtwerd in te schrijven.

Op de vraag wat dan nog zijn functie dan nog was, kreeg de Oosterwijtwerder kerkeraad nooit antwoord. Wel beantwoordde het moderamen deze vraag met een wedervraag: welke pastorale functie de kerkeraad bereid was te vervullen voor Schaap? Nogmaals zette de kerkeraad zijn positie uiteen, maar nu wat scherper: zowel qua kerkgang als financieel leefde de fakir niet mee met de kerk en dat deed hij evenmin in zijn “dagelijkse handel en wandel”. Zo zou hij een of meerdere kerkeraadsleden niet groeten,

“maar wel uitjouwen van leugenaar, zelfs Gods leugenaars en wel aan de openbare weg.”

Als Schaap geaccepteerd werd als lidmaat en er voor het avondmaal morele censuur over de lidmaten gehouden werd, dan kon dat “wel weer eens moeilijk worden”. In zijn brief aan het moderamen rakelde de kerkeraad de hele geschiedenis nog eens op – eigenlijk achtte hij de zaak al afdoende behandeld in de allereerste vergadering met de visitatoren, die hem immers nog gelijk gaven. Als Schaap in de Oosterwijtwerder kerk wilde kerken, dan was hij daar echter welkom:

“ja als daar nog een walmende vlaspit brand, willen wij het natuurlijk graag brande[nd] houden, zelfs tot een grote vlam, maar daar moet geloof voor zijn en als dat geloof er is komt het in orde.”

In maart 1967 stuurde de Groninger kerkeraad nogmaals de attestatie van lidmaatschap op naar die van Oosterwijtwerd. De Oosterwijtwerders bleven echter onvermurwbaar, noemden de lidmaatsaanneming van Schaap “onwettig” en stuurden de attestatie per omgaande retour.

Zo kwam weer de Provinciale Kerkvergadering in beeld, waarvan het breed moderamen in een briefwisseling van mei en juni dat jaar nog eens volmondig zijn verantwoordelijkheid erkende. Dat Schaap geen lidmaat in Oosterwijtwerd kon worden, had in die gemeente echter ook een praktische consequentie:

“Als u blijft volharden in uw weigering om de meermalen van u gevraagde pastorale zorg te geven aan genoemde persoon, dan is dat uw zaak, die geheel voor uw verantwoording komt”

Nogmaals deed het moderamen een beroep op de kerkeraad om pastorale zorg aan Schaap te verlenen. Ook vond het dat de kerkeraad verplicht was om Schaap als lidmaat in te schrijven en stuurde deze daarom nogmaals de attestatie toe. Wat het moderamen betreft mocht de kerkeraad erop aantekenen dat Schaaps belijdenis voor de verantwoordelijkheid van het moderamen was. Dit keer hield de kerkeraad het stuk, althans, het bevindt zich nog steeds in het Oosterwijtwerder kerkarchief, niet alleen met de toegestane toevoeging, maar tevens met de handgeschreven notities dat er, anders dan de attestatie beweerde, wel degelijk “gegronde bezwaren” tegen Schaaps kerklidmaatschap bestonden en dat Schaap “zonder goedkeuring van de kerkeraad” belijdenis had gedaan.

De kerkeraad van Oosterwijtwerd heeft nooit pastorale zorg aan Schaap willen geven. Tussen de partijen kwam het nooit meer goed. Bijna drie jaar na de belijdenis van de fakir, op 9 augustus 1969, schreven Schaap en vrouw aan de secretaris van het breed moderamen:

“Wij vinden ons tot onze grote spijt genoodzaakt, ons lidmaatschap van de Ned. Herv. Kerk op te zeggen.”

Een copie van hun briefje ging naar de kerkeraad van Oosterwijtwerd. Dit is ’t laatste stuk in het dossier, maar wordt in de kerkeraadshandelingen niet eens genoemd.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, archief NH Gemeente Oosterwijtwerd (toegang 282), de inv.nrs. 3 (handelingen kerkeraad) en 27 (dossier lidmaatschap A. Schaap).


Jonkheer gaat met het circus mee

circus - Toulouse-Lautrec

Het waren niet alleen volksjongens als Hachek die met het circus meegingen. Dat deed ook Reneke Meinaard Adriaan de Marees van Swinderen (18571889), de zoon van een gelijknamige stad-Groninger jonkheer en notaris, en daarmee de telg uit een eeuwenoud Groninger regentengeslacht, dat ’s zomers op de Allersmaborg in Ezinge resideerde.

Réné, zoals zijn roepnaam luidde, was dan wel keurig opgeleid als jurist en netjes getrouwd met een dame uit de betere standen, maar zijn hart ging uit naar paarden, en dan niet zozeer harddravers, als wel dressuurpaarden. In het opleiden en trainen van die paarden bereikte hij ook een bepaalde faam – hij werd “als schoolruiter met eere genoemd”. Hij stak zelfs zoveel geld in zijn sport, “dat hij geruïneerd werd”. Wat zijn vader niet op prijs stelde – met die leefde hij in onmin, die gaf hem geen cent meer…

Uit armoe besloot Réné om zich professioneel met de dressuur bezig te gaan houden:

“Zijn vrouw (…) offerde haar kostbaarheden en Réné kocht drie schoolpaarden van een stoeterij in Z.-Rusland. Het waren Koneylan, volbloed schimmelhengst, schoolpaard; Wladimir, isabel Orlofhengst met manen van ruim 1 M., school- en vrijheidspaard; en Arabi Pascha, een Arabische volbloed schimmelhengst, school- en springpaard, dat o.a. een hindernis van 1.50 M. zonder aanloop nam.”

Réné en zijn vrouw bereden samen de paarden “en voerden ook een correcte Troika uit”. Zelf volgden ze nog weer lessen. Daarna namen ze als Monsieur en Madame Réné een engagement aan bij het Italiaanse circus Mariani, waar ze met “groot succes” een half jaar lang werkten, tot René een longziekte kreeg.

Zijn vrouw ging alleen door met hun nummer en werkte ongeveer twee jaar bij de circussen Mariani, Bourbonnel en Pierantoni in Italië en Zuid-Frankrijk. In Alois kreeg Réné het zo zwaar te pakken, dat hij niet langer met zijn vrouw mee kon reizen.

“Mevrouw telegrafeerde haar schoonvader. Deze toog direct naar Alois, verzoende zich met z’n zoon en beloofde hem, voor mevr. Réné te zullen zorgen. De stervende schoolrijder liet zich daarna door z’n vrouw beloven, dat zij de drie paarden zou laten afmaken, daar hij ze niet aan een ander gunde. Réné overleed — 1889 — en mevrouw telegrafeerde direct naar Montpellier, waar het circus zich bevond, dat de dieren moesten worden afgemaakt. De directeur weigerde echter gevolg aan de opdracht van mevr. te geven. Mevrouw reisde nu zelf naar Montpellier. Hier was de zaak uitgelekt en in de couranten verschenen lange artikelen pro en contra mevr. Réné. De directeur van het circus bood 25000 francs voor de paarden. Tevergeefs. De veearts weigerde de paarden te dooden. Zekeren morgen liet mevr. Réné de drie paarden buiten de stad brengen, en schoot ze zelf dood.”

Als weduwe hertrouwde ze later met ene Otto, die hoofdredacteur was van het Duitse blad Der Artist.

Bron,