Hoogkerker hork

Ongeveer 08:25 uur. Heb net boodschappen gedaan in de bijna verlaten AH aan de Zuiderweg. Loop met mijn fiets aan de hand over het trottoir langs de parkeerplaats van deze supermarkt, misschien een kleine meter van de weg af. Kerel die vanuit de tegenovergestelde richting, vanaf het spoor komt, wil zijn zwarte autootje de parkeerplaats opdraaien. Helaas voor hem loop ik in de weg. Hij staat eerst wel een fractie van een seconde stil voor de plint, maar rijdt dan ongeduldig die drempel op en daarmee op mij in. Ik voel me bedreigd en maak een schopbeweging naar zijn koplamp, bij wijze van waarschuwing en zonder die lamp te raken. Hij zet zijn auto nu wel resoluut stil, opent zijn portier, dreigt zijn auto uit te komen, besluit dat om de een of andere reden (strafblad, corona, mijn brede schouders?) toch maar niet te doen en eist verbolgen een verklaring. Als ik hem die gegeven heb, ontkent hij dat hij op me inreed en scheldt me uit voor klootzak.

Nou ja, die heeft zelfkennis, denk ik dan maar. Helaas vergeten zijn nummerbord te noteren, maar volgens mij komt hij uit de buurt.


Corona in Hoogkerk

Viskraam, Zuiderweg:
DSC03020 (1) corona visvoer Zuiderweg Hoogkerk
Inrit aan de Kerkstraat:
DSC03479 corona Kerkweg Hoogkerk
Tegenover Woonzorgcentrum ‘Gabriël’, Zuiderweg:
DSC03483
Bij bouwplaats BAM, Aduarderdiepsterweg:
DSC03486 corona


Reclame langs de weg in Hoogkerk

Neon van Bolt visbakkerij. Reconstructie: Hanneke Perton.

Heb ooit eens alle reclamevergunningen van de gemeente Hoogkerk van 1957 tot en met 1968 doorgenomen. In totaal ging het om 54 stuks. Tot 1962, het jaar van de loongolf, ging het om gemiddeld 2 per jaar, daarna om 6 per jaar. Dat de mensen meer te besteden hadden, vertaalde zich dus op lokaal niveau in een verdrievoudiging van de reclame (borden, neons, fietsenrekken, automaten) die er langs de weg te zien was.

De ruimtelijke spreiding:

Hoendiep 17
Zuiderweg 15
Middenweg 4
Julianaweg 4
Reddingiusweg 3
Kerkstraat 2
Verbindingstraat 2
Nijverheidsplein 1
Fabriekslaan 1
Peizerweg 1
Adres onbekend 4

Er viel dus nog wat meer reclame te zien aan het Hoendiep, dan aan de Zuiderweg. Maar op de Zuiderweg zat die veel dichter bij elkaar. Buiten deze verkeersaders stelde het allemaal weinig voor.

Voor tabaksreclame werd het vaakst een vergunning aangevraagd (8x), daarna kwamen de kruideniers en supermarkten (6x). Ook voor alcohol (5x), verf (5x), spaarbanken (5x) en auto’s en autobanden (4 x) vroeg men wat vaker reclamevergunningen aan, dan voor andere zaken.

Aan de hand van de ontwerpjes in de dossiers zou je een stukje van het straatbeeld kunnen reconstrueren. Vaak zijn die ontwerpjes nog zwartwit, waarbij de kleuren wel worden aangegeven. Bovenstaande lichtbak was van de visbedrijf Bolt, dat volgens het Handelsregister van 1965 tot 1975 heeft bestaan.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 1248 (archief gemeente Hoogkerk) inv.nrs. 1703 en 1704.


Hoogkerk is een stadswijk

Sinds de verbouwing, een maand of wat geleden, heeft de AH te Hoogkerk dit hybride ‘dorps- en stadsgezicht’ op een wat duurzamere en duurdere boodschappentas staan, waarvan de voorstelling tevens in het groot te aanschouwen is bij zijn koffiehoek.

Centraal staat de AH zelf, met de nieuwe ingang en wat vrolijk lachend groente en fruit. Links de brug van Hoogkerk, maar dat is het dan ook, qua couleur locale.

Links is het peerd van ome Loeks bij het stad-Groninger Hoofdstation weggeplukt,  terwijl rechtsachter de eveneens stedelijke Martinitoren staat met, als ik me niet vergis, de Burger Hoofdwacht die sinds de bevrijding al weg is. Ook de DAF, het blauwe autootje rechts, ziet men thans niet meer zo vaak.

Het gekke is: ik heb nog geen ouwe Hoogkerker horen protesteren tegen dit amalgaam. Het afgedwongen samengaan van Hoogkerk met Stad (1969) wilde anders nog wel eens pijnpunt zijn waar je niet op moest drukken. De brede acceptatie van het tafereel op de boodschappentas van de Hoogkerker AH toont aan, dat de rouwperiode eindelijk voorbij is. Hoogkerk heeft zich met de situatie verzoend. Hoogkerk is een volwassen stadswijk geworden.


Verkeer in Hoogkerk veranderde sterk in een paar jaar tijd

J. Bulthuis, Tolhuis Hoogkerk, 1772 (uitsnede), Linksvoor het Hoendiep, rechtsvoor de trek- of rode weg en het bruggetje over het hier beginnende Kliefdiep, Daarachter het tolhuis met uithangbord en het tolhek. Linksachter de kerk van Hoogkerk in het westen. Collectie Groninger Archieven 1173-99-102.

Bij de bocht in de rode weg langs het Hoendiep stond het tolhuis van Hoogkerk en de boer Barteld Harms Staal pachtte die tol voor 820 gulden per jaar. Na zijn dood ging zijn weduwe Marieke Bierling daarmee door. Telkens kon ze aan haar verplichtingen voldoen en betaalde de tolpacht keurig op tijd aan de provincie, die van het geld de bepuinde trekweg langs het Hoendiep onderhield. Maar in 1802 en 1803 merkte Marieke dat de tolgelden die ze ontving aanmerkelijk terugliepen. Ze noemde tegen de heren van de provincie drie oorzaken voor die teleurstelling. Ten eerste werd de terugloop in haar inkomsten

veroorzaakt door de sterke en aanhoudende droogte, welke in die beide jaaren plaats gehad heeft, waardoor de trekpaden zeer weinig zijn gebruikt geworden

Het staat er niet bij, maar door die droogte gingen veel voetgangers aan de overkant van het Hoendiep lopen, waar de dijk in normale jaren veel minder goed begaanbaar was dan de trekweg.

Ten tweede was het zo, aldus Marieke

dat den zogenaamde Drentsche Laan, bevorens bijna geheel onbruikbaar, door het verbeteren en geheel in order brengen van dezelve tot eene bruikbaare weg is gemaakt en vandaar thans tot eene gewoone passagie naar zommige plaatzen in het Landschap Drenthe gelegen, welke voor dezen door Hoogkerk plaats had, wort gebruikt.

Marieke doelde hier op wat nu de Peizerweg heet, in de achttiende eeuw nog praktisch onbegaanbaar en min of meer doodlopend bij het Porrenhuis. Mensen die naar Noord-Drentse plaatsen als Roderwolde, Roden en Peizxe wilden, gingen daarom langs het Hoendiep en dus langs het tolhuis, en verder via Vierverlaten en de Roderwolderdijk. Sinds die Drentsche Laan opgeknapt was, verloor ze dus de klandizie van die mensen. Niet alleen als tolbetalers, maar ook als verteerders, want zowat in elk tolhuis kon je ook iets drinken.

Ten derde speelde het Marieke parten dat er noordelijk van Hoogkerk, waarschijnlijk op de plek van de vroegere Woldtil, een nieuwe brug over het Kliefdiep was gelegd,

welke voor het tegenwoordige de gewoone passage is, daar dezelve bevorens niet anders gebrukt wierde als door diegeene, welke aldaar zeer kundig was,

Voordat die nieuwe (klap)brug er kwam, gingen alle andere mensen nog langs het Hoendiep, waar ze Marieke tol betaalden. Nu was dat dus niet meer zo en maakten velen een omweg langs de Legeweg.

Om alle drie deze redenen wilde Marieke graag kwijtschelding van tolpacht. De heren verwezen haar wat vaag door naar de plek waar ze moest zijn en of ze die kwijtschelding kreeg, zal ik een andere keer eens nagaan. Intussen laat haar verzoekschrift echter goed zien, hoe grondig destijds in een paar jaar tijd de verkeersstromen in Hoogkerk en omgeving veranderden. Als oostwestroute kreeg de rode weg langs het Hoendiep concurrentie van de Legeweg en de Drentsche Laan, naar het zich laat aanzien zeer ten koste van de tolpachtster.


Iets loos in Hoogkerk?

Kwam op mijn avondrondje langs het Hoendiep en er haalden me twee politiewagens in. Op de Hoogkerkerbrug stond nog een derde op ze te wachten:

Terwijl er op de hoek van de Kotterstraat een vierde bijkwam uit de tegenovergestelde richting:

Waarvoor deze vrij zware inzet nodig was, bleek niet. Wel lagen bij de spoorwegovergang een aantal markeringsborden omver. Maar verder zag ik geen vervelio’s en was het gewoon rustig in de buurt. Misschien wilde men iemand oppakken?

(De foto’s zijn uit de losse pols vanaf de fiets gemaakt, vandaar de onscherpte.)


Een dure haas in Hoogkerk

Op 18 april 1804 kreeg de drost van het Westerkwartier van de fiscaal of aanklager te horen, wat die aan de weet was gekomen over Hindrik Jans te Hoogkerk, “wegens het schieten van een haas aldaar”.

De drost gaf de fiscaal toestemming om deze Hindrik Jans èn de watermulder Albert Katoen te dagvaarden voor de volgende rechtdag, zodat beiden hierover nader aan de tand konden worden gevoeld.

Een week later bleken Hindrik Jans en Albert Katoen inderdaad aanwezig. Geconfronteerd met de bevindingen van de fiscaal, bekende de eerste “alsnog” op zondag 8 april een haas te hebben geschoten in het dorpsgebied van Hoogkerk. De drost veroordeelde hem tot drie boetes, op basis van evenzoveel bepalingen in het jachtreglement, namelijk: ƒ 25,- voor het jagen zonder jachtakte of -vergunning; ƒ 50,- voor het jagen in gesloten tijd (1 januari tot 22 september); en nogmaals ƒ 25,- voor het jagen op een zon- of feestdag. Al met al dus maar liefst 100 gulden, waar de verbeurdverklaring van het jachtgeweer nog bij kwam.

Van dat bedrag kon een arbeider acht maanden leven. Een boer had het wellicht nog wel in huis, maar bij een arbeider was dat vrijwel uitgesloten. Hoe dan ook, Hindrik verklaarde het bedrag “praesentelijk” niet te hebben en kreeg daarom veertien dagen uitstel van betaling.

Wat betreft de tweede verdachte, Albert Katoen – hij werd ervan beschuldigd dat hij de gestroopte haas bij hem thuis had laten “praepareren en consumeren”. De watermulder hoefde  geen boete te betalen, maar kreeg van de drost de zeer ernstige aanbeveling om zich voortaan “zorgvuldig te onthouden van zulke ongeregeldheden”.

Hindrik Jans viel niet nader te identificeren, er woonden wel vier van die naam in Hoogkerk. Watermulders daarentegen, waren er maar twee – een op de Zuidermolen de andere op de Noordermolen (of Oude Held). Albert Katoen bediende waarschijnlijk de laatste. De dure haas werd dan waarschijnlijk geschoten in het gebied bij het Klijfdiep tussen de Kerkweg en het Aduarderdiep, waar ook nu nog veel hazen rondlopen..

Bronnen:
RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 610: criminalia, die van 18 en 25 april 1804.

Publicatie van het Departementaal Bestuur van Stad en Landen van Groningen, houdende het provisioneel reglement op de jagt en visscherye in gemelde departement. Gearresteerd den 31 augustus 1803, art. 17, 28, 31.


Dementerende Hoogkerker verzoekt zelf om curatele

In 1870 was de gemiddelde levensverwachting in Nederland en België ongeveer 40 jaar. Op dat moment werden er al ontsmettingsmiddelen (met name chloorkalk) toegepast en bestond er ook al tientallen jaren (een nagenoeg algemene) inenting tegen de kinderpokken. Ruim een halve eeuw eerder, in de periode 1800-1815, moet de levensverwachting dus nog een stuk lager hebben gelegen, zeg 30 jaar.

Een klein onderzoekje onder de 45 overledenen van Hoogkerk tussen september 1811 en eind 1813 laat zien dat die verwachting waarschijnlijk nog lager was. De gemiddelde leeftijd van overlijden bleek hier destijds 23,7 jaar.

Twee op de vijf Hoogkerkers stierven als klein kind, onder de vijf jaar. Nog eens één op de vijf deed dat tussen zijn vijfde en twintigste. De meeste mensen – drie op de vijf – werden dus niet eens volwassen. Als je twintig werd, had je de meeste van je leeftijdgenoten al overleefd.

Daarna braken er wat minder hachelijke levensjaren aan. Een relatief geringe sterfte bestond er namelijk bij mensen ‘in de kracht van hun leven’, zeg tussen hun twintigste en vijftigste. Maar – slechts een kwart van de Hoogkerker overledenen haalde de vijftig. Geen wonder dus dat Elke Karsten, een weduwe op de Holm onder Tolbert, met haar 67 jaar in 1807 een “hoog bejaarde vrouw” genoemd werd.

Hoewel mensen, als ze hun kinderjaren en jeugd overleefden, dus een tijdlang minder bevattelijk waren voor ziekte en dood, overleden er toch nog relatief veel meer ouders van kleine kinderen dan vandaag de dag. Vandaar de uitgebreide arrangementen om (half)wezen te beschermen als een overlevende ouder hertrouwde, of als beide ouders overleden waren. Ik schat dat ongeveer de helft van alle rekesten in het Groningerland van voor 1811 te maken heeft met de voogdij over zulke kinderen.

Een ander effect van het vroegtijdige doodgaan, bijvoorbeeld aan kinder- of infectieziekten, was dat bepaalde ziekten waar wij tegenwoordig veel mee te maken hebben, toen veel minder voorkwamen. Maar ook al waren deze ziekten relatief zeldzaam, ze waren vaak wel bekend.

Zo had de hoogbejaarde Hoogkerker Harm Hindriks in 1804 vast wel een idee wat hem te wachten stond. Aan de drost van het Westerkwartier vertelde hij, dat hij gemerkt had,

dat door ouderdom, als hebbende reeds 84 jaren bereikt, niet alleen zijne lichaams- maar ook zijne zielsvermogens zeer verswakken, zodanig dat remonstrant somtijds niet weet wat hij voor een paar uuren en veel min den vorigen dag gezegt of gedaan heeft, en daardoor in gevaar geraakt van in het bestuur zijner zaken verkeerde stappen te begaan…

Met andere woorden – Harm was aan het dementeren, maar was zich daar terdege van bewust. Daarom wilde hij, na overleg met zijn kinderen, dat er door het gerecht curatoren over hem zouden worden aangesteld, aan wie hij “de administratie zijner goederen” kon overlaten. Het verzoekschrift tekende hij met een kruisje in aanwezigheid van twee getuigen.

Binnen vier dagen was de zaak beklonken. In een hoorzitting bevestigden Harms zoon Hindrik Harms en drie schoonzonen dat

Het noodzakelijk en tevens aller kinderen begeerte was , dat de oude man, door lichaamszwakheden en hogen ouderdom niet meer in staat zijnde zijne zaken te beheren, onder curatele werde gesteld.

Wat Harm ten overvloede nog eens beaamde, terwijl hij eraan toevoegde

Dat hij nog onlangs op het punt geweest was, van een zeer nadelig contract over zijn plaats te perfecteren.

Overigens hadden de kinderen wel al hun moederlijjk erfdeel van hem uitgekeerd gekregen, zo zeiden ze desgevraagd (dus tegen die verkoop of verpachting van zijn plaats hadden ze althans formeel geen bezwaar kunnen maken).

De familie leverde zelf geen bewindvoerders – eendrachtig droeg ze Jannes Rotgers en Pieter Jans Leutscher, “zijnde beide naburen der remonstrant”, als curatoren voor. Deze buurmannen hadden een paar dagen eerder ook al Harms inleidende verzoekschrift getekend. Zij zouden zo spoedig mogelijk worden beëdigd.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia, 3 juni 1807 (Elske Karsten); inv.nr. 724: rekesten 27 en 31 mei 1804; inv.nr. 766: commissieboek, 30 mei 1804.


Bushalte Hoogkerk

Bushalte tegenover Woonzorgcentrum de Gabriël en de dokterspost Ruskenborg, Zuiderweg Hoogkerk, hedenochtend. “Laat die bejaarden en patiënten maar lekker inde gure oostenwind staan”, moet de vervelio hebben gedacht, die dit aanrichtte.


Rondjes Hoogkerk en Leegkerk

Vanmiddag – vikingenkamp aan de Johan van Zwedenlaan:

Ruskenveense Plas met bui uit het noordwesten:

Zwanenfamilie in tochtsloot:

Vanavond – Mebin aan de Aduarderdiepsterweg:

Gezicht vanaf de Tichelwerkbrug:

Bij Leegkerk:

Bij Leegkerk:

In het oosten trekt het dicht:


Buxusmot nu ook in Hoogkerk

Dit vlindertje had ik nog niet eerder gezien. Het blijkt de buxusmot. Een invasieve soort – een jaar of twaalf kwamen de eerste over uit Korea om zich vol te vreten aan de buxushaagjes, die nu zo in de mode zijn in tuinen.

Volgens een nieuwsbericht van de Vlinderstichting kwam hij vorig jaar ten noorden van de IJssel nog niet zoveel voor. Sporadisch in Overijssel, Drenthe en Friesland, alleen wat meer in Oost-Groningen. Ten westen van de stad Groningen echter nauwelijks. Dat lijkt nu te veranderen.

Het beestje heeft geen natuurlijke vijanden. Men hoopt nu dat kauwen, kraaien en mezen het als voedsel gaan zien. Ik weet niet, buxus is giftig, de rupsen van de vlinder zullen immuun zijn voor dat gif, maar dat geldt toch niet voor de jongen van genoemde vogels die dat gif via de rupsen binnenkrijgen. Als al die jongen doodgaan, overleven op den duur alleen de kauwen, kraaien en mezen die vies van buxusmotten zijn. Hoe zou dat eigenlijk in Korea zijn gegaan?

 


Rondje Hoogkerk

Mini-landschap met droogvallende rivier en bergmassief bij de vloeivelden van de suikerfabriek aan de Roderwolderdijk:

Oud toegangsbord van autosloperij, in verband met tweede vestiging gereviseerd tot richtingaanwijzer, naderhand nog voorzien van niet bijpassende H, Aduarderdiepsterweg:

Gezicht vanaf het Aduarderdiep op kerk, kerkhof en kosterij van Leegkerk:

Langs het spoor staan vanaf de Zuiderweg nu opeens allemaal roodwitte hekjes. Dat is in verband met de aanstaande spoorverdubbeling. In de verte zie je het viaduct in de Johan van Zwedenlaan, nog verder weg het DUO-gebouw in de Stad:


Ommetje Hoogkerk – Stadspark

Kopstaartbotsing op de Zuiderweg, Hoogkerk, bij de wijk Ruskenveen:

Verhuisbericht, achteringang Stadspark bij de Peizerweg:

Een tevreden roker, ingang volkstuincomplex bij achterlaan Stadspark:

Zonder reflectoren rijden ze rechtdoor, hier:

Geen waaghalzen, laat staan Avercamptaferelen op de Stadsparkvijver. Gezien de zwarte plekken bij de wal zijn hier intussen meerdere mensen door het ijs gezakt:

Ingang stadsnomadenkampje, viaduct Johan van Zwedenlaan bij het spoor:

Veranderd stadssilhouet: Martinitoren met het Forum:

Westerhavenflat? met DUO-gebouw:


Groeten uit Hoogkerk

IJspatronen op de sloot, ’s morgensvroeg:

Ruskenveense Plas:

Aan het eind van het wak:

De bietenwagens rijden ’s avonds nog af en aan, de suikercampagne duurt voort:


Veldwachter Hoogkerk was “grote slappeling met een brutale mond”

Burgemeester Tjaberings, ca. 1930. Collectie RHC Groninger Archieven 818-23245.

Op 1 maart 1940 was burgemeester Tjaberings van Hoogkerk er wel klaar mee. Hij voelde zich gedwongen de Commissaris der Koningin op de hoogte te stellen van zijn ongenoegen over de gemeenteveldwachter W.H.J. van de Vlasakker.

“Deze man brengt te pas en te onpas op vaak ergernis verwekkende wijze zijn ontevredenheid over zijn functie naar voren”, aldus burgemeester Tjaberings. Voortdurend straalde Van de Vlasakker onwil uit bij zijn werk als politieman en gemeentebode:

“De geringste opdracht wordt door hem met klaarblijkelijke tegenzin in ontvangst genomen en in dezelfde geest uitgevoerd. Bij herhaling – ja, tot vervelens toe – heb ik hem mijn misnoegen daarover kenbaar gemaakt en nu en dan berispt. Dit heeft enkele malen tot gevolg gehad dat mij dan van zijn zijde een zeer brutale bejegening te beurt viel. Daarbij komt hij mij met waarschuwende vinger toeroepen: “Denk aan Nieuwolda”, alsof ik daar niet met ere het burgemeestersambt zou hebben bekleed.”

Die verwijzing naar Nieuwolda sloeg waarschijnlijk op de slaande ruzie die burgemeester Tjaberings er met de gemeentearts Wenniger had gehad, in 1929. Van de Vlasakkers vrouw kwam uit Nieuwolda, het lijkt erop dat hij jaren na dato nog eens partij koos voor de dorpsdokter, hoewel die uiteindelijk veroordeeld was wegens mishandeling. In elk geval wenste Tjaberings een dergelijke bejegening van zijn ondergeschikte niet meer te ondergaan,

“al zal de zweep af en toe over dezen ambtenaar moeten blijven knallen!”

Tjaberings vertelde de Commissaris vervolgens hoe hij de veldwachter meermalen de deur van zijn werkkamer had gewezen. Hij had deze vuile was veel liever binnenshuis (en dus in het gemeentehuis van Hoogkerk) gehouden, maar nu was de grens bereikt. Van de Vlasakker had hem namelijk toegevoegd,

“…van de eerste dag mijner komst alhier – 15 juli 1931 – al een hekel aan mij te hebben! Doordat hij gehuwd is met een vrouw uit mijn vorige gemeente Nieuwolda, wist hij wie hier kwam, nl. een burgemeester die staat op handhaving van orde en gezag en die van de ambtenaren nauwgezette plichtsbetrachting eist. De wethouders die ik hier ontmoette – en die ik nog heb – leidden mij dezen beambte in als te zijn een grote slappeling met een brutale mond, die n.b. over mijn ambtsvoorganger den baas zou hebben gespeeld! Een man die altijd kankerde en niets presteerde, als iemand voor wien niemand in de gemeente ook maar enig respect had.”

Tjaberings had de veldwachter in 1931 al bij hun kennismaking gezegd wat hij van een politieman verwachtte,

“nl. flinkheid, betrouwbaarheid, tact, ijver, beschaafd optreden, alsmede nauwgezette plichtsbetrachting. Zulke ambtenaren zouden aanspraak maken op mijn waardering.”

Hij ervoer sindsdien echter dat het bij Van de Vlasakker “aan al deze dingen wel erg mangelt”. Bijgevolg had hij “niet de geringste waardering” voor de man. Volgens hem waren de opeenvolgende rijksveldwachters die in Hoogkerk naast de gemeenteveldwachter opereerden, dezelfde mening toegedaan. Ze negeerden hem zo veel mogelijk omdat ze beu waren van zijn voortdurende gekanker. Bij het onderzoek naar een moordzaak in Leek, waarvoor de verhoren deels in het gemeentehuis van Hoogkerk plaatsvonden, wilde de rechter-commissaris Van de Vlasakker er ook niet bij hebben, omdat hij de gemeenteveldwachter niet vertrouwde.

Verschillende hoge omes bij de Groninger politie hadden ook tegen de burgemeester verklaard dat ze in 1924 blij waren geweest dat Van de Vlasakker opkraste naar Hoogkerk. Ook in Groningen stond Van de Vlasakker al bekend als een “aarts-kankeraar” die “het hele politiecorps verkankerde”, aldus de burgemeester. Die ook nog even wees op een brief uit 1935 aan de toenmalige Commissaris, waarin hij al een negatief oordeel over Van de Vlasakker uitsprak.

“De man haakt naar wachtgeld of pensioen. En wie dat doet, heeft überhaupt al geen hart meer voor zijn functie.”

Tjaberings verzocht de Commissaris dan ook om Van de Vlasakker op het matje te roepen voor een disciplinaire maatregel.

Hoe het in het dossier kwam, is onduidelijk, maar dat bevat ook nog een brief uit 1929 van de vorige burgemeester van Hoogkerk. Deze brief rept van conflict tussen Van de Vlasakker en de Laagspanningsnetten, het stroomdistruibutiebedrijf voor Groningen en Drenthe. Omdat de veldwachter de elektriciteitsmeter niet vertrouwde, betaalde hij de rekeningen niet, zodat het elektriciteitsbedrijf hem had willen afsluiten. Maar de veldwachter liet de mensen van het stroombedrijf niet toe op zijn grond, ook niet nadat hij daartoe gesommeerd was door de toenmalige burgemeester, die vond dat zo’n handelswijs voor een veldwachter geen pas gaf. Hoe die affaire destijds afliep, blijkt helaas niet uit deze wat oudere brief. (Waarschijnlijk met een sisser.)

Op 12 maart 1940 besloot de Commissaris der Koningin inderdaad om  de veldwachter van Hoogkerk op het matje te roepen, zo blijkt uit een kladversie van een briefje aan de burgemeester van Hoogkerk. Van het eigenlijke gesprek tussen de Commissaris en de veldwachter zijn op hetzelfde blad papier nog wat gespreksnotities genoteerd.

Van de Vlasakker bleek er 32 dienstjaren op te hebben zitten en had naar eigen zeggen “nooit iets gehad”. Sinds 1924 (toen hij dus uit Groningen overkwam) stond hij al in Hoogkerk. Met de vroegere burgemeester had hij “nooit ernstig geschil” gehad, beweerde hij tegen de Commissaris. De zaak van 1929 met de Laagspanningsnetten was “niet zijn schuld’, hij was toen niet eens voor de Commissaris geroepen. En dan volgt er nog iets waaruit een beetje toegeeflijkheid en zelfinzicht blijkt:

“zegt in zenuwachtigheid door de slechte verhouding wel eens een onvertogen woord, dat beter ongezegd kon blijven.”

Ik denk dat dit laatste hem wel eens gered kan hebben. Hoewel de Commissaris nog een drietal mensen over de kwestie wilde spreken, gebeurde er niets. In elk geval werd Van de Vlasakker niet ontslagen als gemeenteveldwachter en -bode van Hoogkerk. Terwijl burgemeester Tjaberings in 1941 naar Wynbritseradeel in Friesland ging, kreeg Van de Vlasakkers namelijk pas in 1943 ontslag, en dat eervol. Hij had toen nog geen veertig dienstjaren op zitten, dus hij zal niet het volle pensioen hebben gekregen. Mogelijk ging hij er nog iets naast doen, maar wat is onbekend. Hij overleed in 1962 te Groningen op 72-jarige leeftijd.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1152 (kabinet CdK) inv.nr, 190: brieven over eerste halfjaar 1940, met name het bundeltje met als bovenliggende stuk de minuut van de uitgaande brief van de CdK aan de burgemeester van Hoogkerk d.d. 12 maart 1940.