Rondje Kloosterburen

Leegkerk:

Bij de Nieuwbrug:

Bij Warfhuizen in de buurt, meen ik:

Industrieel monument, Wehe:

Broek en het Broekster- of Wierhuistermaar:

Bij Hornhuizen: art déco dampaal:

Bij Hornhuizen, sluitsteentje met koe:

Vreemde structuren in sloten door de snelle dooi:

Kloosterburen, ornament van keramiek, ongetwijfeld van Anno Smith:

Bij Kloosterburen:

Dorpsgezicht Hornhuizen:

Leens:

Jugenstil topgeveltje, oostkant Leens:

Iets ter herdenking van Ede Staal, ook daar:

Buizerd bij Roodehaan:

Fransum:


Een nieuwe duivenslagpoort bij Pabema

Zag gister tot mijn verbazing dat er een nieuwe duivenslagpoort is neergezet bij de Pabemaheerd, aan de Zuiderweg tussen Enumatil en Zuidhorn. Eerder werd daar al een nieuwe gracht gegraven, waarin een dam als nieuwe erfopgang werd neergelegd. De duivenpoort of doefkaast staat daar geheel volgens het boekje op, met een nieuw gesmeed ijzeren toegangshek tussen de stijlen.


De duivenslagpoort van Pabema lijkt gemodelleerd naar het exemplaar bij boerderij Welgelegen op het terrein van Verhildersum.

Ooit was Groningen, in samenhang met alle akkerbouw, de “duivenprovincie bij uitstek”. Tonko Ufkes, van wie deze kwalificatie afkomstig is, telde hier voor 1880 bijna evenveel duiventillen als in de rest van Nederland. Er waren toen 181 stuks hier, die huisvesting boden aan ruim 24.000 paren duiven, elk paar goed voor 6 à 8 jongen per jaar. Deze duiven waren vooral bestemd voor de consumptie en vormden een aardig inkomstenspostje.

De eigenaars waren destijds voor het gros grote boeren, naast een handjevol jonkers en predikanten. Dat kwam zo’n beetje neer op de groepen die hier vanouds grootschalig duiven mochten houden, want in de Ommelanden van voor 1795 was dat voorbehouden aan eigenaars van edele heerden, dus eigenerfden en jonkers.

Bij de grotere boerderijen zijn er echter nauwelijks duivenslagpoorten bewaard gebleven. Er staat nog een bij Vinckersum in Schildwolde, een van baksteen uit 1659. Mogelijk bevindenzich ook nog duivenpoorten bij boerderijen in Ulrum, Hornhuizen, Uithuizen en Nieuwolda. Bij borgen zijn ze meestal gelijk met de borg verdwenen, maar  bij de Nienoord (Leek) en Verhildersum (Leens) staan ze er nog, als het goed is. Bij de Fraeylemaborg (Slochteren) heb je bovendien nog een onbewoonde til.

Een exemplaar van de heerd ‘Op de Borg’ onder Wirdum, in 1779 al genoemd, ging na een boerderijbrand in 1932 naar het Openluchtmuseum in Arnhem, maar is in de oorlog verloren gegaan. In 1947 verrees er al een replica, die echter weer spoorloos verdween toen er in 1970 een nieuwe toegangspartij kwam.


Bron: Tonko Ufkes, ‘Duivenslagpoorten bij boerderijen’, Stad & Lande 12-2 (2003) 14-20.


“Dag Harry, dit is jouw dag”

Ik fiets door Hornhuizen naar het westen en ontwaar op de kop van de weg een groot bord met mijn naam erop en eronder de wens “Forever!”. Laat me zeggen dat ik niet ongevoelig ben voor een dergelijke boodschap.

Het bord stond opgesteld naast Wongema, de plaatselijke herberg, die nogal aan de weg timmert. Voor de toegangsdeur bevond zich nog een tweede bord: “Dag Harry, dit is jouw dag”.

Vreemd, dat ze mij hier niet eerder hiervan op de hoogte hadden gesteld. Zouden ze, zo vroeg ik mij af, hier gratis maaltijden verstrekken aan de Club van Harries, waarvan ik een toekomstig erelid ben?

Eerst maar even in de kerk gaan kijken, besloot ik. Maar daar trof ik bij de deur een minder leuk bericht aan: de kerk was wegens een begrafenis dicht voor monumentendagjesmensen. Nu kreeg ik ook door waarom er zoveel auto’s rondom het kerkhof geparkeerd stonden. Er bevond zich zelfs een plat wagentje voor het kerkpad – daarop was de kist gebracht, realiseerde ik me. Door de kier van de deur hoorde ik een populaire melodie zingen, blijkbaar was de uitvaartdienst net volop aan de gang.


Dan maar meteen naar de kroeg. Vrolijk vanwege het warme welkom stapte ik binnen: Houden jullie een reünie van de vereniging voor Harry’s? De man achter de toog nam me op en legde me wat korzelig uit dat dit ter ere was van de man wiens uitvaart schuin er tegenover net aan de gang was, namelijk Harry. Het ging om een in Hornhuizen bekende en populaire dorpsfiguur, begreep ik en de man achter de toog verwachtte na de begrafenis grote drukte in zijn zaak. Als ik een kop koffie wilde, kon ik die nog wel krijgen, maar een tosti zat er niet in. Ik bedankte voor het aanbod, mompelde dat ik het begreep en taaide af.

Buiten stapte ik op mijn fiets en nam nog een fotootje van Wongema. Bij de kerk stond nog steeds het lege platte wagentje te wachten op zijn vracht: de Hornhuister Harry. Een man met een boerenpet knetterde op een ouderwetse buikschuiver voorbij. Even later zag hem langs de weg naar Ulrum praten met de chauffeur van een vrachtwagen vol stro.

Achteraf verbaas ik me over de aard van het rouwbetoon bij Wongema. Gelukkig was het mijn dag nog niet.


Hoe Geert Perton soldaat werd

Onlangs werd ik op een middag naar de studiezaal geroepen, want meneer Wortelboer had iets voor me gevonden. Het bleek te gaan om het contract van plaatsvervanging dat mijn overgrootvader in 1886 afsloot.

Over die Geert Perton (1864-1949) heb ik hier al eens verteld dat hij zelf van de militaire dienstplicht vrijgesteld was wegens broederdienst, en dat hij als remplaçant de plaats innam van iemand die ingeloot was maar niet in dienst wilde. Ooit heb ik wel gezocht naar hun contract van plaatsvervanging, maar dat niet kunnen vinden. Je zoekt zoiets ook niet gauw bij een stad-Groninger notaris als de dominante contractpartner uit De Marne en de andere partner uit het Oldambt komt. Maar nu kwam het contract dus toch tevoorschijn, dankzij Wortelboer.

Wortelboer had bij zijn archiefonderzoek al veel van zulke contracten onder ogen gehad – volgens hem was het op zich niet zo héél bijzonder. Inderdaad bleken de bepalingen zo algemeen, dat de stadse notaris kon volstaan met een voorbedrukt formulier, waarop hij de benodigde gegevens handmatig invulde.

Omdat geen van beide contractpartners meerderjarig was, werden zij vertegenwoordigd door afgezanten van de ouderlijke macht. In het geval van Geerts vader was dat de zaakwaarnemer Jacob Wetsema uit Scheemda en wat betreft de boerenzoon Pieter Bouma uit Ulrum ging het om diens voogd, een boer uit Hornhuizen. Bemiddelaar Wetsema, oorspronkelijk uit Winsum, had een zuster in Ulrum wonen – zo was het contact waarschijnlijk ontstaan. Beide partijen kwamen dan overeen dat Geert, in de overeenkomst schoenmaker genoemd, als Pieters plaatsvervanger zou dienen door het vervullen van diens militaire dienstplicht. Hiermee verdiende Geert 350 gulden (anderhalf maal het jaarinkomen van een Oldambtster landarbeider), hem na zijn afzwaaien te voldoen op 1 mei 1889, dus ruim drie jaar na het ingaan van het contract. Opmerkelijk is nog, dat Geert deze overeenkomst tekende als G.E. Perton, terwijl hij officieel alleen als Geert Perton te boek stond. Blijkbaar was de vroegere gewoonte om zich met een patroniem (zoonvadernaam) aan te duiden, in zijn geval nogal hardnekkig.

Geerts astma vormde geen reden om hem medisch af te keuren. Ook vormde zijn strafblad geen beletsel. En dus verving hij de Ulrumer boerenzoon daadwerkelijk, en wel bij het eerste regiment veldartillerie, waarvan de kanonnen natuurlijk nog door paarden werden voortgetrokken. Later zou hij zich zijn Utrechtse diensttijd met genoegen herinneren: “’s Mörgns as deur’n opengong’ng frensd’n peerd’n aal”. In die herinnering manifesteerde zich de landarbeiderszoon, die hij was.

Inderdaad moet Geert zijn remplaçantenvergoeding op 1 mei 1889 hebben ontvangen. Drie weken later trouwde hij immers met Antje Tuin, mijn overgrootmoeder, waarna ze zich vestigden in Oostwold.

Bron:
RHC Groninger Archieven, Toegang 1869 (archief notaris R.A. Quintus, Groningen) inv.nr. 617, akte 1886-115 (22 april 1886).


Kinderen die men Moeder noemt

het-kind-genaamd-moeder

Bij het doornemen van de Oldambtster rekesten stuitte ik weer eens op de meisjesnaam Moeder. Een voornaam die heel verwarrend is, als je hem voor het eerst tegenkomt: het kind krijgt als het ware een volwassen functie toegedicht. Reden om nu eens te kijken wanneer en waar deze voornaam in zwang was.

Heden ten dage is de naam uitgestorven. In Drenthe kwam hij niet voor, in Friesland juist wel, maar sporadisch: 18 maal in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, maar daarvoor juist niet. Met zijn 85 dopen en geboorteaangiften van de zeventiende tot en met de negentiende eeuw lijkt Groningerland niet alleen de oudste papieren te hebben, maar is de naam Moeder vooral ook Gronings. Ook al hield hij het hier minder lang vol dan in Friesland.

Verdeeld naar halve eeuwen ziet de frequentie van de Groningse vernoemingen er zo uit:

Voor 1650

2

1650-1699

29

1700-1749

38

1750-1799

12

1850-1849

1

1850-1899

3

Omdat het aantal bewaard gebleven doopboeken uit de zeventiende eeuw veel kleiner is dan dat uit de achttiende, zal het werkelijke aantal Moeders toen veel groter geweest zijn. Best mogelijk dus, dat het hoogtepunt in de eerste helft van de achttiende eeuw in werkelijkheid al een neergang impliceert. Vanaf die tijd is er werkelijk een neergang geweest, tot de naam in de twintigste eeuw uitstierf.

Alle Groninger Moeders zijn hieronder met kruisjes bij hun doop- en geboorteplaatsen in kaart gebracht:

meisjes-die-moeder-heten-spreiding-blogversie

Het kerngebied is duidelijk het Oldambt, vooral op de grens van klei en veen. Er is een uitstraling naar noordelijk Fivelingo en Hunsingo, De stad Groningen bracht een stuk of wat Moeders voort, het Gorecht een enkele. In Westerwolde en het Westerkwartier was de naam non-existent.

Zoomen we nog even in op de plaatsen met de hoogste frequenties:

Meeden 15
Noordbroek 8
Beerta 6
Finsterwolde 4
Veendam 4
Hornhuizen 4

Zowel Noordbroek als Beerta kende ooit een vrij forse doopsgezinde minderheid. Meen dat Meeden ook wel doopsgezinde inwoners had, maar weet dat niet zeker. Op het eerste gezicht zou de naam Moeder wel eens kunnen samenhangen met die minderheid. Hoewel die zelf natuurlijk niet vertegenwoordigd is bij de hervormde doopinschrijvingen – het zal dan gaan om een indirect effect.


Tabakszak als lapmiddel blijkt enige overblijfsel van florerende zaak

In het archief van het Groninger Sint Anthonygasthuis bevindt zich in een bundeltje brieven en andere stukken een placcaat uit 1685, dat kennelijk zo vaak geraadpleegd is dat het uiteen dreigde te vallen. Daarom is aan de achterkant een steunconstructie geplakt in de vorm van een stuk tabakszak, en wel de voorkant daarvan:
z DSC01793
Het betreft een misdruk met een zwaan als beeldmerk. Verder heeft dat beeldmerk de omlijsting van een uithangbord:
ooo
Heb de beeltenis wat proberen op te peppen, maar qua leesbaarheid hielp dat weinig. Toch viel er wel uit te komen. Onder het zwanenlogo staat zo ongeveer:

“Deze en meer andere soorten van opregte Amerikanische TABAK, als mede beste soorten van K……s, zijn te bekomen bij JAN A. OOSTERHOFF vooraan in de Oosterstraat tot GRONINGEN.”

Oosterhoffs initialen IAO staan boven het beeldmerk. Als ik deze tabakshandelaar natrek, kom ik merkwaardigerwijs eerst dichtbij mijn huis terecht, om precies te zijn op hemelsbreed anderhalve kilometer afstand. Jan Alberts Oosterhoff werd namelijk in 1762 geboren als de op een na jongste zoon van de landbouwer, bakker en herbergier Albert Eytes Oosterhoff te Matsloot, onder de klokslag van Roderwolde. Vanwege de naam van diens vader Eyte lijkt het erop dat het gezin in de herberg met overzet Eiteweert woonde, temeer daar de overgrootvader ook al boer en herbergier op de Matsloot was, maar dat bleek een vergissing. Toen zijn vader overleed, bood zijn moeder, naast nogal wat groenland onder Roderwolde, immers een “geneverstokery” te koop aan, waarmee de lokatie van Jan Alberts Oosterhoffs ouderlijke huis zich laat bepalen als ‘De oude Stokerije’ die volgens een kaart van Huguenin (ca. 1820) enkele honderden meters ten noorden van Eiteweert aan de Roderwolderdijk stond. Tot voor kort bevond zich hier inderdaad nog een boerderij vlakbij de vloeivelden van de suikerfabriek. Inmiddels is deze afgebroken en rest er niets dan een poeltje van de huisplaats. Overigens had Jans grootmoeder hier als weduwe, naast een middelgrote boerderij met herberg, nog een handel in tabak. Wat dat betreft viel de appel niet ver van de boom.

Wanneer Jan Alberts Oosterhoff naar de stad verhuisde is onbekend. Wellicht ging hij er als jongeling heen om een vak te leren. In 1791 trouwde hij met een vijftien jaar oudere koopmansweduwe en kocht even later datzelfde jaar ’t klein burgerrecht, om lid van het koopmans- en kremersgilde te worden. In 1791 vestigde hij zich dus als winkelier.

Dat hij redelijk succes had met zijn tabak, blijkt in 1803. Dan plaatst hij een advertentie tegen concurrenten die tabak verkopen onder zijn naam en merk:

“Ondergetekende JAN OOSTERHOFF, tot myn leetwezen vernomen hebbende dat [in] de valsche Rode Rosynekorf Tabak met myn naam &c. voorzien, word verkogt, en ik hieromtrent niet onverschillig kan verkeeren, zoo wil door deezen een ieder die zie hieraan mogten schuldig kennen, of eenigsints daarin hebben medegewerkt, vriendelyk verzogt en ernstig gewaarschouwd hebben om van deeze hunne handelwyze af te zien, opdat ik niet genoodzaakt worde, langs onaangenamer middelen dat kwaad te keeren.

Groningen den 28 July 1803.    JAN OOSTERHOFF.”

Feitelijk was dit veel geschreeuw en weinig wol, want het merkenrecht stond nog in de kinderschoenen en ik denk niet dat Jan werkelijk een proces zou zijn begonnen. De uitkomst was te ongewis.

Het huwelijk van hem en zijn vrouw bleef kinderloos. Zij stierf in 1819 en hij in 1822. In Huize de Beurs kwam toen eerst de inventaris van de tabakshandel in de Oosterstraat onder de hamer:

“5 Vaten beste Marijlandsche bladen tabak , een partij losse bladen dito, eenige riemen wit tabakspapier; voorts een tabaksinstrument, tabaksmessen en dito -raams, groote ijzeren balans met schaalbladen, dito gewigten en kleinere balansen en gewigten, een koopmanskare en meer andere goederen…”

Later dat jaar volgde Oosterhoffs vastgoed: het huis in de Oosterstraat en nogal wat land in de Paddepoel, Hoogkerk,  Usquert, Uithuizermeeden en Hornhuizen, plus een klein scheepsaandeel, waaruit blijkt dat Jan de winst uit zijn tabakshandel gespreid belegde. Bij de boeldag van de huisraad, ten slotte, werden onder meer tapijten, kabinetten en een “zeer accuraat staand uurwerk” verkocht, eens te meer een bewijs dat Jan Oosterhoff goed geboerd had met zijn nering.

Toch bleef daar enkel het stuk tabakszak van over, waarmee een placcaat in het archief van het Anthoniegasthuis opgelapt werd. We weten natuurlijk niet of dit gebeurde tijdens Jans leven, toen de zak nog courant was. Dat kan ook later gebeurd zijn. In elk geval dateert de gebruikte zak uit de periode 1791-1822 en dat is behoorlijk oud voor bewaard gebleven handelsdrukwerk.


Zwarte ooievaars uit het archief en in oude kranten

Foto: Sergey Yeliseev (2009). Flickr creative commons.

Foto: Sergey Yeliseev (2009). Flickr creative commons.

Op 6 september meldde ik hier dat ik een zwarte ooievaar had gezien bij de Kopaf, tussen Nieuwolda en Wagenborgen.  Van de week kwam ik weer een zwarte ooievaar tegen, maar dan in het archief, op een briefje daterend van 6 augustus 1846.

Destijds vloog de ciconia nigra, naar het zich laat aanzien, niet ver van de plek waar ik hem ruim anderhalve eeuw later zag. Dat laat zich tenminste afleiden uit het feit dat heer Gockinga jr. op de buitenplaats Veenhuizen onder Noordbroek in het bezit kwam van een exemplaar, dat hij cadeau deed aan het Museum voor Natuurlijke Historie van de Hogeschool te Groningen.

In genoemd briefje nu, bedankt  prof. Theodorus van Swinderen hem namens het museum. Dat gebeurde op een voorbedrukt formulier, waarop de datum, de schenker, het geschonkene en de dankzegger konden worden ingevuld. Maar de hoogleraar voegde er ook nog wat aan toe over de zwarte ooievaar:

“Het is een zeldzaam dier, dat, zoover ik weet, vroeger slechts eens in de provincie voorkwam. Ik heb er slechts een exemplaar van in het museum en dat nog zeer slecht; en dit geschenk  is mij dus dubbel welkom .”

In een latere hand, denkelijk die van Gockinga, is er nog een notitie aan het blad toegevoegd over een paartje zwarte ooievaars in Helmond, 1852, waarover men kon lezen in het Algemeen Handelsblad.

Door die notitie kwam ik op het idee om via Delpher en de Krant van Toen in oude Groninger kranten te kijken naar de verschijning van zwarte ooievaars in Groningen en directe omgeving. Pas na de Tweede Wereldoorlog duiken ze hier op:

Jaar Maand/Periode Lokatie Bijzonderheden
1957 augustus Hornhuizen, Spijk Beide verzwakt.
1962 oktober Bierum, Spijk, Uithuizermeeden, Haren, Groningen Veelal uitgeput.
1965 mei Schiermonnikoog 3 exemplaren.
1975 augustus Paterswolde 7 exemplaren.
1985 augustus Schiermonnikoog Met veel buizerds.
1991 juli Zuidlaren Geland bij noodweer.
2000 augustus Eemshaven Meerdere exemplaren.
2000 september Noorddijk, bij de stad Dit jaar veel.
2002 juni Bij het Anderse Diepje
2007 augustus Roodeschool, Uithuizermeeden, Finsterwolde Op een gemaaid graanveld.
2008 voorjaar Sellingen
2009 ? Bij Slochteren
2010 juli Exloo
2010 herfst Lauwersmeer
2011 augustus Piccardthofplas bij stad
2012 augustus Ter Borg

Tot 2000 zijn er een , hooguit twee meldingen per decennium, daarna wordt de frequentie opeens veel hoger. Meestal verschijnen de vogels, die afkomstig zijn uit Oost-Europa, in augustus of een maand of wat later tijdens hun trek op oostenwind en termiek naar het zuiden, een enkele keer gebeurt dat in het voorjaar. De verschijningsplaatsen liggen meestal vrij dicht bij de kust, de laatste jaren echter, worden ook wat meer binnenlands gelegen plaatsen bezocht. Vooral in de beginjaren is er sprake van verzwakte exemplaren, wat zou kunnen samenhangen met weinig optimale vliegcondities.

De grotere verschijningsfrequentie, het ook opduiken in het voorjaar en de meer binnenlands gelegen verschijningsplaatsen zouden misschien de hoop kunnen voeden op een terugkeer als broedvogel van de zwarte ooievaar, die hier ooit wel inheems moet zijn geweest.

Cartoon Nieuwsblad van het Noorden 17 aug. 1957.

Cartoon Nieuwsblad van het Noorden 17 augustus 1957.


Slachtoffers van de Maartens- en de Kerstvloed

Plaats

Maartensvloed   (1686)

Kerstvloed   (1717)

 

Oldehove

7

Niehove

13

Garnwerd

1

Ulrum

73

Vierhuizen en Zoutkamp

18

41

Hornhuizen

4

117

Leens

182

Nijenklooster

7

Kloosterburen

11

Wehe

25

Zuurdijk

55

Warfhuizen

63

Niekerk

1

73

Vliedorp

7

48

Wierhuizen

40

Pieterburen

70

172

Eenrum

3

126

Westernieland

60

79

Saaxumhuizen

10

30

Den Andel

4

43

Baflo

21

Raskwerd

27

Tinallinge

12

Breede

1

Warffum

22

63

Usquert

41

44

Uithuizen

72

67

Uithuizermeeden

313

208

Oosternieland

4

20

Oldenzijl

5

Zandeweer

10

Eppenhuizen

6

Rottum

5

Kantens

2

Toornwerd

9

Westerwijtwerd

4

Huizinge en Menkeweer

3

Bedum

4

Onderwierum

9

Ter Laan en ‘t Reidland

1

Wetsinge

3

Winsum en Bellingeweer

12

Ranum

8

Maarhuizen

4

Mensingeweer

31

Maarslag

11

‘t Zandt

9

47

Godlinze

53

18

Spijk

104

53

Bierum

61

67

Holwierde

37

20

Uitwierde

9

4

Delfzijl

1

Farmsum

17

4

Oterdum

97

2

Heveskes

11

Termunten

223

Borgsweer

17

Woldendorp

37

Wagenborgen

27

Siddeburen

4

4

Garmerwolde

1

Westeremden

1

2

Garsthuizen

5

Loppersum

5

Wirdum

10

Leermens

15

Oosterwijtwerd

13

Krewerd

1

13

Katmis en Oldenklooster

10

Marssum

2

Losdorp

6

Solwerd

6

8

Nieuwolda

13

Nieuw-Scheemda

4

Oostwold

10

Finsterwolde

8

Eexta

1

 

TOTAAL

1394

2091

De vijf meest getroffen plaatsen waren in 1686 Uithuizermeeden (313), Termunten (223). Spijk (104), Oterdum (97) en Uithuizen (72).

De vijf meest getroffen plaatsen waren in 1717 Uithuizermeeden (208), Leens (182), Pieterburen (172), Eenrum (126) en Hornhuizen (117).

Uithuizermeeden was de gevaarlijkste plek om te wonen. Toch vermoed ik dat Termunten in 1686 relatief nog zwaarder getroffen werd – er kunnen maar weinig bewoners die ramp hebben overleefd. Verder maakte de Maartensvloed vooral slachtoffers in volkrijke plaatsen langs de Eemskust, terwijl de Kerstvloed vooral dergelijke plaatsen langs de kust van De Marne trof.  Relatief weinig slachtoffers vielen er beide keren in het Oldambt.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten) inv.nr. 817 – Slachtofferlijst van de Maartensvloed; en Johannes Adrianus Mobachius, Groningerlands zeer Hooge en Schrikkelyke Watervloed, Ter  Overstrooming van een groote menigte van Menschen, enz. op Kers-tyd den 25 Decemb. 1717 (Groningen 1718), de lijst achterin.


Terugkeer van Napoleon gaf repercussies in Kloosterburen

De ontscheping van Napoleon 1 maart 1815 bij Antibes

 “Parijs den 7 Maart. Gisteren in den morgen liepen er allerhande geruchten van een ongunstigen aard, die op de beurs weldra geconfirmeerd werden. Men vernam alstoen dat Napoleon Buonaparte met 1200 man en 4 stukken geschut bij Cannes, tusschen Fréjus en St. Tropez ontscheept was en zich van verscheide plaatsen in het département du Var had meester gemaakt. Deze tijding maakte dadelijk eene zeer groote sensatie en baarde veel ongerustheid, terwijl de renten terstond 3½ per cent vielen en de bank-actiën van I200 op 1165 kwamen.”

Aldus de Opregte Haarlemsche  Courant van 14 maart 1815, twee weken na de landing  van Napoleon,  die met een soort van vreedelingenlegioen van zijn ballingsoord Elba ontsnapt was.  Aanvankelijk werd het gevaar in de meest gelezen krant van Noord-Nederland gebagatelliseerd: het viel allemaal wel mee, er heerste geen grote ongerustheid. Op 18 maart echter, berichtte de Haarlemmer al dat Frankrijk in rep en roer was, met muitende garnizoenen en zich overgevende steden. In het machtscentrum Parijs heerste grote neerslachtigheid. Wie wat te verliezen had, begon er zijn boeltje te pakken.

Het bericht over Napoleons landing  haalde op 17 maart de Groninger Courant, die sprak over een “heilloos plan van de wereldberoerder”. Op 21 maart meldde dezelfde krant, dat de vestingen in het zuiden van Nederland (het latere België) in paraatheid waren gebracht.  Zo kwam het nieuws dichterbij, want ook Groningen was een garnizoensstad en vanouds gingen er tussen deze vesting en de zuidelijke nogal wat troepen heen en weer.

Op 20 maart zat Napoleon al in Parijs, nieuws dat de 28e in de Groninger Courant  stond. Het gevaar nam nu werkelijk schrikbarende vormen aan. En dat lokale autoriteiten toch ook wel een tikje nerveus begonnen te raken,  blijkt uit een brief die de schout (burgemeester) van het overwegend katholieke Kloosterburen een dag later, op 29 maart, stuurde aan de officier van justitie bij de Rechtbank van Eerste Aanleg in Appingedam.  Bij de schout waren klachten ingekomen over “ruststoorend gedrag” in een plaatselijke herberg, en hij voelde zich verplicht die door te geven aan de officier,

 “doordien de rust en veiligheid in deze tegenwoordigheid van zaken oplettend dient te worden gehandhaaft”.

De schout had alvast inlichtingen ingewonnen en daarbij bevonden dat ene Lucas Derks Kok “den ergsten in het geval is geweest”. Alles was gebeurd zonder medeweten van de kastelein, dus die moest er niet op aangekeken worden.

De inlichtingen van de schout waren vervat in een verklaring door de dagloner of boerenarbeider Kornelis Eppes Werkhof (21) uit Hornhuizen, Rentjen (ook wel Reint) Harms Vos (20), een boerenknecht uit Kloosterburen, de boerenzoon Pieter Sjabbes Damhof (19) uit Kloosterburen en de boerenzoon Jan Rijkes (of Riekes) Beukema (20) uit Hornhuizen. Op 21 maart, dus een week voordat de schout de klachten doorstuurde, was dit viertal jongens ’s om een uur of half tien bij kastelein Egbertus Zonder in Kloosterburen geweest, en daar hadden ze gehoord hoe “enige personen”, namelijk Lucas Derks Kok van de Grijssloot onder Leens, Harm Roberts Klaver uit Kloosterburen en Hindrik Harms Timmer uit Hornhuizen,

“zich ruststoorend hebben gedragen met te zingen van liederen ten gloria van Napoleon…”

Ook hadden Kok, Klaver en Timmer “Vivat de Empereur” geroepen en gedreigd:

“Napoleon koomt schielijk weder terug, en dan zullen wij die blixemse orangelieden opknopen en den prins die vagebond wel vinden.”

Op 9 april werd hoofdverdachte Lucas Derks Kok verhoord door de officier van justitie. Hij bleek boerenknecht in het kerspel Kloosterburen en niet in Leens, zoals zijn beschuldigers meenden. Hij woonde in bij Harm Weggens, een boerenarbeider, was 23 jaar oud en geboren op de Rodehaan onder Warfhuizen. Tegen de officier gaf Kok toe, dat hij de bewuste avond een uur had doorgebracht in de bewuste herberg. Hij kwam er met een andere boerenknecht en een kleermaker, maar hield niet hun gezelschap  en zocht dat van zijn mede-verdachten Klaver en Timmer op, al was hij met deze evenmin “in één gelag” geweest. Inderdaad waren er die avond patriotse èn oranjeliedjes gezongen. Wie dat allemaal nog meer deden? Och,

 “Er waren zoveel, dat ik ze niet kan opnoemen.”

Wie de patriotse liederen zong, wist Kok niet. Ook ontkende hij zich te hebben uitgelaten over de terugkerende Napoleon en het opknopen van oranjelui en de prins als vagebond. Wie deze uitlatingen dan wel deed? Dat wist hij niet, hij had ze niet eens gehoord.

Kok wist dus van de prins geen kwaad. Op 20 april nam de vrederechter van Winsum daarom nadere verklaringen op van Werkhof, Vos, Damhof en Beukema, waarin wat dieper werd ingegaan op het voorval in de kroeg te Kloosterburen. Intussen was er een maand voorbij gegaan, en de jongens waren niet helemaal  eenstemmig meer qua chronologie en incriminerende feiten, maar wat ze bij de vrederechter vertelden kwam hierop neer:

Kleine jongens, die in het voetspoor van de oudere jongens naar de herberg van Egbertus Zonder kwamen, waren begonnen met het zingen van Franse liederen en het roepen van “Vivat Napoleon” en “Vivat l’Empereur”. De oudere jongens, met name Kok en zijn maten Timmer en Klaver, vielen hierbij  in. Toen die even ophielden,  raakten ze in een twistgesprek met Werkhof over de toestand in de wereld.

Timmer:De Franschen zijn alweer een stuk weer hier”.

Klaver:Ik wilde dat zij hier maar weder waren”.

Werkhof:Het is tog nog Oranje boven”.

Volgens Werkhof, blijkbaar een orangist,  liep Kok vooruit op de komst van de Fransen. Kok zou hebben gezegd:

 “Dan zullen wij de Oranjelui wel vinden en wel opknoopen en de Prins die vagebond wel vinden”.

Damhof viel Werkhof wat dit betreft bij, maar Vos herinnerde zich het anders. Volgens hem had Kok niet gedreigd maar voorspeld:

“Als de fransozen er weder waren zouden zij de Oranjelui noch opknoopen, en de Prins die vagebond wel vinden.”

In elk geval was alleen Kok verantwoordelijk voor een dergelijke uitlating, van diens maten hadden Werkhof c.s. zoiets niet gehoord, of konden ze dat niet met zekerheid verklaren. Toen Kok c.s. weer begonnen met het zingen van Franse liederen en het roepen van “Vivat de Keizer”, hadden Werkhof en zijn drie kameraden het raadzaam geacht om de herberg te verlaten,

“als vreezende [dat ze] gemaltraiteert zouden worden”.

Een week na het opnemen van deze nadere verklaringen, onderzocht de Winsumer vrederechter ook nog een rustverstoring op een boeldag in Leens, waarover hij bij geruchte had vernomen. De deurwaarder die de boeldag organiseerde, kon hem melden dat er  wel enige “historieën en rusiën” voorvielen, maar wist niet wie daarvoor verantwoordelijk waren geweest. Of Kok erbij was, kon hij evenmin zeggen, omdat hij die niet kende.

Op 1 mei stuurde de officier alle verklaringen naar de Rechtbank van Eerste Aanleg, met het verzoek om een  arrestatiebevel tegen Kok als ”voornaamste belhamel”,

“Daar nu zodanige faiten in een land van orde en goede justitie niet straffeloos kunnen worden geduld.”

Dat bevel kwam af op 18 mei. Vanaf die dag echter, bleef het proces vrij lang stilliggen. Intussen raakte ook Nederland in rep en roer, want – wat we ons vaak niet realiseren – Waterloo lag nog binnen onze grenzen. Pas nadat Napoleon hier zijn definitieve nederlaag leed (18 juni) en bekend werd dat men hem naar Sint Helena zou gaan verschepen (begin augustus), ging het proces tegen diens drie (vermeende) aanhangers te Kloosterburen verder.

Op 5 augustus werd Kok opnieuw verhoord. Hij wist niet waarom hij vastzat, noch dat hij überhaupt iets misdaan had.  Dat er in de Kloosterbuurster herberg Franse liederen waren gezongen, wist hij niet. Hij ontkende andermaal de gewraakte uitlatingen te hebben gedaan, of zelfs maar te hebben gehoord.

Ook de getuigen of beschuldigers moesten nog eens komen opdraven. Zij verklaarden op 22 augustus alles nog eens conform hun eerdere deposities, maar dan onder ede.  Alleen meldde Beukema dat zijn groep uitgedaagd was door Kok en diens metgezellen die zich volgens hem “onrustig” en “zeer slegt” gedroegen –

 ”als zeggende onder elkander dat zij wenschten dat wij maar eens buiten kwamen”.

Nieuw bij Damhof was, dat die nu een van de gewraakte liedjes noemde. Het ging om de Carmagnole,  een Frans revolutionair spotlied uit 1792 dat drie jaar later, bij de Bataafse revolutie, in Nederland veel rond vrijheidsbomen gezongen werd.  In 1799, toen Napoleon als eerste consul in Frankrijk de macht greep, was het door hem verboden. Een dergelijk lied getuigde vooral van een democratisch-patriotse gezindheid, die op gespannen voet lijkt te staan met een regelrechte Napoleon-verering.

Koks niet gedetineerde mede-verdachten Timmer en Klaver werden eind augustus pas voor het eerst verhoord. Beiden ontkenden het gezang, de leuzen en de uitlatingen en pleitten daarvan ook de andere twee vrij. Timmer, geconfronteerd met het feit dat er beëdigde verklaringen lagen:

 “Indien er zulke getuigen zijn die dit zeggen dan verklaren zij onwaarheid.”

Klaver had wel horen zingen, maar het specifieke repertoire was hem ontgaan:

 “Ik heb daarop geen aandacht gegeven omdat ik zelve niet zing.”

Ook  ontkende hij het uitdagen –

“Echter moet hij bekennen dat dien avond is geroepen Oranje Boven door Kornelis Eppes Werkhof, met bijvoeging van God verdoeme mij en slaande op de tafel zoo dat er een half oorts glas van de tafel viel en de overige glasen stonden te rummelen, dat ik wel begrepen heb dat dit tot spijt van mij geschiedde aangezien ik, als behoorende tot de patriottische partij aldaar bekend sta, en ik wegens ligchaams gebrek niet onder de Landstorm ben en te meer nog dewijl ik tot de Roomsche Gezindheid behoor en Kornelis Eppes Werkhof van de Gereformeerde gezindheid is, zoo dat uit dien hoofde er oneenigheid tusschen ons bestaat.”

Het zingen van oranjeliedjes kon helemaal niet voor een bekentenis doorgaan, want die mochten vrij gezongen worden. Het citaat maakt echter duidelijk dat er ook, en wellicht zelfs eerst, oranjeliedjes waren gezongen en oranjeleuzen waren geroepen door de gereformeerde en orangistische aanwezigen, wat in het katholieke en patriotse Kloosterburen als een provocatie kon worden opgevat. Mogelijk was dat ook de reden dat andere aanwezigen op patriots repertoire overgingen, waarbij we de napoleontische leuzen wellicht aan hun oververhitting mogen toeschrijven.

Op 5 oktober zat Kok nog steeds vast. De offcier van justitie overwoog die dag, dat er weliswaar geen “oproer of seditieuse beweging” was veroorzaakt, maar dat er wel degelijk sprake was geweest van een “ongehoorde belediging jegens Neerlands beminde souverein”. Ook beschuldigde de officier Kok c.s. van het “aankweken van oude partijschappen”, en een poging om “oproer te verwekken en daardoor burgeroorlog te ontsteken”.  Met die kanttekeningen gingen de stukken naar de procureur-generaal bij het Hooggerechtshof in Den Haag, dat over het vervolg van de procedure zou moeten beslissen.

Bij de stukken zat ook een signalement van Kok. Voor wat het waard is:

“Groot 5 voet en 9,5 duim. Langwerpig van aangezigt, bleke couleur, rond voorhoofd, donker bruin hair en wenkbraauwen, blauwe ogen, langen neus, kleinen mond en ronde kin.”

Op 30 oktober besloot het Hooggerechtshof Kok en zijn twee metgezellen in officiële staat van beschuldiging te stellen en hun zaak toe te wijzen aan Hof van Assisen in Groningen. Misschien komt het voor de lezer als een anticlimax, maar die rechtbank verklaarde op 20 november 1815 alle drie de verdachten voor “niet schuldig” en stelde Kok op vrije voeten.

Een motivatie van de rechters ontbreekt helaas bij het vonnis, maar dat de vier getuigen niet helemaal consonant waren, en regelrecht werden tegengesproken door de drie beschuldigden, zou een reden kunnen zijn. Ook moeten de rechters hebben beseft, dat hier sprake was van een uit de hand gelopen kroegruzie, waarbij niet alleen politieke, maar ook religieuze tegenstellingen meespeelden. Bovendien zou er wel eens sprake geweest kunnen zijn van een orangistische provocatie.  Waar twee partijen elkaar ergerden, hadden twee partijen schuld. Een vrijspraak leek dan de verstandigste weg, gooide althans geen olie op het vuur. En zo eindigde dan dit zaakje, dat me verder ook niet bekend is uit historische literatuur.

Bronnen:

RHC Groninger Archieven,  toegang 141, archief Hof van Assisen Groningen en Drenthe te Groningen, inv.nrs. 6.19 (procesbundel L.D.Kok) en 2.2 en 4.1 (minuut zitting en arrest met de vrijspraak van 20 november 1815).


De Marne vv

Gezicht op Garnwerd vanaf het fietspad bij het Aduarderdiep:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Boerin bij Feerwerd zweelt met een acrobaat:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Je zag vanmiddag überhaupt veel agrarische activiteiten (filmpje). Maar de prachtige moestuinen bij Ezinge lagen er verlaten bij:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ingestorte loopschuur in Kloosterburen. iemand wil hier een grote showroom vestigen voor zijn oldtimer-trucks (er is ook al een oldtimermuseum in dit dorp):

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Hornhuizen: grafsteen van een boer Rietema:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De oude zeesluis van Zoutkamp:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Bij de Kroonfelderweg tussen Oosterzand en Oldekerk:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Klokkestoel op de plek waar voor 1800 de relatief grote romaanse kerk van Oldekerk stond. De hoogte van de heuvel geeft de dikte aan van het veenpakket dat hier ooit lag:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Route