Van Baflo naar Leens op Open Monumentendag

Beslag op kerkdeur in Baflo:

Tamelijk licht daar in de kerk:

Het wapen van Bouwe Coenders op een grafkistplaat, met dansende bokken:

Het effect van gekleurd glas op een witte raamomlijsting:

Bovenkant armblok of -paal:

Landschap even buiten Raskwerd – hier en daar rook het gewoon naar uien:

Middeleeuwse plafondschildering van duellerende ruiters (de strijd van goed en kwaad) in Den Andel:

Het wapen op het graf van de predikant Henricus Hulzebusch. Hij kwam uit Winschoten,  maar de Hulzebusch (of Hulzebos) was in de zeventiende eeuw een grote herberg in de stad Groningen op de hoek van het Kattendiep en het Schuitendiep. Daar zou de familie oorspronkelijk wel eens vandaan kunnen komen. Klopt dit vermoeden, dan had de herberg in Stad wellicht eenzelfde wapen op het uithangbord staan:

Tussen Den Andel en Saaxumhuizen:

Weer een peerdje erbij in mijn verzameling:

Gezicht op Saaxumhuizen:

In de kerk daar een boekenmarkt:

Vaas toont apostelen:

Hiddingezijl, daar was ik nog nooit geweest, had er zelfs niet eens van gehoord:

Vervallen schuur in Westernieland:

Het sobere kerkje daar:

Bloemen op de kansel:

Even buiten Westernieland – strobult in strijklicht:

In Pieterburen liep mijn ketting eraf. Geen fietsenmaker ter plaatse bekend. Daarom doorgelopen naar Kloosterburen en onderweg in Broek bij een zorgboerderij (Keroazie), waar ik een ijsje kocht, opnieuw gevraagd of men er een fietsenmaker wist. De dichtstbijzijnde zat in Winsum. Maar ze bleken er zelf fietsen op te knappen en wilden die ketting er wel voor me opleggen. Betaling bliefden ze niet. Geweldig, want anders had ik mijn broer moeten vragen om me op te halen.

Bij Keroazie hadden er onder meer alpaca’s:

Nog even in de katholieke kerk van Kloosterburen geweest:

Gezicht op Leens:

Herenbank, met ook hier dansende bokken:

Engel met cello op het orgelfront:

Voorheen schand- en geselpaal fungeert nog steeds als grenspaal tussen Leens en Ulrum.


Rondje Zoutkamp en Leens

Onderweg vele kikkerconcerten bij luwe slootoevers:
DSC06058
Boerderij bij de Friesestraatweg, gezien vanaf de Weersterweg:
DSC06063
Schuur bij Den Horn:
DSC06079
Opvliegende buizerd:
DSC06080
Kikkerorgie bij Den Horn:
DSC06082
Ooit elegant erkertje van vervallen boerderij tussen Lauwerzijl en Zoutkamp:
DSC06099
Kurketrekker met gezicht op Zoutkamp:
DSC06101
Zoutkamp, havenkant:
DSC06102
Het Visserijmuseum bezocht – cachou, een taanmiddel voor katoenen netten:
DSC06114
Zwaarbeladen visventerskar:
DSC06117
Proefnetje:
DSC06123
Een van de vele scheepsmodellen, beetje naïef maar charmant:
DSC06124
Kaart van de waddenkust (detail):
DSC06126
In een van de vitrines staan modelletjes van alle zeekapen op Schiermonnikoog, Engelsmanplaat etc,:
DSC06133
Op het plaatsje achter een vissershuisje:
DSC06145
Beeldje van garnalenpelster, elders in Zoutkamp:
DSC06172
Vervallend huis tussen Zoutkamp en Leens:
DSC06176
Amsterdamse Schoolbrug bij boerderij Kooyenburg aan het Vlakkeriet onder Zuurdijk:
DSC06177
Biddend torenvalkje bij Leens:
DSC06179
Dorpsgezicht Leens:
DSC06181
In de museumboerderij van Verhildersum een tentoonstelling die oude klederdracht en artistieke couture met elkaar confronteert. Oud spul:
DSC06194
Nieuw spul dat bij mij sterke Star Trek-associaties opwekt:
DSC06199
Terug een gruwelijk eind tegen de stevige en vlagerige wind in. De luchtwachttoren bij Warfhuizen:
DSC06212
Dijklandschap bij Roodehaan:
DSC06218


Chileens koraal onder de Hondsrug

Harry Huisman, de stenen- en fossielenman van het vroegere Natuurmuseum, kreeg het er even warm van:


Graan bij Leens lijkt vroegrijp

Geplaatst op 25 juni 2008  graan

Kokjebalder kiekte van de week dit graan bij Leens. Iedereen associeert dat dan met de volle zomer. Maar wat mij verbaast is, dat het al zo ver heen is, dat koren, qua rijpheid. Want voor anderhalve week zag ik bij de Groenedijk onder Slochteren halfwassen graan dat nog helemaal groen was. Zou dat gouden gezicht bij Leens nu komen door het gebruikte graanras of door het droge weer vanaf mei? Is er misschien een agrarisch onderlegd iemand die ons hieromtrent kan voorlichten?


Bliksemafleiders en brandcontracten in Groningerland

Rond 1820, zo verhaalt Botke in zijn prachtige boek Boer en Heer, zag men nergens in Nederland meer bliksemafleiders dan in de provincie Groningen, waar een menigte boerenplaatsen erdoor beschermd werd. Dit was vooral zo in Hunsingo en de Marne. Onder aanvoering van ds. Uilkens van Eenrum implementeerden verlichte geesten hier massaal de uitvinding van Benjamin Franklin.

Bij orthodox-bevindelijke hervormden echter, zag je geen bliksemafleiders op het dak. Zij zagen blikseminslag als een straf van God: “God deed het onweer verwekken, opdat het ons tot straf zou verstrekken”. Het voorkomen van die welverdiende straf met een bliksemafleider gold als een inbreuk op Gods almacht. Orthodox-bevindelijken keurden het gebruik van bliksemafleiders daarom af. Het vele gebruik van bliksemafleiders in Groningerland en dan met name Hunsingo en De Marne, wees er dus ook op, dat die orthodox-bevindelijke opvattingen daar hadden afgedaan, tenminste: onder de eigenaars en beklemde meiers van boerderijen.

Voor de orthodox-bevindelijke mens bestond de zin van het leven uit het dienen van God. Van het nastreven van geluk is geen sprake in hun catechismus. Menselijk geluk wordt pas iets nastrevenswaardigs met de Verlichting. Denk maar aan het “Life, Liberty and the pursuit of Happiness”, uit de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring van 1776. Waarschijnlijk werd geluk daarin overigens vooral begrepen als voorspoed en welvaart. In die zin komt het ook terug in een rekest van een aantal vooraanstaande boeren uit Beerta, in 1802. Zij vonden het “de eerste plicht van de leden der burgerlijke Maatschappij”, om

alles wat in hun vermogen is bij te dragen, waardoor het belang, het nut, de voorspoed en de beveiliging der Maatschappij kan en moet worden bevordert.

Geluk is ook te bevorderen door het voorkomen van het tegenovergestelde, dus ongeluk. In dat opzicht zijn er nog twee innovaties die, net als de bliksemafleiders, als een soort van lakmoesproef voor het veldwinnen van de Verlichting kunnen dienen. Dat zijn de variolatie of of inenting tegen de pokken en de oprichting van brandcontracten of onderlinge brandverzekeringen. De inenting heb ik hier al eens kort behandeld, bij de brandcontracten sta ik nu stil, uitgaande van de vraag hoe deze innovatie ingang vond, en dan vooral in sociaal opzicht: wie waren de early adopters en wie volgden hun voorbeeld?

Brandcontracten

Net als tegen tegen vaccinatie waren orthodox-bevindelijke gereformeerden gekant tegen brandverzekeringen. Ook die vormden immers een inbreuk op de voorzienigheid Gods, maakten Gods straffen tot een illusie, en waren daarmee uit den boze. Bij verzekeringen gaat het net als bij vaccinatie om de toekomst, en die ligt in Gods hand en alleen daarop mag je vertrouwen.

Dat deze opvatting in de achttiende eeuw steeds minder effect had, blijkt uit de opkomst van de brandverzekeringen. Volgens Slechte waren verzekeringsmaatschappijen voor 1720 überhaupt nog onbekend in Nederland, maar werden er dat jaar vier actief die onder meer tegen brandschade verzekerden. In 1727 kwam er bovendien een collectieve brandverzekering voor Zaanse oliemolens tot stand. Na 1770 trad er een lichte versnellling op, met tien brandverzekeringsmaatschappijen tussen dat jaar en 1800. Na 1800 zou het verschijnsel pas echt een grote vlucht gaan nemen en schoten vooral de lokale, onderlinge brandverzekeringsmaatschappijtjes als paddestoelen uit de grond.

Molens

Kijken we naar de provincie Groningen, dan blijkt dat hier de ontwikkelingen op enige afstand werden gevolgd. De allereerste brandverzekeringen hier, waren louter bestemd voor molens, niet alleen zeer kostbare stukken onroerend goed, maar ook zeer ontvlambare. De eerste twee brandcontracten voor molens werden opgericht in 1743: een in de Stad, de andere in de Ommelanden. Die van de Stad dateert uit februari dat jaar en verzekerde vooral houtzaag- en oliemolens in de Stad en haar directe omgeving. Hun maximaal verzekerde waarde bedroeg 4500 gulden en de ondergrens zat op 1000 gulden voor een molen die minstens 2000 gulden waard moest zijn. De premie bedroeg per jaar een half procent van de verzekerde waarde. De kas werd beheerd door vier bestuurders, die Jan Gerrits Beerta, een oliemulder van het Winschoterdiep op de Stadstafel, tot hun volmacht en boekhouder kozen.

Het andere brandcontract voor molens werd drie maanden later te Mensingeweer opgericht en richtte zich louter op pelmolens in De Marne en Hunsingo. Bij aanvang werden er elf pelmolenaars lid. Bij hun brandcontract werd er geen fonds gevormd, maar verplichtte elk van de leden zich maximaal 1000 gulden uit te keren aan een gedupeerde van brand uit hun midden. Het contract besteedt ook aandacht aan brandpreventie: de molens moesten in een goede staat verkeren en er diende permanent bluswater aanwezig te zijn in de molen. Een tweekoppig bestuur ging jaarlijks de molens langs voor hertaxatie en controle op de brandpreventie.

Opmerkelijk is, dat in het conservatieve Oldambt pas veel later een brandcontract voor molens tot stand kwam. Dat gebeurde in 1781 en de eerste boekhouder was de molenaar Gerardus Molema uit Midwolda. In 1800 maakte dit brandcontract, naar het zich laat aanzien, een doorstart onder leiding van enkele veenkoloniale molenaars.

Boerderijen en andere huizen

De eerste onderlinge brandverzekering voor boerderijen in Stad en Lande kwam er in 1794. Daarna ging het snel, zoals dit lijstje laat zien:

  • 1794: Winsum
  • 1795: Leens, Uithuizen, Wehe den Hoorn, Middelstum, Zeerijp.
  • 1796: Usquert
  • 1798: Aduard, Uithuizermeeden
  • 1801: Eenrum, Grijpskerk
  • 1802: Oosterwijtwerd
  • 1802: Beerta
  • 1802: Midwolda, Zeerijp
  • 1803: Ezinge, Houwerzijl
  • 1805: Siddeburen
  • 1811: Ten Boer

Net als bij de brandcontracten voor molens, is hier sprake van een faseverschil tussen het voorlijke westen van de provincie, met name De Marne en Hunsingo, en het wat latere oosten, met name Fivelingo en het Oldambt. Ik zie hier een verband met de publieke opinie, die in het oosten destijds veel conservatiever was.

Wijde omgeving

Al deze brandcontracten bedienden een wijdere omgeving dan de vestigingsplaats alleen. Ze hadden dus een regiofunctie, hoewel de meeste leden vaak wel in de vestigingsplaats woonden. Dat van Winsum verzekerde opstallen in het Halfambt, dat van Uithuizen had noordelijk Hunsingo als zijn ressort, dat van Leens was er voor De Marne, dat van Ezinge voor Middag-Humsterland, dat van Beerta voor het oosten van het Oldambt en dat van Siddeburen voor Duurswold of de Woldstreek.

Voortrekkers, bestuurders, ledendemocratie

Van de ‘Sociëteit van Onderlinge Bijstand in geval van Brand’ in Winsum was Geert Reinders de oprichter. Deze bekende boer, die ook inenting tegen de veeziekte propageerde, kwam na de Bataafse Revolutie in het Ommelander bestuur. Hij was nota bene de zoon van een molenaar en werkte zelf in zijn jonge jaren ook op een molen. Wellicht dat hij daarom het fenomeen brandverzekering al wat langer kende. Reinders was patriot en ook in Eenrum schijnt een patriot de voortrekker te zijn geweest, namelijk de bekende landbouwhervormer ds. Uilkens.

Naast Reinders traden er in Winsum twee Huismannen, net als hij landbouwers, als directeuren op. De eerste dertig jaar was de schoolmeester Berend Swaagman hun secretaris-boekhouder. Die zal het meeste werk hebben gedaan. Prominent waren ook de eerste bestuurders in bijvoorbeeld Midwolda. Het betrof de dorpsdokter en enkele grote boeren. In Beerta ging om de grootste boeren van dat dorp, Nieuw-Beerta, Oostwold en Finsterwolde. Net als overal elders werden de volmachten er met meerderheid van stemmen door de leden gekozen. De leden beslechtten ook eventuele kwesties op democratische wijze. Dat gebeurde op een rekendag of jaarvergadering, die altijd in het voorjaar plaatsvond.

Werkzaamheden, methodiek

De brandcontracten konden op punten sterk verschillen. Hoe verder de tijd voortschreed, hoe gedetailleerder hun reglementen werden. Toch valt er voor deze periode ook nog wel iets algemeens over te zeggen. Zo taxeerden de bestuurders van de brandcontracten praktisch overal de woningen en schuren naar hun actuele waarde. Jaarlijks gingen ze bovendien de leden langs voor eventuele herziening van die waarde. De premie bedroeg alom een half procent van de taxatiewaarde, terwijl bij brand de hele taxatiewaarde werd uitgekeerd. Stond er na brand nog iets bruikbaars overeind, dan werd dat getaxeerd door timmerlieden, om tot een raming van de schade te komen. Omdat er niet zo heel vaak brand was, hadden de brandcontracten nogal eens flink wat geld in kas, dat dan werd belegd in hypothecaire leningen aan leden. Zodoende had zo’n verzekering ook een bankfunctie, lang voordat er banken waren op het platteland.

Aantallen leden

Van een handvol brandcontracten zijn de aanvankelijke aantallen leden bekend:

Winsum (1794) 43
Uithuizen (1795) 54
Leens (1795) 77
Ezinge (1805) 78
Siddeburen (1803) 124

In de loop van de tijd wordt dit aanvankelijke ledenbestand dus steeds hoger, mogelijk een teken dat er steeds minder sprake was van schroom. Hoewel er ook iets anders gespeeld kan hebben, waarover straks meer.

Gemiddelde taxatiewaardes

In Winsum en omgeving werden de 43 boerderijen in 1794 getaxeerd op gemiddeld een kleine 1500 gulden. Een jaar later bedroeg die gemiddelde taxatiewaarde in Leens iets meer dan 1200 gulden, terwijl dat in Ezinge anno 1803 1300 gulden was. In de Ommelanden kon je dus voor 1200 tot 1500 gulden een gemiddelde boerderij kopen.

Sociaal

Inderdaad kenden de brandcontracten voornamelijk of zelfs uitsluitend boeren als lid. Toch ging het doorgaans maar om een beperkt deel van de boeren in een bepaalde omgeving. In Winsum bijvoorbeeld, bestond er een relatief grote animo in Bellingeweer, terwijl er uit Obergum nauwelijks leden waren.

In Beerta sloot het contract huizen van minder dan 600 gulden waarde zelfs uit. Kleine middenstanders en arbeiders konden daarmee hun huizen nog niet verzekeren tegen brand. In Siddeburen gebeurde dat juist met de dure en licht ontvlambare windmolens. Opmerkelijk is dat het brandcontract voor die omgeving verder alle huizen toeliet, ook de goedkopere. Wellicht is dat ook de reden voor het grote aantal leden bij aanvang. Toch woog het aantal feitelijke leden hier in de vestigingsplaats bij lange na niet op tegen het totale aantal huishoudens.

Op drie ledenlijsten vinden we de taxatiewaardes van de verzekerde opstallen. Deze heb ik samengevat in het bijgaande staatje:

Taxatiewaarde Tot 500 500 tot 1000 1000 tot 2000 2000 of hoger
Leens 1795 (77) 3 % 19 % 70 % 8 %
Uithzn, 1795 (54) 0 % 15 % 56 % 29 %
Siddb. 1805 (124) 17 % 21 % 47 % 15 %
  • Bij de categorie tot 500 gulden zitten de arbeiderswoningen en kleine middenstandswoningen, eventueel als twee-onder-één kappers.
  • In de tweede, wat duurdere categorie, zitten onder andere winkelhuizen van koop- en ambachtslui.
  • Grotere bedrijven zitten net als de gemiddelde boerderijen in categorie III
  • Terwijl de grotere boerderijen net als de brouwerijen in de duurste groep zitten.

Wat met name opvalt is dat in Leens en Uithuizen niet of nauwelijks huizen uit het goedkoopste marktsegment in het brandcontract opgenomen zijn. In Siddeburen, met dat grote aantal leden bij aanvang, gaat het al om 17 % van het bestand. De onderlinge brandverzekering van dat dorp markeert de externe democratisering of verdere openstelling die na 1800 moet hebben plaatsgevonden bij de brandcontracten. Als er in de tweede helft van de negentiende eeuw in de krant verslag wordt gedaan van een brand in een arbeiderswoning, blijkt zo’n woning immers meestal verzekerd.

Dit is een deel van mijn lezing op de Dag van de Groninger Geschiedenis in oktober 2017. De tekst heb ik iets bijgesteld.


Het Trouwe Arbeidersgankje


Het Stad-Groninger Verpondingsregister van 1806 maakt op de adressen X 195, X 196 en X 197 melding van drie aaneengesloten woninkjes, gelegen aan het “Trouwarbeidersgangje”. Op bovenstaand kaartje heb ik de steeg geel en de woninkjes lichtblauw ingekleurd. De steeg bevond zich ten noorden van de Nieuwstad en ten westen van de Folkingestraat. Als je vanaf het Zuiderdiep kwam en voorbij de synagoge linksaf sloeg, was je er na het vijfde pand rechts.

Het oudste stuk dat de bewuste gang noemt, is een koopakte van 1750. De steeg heet in dat stuk nog het “zogenaamde Trouwe Arbeidersgankjen”. Blijkbaar was die naam toen nog niet echt ingeburgerd, anders was dat ‘zogenaamde’ wel achterwege gelaten. Via de akte verkochten de erven Egbert Meijer twee  “kamers” (= eenkamerwoninkjes) voor de somma van 205 gulden, een teken dat het om zeer basale onderkomens ging.

In 1806 hadden de drie kamers aan de steeg drie verschillende eigenaren. X 195 was in handen van Catharina Suiring (1756-1836), ook wel de wed. Bos(s) genoemd. Deze arbeidersdochter had bijna honderd van zulke pandjes verspreid over de hele Stad en de Stadstafel en ook nog vastgoed her en der in de provincie (o.a. Leens, Garnwerd, Tinallinge en Noordbroek). Zij woonde niet in de Trouwarbeidersgang, waarschijnlijk in tegenstelling tot de beide andere eigenaars. X 196 was van de bejaarde Jan Heerkes, en X 197 van de jood Aäron Marcus.

Omstreeks 1830, ten tijde van het eerste kadaster waren de woninkjes aan het Trouwe Arbeidersgankje respectievelijk het eigendom van dezelfde Catharina Suiring, een weduwe Jan Roseboom, en de joodse gemeente.

Toen Catharina Suiring in 1836 stierf, liet ze getuige haar successiememorie een netto-vermogen na van ruim 15.000 gulden. Op haar lijst met vastgoed vinden we ook de kamer “op de Nieuwstad in Trouw Arbeidersgangje”. Deze was toen net verkocht voor 240 gulden. Suiring had het woninkje verhuurd voor 50 cent in de week oftewel 26 gulden per jaar. Het gaf dus een rendement van 11 % op de nieuwe koopsom. Andere pandjes deden qua jaarhuur zelfs 20-25 % van de waarde. Suiring was, kortom, een echte huisjesmelkster – geen wonder dat ze als arbeidersdochter zo’n vermogen naliet!

Om weer terug te gaan naar 1750 en de tijd dat de naam van de steeg nog niet zo ingeburgerd was – die naam moeten we niet letterlijk nemen, want waarschijnlijk had hij een religieuze achtergrond. Weliswaar rept de bijbel niet van de combinatie ‘(ge)trouwe arbeiders’ maar in de stichtelijke boeken van vooral bevindelijk-gereformeerde predikanten uit de periode 1680-1750 komt dit woordenpaar redelijk veel voor. In zulke werken stuurt de Heer zijn trouwe arbeiders naar de wijngaard of om de oogst binnen te halen – in hun Tale Kanaäns staat trouwe arbeiders overdrachtelijk voor predikanten.  Zo klaagde Jodocus van Lodenstein in zijn Geestelijke Opwekker, een posthume prekenbundel uit 1716, over “den grooten oogst en het kleyn getal der getrouwe arbeiders”. En Christiaan Stort rept in zijn geestelijk woordenboek (1743) van Gods “onvergankelijke zaadt, dat door de leraars en predikers als trouwe arbeiders in de harten der menschen uitgestrooit wordt”. Ook andere populariserende theologanten als Groenewegen (1693), d’Outrein (1702), Mobach (1740), Schortinghuis (1740) en Erskine (1744) bedienden zich in hun veelgelezen traktaatjes van de metafoor.

Houdt deze overdrachtelijke betekenis nu in dat er een predikant in het Trouwe Arbeidersgankje woonde? Nee, dat zeker niet – predikanten woonden elders, veel meer op stand. Maar de naam kan wel in de hand zijn gewerkt door een vrome bewoner, die misschien als  oefenaar of catechiseermeester optrad, en/of op andere wijze van zijn geloof getuigde.


Bijenteelt concentreerde zich op hoogveen en heide

Aantallen korven met bijen per gemeente, 1866. Bron: Gemeenteverslagen, RHC Groninger Archieven 1099-8117 e.v.

Tussen 1866 en 1906 vermeldden de Groninger gemeenten in hun gemeenteverslagen de aantallen bijenkorven van hun eigen inwoners. Voor het eerste jaar heb ik de aantallen in kaart gebracht.

De dertien gemeenten die geen opgave van het aantal inheemse bijenkorven verstrekten, kregen op het kaartje geen bolletje van me. Driekwart van die gemeenten motiveerde het verzuim met de mededeling dat er geen bijenteelt was. Haren, waar je juist wel enige bijenteelt mocht verwachten, deed helemaal geen opgave in 1866, maar schreef in 1867: “Bijenteelt wordt hier niet anders uitgeoefend, dan door eenige liefhebbers in het klein”. Professionele imkers waren er dus niet in Haren.

De gemeenten tot 100 korven voorzag ik van een wit bolletje. Net als de gemeenten zonder opgave van cijfers komen deze het meest voor in het noordelijk Westerkwartier, De Marne, Hunsingo en noordelijk Fivelingo. Afgezien van het Lageland lag dat niet aan een gebrek aan drachtplanten, eerder aan afkeer en angst voor de angel.

Aan de randen van het grote bijenloze en bijenarme gebied zijn gele bolletjes te zien, daar trok de bijenteelt al wat meer. De oranje bolletjes staan voor een middencategorie: gemeenten met 200 à 500 korven. Deze trof je vooral in het Oldambt en noordelijke Westerwolde aan. De subtop, met rode bolletjes die staan voor 500 tot 1000 korven, zat vooral in het zuiden van het Westerkwartier. De gemeenten met de meeste bijenkorven, die de paarse bolletjes kregen, moet je echter zoeken in het zuidoosten van de provincie, in de Veenkoloniën en Westerwolde. Op de rij af vanuit het westen: Veendam (1282 korven), Nieuwe Pekela (942 korven), Vlagtwedde (1860) en Onstwedde (911). De absolute topgemeente qua eigen bijenteelt was echter de grote gemeente Slochteren, met maar liefst 2890 korven. In Slochteren zoemde het, in Slochteren zat de buzz.

Conclusie: waar nog hoogveen met heide was en die heide samen met boekweit in de nazomer de nectar verschafte, had je veel meer eigen bijenteelt dan op de klei met zijn koolzaad en klaver in het voorjaar en de voorzomer. Het beeld, opgeroepen door de Staat van den Landhuishouding, wordt hiermee bevestigd.

Uitheemse bijenvolken telden niet mee. Toch wijdden een stuk of wat gemeenten daar wel woorden aan. Het betrof deze vijf: Baflo, Warffum, Usquert, Uithuizen en Uithuizermeeden, nu een rijtje stationsplaatsen op het Hogeland. Deze vijf hadden allemaal jonge polders langs de Waddenkust met veel koolzaad. Drie van de vijf deden geen opgave van het aantal bijenvolken, omdat er, zoals ze zeiden, helemaal geen bijenteelt was. Uithuizen gaf 59 korven op en Uithuizermeeden slechts 1 (!). Al met al dus nogal karig. Dat werd echter gecompenseerd door Drentse imkers, die in deze gemeenten in het voorjaar hun bijen op het bloeiende koolzaad kwamen zetten. In Warffum en Usquert waren het enkele en in Uithuizen enige; in Uithuizermeeden daarentegen, ging het om vele. Naar het oosten namen de aantallen Drentse korven dus toe.

Overigens blijkt uit de gemeenteverslagen van Oude Pekela en Eenrum dat de bijenteelt er verminderde. De Staat van den Landhuishouding constateerde in 1818 al een achteruitgang voor het kleigebied.

In het overgrote deel van Groningerland vormde het bijenhouden een liefhebberij. Zelfs in een topgemeente als Onstwedde waren er slechts enkele semi-professionele imkers. Mogelijk zat er ook eentje in Appingedam. Echte profs, met 150 korven of meer, zullen er alleen in de paarse gemeenten hebben gezeten, Slochteren voorop.

De gegevens van alle Groninger gemeenten op een rij, naar aantallen korven:

GEMEENTE AANTAL KORVEN BIJEN OPMERKINGEN
Slochteren 2890
Vlagtwedde 1860
Veendam 1282
Nieuwe Pekela 942
Onstwedde 911 “Weinige ingezetenen dezer gemeente zoeken in de bijenteelt een middel van bestaan. Er worden slechts enkele gevonden die bijen vluchten houden, maar doen zulks als een bijkomende zaak.”
Leek 650
Wildervank 627
Marum 570
Scheemda 444
Finsterwolde 334
Midwolda 281
Oude Pekela 260 “Sommige personen houden zich hier nog met de teelt bezig (…), uit hoofde men van hier te veel met de korven moet reizen, eerst naar de klei en om de koolzaad en dan naar Westerwolde om de boekweit.”
Grootegast 230
Wedde 227 “Op de bijenteelt legt men zich hier niet veel toe.”
Zuidbroek 220
Noordbroek 207 “Slechts door eenige personen als bijzaak uitgeoefend, Het getal dier personen bedroeg 11.”
Sappemeer 195
Bierum 193
Meeden 184
Termunten 181
Muntendam 148 Hier alleen liefhebberij.
Bellingwolde 141
Grijpskerk 130 Wordt weinig en enkel uit liefhebberij gedaan.
Nieuwolda 128
Eenrum 122 “De bijenteelt vermindert.”
Oldekerk 120 “Bijen worden hier slechts bij enkele korven uit liefhebberij aangehouden.”
Appingedam 105 Er zijn in deze gemeente slechts twee bijenhouders.
Bedum 86
Aduard 84 De bijenteelt is hier van geringe omvang en bij velen een onbekende zaak
Hoogezand 79 Bijenteelt is hier “in zeer geringe mate”.
Winschoten 79 “De bijenteelt betekent hier weinig”
’t Zandt 76 “De Bijenteelt is van weinig beteekenis.”
Zuidhorn 75 “De bijenteelt wordt alhier meest uit vermaak aangehouden.”
Uithuizen 59 “Wordt hier weinig gedreven. In den regel komen hier eenige bijenhouders uit de provincie Drenthe welke gedurende den bloeitijd van het koolzaad hunne bijenkorven bij sommige landbouwers plaatsen.”
Noorddijk 53 Heeft hier weinig of niet plaats.
Hoogkerk 50 “De bijenteelt is hier van geene beteekenis.”
Ulrum 41 De bijenteelt is in deze gemeente van weinig belang.
Groningen 22
Loppersum 18
Nieuweschans 9
Kantens 7 “Is hier niet van beteekenis.”
Ezinge 6 à 7 “Aan bijenteelt wordt hier weinig gedaan. 6 à 7 stuks korven telt men in deze gemeente, welke aan vier eigenaars toebehooren…”
Stedum 3 “Bijenteelt wordt hier in de gemeente niet gedreven, slechts één persoon houdt drie korven voor zijn genot.”
Uithuizermeeden 1 “De bijenteelt wordt hier zeer weinig gedreven. Daarentegen komen hier vele Drentsche bijenhouders gedurende de bloeitijd van de koolzaad…”
Adorp Hier niet uitgeoefend
Baflo “Bijenteelt heeft in deze gemeente niet plaats, behalve door Drenthenaren die telkens voorjaren hier komen en tegen het najaar de ten deele gevulde korven weder met zich voeren.”
Beerta
Delfzijl Bijenteelt heeft men hier niet.
Kloosterburen Dit jaar geen bijenhouders hier aangetroffen.
Leens Van bijenteelt wordt hier in de loop van dit jaar geen gebruik gemaakt.
Middelstum
Oldehove Bijenteelt is hier niet.
Ten Boer
Usquert “De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend dan door enkele bijenhouders uit Drenthe.”
Warffum “De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend dan door enkele bijenhouders uit Drenthe.”
Winsum “Bijen worden hier niet gehouden.”
Haren Geen opgave 1867: “Bijenteelt wordt hier niet anders uitgeoefend, dan door eenige liefhebbers in het klein.”

 


Oude Veenkoloniën waren bijenhoudersgebied bij uitstek in Groningerland

Dat ik de boedelinventaris van Jan Davids Braam vond, kwam door een nieuw ‘trucje’ in de geavanceerde modus van Alle Groningers. Door een procentteken (%) zonder spatie voor een beroepsaanduiding te zetten, krijg je – spelfouten daargelaten – alle akten van de burgerlijke stand waarin dat beroep genoemd wordt. Deze truuk kan je bijvoorbeeld uithalen met bijenhouder, bijker, ijmker, iemker, imker en bijhouder. In totaal krijg je voor die synoniemen dan 94 akten, die als volgt verdeeld zijn over de periode die de Burgerlijke Stand bestrijkt, onder aftrek van de min of meer recente decennia waarvoor een embargo op de akten berust:

Akten Burgerlijke Stand waarin bijenhouder, bijker, ijmker, iemker, imker of bijhouder genoemd wordt als hoofdberoep van een persoon in die akte. Bron: allegroningers.nl .

Vooral in de eerste decennia van de negentiende eeuw, duidden mensen zichzelf of wijlen hun vader nog aan met een dergelijk hoofdberoep. In de tweede helft van de negentiende eeuw viel dat duidelijk terug, waarna er een partieel herstel optrad in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Of de grafiek ook werkelijk het voorkomen van professioneel imkerschap weerspiegelt blijft onzeker. Zoals je aan Braam kon zien, gaf men wel eens de voorkeur aan een andere beroepsaanduiding, terwijl het werkelijke hoofdberoep toch bijenhouder was. Je moet er dan ook rekening mee houden dat er veel meer professionele imkers waren, dan in de akten voorkomen. Het is ook nog mogelijk dat de grafiek vooral het beroepsimago weergeeft. Bovendien zijn de cijfers vanaf 1918 gedrukt doordat de geboorte-aangiften voor die periode nog niet in Alle Groningers zitten.

Uiteraard betreffen die 94 akten niet even zovele bijenhouders, omdat ettelijke imkers in meerdere akten voorkomen. In totaal kon ik 56 mannen identificeren die de bijenteelt als hoofdberoep noemden of als imker etc. werden aangeduid. De namen staan in een lijst die ik bij wijze van bijlage onderaan dit stukje heb geplaatst. In enkele gevallen, vooral in de eerste decennia van de negentiende eeuw, droegen die mannen ook familienamen, ontleend aan hun beroep. Zo hadden imkers in Wolfsbarge en Wehe de achternaam Bijker, terwijl een collega uit Warfhuizen Bijman, ook wel Bijma heette en een vakbroeder uit Hoogezand De Bij genoemd werd. In enkele gevallen zie je bovendien imkerdynastieën, waarbij het beroep van vader op zoon overging. Zoiets had ik al geconstateerd bij de familie Braam (Hoogezand e.o), maar het bleek ook ’t geval bij de Potjewijds (Oude Pekela) en de Van Timmerens (Slochteren).

Hiermee zijn al wat plaatsnamen genoemd. Verreweg het interessantst is inderdaad de vraag waar de mannen woonden, die als hoofdberoep bijenhouder opgaven, of ermee werden genoemd. En dan bedoel ik niet de gemeenten, maar de plaatsen waar deze imkers werkelijk woonden. Die woonplaatsen heb ik op een kaartje gemarkeerd:

Vooral in de omgeving van Slochteren, Hoogezand-Sappemeer, Veendam-Wildervank, het oudste deel van Stadskanaal en de beide Pekela’s kwam de beroepsaanduiding veel voor. In het Westerkwartier was het al beduidend minder, terwijl er in Hunsingo, Fivelingo (met uitgezondering van de omgeving Bierum), het Oldambt en Westerwolde maar weinig mannen waren die zich bijenhouder enz. noemden.

Nogmaals, er is een dark number van mannen die het beroep wel uitoefenden, maar de voorkeur aan een andere aanduiding gaven. Toch weerspiegelt het kaartje mijns inziens wel, waar mensen vooral van de bijenteelt konden leven, namelijk in Midden-Groningen en de oude Veenkoloniën. Dit was ook het gebied, dat centraal gelegen was tussen gebieden met verschillende dominante drachtplanten. Zelf kende het veel boekweitteelt, verder konden bijen naar het koolzaad in het Oldambt en de Ommelanden en naar de heide in Drenthe en Westerwolde.

Dat er veel bijen tussen zulke gebieden vervoerd werden, kan je ook zien aan enkele overlijdensakten. Zo stierf Jan Klaassens Bijman uit Warfhuizen in augustus 1824, tijdens de heidebloei, in het Drentse Hoogeveen, terwijl de Hoogeveense bijker Hendrik Smith in juni 1818, tijdens de koolzaadbloei, in Pieterburen overleed. De laatste heb ik overigens niet in onderstaande lijst opgenomen, net zomin als een andere Drent en enkele Friese imkers. Het was me immers louter te doen om de Groningse bijenhouders.

Bijenhouders etc., genoemd in Alle Groningers:

WOONPLAATS NAAM BIJENHOUDER GENOEMD IN AKTEN UIT JAAR
     
Bedum Jan de Neu (vgl. Zuidbroek) 1900, 1905, 1907, 1909,
Bierum Derk Jans Draak 1827
Jan Gerrits Schuurman 1838
Tjark Alberts van Dijk 1850
Foxhol (gem. Hoogezand) David Jans Braam (vgl. Hoogezand) 1845, 1846
Grijpskerk Eduard Poppema 1911, 1913, 1914
Groningen Willem Spiekman 1826
Haren Evert Heidema 1927
Hellum (gem. Slochteren) Jan Eisses Doornbos 1879
Hoogezand Hindrik Stoffers de Bij 1816
Jan Davids Braam (vgl. Foxhol) 1820
Kalkwijk (gem. Hoogezand) Arend Aljes Smit 1822, 1823
Kleinemeer (gem. Sappemeer) Derk Vegter 1868
Jan Barkman 1901
Kolham (gem. Slochteren) Jannes Tepper 1876, 1877
Pieter Schuur 1879
Midwolda Willem Baas 1943
Nieuwe Pekela Pieter Alles de Jonge 1813, 1814
Willem Jans Horlings 1832
Harm Jans de Weerd 1833
Noordhorn Jan Vlietstra 1906, 1912, 1913
Opende (gem Grootegast) Pieter van Velden 1921
Oude Pekela Harmen Klaassens Pottjewijd 1814
Geert H. Potjewijd 1816, 1818
Schildwolde Eisse Folkersma 1920, 1929, 1930, 1931, 1934, 1943
Jans Folkersma 1930, 1931
Sebaldeburen (gem. Grootegast) Johannes Schaafsma 1919, 1923
Siddeburen (gem. Slochteren) Kornelis Koning 1894, 1896
Slochteren Jakob Jans Meelker 1856
Eisse van Timmeren 1913
Jakob Hindrik van Timmeren 1927
Spijk (gem Bierum) Klaas Simons Groenewold 1827
Stadskanaal (gem. Wildervank) Gozen Albertus van Groenendal 1838
Stadskanaal (gem. Nieuwe Pekela) Pieter Hindriks Brouwer 1826
Harm Arends 1882
Veendam Arend Hindriks Bolhuis 1830
Jan Geerts Kool 1856
Derk Vos 1901
Koert Kram 1906
Vlagtwedde Heero Harms Tammes 1828
Warfhuizen Jan Klaassens Bijman (ook 3x Bijma) 1818, 1820, 1821, 1824, 1836, 1838
Wehe (gem. Leens) Jan Tammes Bijker 1814
Westerbroek (ge, Hoogezand) Eildert Jans Braam 1819, 1824, 1826, 1836, 1838, 1842
Westerlee (gem. Scheemda) Albertus Hermannus Rademaker 1937
Westerzand (vgl. Sebaldeburen) Johannes Schaafsma 1918
Wildervank Abraham Harms Staal 1837, 1839, 1841
Jacob Jans Boer 1851, 1852, 1855
Lourens Fokkes Kroon 1852, 1859
Hindrik Haijes Rubing 1864, 1869
De Wilp (gem Marum) Eelke Nieman 1921
Jelle/Jelke Tienstra 1926, 1934
Windeweer (gem Hz) Reint Arents Nieboer 1812, 1822
Folkert Buitenhof 1923, 1930
Winschoten Jan Wever 1934
Wolfsbarge (gem Hz) Arend Berend Bijker 1824
Zuidbroek Jan de Neu (vgl. Bedum) 1899

‘Voor mij hoeft er geen boom gekapt’

Portret van de Groninger tuinarchitect Klaas Noordhuis door de Amsterdamse “videograaf” Gosse Bouma. Noordhuis is ongeneeslijk ziek en reflecteert op het landhuis Oosterhouw te Leens (waar hij met de dichter C.O Jellema woonde) en op Amsterdam, waar hij een poos geleden heen verhuisd is:

Intussen woont er een Amsterdammer op Oosterhouw >>>


“Ter herinnering aan mijn diensttijd”

img397d blog

Een landarbeiderszoon kwam gewoonlijk nooit bij peerdevolk. Die was voorbestemd om zandhaas te zijn, infanterist bij het voetvolk. Maar Geert Perton, mijn overgrootvader, werd uitgeloot voor militaire dienst en vervolgens plaatsvervanger voor iemand uit Leens. Dat bracht hem naast een fiks geldbedrag een plaats op bij de ruiterij.

In elk geval herinnerde hij zich zijn diensttijd graag. Anders zou hij deze prent met de ingeplakte foto van zijn gezicht, hem ten geschenke gegeven bij zijn afzwaaien rond 1885, ook niet hebben ingelijst met glas ervoor en als zodanig levenslang hebben bewaard. Met genoegen dacht hij terug aan zijn tijd bij het peerdevolk: “As we ’s mörns bie peerdestal kwammen, frènsden de peerden al”.


Landarbeidershuisjes

Landarbeidershuisjes, veel is er niet over gepubliceerd. Als ik merk dat het Neerlands Volksleven van de jaargang 1962 er een artikel over bevat, wil ik dat dus wel even lezen.

Dat stuk werd geschreven door Henk Braber, destijds de baas van de provinciale VVV hier in Groningen. Hij propageerde  de ingebruikneming van landarbeidershuisjes als tweede woning, vooral in de noordelijke kuststreek.

Het Oude Veerhuis, Zoutkamp.

Het Oude Veerhuis, Zoutkamp.

Hierin voelde Braber zich niet altijd even begrepen. “Iedereen haalde de schouders op en lachte”, schreef hij over het onthaal dat zijn gedachtengoed meermalen vond:

“Menigeen moest er om begrijpelijke sociale redenen niets van het nieuwe idee hebben. Lege landarbeiderswoningen dienden gesloopt te worden.”

In de jaren 50 hadden zulke huisjes een slechte pers. Ze waren vaak matig onderhouden en slecht bereikbaar en ze misten aansluiting op waterleiding en elektriciteitsnet, nutsvoorzieningen die al wel aanwezig waren in de dorpskom, net als telefoon. Destijds zijn er dan ook aardig wat van die huisjes gesloopt.

2 Thesinge

Dat het er nog niet meer zijn geweest, komt ongetwijfeld door de trek naar het platteland van de babyboom- en hippiegeneratie, in de jaren 1965-1980. Bij hen viel de propaganda van Braber c.s. erin als Gods Woord in een ouderling:

 “Wat kunnen deze eenvoudige stulpen, vaak met hoge vlierstruiken en geboomte er om, een aardig accent vormen in het Groninger landschap!”

En:

“…een plekje zonder lawaai van het verkeer, zonder glurende buren, links, rechts en boven. Een stukje waarlijke vrijheid tussen het koren en onder een wijde hemel met allerlei vogels. Waar het nog bestaat dat fazant of patrijs in je tuin broeden en de hazen stoeien op de landweg.”

Tijdens het lezen van Brabers artikel probeerde ik te doorgronden wie de illustraties maakte. De signatuur liet zich niet ontcijferen, maar het handschrift kwam me ergens bekend voor. Aan het eind van het stuk gekomen, bleek waarom: de tekeningen zijn gemaakt door Nico Visscher, decennialang de cartoonist van het Nieuwsblad van het Noorden, Binnenlands Bestuur en de Oosterpoorter.

3 't Stört bij Leens

Ik wist niet dat Nico ooit topografica had gemaakt en toen ik hem erover belde, bleek hij de tekeningen zelf ook niet meer te hebben: “Heel vaak kreeg ik ze niet terug.” Hij had er nog meer gemaakt, vertelde hij. Hopelijk bevinden ze zich nog in het archief van de Provinciale VVV – ik kan me haast niet voorstellen dat iemand zoiets weggooit.

4 Garmerwolde


Slachtoffers van de Maartens- en de Kerstvloed

Plaats

Maartensvloed   (1686)

Kerstvloed   (1717)

 

Oldehove

7

Niehove

13

Garnwerd

1

Ulrum

73

Vierhuizen en Zoutkamp

18

41

Hornhuizen

4

117

Leens

182

Nijenklooster

7

Kloosterburen

11

Wehe

25

Zuurdijk

55

Warfhuizen

63

Niekerk

1

73

Vliedorp

7

48

Wierhuizen

40

Pieterburen

70

172

Eenrum

3

126

Westernieland

60

79

Saaxumhuizen

10

30

Den Andel

4

43

Baflo

21

Raskwerd

27

Tinallinge

12

Breede

1

Warffum

22

63

Usquert

41

44

Uithuizen

72

67

Uithuizermeeden

313

208

Oosternieland

4

20

Oldenzijl

5

Zandeweer

10

Eppenhuizen

6

Rottum

5

Kantens

2

Toornwerd

9

Westerwijtwerd

4

Huizinge en Menkeweer

3

Bedum

4

Onderwierum

9

Ter Laan en ‘t Reidland

1

Wetsinge

3

Winsum en Bellingeweer

12

Ranum

8

Maarhuizen

4

Mensingeweer

31

Maarslag

11

‘t Zandt

9

47

Godlinze

53

18

Spijk

104

53

Bierum

61

67

Holwierde

37

20

Uitwierde

9

4

Delfzijl

1

Farmsum

17

4

Oterdum

97

2

Heveskes

11

Termunten

223

Borgsweer

17

Woldendorp

37

Wagenborgen

27

Siddeburen

4

4

Garmerwolde

1

Westeremden

1

2

Garsthuizen

5

Loppersum

5

Wirdum

10

Leermens

15

Oosterwijtwerd

13

Krewerd

1

13

Katmis en Oldenklooster

10

Marssum

2

Losdorp

6

Solwerd

6

8

Nieuwolda

13

Nieuw-Scheemda

4

Oostwold

10

Finsterwolde

8

Eexta

1

 

TOTAAL

1394

2091

De vijf meest getroffen plaatsen waren in 1686 Uithuizermeeden (313), Termunten (223). Spijk (104), Oterdum (97) en Uithuizen (72).

De vijf meest getroffen plaatsen waren in 1717 Uithuizermeeden (208), Leens (182), Pieterburen (172), Eenrum (126) en Hornhuizen (117).

Uithuizermeeden was de gevaarlijkste plek om te wonen. Toch vermoed ik dat Termunten in 1686 relatief nog zwaarder getroffen werd – er kunnen maar weinig bewoners die ramp hebben overleefd. Verder maakte de Maartensvloed vooral slachtoffers in volkrijke plaatsen langs de Eemskust, terwijl de Kerstvloed vooral dergelijke plaatsen langs de kust van De Marne trof.  Relatief weinig slachtoffers vielen er beide keren in het Oldambt.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten) inv.nr. 817 – Slachtofferlijst van de Maartensvloed; en Johannes Adrianus Mobachius, Groningerlands zeer Hooge en Schrikkelyke Watervloed, Ter  Overstrooming van een groote menigte van Menschen, enz. op Kers-tyd den 25 Decemb. 1717 (Groningen 1718), de lijst achterin.


Groningse mijnwerkers en hun cultuur in Zuid-Limburg

Staatsmijnen NvhN 26 januari 1957

Nieuwsblad van het Noorden 26 januari 1957.

Heeft u nog gehoord van die Limburgse solidariteitsbetuiging met Groningen, de afgelopen week? Met name de Limburgse letterkundige, schrijver en dichter Wiel Kusters riep op tot Limburgse solidariteit met Groningen, omdat de ervaringen van Limburg en Groningen nogal overeenkomen. Beide provincies hebben decennialang randstad Holland van energie voorzien, beide zijn met een fooi afgescheept, beide zijn economisch onderontwikkeld en beide hebben nu te maken met krimp.

Kusters merkte daarbij terloops op, dat er veel Groningers in de Limburgse mijnen hebben gewerkt, en dat er nog veel nakomelingen van die Groningers in de voormalige mijnstreek leven. Dat sloot naadloos aan bij iets wat ik vorig jaar hoorde van Ton Grotens, de oud-directeur (1983-1992) van de Gasunie. Voordat hij bij de Gasunie in dienst trad, was Grotens directeur geweest bij de DSM, het petrochemische bedrijf dat in Zuid-Limburg uit de Staatsmijnen voortkwam. Bij de Staatsmijnen begon Grotens’ carrière medio jaren vijftig. Hij vertelde dat hij er alle rangen doorliep vanaf letterlijk de onderste tree op de bedrijfsladder, te weten die van hulphouwer. Nog verbazender aan zijn verhaal was, dat zijn eerste collega’s beneden in de staatsmijn Maurits bijna allemaal van origine Groningers, Friezen en Drenten waren. Die hadden, vertelde Grotens me, nogal eens eigen ploegen, en ondergronds zelfs ook een eigen personeelschef, ene Klaas Gort, die tevens raadslid en wethouder van Heerlen was.

Die noorderlingen, aldus Grotens, werden aangetrokken in speciale wervingscampagnes. Sporen daarvan tref je inderdaad aan in de digitale leggers van regionale kranten. Zo hield Staatsmijnen vlak voor Kerstmis 1955 voorlichtingsbijeenkomsten over het werken in het ondergrondse mijnbedrijf in cafézalen te Annen, Roden en Een. In de eerste week van januari 1956 volgden soortgelijke sessies in Vriescheloo, Stadskanaal-Wildervank, Tolbert, Gasselternijveen, Midwolda, Wildervank, Noordhorn, Oude Pekela, Marum, Wedde, Veendam en Grootegast, terwijl in de tweede week van die maand Scheemda, Nieuwe Pekela, Groningem, Warffum, Beerta, Muntendam, Uithuizen Musselkanaal, Bierum, Winschoten, Siddeburen, Alteveer, Loppersum, Vlagtwedde, Ter Apel, Stadskanaal en Sellingen werden aangedaan. Al met al voornamelijk plaatsen met een hoog (potentieel) overschot aan landarbeiders die met de mechanisering van de landbouw hun werk verloren of nog zouden gaan verliezen en die al gewend waren aan zwaar lichamelijk werk. Desondanks vertoonden ze aanvankelijk blijkbaar nog te weinig animo, want Staatsmijnen gaf in maart ‘56 een kortstondig vervolg aan zijn wervingscampagne met bijeenkomsten in Leens, Uithuizen en Roden, terwijl het bedrijf eind januari ’57 nog eens zes avonden in vooral Oost-Groninger centrumplaatsen organiseerde (zie het bovenstaande knipsel).

Noordelijke werkkrachten die via zulke bijeenkomsten toehapten, moeten kompels zijn geweest van Grotens in diens tijd als hulphouwer. Maar de golf Noordoost-Nederlandse arbeidsmigranten naar Zuid-Limburg in het midden van de jaren vijftig was zeker niet de eerste, zo blijkt uit een artikel van Wim van der Linde dat op de NGV-website staat. In de eerste decennia van de twintigste eeuw was er ook een golf geweest.

Toen het Zuid-Limburgse mijnwezen zich rond 1900 enorm ontwikkelde, kwamen daar al veel werkkrachten uit Noordoost-Nederland op af. Vaak ging het om mannen, die in de voorafgaande decennia eerst naar het Duitse Ruhrgebied waren geëmigreerd en daar al ervaring met het mijnwerk hadden opgedaan. Door die ervaring, hun grotere geletterdheid en de aanvankelijk geringe animo van autochtone Limburgers voor mijnwerk, kwamen deze noordelingen ook nogal eens gemakkelijker hogerop, wat met hun calvinistsche directheid, hun eigen dorpen of wijken (bijv. Treebeek, Brunssum) en hun eigen kerkelijke leven wel eens zorgde voor irritaties. Van der Linde becijferde dat tussen 1900 en 1913 ongeveer 1600 geboren Noordoost-Nederlanders in de Limburgse kolenmijnen zijn gaan werken, dus ruim 100 per jaar. Vaak namen die een gezin van vier of vijf mensen mee, en kettingmigratie zorgde voor nog eens voor aanzienlijke vergroting van deze allochtone groep. Alleen al bij de Staatsmijnen werkten er in 1923 bijna 2300 personen, die geboren waren in Noordoost-Nederland, zo’n 15 % van het algehele personeelsbestand. Uit de jaarverslagen van de Staatsmijnen valt ook af te leiden, dat vanaf 1913 het aantal noordelingen dat daar per jaar nieuw in dienst trad, toenam tot enkele honderden per jaar in de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog. Vlak daarna, in 1919 en 1920, was er de piek, met in die beide jaren samen 742 nieuwe noordelijke mijnwerkers. Na 1926 was er geen groei meer, maar nam het aantal nieuwe mijnwerkers dat in Noordoost-Nederland geboren was juist af.

Een mooi voorbeeld van die eerste golf emigranten, kwam ik tegen in het Limburgs Dagblad van 19 november 1950, toen het van origine Groningse echtpaar Wolters zijn gouden bruiloft vierde. Volgens het artikel was de man, Jurrien Wolters (NH), in 1881 te Warffum geboren en trouwde hij in 1900 met de iets oudere Grietje Lesterhuis uit Middelstum. Na zijn huwelijk werkte Wolters, die al een half jaartje boerenwerk in Duitsland erop had zitten, eerst in een Duitse kolenmijn. In 1902 hield hij die voor gezien en verhuisde hij met zijn vrouw naar Zuid-Limburg, waar hij zo’n dertig jaar meester-houwer in de staatsmijn Emma was. Maar hun cultuur raakten hij en zijn vrouw intussen nooit kwijt. De kinderen kregen meest nogal Gronings klinkende namen als Geertruida en Aafke en ook de taal van hun geboortestreek lieten ze niet los. Toen de LD-journalist hem verzocht om pasfoto’s voor bij zijn artikel,  vroeg de gouden bruidegom namelijk “of de nicotiefen ok goed wazzen”.

Afgaande op een bericht in het Limburgs Dagblad van 25 oktober 1969 keerden “de zwijgzame Groningers, de stugge Friezen en de geharde Drenthenaren” die na de Tweede Wereldoorlog naar de Limburgse mijnstreek verhuisden, bij de mijnsluitingen vanaf 1965 vrij snel terug naar hun geboorteplaatsen, waar ze immers ook wel in een fabriek konden gaan werken. Van der Linde constateert echter, dat ook de nazaten van de eerste golf Noordnederlandse mijnwerkers minder aan de mijnstreek hingen, dan nazaten van autochtone Limburgse mijnwerkers: “Velen waaierden uit over heel Nederland en over heel de wereld.”

Als men in Limburg een praktisch gevolg zou willen geven aan de uitgesproken solidariteit met Groningen, dan zou een nader onderzoek, kwantitatief en kwalitatief, naar de Groningse mijnwerkers heel mooi zijn. Zo ben ik zelf erg nieuwsgierig naar het culturele aspect. Vaag staat me bij – en daar is ook wel een aanwijzing voor – dat er in de jaren vijftig een Grunneger Verainen actief was in de mijnstreek. Ook namen noorderlingen van de eerste golf hun eigen volksliedrepertoire mee. Zo vinden we met het trefwoord Brunssum op de Liederenbank de in Noordbergum (Friesland) geboren mijnwerker Klaas Reitsma met een stuk of wat opnamen, terwijl de uit Wildervank/Valthermond afkomstige zusters Greven er zelfs vertegenwoordigd zijn met regelrecht Groningstalig repertoire.


Een klassiek geval van journalistiek opportunisme

OPREGTHEID DER DAGBLADSCHRIJVERS

Tijdens de Keizer NAPOLEON van Elba vlugtte, aan Frankrijks kust landde, en de hoofdstad glorierijk intoog, las men in de dagbladen achtervolgens de onderstaande berigten:

1. Het helgedrogt is uit zijnen kerker losgebroken; het is van Elba ontsnapt.

2. De korsikaansche weerwolf is bij Kaap Juan aan wal gestapt.

3. De tijger heeft zich te Gap vertoond. Van alle zijden zijn troepen tegen hem in aantogt. Hij zal eindigen met als een ellendig gelukzoeker in de gebergten om te dolen. Ontsnappen kan hij niet.

4. Het monster is werkelijk, men weet niet door welke verraderij, naar Grenoble ontkomen.

5. De tiran bevindt zich te Lyon. Zijne verschijning brengt algemeene ontzetting te weeg.

6. De geweldenaar heeft het gewaagd, de hoofdstad tot op zestig uren te naderen.

7. Bonaparte komt met spoed oprukken; doch zal nimmer tot Parijs doordringen.

8. Napoleon nadert Fontaìnebleau.

9. De Keizer Napoleon bevindt zich te Fontainebleau.

10. Gisteren avond heeft Zijne Majesteit de Keizer en Koning zijnen intogt in de Tuileriën gehouden. De gansche bevolking legt eene onuitsprekelijke vreugde aan den dag.

Bron: Almanak ter bevordering van kennis en goeden smaak voor het jaar 1845, uitgegeven door het Departement Leens van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Groningen bij Oomkens 1844) p. 134.


Terugkeer van Napoleon gaf repercussies in Kloosterburen

De ontscheping van Napoleon 1 maart 1815 bij Antibes

 “Parijs den 7 Maart. Gisteren in den morgen liepen er allerhande geruchten van een ongunstigen aard, die op de beurs weldra geconfirmeerd werden. Men vernam alstoen dat Napoleon Buonaparte met 1200 man en 4 stukken geschut bij Cannes, tusschen Fréjus en St. Tropez ontscheept was en zich van verscheide plaatsen in het département du Var had meester gemaakt. Deze tijding maakte dadelijk eene zeer groote sensatie en baarde veel ongerustheid, terwijl de renten terstond 3½ per cent vielen en de bank-actiën van I200 op 1165 kwamen.”

Aldus de Opregte Haarlemsche  Courant van 14 maart 1815, twee weken na de landing  van Napoleon,  die met een soort van vreedelingenlegioen van zijn ballingsoord Elba ontsnapt was.  Aanvankelijk werd het gevaar in de meest gelezen krant van Noord-Nederland gebagatelliseerd: het viel allemaal wel mee, er heerste geen grote ongerustheid. Op 18 maart echter, berichtte de Haarlemmer al dat Frankrijk in rep en roer was, met muitende garnizoenen en zich overgevende steden. In het machtscentrum Parijs heerste grote neerslachtigheid. Wie wat te verliezen had, begon er zijn boeltje te pakken.

Het bericht over Napoleons landing  haalde op 17 maart de Groninger Courant, die sprak over een “heilloos plan van de wereldberoerder”. Op 21 maart meldde dezelfde krant, dat de vestingen in het zuiden van Nederland (het latere België) in paraatheid waren gebracht.  Zo kwam het nieuws dichterbij, want ook Groningen was een garnizoensstad en vanouds gingen er tussen deze vesting en de zuidelijke nogal wat troepen heen en weer.

Op 20 maart zat Napoleon al in Parijs, nieuws dat de 28e in de Groninger Courant  stond. Het gevaar nam nu werkelijk schrikbarende vormen aan. En dat lokale autoriteiten toch ook wel een tikje nerveus begonnen te raken,  blijkt uit een brief die de schout (burgemeester) van het overwegend katholieke Kloosterburen een dag later, op 29 maart, stuurde aan de officier van justitie bij de Rechtbank van Eerste Aanleg in Appingedam.  Bij de schout waren klachten ingekomen over “ruststoorend gedrag” in een plaatselijke herberg, en hij voelde zich verplicht die door te geven aan de officier,

 “doordien de rust en veiligheid in deze tegenwoordigheid van zaken oplettend dient te worden gehandhaaft”.

De schout had alvast inlichtingen ingewonnen en daarbij bevonden dat ene Lucas Derks Kok “den ergsten in het geval is geweest”. Alles was gebeurd zonder medeweten van de kastelein, dus die moest er niet op aangekeken worden.

De inlichtingen van de schout waren vervat in een verklaring door de dagloner of boerenarbeider Kornelis Eppes Werkhof (21) uit Hornhuizen, Rentjen (ook wel Reint) Harms Vos (20), een boerenknecht uit Kloosterburen, de boerenzoon Pieter Sjabbes Damhof (19) uit Kloosterburen en de boerenzoon Jan Rijkes (of Riekes) Beukema (20) uit Hornhuizen. Op 21 maart, dus een week voordat de schout de klachten doorstuurde, was dit viertal jongens ’s om een uur of half tien bij kastelein Egbertus Zonder in Kloosterburen geweest, en daar hadden ze gehoord hoe “enige personen”, namelijk Lucas Derks Kok van de Grijssloot onder Leens, Harm Roberts Klaver uit Kloosterburen en Hindrik Harms Timmer uit Hornhuizen,

“zich ruststoorend hebben gedragen met te zingen van liederen ten gloria van Napoleon…”

Ook hadden Kok, Klaver en Timmer “Vivat de Empereur” geroepen en gedreigd:

“Napoleon koomt schielijk weder terug, en dan zullen wij die blixemse orangelieden opknopen en den prins die vagebond wel vinden.”

Op 9 april werd hoofdverdachte Lucas Derks Kok verhoord door de officier van justitie. Hij bleek boerenknecht in het kerspel Kloosterburen en niet in Leens, zoals zijn beschuldigers meenden. Hij woonde in bij Harm Weggens, een boerenarbeider, was 23 jaar oud en geboren op de Rodehaan onder Warfhuizen. Tegen de officier gaf Kok toe, dat hij de bewuste avond een uur had doorgebracht in de bewuste herberg. Hij kwam er met een andere boerenknecht en een kleermaker, maar hield niet hun gezelschap  en zocht dat van zijn mede-verdachten Klaver en Timmer op, al was hij met deze evenmin “in één gelag” geweest. Inderdaad waren er die avond patriotse èn oranjeliedjes gezongen. Wie dat allemaal nog meer deden? Och,

 “Er waren zoveel, dat ik ze niet kan opnoemen.”

Wie de patriotse liederen zong, wist Kok niet. Ook ontkende hij zich te hebben uitgelaten over de terugkerende Napoleon en het opknopen van oranjelui en de prins als vagebond. Wie deze uitlatingen dan wel deed? Dat wist hij niet, hij had ze niet eens gehoord.

Kok wist dus van de prins geen kwaad. Op 20 april nam de vrederechter van Winsum daarom nadere verklaringen op van Werkhof, Vos, Damhof en Beukema, waarin wat dieper werd ingegaan op het voorval in de kroeg te Kloosterburen. Intussen was er een maand voorbij gegaan, en de jongens waren niet helemaal  eenstemmig meer qua chronologie en incriminerende feiten, maar wat ze bij de vrederechter vertelden kwam hierop neer:

Kleine jongens, die in het voetspoor van de oudere jongens naar de herberg van Egbertus Zonder kwamen, waren begonnen met het zingen van Franse liederen en het roepen van “Vivat Napoleon” en “Vivat l’Empereur”. De oudere jongens, met name Kok en zijn maten Timmer en Klaver, vielen hierbij  in. Toen die even ophielden,  raakten ze in een twistgesprek met Werkhof over de toestand in de wereld.

Timmer:De Franschen zijn alweer een stuk weer hier”.

Klaver:Ik wilde dat zij hier maar weder waren”.

Werkhof:Het is tog nog Oranje boven”.

Volgens Werkhof, blijkbaar een orangist,  liep Kok vooruit op de komst van de Fransen. Kok zou hebben gezegd:

 “Dan zullen wij de Oranjelui wel vinden en wel opknoopen en de Prins die vagebond wel vinden”.

Damhof viel Werkhof wat dit betreft bij, maar Vos herinnerde zich het anders. Volgens hem had Kok niet gedreigd maar voorspeld:

“Als de fransozen er weder waren zouden zij de Oranjelui noch opknoopen, en de Prins die vagebond wel vinden.”

In elk geval was alleen Kok verantwoordelijk voor een dergelijke uitlating, van diens maten hadden Werkhof c.s. zoiets niet gehoord, of konden ze dat niet met zekerheid verklaren. Toen Kok c.s. weer begonnen met het zingen van Franse liederen en het roepen van “Vivat de Keizer”, hadden Werkhof en zijn drie kameraden het raadzaam geacht om de herberg te verlaten,

“als vreezende [dat ze] gemaltraiteert zouden worden”.

Een week na het opnemen van deze nadere verklaringen, onderzocht de Winsumer vrederechter ook nog een rustverstoring op een boeldag in Leens, waarover hij bij geruchte had vernomen. De deurwaarder die de boeldag organiseerde, kon hem melden dat er  wel enige “historieën en rusiën” voorvielen, maar wist niet wie daarvoor verantwoordelijk waren geweest. Of Kok erbij was, kon hij evenmin zeggen, omdat hij die niet kende.

Op 1 mei stuurde de officier alle verklaringen naar de Rechtbank van Eerste Aanleg, met het verzoek om een  arrestatiebevel tegen Kok als ”voornaamste belhamel”,

“Daar nu zodanige faiten in een land van orde en goede justitie niet straffeloos kunnen worden geduld.”

Dat bevel kwam af op 18 mei. Vanaf die dag echter, bleef het proces vrij lang stilliggen. Intussen raakte ook Nederland in rep en roer, want – wat we ons vaak niet realiseren – Waterloo lag nog binnen onze grenzen. Pas nadat Napoleon hier zijn definitieve nederlaag leed (18 juni) en bekend werd dat men hem naar Sint Helena zou gaan verschepen (begin augustus), ging het proces tegen diens drie (vermeende) aanhangers te Kloosterburen verder.

Op 5 augustus werd Kok opnieuw verhoord. Hij wist niet waarom hij vastzat, noch dat hij überhaupt iets misdaan had.  Dat er in de Kloosterbuurster herberg Franse liederen waren gezongen, wist hij niet. Hij ontkende andermaal de gewraakte uitlatingen te hebben gedaan, of zelfs maar te hebben gehoord.

Ook de getuigen of beschuldigers moesten nog eens komen opdraven. Zij verklaarden op 22 augustus alles nog eens conform hun eerdere deposities, maar dan onder ede.  Alleen meldde Beukema dat zijn groep uitgedaagd was door Kok en diens metgezellen die zich volgens hem “onrustig” en “zeer slegt” gedroegen –

 ”als zeggende onder elkander dat zij wenschten dat wij maar eens buiten kwamen”.

Nieuw bij Damhof was, dat die nu een van de gewraakte liedjes noemde. Het ging om de Carmagnole,  een Frans revolutionair spotlied uit 1792 dat drie jaar later, bij de Bataafse revolutie, in Nederland veel rond vrijheidsbomen gezongen werd.  In 1799, toen Napoleon als eerste consul in Frankrijk de macht greep, was het door hem verboden. Een dergelijk lied getuigde vooral van een democratisch-patriotse gezindheid, die op gespannen voet lijkt te staan met een regelrechte Napoleon-verering.

Koks niet gedetineerde mede-verdachten Timmer en Klaver werden eind augustus pas voor het eerst verhoord. Beiden ontkenden het gezang, de leuzen en de uitlatingen en pleitten daarvan ook de andere twee vrij. Timmer, geconfronteerd met het feit dat er beëdigde verklaringen lagen:

 “Indien er zulke getuigen zijn die dit zeggen dan verklaren zij onwaarheid.”

Klaver had wel horen zingen, maar het specifieke repertoire was hem ontgaan:

 “Ik heb daarop geen aandacht gegeven omdat ik zelve niet zing.”

Ook  ontkende hij het uitdagen –

“Echter moet hij bekennen dat dien avond is geroepen Oranje Boven door Kornelis Eppes Werkhof, met bijvoeging van God verdoeme mij en slaande op de tafel zoo dat er een half oorts glas van de tafel viel en de overige glasen stonden te rummelen, dat ik wel begrepen heb dat dit tot spijt van mij geschiedde aangezien ik, als behoorende tot de patriottische partij aldaar bekend sta, en ik wegens ligchaams gebrek niet onder de Landstorm ben en te meer nog dewijl ik tot de Roomsche Gezindheid behoor en Kornelis Eppes Werkhof van de Gereformeerde gezindheid is, zoo dat uit dien hoofde er oneenigheid tusschen ons bestaat.”

Het zingen van oranjeliedjes kon helemaal niet voor een bekentenis doorgaan, want die mochten vrij gezongen worden. Het citaat maakt echter duidelijk dat er ook, en wellicht zelfs eerst, oranjeliedjes waren gezongen en oranjeleuzen waren geroepen door de gereformeerde en orangistische aanwezigen, wat in het katholieke en patriotse Kloosterburen als een provocatie kon worden opgevat. Mogelijk was dat ook de reden dat andere aanwezigen op patriots repertoire overgingen, waarbij we de napoleontische leuzen wellicht aan hun oververhitting mogen toeschrijven.

Op 5 oktober zat Kok nog steeds vast. De offcier van justitie overwoog die dag, dat er weliswaar geen “oproer of seditieuse beweging” was veroorzaakt, maar dat er wel degelijk sprake was geweest van een “ongehoorde belediging jegens Neerlands beminde souverein”. Ook beschuldigde de officier Kok c.s. van het “aankweken van oude partijschappen”, en een poging om “oproer te verwekken en daardoor burgeroorlog te ontsteken”.  Met die kanttekeningen gingen de stukken naar de procureur-generaal bij het Hooggerechtshof in Den Haag, dat over het vervolg van de procedure zou moeten beslissen.

Bij de stukken zat ook een signalement van Kok. Voor wat het waard is:

“Groot 5 voet en 9,5 duim. Langwerpig van aangezigt, bleke couleur, rond voorhoofd, donker bruin hair en wenkbraauwen, blauwe ogen, langen neus, kleinen mond en ronde kin.”

Op 30 oktober besloot het Hooggerechtshof Kok en zijn twee metgezellen in officiële staat van beschuldiging te stellen en hun zaak toe te wijzen aan Hof van Assisen in Groningen. Misschien komt het voor de lezer als een anticlimax, maar die rechtbank verklaarde op 20 november 1815 alle drie de verdachten voor “niet schuldig” en stelde Kok op vrije voeten.

Een motivatie van de rechters ontbreekt helaas bij het vonnis, maar dat de vier getuigen niet helemaal consonant waren, en regelrecht werden tegengesproken door de drie beschuldigden, zou een reden kunnen zijn. Ook moeten de rechters hebben beseft, dat hier sprake was van een uit de hand gelopen kroegruzie, waarbij niet alleen politieke, maar ook religieuze tegenstellingen meespeelden. Bovendien zou er wel eens sprake geweest kunnen zijn van een orangistische provocatie.  Waar twee partijen elkaar ergerden, hadden twee partijen schuld. Een vrijspraak leek dan de verstandigste weg, gooide althans geen olie op het vuur. En zo eindigde dan dit zaakje, dat me verder ook niet bekend is uit historische literatuur.

Bronnen:

RHC Groninger Archieven,  toegang 141, archief Hof van Assisen Groningen en Drenthe te Groningen, inv.nrs. 6.19 (procesbundel L.D.Kok) en 2.2 en 4.1 (minuut zitting en arrest met de vrijspraak van 20 november 1815).