Monumentenwel & -wee in Tolbert en Marum

Gister zijn bij Fredewalda in Tolbert de oorlogsschilderingen op het betonnen mestbassin officieel opgeleverd. Ze vervullen een educatieve functie.

Luchtafweergeschut, in 1940 geplaatst bij de pastorie van Tolbert:

Katrijn Huizinga (1908-1990), die in de oorlog actief was voor de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en het Nationaal Steunfonds Verzet. Op 30 juni 1944 werd ze bij een huiszoeking door Landwachters opgepakt en belandde via het Scholtenshuis en Kamp Vught in het vrouwenkamp Ravensbrück en het al even beruchte Dachau. De fiets waarmee ze haar illegale werk deed (zoals het verspreiden van buitgemaakte distributiemateriaal en illegale lectuur), was een Fongers:

Een onderduikershol:

Twee joodse kinderen uit het dorp, op weg naar een vernietigingskamp in Polen:

Helaas is enige educatie over de oorlog in het Westerkwartier wel nodig, gezien het feit dat er afgelopen weekend vernielingen zijn aangericht bij het oorlogsmonument dat bij Marum de herinnering aan enige gefusilleerde slachtoffers levend houdt. Zo te zien betreft het een belendend bankje, en niet het monument zelf. Dat het stuk ongeluk, dat hiervoor verantwoordelijk is, maar veroordeeld mag worden tot zoveel rondjes om de Tolberter mestsilo, dat hij levenslang draaierig blijft.


Rondje Jonkersvaart – Marum – Lucaswolde

Foxwolde 1:

Foxwolde 2:

Tijdelijke voorgevel van dakpannen, Leeksterhoofddiep Leek:

Schuur, Jonkersvaart:

Willemstad bij Marum:

Bruggetje over de Pierswijk in het Malijksepad, Marum:

Dorpsgezicht, Marum:

Vogelkijkhut in de tip tussen het Dwarsdiep en de Lietsweg, Lucaswolde:


Rondje Marum

De kerk van Midwolde:
DSC04144
Schuur bij Nuis:
DSC04150
Zuivelfabriek Marum (1918):
DSC04153
Het kerkje van Marum:
DSC04156
Aan de andere kant va de kerk zit een bult, een oude stinswier waarop in de Middeleeuwen een verdedigbaar steenhuis gestaan heeft:
DSC04166
Ten westen van Marum dit oorlogsmonument:
DSC04191
Het bevindt zich op de gewezen spoordijk van de Drachtster Tram. Hier zijn eind 1944 vijf mannen bij wijze van represaille door de Duitsers geëxecuteerd nadat een lokale verzetsgroep sabotage had gepleegd waardoor de tram uit de rails liep. De Sicherheitsdienst haalde de vijf mannen uit het Groninger Huis van Bewaring en vervoerde ze vanaf de Peizerweg in Groningen per tram naar Marum, waar ze in marstempo langs de trambaan hun einde tegemoet moesten lopen:
DSC04193
Ten noorden van de A7 bij Marum:
DSC04203
Pril eikenloof:
DSC04206
Koppeltje speelse lammeren:
DSC04214
Paarden op een kampje bij Lucaswolde:
DSC04216
Vlagvertoon in Enumatil:
DSC04225


Rondje Marum

Mickey en Minnie Mouse aan ’t snoetjeknovveln bij Oostwold:

Gezicht vanaf het viaduct bij Lettelbert:

Carbidschieters met anarchistisch palet, hoek Halbe Wiersmaweg bij Niebert::

Horizontale eik bij ’t Pad in Nuis:

Watergang haaks op de Zuiderhoekseweg, Marum:

Het gehucht Willemstad bij Marum heeft fonkelnieuwe plaatnaambordjes. Er zit nog geen vogelpoepje op:

Bouwproject bij de Jonkersvaart:

Paardenhoofd bij ’t Pad, Nuis:


Rondje Marum

Vanaf het Roderwolderdijk-viaduct over de A7 – de vloeivelden van de Hoogkerker suikerfabriek:
001
Bij het Leekstermeer ter hoogte van Oostwold:
004
Paarden met blok hooi bij Lettelbert:
006
Gekapt perceel bos bij de Roordaweg tussen Boerakker en Marum:
012
Uitzicht vanaf een uitkijktorentje aan het Nuismerpad:
015
In de buurt van Marum:
028
Merkwaardige structuur in de berm van de Turfweg:
029
Te Lucaswolde geeft een reiger een showtje weg voor langhoornige Hooglanders:
040
De torenklok van Boerakker zou best wel een likje verf kunnen gebruiken:
043
De houtvoorraad heeft de winter overleefd:
044
Dakenlandschap op de Pasop:
050
Een van de vele futen op het Hoendiep:
062


Heen en weer naar Marum

Vrolijk paard mat ‘blaarkop’ (of Moshe Dayanhoofd) tussen Lettelbert en Midwolde:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Zie ook dit filmpje, waarin het uitgedaagd wordt door een jongere soortgenoot.

Schuur in Niebert:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De kerk van Marum:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Uithangbord van café in Tolbert:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Getuige advertenties in de Ommelander Courant van 16 oktober 1789 en 8 juni 1790, waarin het signalement van vermiste paarden werd opgegeven, bestond er toen al een herberg De Pylders in Tolbert. In december 1802 stond deze herberg te koop:

“Met Consent des Gerechts van Vredewold, gedenken A. PLOEG en Vrouw, op Donderdag den 6 January 1803 des avonds om 4 uuren, publyk op Strykgelds Conditiën te Verkoopen: Hunne BEHUIZINGE, de Pylders genaamt, staande aan de Heereweg te Tolbert, zynde van ouds en nu nog een Neringryke Herberg, voorzien met Boven- en Beneden Kamers, een ruime Schuure met Stallen voor Paarden en Beesten, een groot Hoff en Tuin, alles eigen Grond, benevens verscheiden Grazen best Bouw en Weideland. Deze Verkooping sal zyn ten Huize voornoemd, alwaar de Conditiën van verkoop 3 dagen bevorens zullen zyn te leezen.”

De benaming Pylders, eveneens gedragen door een herberg te Grijpskerk en een kremerij annex schoenmakerij in Uithuizermeeden, doet nogal Fries aan. Googelen en een beperkt krantenonderzoek, waarbij ook varianten als De drie Pilaren zijn betrokken, levert nog herbergen en jongere horeca op in Oostermeer, Drachten, Beetsterzwaag, Mildam, Oudeschoot en Heerenveen. De naam was en is dus vooral populair in de Friese veenstreken. In Oudeschoot ging het zelfs om het grietenijhuis van Schoterland tot 1828,

Daar in Oudeschoot is er letterlijk sprake van drie pilaren. Of er ook een symbolische betekenis is, heb ik nog niet mogen ontdekken.

 


Rondje Zuidhorn – Enumatil

Jarenlang afgedekt, maar recent weer tevoorschijn gekomen reclamebord bij het leegstaande boerderijrestaurant aan de Hoogkerker Zuiderweg:

Op de voorgrond is bebouwing weggebroken voor een nieuw parkeerterrein, waaronder grafstenen bleken te liggen. Voorlopig is er vrij zicht op de noordelijke gevel van de kerk in Hoogkerk, die overigens morgen voor het eerst sinds jaren weer open is met Monumentendag:

Gezicht op de suikerfabriek vanaf de Legeweg, Leegkerk:

Pre-coronakunstwerk bij winkelplein in Zuidhorn:

Bloemenperk bij het cultuurcentrum van Zuidhorn:

Op de achterplaats van Tante Til in Enumatil – portret op zink van een markante Tolberter dorpsgenoot door Anneke Ekhart, die ook het mestbassin bij Fredewalda voorzag van oorlogstaferelen:


Duitse trekarbeiders in Groningerland (1811)

GemeenteAantal hierMaandenHerkomst (dep.)Werk
Stad Groningen104aprLippe, Weser, Boven-Eems 
Haren7apr-junLippe, Hannover, Boven-Eemsvenen
Hoogezand65apr-oktWeser, Lippevenen
Noorddijk60mrt-oktBoven-Eemsvenen
Aduard8apr-augLippe, Blombergtichelen
Ezinge10mrt-oktLippetichelen, weven
Grijpskerk22mrt-novLippe, Bentheimweven e.a.
Oldehove2mrt-oktLippeweven
Zuidhorn6jun-augHannoverhooien
Grootegast2apr-aprOldenburgvenen
Leek100apr-junLippe, Osnabrückvenen
Marum5mrt-oktBentheimweven
Oldekerk7mrt-novWestfalenvenen
Noordbroek4mrt-novBoven-Eemsweven, metselen
Veendam-Wildervank575mrt-junBoven-Eemsvenen
Zuidbroek20mrt-novLippetimmeren, schoenmaken kleermaken, venen
Beerta40aug-novJemgum, Weeneroogsten
Midwolda50apr-novBoven-Eems, Lippevenen, oogsten, timmeren
Nieuwolda110apr-oktBoven-Eems, Lippeoogsten ea veldwerk
Scheemda13mei-augBoven-Eems,  Lippetichelen, timmeren, weven
Termunten60jun-augBoven-Eems,  Lippetichelen, timmeren, weven
Winschoten40mrt-oktBoven-Eems,  Lippetichelen
Bellingwolde9apr-novBoven-Eemstimmeren, weven
(Oude) Pekela250apr-julLippevenen, timmeren

Zoals we hebben gezien, was er vooral trekarbeid vanuit Groningerland in het hooiseizoen, zo’n beetje vanaf de langste dag tot eind juli wanneer thuis het oogstwerk op de korenvelden begon. Waarschijnlijk trokken de Groningers eind juni mee met de stroom van Duitse hannekemaaiers naar Friesland en Holland, waarbij hun bescheiden aantallen – ruim 220 in totaal anno 1811– tegen die van de Duitsers in het niet vielen, vandaar dat je ook nooit over Groninger hannekemaaiers hoort of leest.

Een seizoen eerder, tijdens de campagne in de venen die van eind maart tot eind juni duurde, zat Groningerland anno 1811 duidelijk aan de ontvangstkant van Duitse arbeiders. Dat waren er ook veel meer dan Groningers die elders gingen hooien. Alleen al in de gemeente Veendam-Wildervank, waaronder het oudste deel van Stadskanaal viel, werkten er in de turfgraverijen maar liefst  575, in Oude Pekela 250, in Leek 100 en in Hoogezand 60. Deze kwamen vooral uit het gebied rond de bovenloop van de Eems en Lipsland (bij Bielefeld en Detmold), of breder: het stuk Westfalen ter hoogte van Westerwolde en Drenthe. Veelal ging het om armelijke boertjes en hun zonen. Waarschijnlijk trok een flink deel van deze trekarbeiders eind juni door naar Friesland en Noord-Holland om daar te hooien, als het veenwerk in Groningerland erop zat. Het noordelijker gelegen Oost-Friesland wordt daarentegen nauwelijks als brongebied van trekarbeiders genoemd, eigenlijk alleen in een specifiek geval (Beerta, waarover straks meer).

De Lipskers staan vooral bekend om hun werk in tichelarijen (of steen- en pannenbakkerijen), maar dat was duidelijk lang niet hun enige, laat staan hun voornaamste inkomstenbron hier. Een kleiner deel zal vanuit de venen naar de veldovens op de grens van veen en klei zijn doorgestroomd en bleef dan soms hangen tot diep in het najaar.

Naast veenarbeiders en tichelwerkers kende Groningerland in het zomerseizoen een flinke instroom van Westfaalse ambachtsknechten, vooral wevers, maar ook bouwvakkers of timmerlui. In Grijpskerk (22) en Marum (5) wordt als herkomst van de wevers Bentheim genoemd, net over de grens bij Twente. In Drenthe kwamen de wevers ook nogal eens uit die regio.

De ‘Velingen’ (scheldnaam voor Westfaalse Duitsers) assisteerden veel minder vaak bij de graanoogst, grofweg in augustus. Eigenlijk hielpen ze uitsluitend in Nieuwolda (110) en Midwolda (50) bij het graanzichten, terwijl de polderboeren in het nabije Beerta daarrvoor arbeiders (40) uit het noorden van het nabije, ingelijfde Reiderland (Jemgum, Weener) inzetten. Het kleigedeelte van het Oldambt was daarmee al met al het enige gebied met korenzichters van over de landsgrens.

Tot slot nog een curiositeit. Hooien als werk voor Duitse trekarbeiders wordt louter in Zuidhorn genoemd. Terwijl daar in de hooitijd 4 ‘inboorlingen’ naar de campagne in Friesland gaan, komen er vanuit het Hannoverse 6 mannen over om in Zuidhorn mee te helpen met het maaien. Hooien was net als korenzichten vaak aangenomen werk (vaste prijs per oppervlakte-eenheid per perceel). Blijkbaar konden de Zuidhorners in Friesland meer beuren dan thuis, terwijl de aanneemsommen in Zuidhorn nog interessant genoeg waren voor een ploegje Hannoveranen.


Groninger ‘hannekemaaiers’ (1811)

Ik heb hier wel eens beschreven hoe er rond 1900 jaarlijks honderden landarbeiders uit het Oldambt naar Friesland trokken, om daar in juni en juli als ‘hannekemaaiers’ mee te helpen met de hooioogst. Zeker is wel dat het er eerder lang niet zoveel waren, maar vandaag vond ik in het archief van de opeenvolgende ministeries van Binnenlandse Zaken uit de Bataafs/Franse periode cijfers die een meer precieze indruk geven hoe het daar in 1811 mee was gesteld. Deze heb ik voor Groningerland samengebracht in dit staatje:

Gemeenten WesterkwartierAantalMaandenWaarheen
Zuidhorn4jun-augFriesland
Grootegast20jun-augFriesland
Leek20jun-julFriesland
Marum13jun-julFriesland
Oldekerk4jun-julFriesland
Gemeenten Wold-Oldambt   
Noordbroek10jun-julFriesland
Zuidbroek30jun-augFriesland
Beerta10jun-augFriesland
Midwolda10jun-julFriesland
Scheemda10jun-augFriesland
Winschoten20jul-augZuiderzee
Bellingwolde15jun-augFriesland
Oude Pekela20jul-augFriesland
Nwe Pekela30jun-augFriesland + Zuiderzee
Nieuweschans2mei-junFriesland

Deze trekarbeid bleef toen qua herkomst beperkt tot het zuidelijke deel van het Westerkwartier en het klei-gedeelte van het Oldambt met de Pekela erbij. In totaal ging het om ruim 220 arbeiders. De trek begon in juni, als er weinig werk in de akkerbouw was en de campagne in de venen afliep, maar kon tot in augustus duren, waarschijnlijk vooral als de graanoogst thuis wat langer op zich liet wachten.

Friesland blijkt niet de enige bestemming te zijn geweest, want er waren ook arbeiders die naar het Departement van de Zuiderzeee trokken, dus Noord-Holland. Deze wat meer reisbeluste arbeiders kwamen met name uit Winschoten en de Pekela. Per gemeente ging het hooguit om enkele tientallen personen, dus enkele ploegen volk. Zuidbroek (met Muntendam) en Nieuwe Pekela waren de belangrijkste leveranciers. Vergeleken bij de Drentse veenkolonies Smilde (150 trekarbeiders) en Hoogeveen (50) viel het nogal mee, wat zich vanuit Groningerland westwaarts begaf.

Naschrift: De Dokkumer Sneuper deed op Twitter deze suggestie: Supersneuperzeesluis op Twitter: “@Gelkinghe Die Pekelders die verder reisden hadden wellicht meer scheepsvervoer ter beschikking?” / Twitter

Daar zit wel wat in.


Brouwerijvoorraden leveren kluinrecept op

Als op 10 oktober 1722 de Groninger brouwer, olderman der brouwers en hopman van de Groninger burgerwacht Gerlof van Suirenhuisen overlijdt, laat hij onder meer zijn brouwerij met ketels en kuipen in de Brugstraat zuidzijde na. Eerst wordt dit bedrijf voortgezet door zijn tweede vrouw, de uit Utrecht afkomstige Agnes Gaillard (of Galjaard). De weduwe krijgt het er nog druk mee, want getuige de aandelen in huizen en panden en diverse schuldbrieven leverde de brouwerij kluinbier aan herbergen en tapperijen in onder meer Vierverlaten, Enumatil, Leek, Tolbert en Marum, dus in het gehele Vredewold, maar ook in de stad en in Baflo. Mogelijk dat een kortingsregeling in de vorm van “geschenken” of “vereeringen” de afzet van de brouwerij vergrootte. Zo’n regeling wordt namelijk een paar keer genoemd in de zeer uitgebreide boedelinventaris, die er van Gerlofs van Suirenhuisens nalatenschap opgemaakt is.

Onder meer bevat deze boedelinventaris twee voorraadstaatjes van kluin in de kelder en ingrediënten op zolder. Het oudste staatje, dat evenwel later in het stuk verschijnt, dateert waarschijnlijk van 28 januari 1723:

Terwijl het jongste staatje op 30 maart 1724 is opgemaakt:

In het ene geval lagen er 15 tonnen kluin (à 155) liter in de kelder aan de Brugstraat, terwijl het ruim een jaar later 19 tonnen waren. Van lichter stuiversbier is geen sprake. Ook zijn de mout- en hopvoorraden in tweede instantie veel groter. Het zijn maar momentopnamen, natuurlijk – hooguit zou je met een slag om de arm kunnen zeggen dat de zaak er onder het bestier van de weduwe Van Suirenhuisen-Gaillard niet op achteruit ging. Ook uit de gezolderde ingrediënten kan je eigenlijk geen ontwikkeling opmaken. Het gaat me dan ook niet om de verschillen tussen beide staatjes, maar om een overeenkomst:

JaarHopGerstemoltHavermoltMolt beidePerc. haver
17231,5 mud414,5 mud26,5 mud441 mud6,0 %
172416 mud630 mud61 mud691 mud8,8 %

Zoals we weten, ging er een flinke dot haver in de kluin, dat roemruchte want uiterst lekkere Groninger bier, maar is onbekend hoeveel haver dat was in verhouding tot de gerst. Bij beide voorraadopnames in de brouwerij aan de Brugstraat was de hoeveelheid havermolt echter minder dan 10 % van alle mout samen (zie laatste kolom), veel minder dan de 40 % die wel eens genoemd wordt. Op basis van deze cijfers zou je zeggen dat je als kluinbrouwer met één deel havermolt op negen of tien delen gerstemolt al aan de ruime kant zit. Vanaf die verhouding zou je de hoeveelheid haver in je kluin wellicht nog wat omlaag kunnen brengen voor de juiste historische smaaksensatie.

Uiteraard gaat het maar om één enkele brouwerij, maar met de voorraadstaatjes van andere brouwers uit het archief van de Weeskamer is de receptuur wellicht nog wat te verfijnen.

Bron: Groninger Archieven, Tg. 1462 (archief Weeskamer) inv.nr. 14 (boedelinventarissen) 1724-22a (scans 527 e.v., met name 561 (1724) en 585 (1723).


Rondje Noordwijk

Veel vergeetmenietjes, en dan vooral op slootkanten, zoals hier op de Hogema bij de A7:

Decoratief groepje witte en bonte koeien bij Lettelbert:

Bij het Schilligepad, Tolbert noordzijde A7:

Roordaweg bij Boerakker:

Zelfde weg: vader en zoon op de oude trekker:

Had deze hybride vlag niet eerder gezien, maar hij past uitstekend bij dit deel van het Westerkwartier, waar de Groningers die ik spreek allemaal een zwaar Friese tongval hebben:

Heel veel groenland was al afgehooid:

Land aan de westkant van de Lietsweg, vrijwel egaal bezet met boterbloemen:

Land aan de oostkant van de Lietsweg – vrijwel egaal bezet met fluitekruid:

Hamrik – hooglanders in ruste:

Die zie je ook steeds meer, helaas allemaal van dezelfde soort, er zal wel een fabriek van zijn of zo. Men merke op dat er geen uil achter dit uilebord zal broeden, omdat het ronde gat voor toegang ontbreekt:

Doel was de (particuliere) Oudeweg, onder Marum ten noorden van de A7. Aardig glooiend landschap heb je daar, huizen kosten er volgens de eigenaar van dit land kapitalen:

Eveneens bij de Oudeweg:

Tussen Noordwijk en Lucaswolde – eik met jong loof laag aan de stam:

Hooiweg Lucaswolde:

Boerderij Lucaswolde:

De mais komt op bij de Polderweg:

Polderweg – vervallende schuren. Aan de overkant zag ik ook een kapot dak. Staat me bij dat er een windhoos is geweest, maar hoe recent dat ook alweer was?:

Voormalige grenssloot van de gemeenten Leek en Grootegast in het verlengde van de Ipo Haaimaweg:

Koeien in de hoek tussen het Hoen- en het Lettelberterdiep:


Rondje Beldam

Koe, Roderwolde bij de Schipsloot (tegenover de oliemolen.)
DSC04421
Leutingewolde – dood paard bij de bekende schuur. Het begon al een beetje te ruiken:
DSC04430
Weg tussen Leutingewolde en Nietap (streek heette vroeger Sweers Anwende, naar de ontginner/turfgraver die het gebied en exploitatie nam:
DSC04433
Landweg bij de Carolieweg tussen Leek en Niebert:
DSC04440
Klein tractorkerkhofje, Nuis:
DSC04447
Coendersborg, Nuis- het erfgoedlogies, rechtsboven, staat leeg:
DSC04450
Uitzicht op het Oude Diep bij de Balktil, ten noorden van Marum:
DSC04454
Bij een picknickplaats aan de Beldam, tussen Marum en Lucaswolde:
DSC04455
Eind verder naar het oosten:
DSC04464
Nog weer verder kwam de zuring in bloei:
DSC04469
Bij een boerenree aan de Noorderweg tussen Boerakker en Tolbert:
DSC04471
Blauwgras in Vierverlaten:
DSC04474


Een onverwachte excursie

img319 vb

Mijn overgrootouders met kinderen en aanhang bij hun veertigjarig huwelijk in 1935 op ‘Vondelings ree’ in Zuidhorn.

Uit de bevolkingsregisters van Zuidhorn, zoals de Groninger Archieven een poosje geleden online hebben gezet, kon ik niet gewaar worden wanneer mijn overgrootouders in Zuidhorn kwamen wonen. Bij hun huwelijk, in 1895, waren beiden daar al gevestigd, maar hoe lang dat al zo was, gaven die registers niet prijs. Dus toen ik toch voor een ander verhaal in het archief van de voormalige gemeente Zuidhorn moest zijn, heb ik dat meteen maar even in de bevolkingsregisters daar nagezocht. Bij de gemeente liggen weer andere, moet u weten.

Bij het register van de volkstelling 1890 was het meteen al raak. Op nummer 47 tref ik de schoenmakersknecht Hindrik Vondeling (23) aan, woonachtig op het adres A 294 aan de Nieuwstraat. Hij had zich op 4 juni 1886, dus op zijn negentiende, vanuit Termunten, waar hij mogelijk ook al bij een schoenmaker in de leer was, in Zuidhorn gevestigd.

Mijn overgrootmoeder Grietje van der Velde, in 1872 geboren in Marum als dochter van een ongehuwde moeder, woonde sinds 5 juni 1890 als dienstbode op A 295 aan de Friesestraatweg. Haar adres en de A 294 van Hindrik zullen buurhuizen geweest zijn, al moet ik de Friesestraatweg en de Nieuwstraat dan nog wel bij elkaar weten te passen. Is de Friesestraatweg in de kom van het dorp misschien hernoemd tot Hoofdstraat? Zo ja, dan is de kans groot dat mijn overgrootvader en -moeder elkaar bij de buren hebben leren kennen.

Verrassend was vooral Grietjes vorige woonplaats anno 1890: de Haarlemmermeer. Daar kan ze niet zo lang hebben gewoond, want volgens het bevolkingsregister van Marum vertrok ze begin mei 1885, op haar dertiende, uit deze geboorteplaats van haar naar Achtkarspelen. Maar hoe kwam ze in vredesnaam van daaruit in de Haarlemmermeer terecht en wat deed ze daar? Binnenkort dus eerst maar eens in Drachten kijken.

Overigens verhuisde ze eind 1893 vanuit Zuidhorn naar Grijpskerk, waar ze slechts een half jaar als dienstmeid woonde, om (voor haar verloving?) weer terug te keren naar Zuidhorn. In tien jaar tijd woonde ze dus op vijf verschillende plekken, wellicht niet heel uitzonderlijk voor een dienstbode, maar nogmaals: hoe kwam ze in dat verre Haarlemmermeer terecht?

Intrigerend – intrigerend!


Groninger bevolkingsregisters op het web

De Groninger bevolkingsregisters, voor zover aanwezig bij de Groninger Archieven, zijn van de week als scans op Alle Groningers gezet. Je hoeft nu niet meer met microfiches op de studiezaal in de weer te gaan (wat vooral tijd vreet als de indexen bij een gemeente in zijn geheel of voor een periode ontbreken), maar kunt de registers als het ware doorbladeren op je computerscherm, wat aanzienlijk sneller gaat dan met fiches.

Via die bevolkingsregisters kan je precieze woonplaatsen opzoeken, wat vooral van pas komt bij veel verhuizende types. Zelf nam ik de proef op de som met twee van mijn overgrootvaders. Beiden waren ze schoenmaker, maar waar hadden ze dat ambacht geleerd? – bij geen van beiden was me dat bekend.

De jongste, Hindrik Vondeling (1867 Termunten) heet al schoenmaker als hij in 1895 te Zuidhorn trouwt. Tussen Termunten en Zuidhorn ligt nogal wat ruimte, maar waar had hij zijn kennis opgedaan? In het dienstboden- en knechtenregister van Zuidhorn over de jaren 1880 en 1890 staat zijn naam niet – hij moet dus elders schoenmakersgezel zijn geweest. Zijn vrouw Grietje van der Velde staat er trouwens evenmin in. Ze waren dus vlak voor hun huwelijk van elders gekomen. Maar dat was niet haar geboorteplaats Marum, want ook daar ontbreekt ieder spoor in het dienstbodenregister.

Helaas is dat eveneens het geval in Termunten, Hindriks plaats van herkomst. In de algemene bevolkingsregisters (met aparte indexen) over de jaren 1870 en 1880 zien we dat hij dan nog thuis woont, bij zijn ouders Jan Vondeling en Trientje Bottinga. Dat is niet meer het geval in 1890, maar zijn naam blijkt ook afwezig in de Termunter dienstbodenregisters over de jaren 1880 en 1890. In dit geval loopt het spoor voorlopig dus dood, al kunnen we de meest voor de hand liggende mogelijkheden nu wel uitsluiten.

Dan de oudste van beide schoenmakers: Geert Perton (Finsterwolde 1864). In 1880 woont hij nog in bij zijn ouders Elzo Perton en Geeske Boog op het adres D 74 (later omgenummerd tot D 89) in Finsterwolde en heeft dus anders dan andere landarbeidersjongens (zoals zijn oudere broers) geen kost- en werkbaas waar hij bij inwoonde en werkte. Wellicht deed hij nog los werk. Op 1 augustus 1881 vertrok hij volgens het Finsterwolmer bevolkingsregister naar de naastgelegen gemeente Beerta, waar hij afgaand op het Beertster bevolkingsregister inwoonde bij een Adolf Tuin te Drieborg. Dit was inderdaad een schoenmaker. Sterker nog: het ging on de oom van Geert latere vrouw Antje Tuin! Behalve zijn ambacht, zal Geert hier dus kennis hebben gekregen aan zijn vrouw. Desondanks, of misschien wel juist om die reden, vertrok hij na nog geen jaar alweer naar een andere schoenmakerij, die van de gebroeders Roelf en Thomas Elles Jonker op het adres C 75 in Finsterwolde. Toen hij hier een jaar of drie had gewoond en gewerkt, werd hij remplaçant en vervulde hij de militaire dienst voor een boerenzoon uit Ulrum. Op 26 mei 1888 was hij afgezwaaid en vestigde hij zich als dienstbode bij de winkeliersfamilie Boneschans op de Ekamp bij Oostwold, terwijl hij een jaar later, inmiddels volwas schoenmaker zijnde, in het gemeentehuis van Finsterwolde trouwde en zich met zijn vrouw Antje Tuin vestigde in de dorpskom van Oostwold. Hier werden mijn grootvader en diens oudste zuster geboren. Maar het gezin heeft er maar vier jaar gewoond, want eind maart – begin april 1893 betrok het de nieuw gebouwde schoenmakerswoning aan de Klinkerweg in Finsterwolde.

In het ene geval zijn via de bevolkingsregisters iemands gangen dus op de voet na te gaan, terwijl dat in het andere niet zo goed mogelijk blijkt. Dat ligt vooral aan de kwaliteit van de registratie. Bovendien blijken de systematiek en periodisering van de bevolkingsregisters van gemeente tot gemeente ook nogal eens te verschillen: hier hebben de dienstbodenregisters bijvoorbeeld een alfabetische opzet, terwijl dat elders een chronologische is. Het is in principe dus een mooie bron, maar lang niet in alle gevallen even rijk. Bovendien zouden door een koppeling met het kadaster de letter-nummeradressen eens wat inzichtelijker gemaakt moeten worden. Misschien een aardig karwei voor historische verenigingen, die zo tegelijkertijd een mooi inzicht kunnen krijgen in de woningvoorraad en bevolkingsontwikkeling van hun dorpen, vooral wat betreft de negentiende eeuw.


In hoeverre bestond de woningvoorraad uit arbeiderswoningen?

In 1808 wilde de overheid met het oog op een nieuwe belasting weten hoeveel woningen er in elk dorp stonden, en hoeveel van die onderkomens arbeiders- en armenwoningen waren. Voor het Westerkwartier zijn de opgaven bewaard gebleven. Ik heb ze in deze tabel ondergebracht:

Plaats Totaal bewoonde huizen Boeren en ingezetenen Arbeiders dagloners + armen Percentage arbeiders
Vredewold
Marum +

de Wilp

115 51 44,3 %
Nuis 49 12 24,5 %
Niebert 55 20 36,4 %
Tolbert 119 52 43,7 %
Midwolde 49 15 30,6 %
Leek 151 45 29,8 %
Zevenhuizen 200 145 72,5 %
Lettelbert 46 10 21,7 %
Oostwold 35 11 31,4 %
Lagemeeden 22 6 27,3 %
Hoogkerk &c.
Hoogkerk 76 26 34,2 %
Leegkerk 31 11 35,5 %
Dorkwerd 17 4 23,5 %
Aduard etc.
Aduard 98 44 44,9 %
Hogemeeden 44 12 27,3 %
Den Ham 42 12 28,6 %
Fransum 23 6 26,1 %
Wierum 26 1 3,8 %
Oostum 14 3 21,4 %
Garnwerd 85 48 56,5 %
Westerdeel-Langewold
Grijpskerk 124 85 33 + 6 31,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Sebaldeburen 62 40 19 + 3 35,4 %
Lutjegast 93 59 28 + 6 36,6 %
Grootegast 145 84 55 + 6 42,1 %
Doezum 123 80 40 + 3 35,0 %
Opende 47 36 10 + 1 23,4 %
Lucaswolde 16 11 5 31,2 %
Oosterdeel-Langewold
Zuidhorn 133 57 42,9 %
Noordhorn 135 54 40,0 %
Niekerk 70 28 40,0 %
Oldekerk 68 37 54,4 %
Faan 10 1 10,0 %
Niezijl 78 39 50,0 %
Visvliet etc.
Visvliet en Pieterzijl 130 50 38,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Middag-Humsterland
Oldehove 134 63 47,0 %
Niehove 100 44 44,0 %
Saaksum 40 21 52,5 %
Ezinge 98 36 36,7 %
Feerwerd

De grootste kernen Zevenhuizen en Leek waren juist ook hele jonge – ze hadden hun ontstaan aan de vervening te danken. Maar terwijl Zevenhuizen het hoogste aandeel arbeiderswoningen van het Westerkwartier kende (72,5 %) was dat in Leek juist aan de lage kant (29,8 %). Zevenhuizen was veel proletarischer dan het verzorgingscentrum Leek, mag je concluderen. Hoge percentages arbeiderswoningen waren er ook in Kommerzijl en Garnwerd met hun kleinschalige havenactiviteiten. Door de bank genomen zal in het Westerkwartier ruim een derde van de woningvoorraad uit arbeiderswoningen hebben bestaan. Laag waren de percentages in typische boerendorpen als Dorkwerd en Lettelbert.

Verder heb ik de percentages geclassificeerd in vier groepen: 20-29% (geel), 30-39 % (oranje), 40-49 % (rood) en meer dan 50 % (paars). Hoe donkerder de kleur, hoe hoger het percentage arbeiderswoningen op de gehele woningvoorraad. In kaart gebracht levert dat het volgende beeld op:

De paarse stippen (relatief veel arbeiderswoningen) zitten vooral vlakbij het Reitdiep, waar afgezien van de haventjes de grote boerderijen op de jonge zeeklei ’s zomers behoefte aan veel losse arbeidskrachten hadden. In de omgeving van de stad en het noorden van het Vredewold vallen juist de lage percentages op. Ten zuiden van het Hoendiep is het paars van Zevenhuizen vrij uitzonderlijk.

Bron; Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 752.