Rondje Marum

De kerk van Midwolde:
DSC04144
Schuur bij Nuis:
DSC04150
Zuivelfabriek Marum (1918):
DSC04153
Het kerkje van Marum:
DSC04156
Aan de andere kant va de kerk zit een bult, een oude stinswier waarop in de Middeleeuwen een verdedigbaar steenhuis gestaan heeft:
DSC04166
Ten westen van Marum dit oorlogsmonument:
DSC04191
Het bevindt zich op de gewezen spoordijk van de Drachtster Tram. Hier zijn eind 1944 vijf mannen bij wijze van represaille door de Duitsers geëxecuteerd nadat een lokale verzetsgroep sabotage had gepleegd waardoor de tram uit de rails liep. De Sicherheitsdienst haalde de vijf mannen uit het Groninger Huis van Bewaring en vervoerde ze vanaf de Peizerweg in Groningen per tram naar Marum, waar ze in marstempo langs de trambaan hun einde tegemoet moesten lopen:
DSC04193
Ten noorden van de A7 bij Marum:
DSC04203
Pril eikenloof:
DSC04206
Koppeltje speelse lammeren:
DSC04214
Paarden op een kampje bij Lucaswolde:
DSC04216
Vlagvertoon in Enumatil:
DSC04225


Rondje Marum

Mickey en Minnie Mouse aan ’t snoetjeknovveln bij Oostwold:

Gezicht vanaf het viaduct bij Lettelbert:

Carbidschieters met anarchistisch palet, hoek Halbe Wiersmaweg bij Niebert::

Horizontale eik bij ’t Pad in Nuis:

Watergang haaks op de Zuiderhoekseweg, Marum:

Het gehucht Willemstad bij Marum heeft fonkelnieuwe plaatnaambordjes. Er zit nog geen vogelpoepje op:

Bouwproject bij de Jonkersvaart:

Paardenhoofd bij ’t Pad, Nuis:


Rondje Marum

Vanaf het Roderwolderdijk-viaduct over de A7 – de vloeivelden van de Hoogkerker suikerfabriek:
001
Bij het Leekstermeer ter hoogte van Oostwold:
004
Paarden met blok hooi bij Lettelbert:
006
Gekapt perceel bos bij de Roordaweg tussen Boerakker en Marum:
012
Uitzicht vanaf een uitkijktorentje aan het Nuismerpad:
015
In de buurt van Marum:
028
Merkwaardige structuur in de berm van de Turfweg:
029
Te Lucaswolde geeft een reiger een showtje weg voor langhoornige Hooglanders:
040
De torenklok van Boerakker zou best wel een likje verf kunnen gebruiken:
043
De houtvoorraad heeft de winter overleefd:
044
Dakenlandschap op de Pasop:
050
Een van de vele futen op het Hoendiep:
062


Heen en weer naar Marum

Vrolijk paard mat ‘blaarkop’ (of Moshe Dayanhoofd) tussen Lettelbert en Midwolde:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Zie ook dit filmpje, waarin het uitgedaagd wordt door een jongere soortgenoot.

Schuur in Niebert:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De kerk van Marum:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Uithangbord van café in Tolbert:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Getuige advertenties in de Ommelander Courant van 16 oktober 1789 en 8 juni 1790, waarin het signalement van vermiste paarden werd opgegeven, bestond er toen al een herberg De Pylders in Tolbert. In december 1802 stond deze herberg te koop:

“Met Consent des Gerechts van Vredewold, gedenken A. PLOEG en Vrouw, op Donderdag den 6 January 1803 des avonds om 4 uuren, publyk op Strykgelds Conditiën te Verkoopen: Hunne BEHUIZINGE, de Pylders genaamt, staande aan de Heereweg te Tolbert, zynde van ouds en nu nog een Neringryke Herberg, voorzien met Boven- en Beneden Kamers, een ruime Schuure met Stallen voor Paarden en Beesten, een groot Hoff en Tuin, alles eigen Grond, benevens verscheiden Grazen best Bouw en Weideland. Deze Verkooping sal zyn ten Huize voornoemd, alwaar de Conditiën van verkoop 3 dagen bevorens zullen zyn te leezen.”

De benaming Pylders, eveneens gedragen door een herberg te Grijpskerk en een kremerij annex schoenmakerij in Uithuizermeeden, doet nogal Fries aan. Googelen en een beperkt krantenonderzoek, waarbij ook varianten als De drie Pilaren zijn betrokken, levert nog herbergen en jongere horeca op in Oostermeer, Drachten, Beetsterzwaag, Mildam, Oudeschoot en Heerenveen. De naam was en is dus vooral populair in de Friese veenstreken. In Oudeschoot ging het zelfs om het grietenijhuis van Schoterland tot 1828,

Daar in Oudeschoot is er letterlijk sprake van drie pilaren. Of er ook een symbolische betekenis is, heb ik nog niet mogen ontdekken.

 


Rondje Noordwijk

Veel vergeetmenietjes, en dan vooral op slootkanten, zoals hier op de Hogema bij de A7:

Decoratief groepje witte en bonte koeien bij Lettelbert:

Bij het Schilligepad, Tolbert noordzijde A7:

Roordaweg bij Boerakker:

Zelfde weg: vader en zoon op de oude trekker:

Had deze hybride vlag niet eerder gezien, maar hij past uitstekend bij dit deel van het Westerkwartier, waar de Groningers die ik spreek allemaal een zwaar Friese tongval hebben:

Heel veel groenland was al afgehooid:

Land aan de westkant van de Lietsweg, vrijwel egaal bezet met boterbloemen:

Land aan de oostkant van de Lietsweg – vrijwel egaal bezet met fluitekruid:

Hamrik – hooglanders in ruste:

Die zie je ook steeds meer, helaas allemaal van dezelfde soort, er zal wel een fabriek van zijn of zo. Men merke op dat er geen uil achter dit uilebord zal broeden, omdat het ronde gat voor toegang ontbreekt:

Doel was de (particuliere) Oudeweg, onder Marum ten noorden van de A7. Aardig glooiend landschap heb je daar, huizen kosten er volgens de eigenaar van dit land kapitalen:

Eveneens bij de Oudeweg:

Tussen Noordwijk en Lucaswolde – eik met jong loof laag aan de stam:

Hooiweg Lucaswolde:

Boerderij Lucaswolde:

De mais komt op bij de Polderweg:

Polderweg – vervallende schuren. Aan de overkant zag ik ook een kapot dak. Staat me bij dat er een windhoos is geweest, maar hoe recent dat ook alweer was?:

Voormalige grenssloot van de gemeenten Leek en Grootegast in het verlengde van de Ipo Haaimaweg:

Koeien in de hoek tussen het Hoen- en het Lettelberterdiep:


Rondje Beldam

Koe, Roderwolde bij de Schipsloot (tegenover de oliemolen.)
DSC04421
Leutingewolde – dood paard bij de bekende schuur. Het begon al een beetje te ruiken:
DSC04430
Weg tussen Leutingewolde en Nietap (streek heette vroeger Sweers Anwende, naar de ontginner/turfgraver die het gebied en exploitatie nam:
DSC04433
Landweg bij de Carolieweg tussen Leek en Niebert:
DSC04440
Klein tractorkerkhofje, Nuis:
DSC04447
Coendersborg, Nuis- het erfgoedlogies, rechtsboven, staat leeg:
DSC04450
Uitzicht op het Oude Diep bij de Balktil, ten noorden van Marum:
DSC04454
Bij een picknickplaats aan de Beldam, tussen Marum en Lucaswolde:
DSC04455
Eind verder naar het oosten:
DSC04464
Nog weer verder kwam de zuring in bloei:
DSC04469
Bij een boerenree aan de Noorderweg tussen Boerakker en Tolbert:
DSC04471
Blauwgras in Vierverlaten:
DSC04474


Een onverwachte excursie

img319 vb

Mijn overgrootouders met kinderen en aanhang bij hun veertigjarig huwelijk in 1935 op ‘Vondelings ree’ in Zuidhorn.

Uit de bevolkingsregisters van Zuidhorn, zoals de Groninger Archieven een poosje geleden online hebben gezet, kon ik niet gewaar worden wanneer mijn overgrootouders in Zuidhorn kwamen wonen. Bij hun huwelijk, in 1895, waren beiden daar al gevestigd, maar hoe lang dat al zo was, gaven die registers niet prijs. Dus toen ik toch voor een ander verhaal in het archief van de voormalige gemeente Zuidhorn moest zijn, heb ik dat meteen maar even in de bevolkingsregisters daar nagezocht. Bij de gemeente liggen weer andere, moet u weten.

Bij het register van de volkstelling 1890 was het meteen al raak. Op nummer 47 tref ik de schoenmakersknecht Hindrik Vondeling (23) aan, woonachtig op het adres A 294 aan de Nieuwstraat. Hij had zich op 4 juni 1886, dus op zijn negentiende, vanuit Termunten, waar hij mogelijk ook al bij een schoenmaker in de leer was, in Zuidhorn gevestigd.

Mijn overgrootmoeder Grietje van der Velde, in 1872 geboren in Marum als dochter van een ongehuwde moeder, woonde sinds 5 juni 1890 als dienstbode op A 295 aan de Friesestraatweg. Haar adres en de A 294 van Hindrik zullen buurhuizen geweest zijn, al moet ik de Friesestraatweg en de Nieuwstraat dan nog wel bij elkaar weten te passen. Is de Friesestraatweg in de kom van het dorp misschien hernoemd tot Hoofdstraat? Zo ja, dan is de kans groot dat mijn overgrootvader en -moeder elkaar bij de buren hebben leren kennen.

Verrassend was vooral Grietjes vorige woonplaats anno 1890: de Haarlemmermeer. Daar kan ze niet zo lang hebben gewoond, want volgens het bevolkingsregister van Marum vertrok ze begin mei 1885, op haar dertiende, uit deze geboorteplaats van haar naar Achtkarspelen. Maar hoe kwam ze in vredesnaam van daaruit in de Haarlemmermeer terecht en wat deed ze daar? Binnenkort dus eerst maar eens in Drachten kijken.

Overigens verhuisde ze eind 1893 vanuit Zuidhorn naar Grijpskerk, waar ze slechts een half jaar als dienstmeid woonde, om (voor haar verloving?) weer terug te keren naar Zuidhorn. In tien jaar tijd woonde ze dus op vijf verschillende plekken, wellicht niet heel uitzonderlijk voor een dienstbode, maar nogmaals: hoe kwam ze in dat verre Haarlemmermeer terecht?

Intrigerend – intrigerend!


Groninger bevolkingsregisters op het web

De Groninger bevolkingsregisters, voor zover aanwezig bij de Groninger Archieven, zijn van de week als scans op Alle Groningers gezet. Je hoeft nu niet meer met microfiches op de studiezaal in de weer te gaan (wat vooral tijd vreet als de indexen bij een gemeente in zijn geheel of voor een periode ontbreken), maar kunt de registers als het ware doorbladeren op je computerscherm, wat aanzienlijk sneller gaat dan met fiches.

Via die bevolkingsregisters kan je precieze woonplaatsen opzoeken, wat vooral van pas komt bij veel verhuizende types. Zelf nam ik de proef op de som met twee van mijn overgrootvaders. Beiden waren ze schoenmaker, maar waar hadden ze dat ambacht geleerd? – bij geen van beiden was me dat bekend.

De jongste, Hindrik Vondeling (1867 Termunten) heet al schoenmaker als hij in 1895 te Zuidhorn trouwt. Tussen Termunten en Zuidhorn ligt nogal wat ruimte, maar waar had hij zijn kennis opgedaan? In het dienstboden- en knechtenregister van Zuidhorn over de jaren 1880 en 1890 staat zijn naam niet – hij moet dus elders schoenmakersgezel zijn geweest. Zijn vrouw Grietje van der Velde staat er trouwens evenmin in. Ze waren dus vlak voor hun huwelijk van elders gekomen. Maar dat was niet haar geboorteplaats Marum, want ook daar ontbreekt ieder spoor in het dienstbodenregister.

Helaas is dat eveneens het geval in Termunten, Hindriks plaats van herkomst. In de algemene bevolkingsregisters (met aparte indexen) over de jaren 1870 en 1880 zien we dat hij dan nog thuis woont, bij zijn ouders Jan Vondeling en Trientje Bottinga. Dat is niet meer het geval in 1890, maar zijn naam blijkt ook afwezig in de Termunter dienstbodenregisters over de jaren 1880 en 1890. In dit geval loopt het spoor voorlopig dus dood, al kunnen we de meest voor de hand liggende mogelijkheden nu wel uitsluiten.

Dan de oudste van beide schoenmakers: Geert Perton (Finsterwolde 1864). In 1880 woont hij nog in bij zijn ouders Elzo Perton en Geeske Boog op het adres D 74 (later omgenummerd tot D 89) in Finsterwolde en heeft dus anders dan andere landarbeidersjongens (zoals zijn oudere broers) geen kost- en werkbaas waar hij bij inwoonde en werkte. Wellicht deed hij nog los werk. Op 1 augustus 1881 vertrok hij volgens het Finsterwolmer bevolkingsregister naar de naastgelegen gemeente Beerta, waar hij afgaand op het Beertster bevolkingsregister inwoonde bij een Adolf Tuin te Drieborg. Dit was inderdaad een schoenmaker. Sterker nog: het ging on de oom van Geert latere vrouw Antje Tuin! Behalve zijn ambacht, zal Geert hier dus kennis hebben gekregen aan zijn vrouw. Desondanks, of misschien wel juist om die reden, vertrok hij na nog geen jaar alweer naar een andere schoenmakerij, die van de gebroeders Roelf en Thomas Elles Jonker op het adres C 75 in Finsterwolde. Toen hij hier een jaar of drie had gewoond en gewerkt, werd hij remplaçant en vervulde hij de militaire dienst voor een boerenzoon uit Ulrum. Op 26 mei 1888 was hij afgezwaaid en vestigde hij zich als dienstbode bij de winkeliersfamilie Boneschans op de Ekamp bij Oostwold, terwijl hij een jaar later, inmiddels volwas schoenmaker zijnde, in het gemeentehuis van Finsterwolde trouwde en zich met zijn vrouw Antje Tuin vestigde in de dorpskom van Oostwold. Hier werden mijn grootvader en diens oudste zuster geboren. Maar het gezin heeft er maar vier jaar gewoond, want eind maart – begin april 1893 betrok het de nieuw gebouwde schoenmakerswoning aan de Klinkerweg in Finsterwolde.

In het ene geval zijn via de bevolkingsregisters iemands gangen dus op de voet na te gaan, terwijl dat in het andere niet zo goed mogelijk blijkt. Dat ligt vooral aan de kwaliteit van de registratie. Bovendien blijken de systematiek en periodisering van de bevolkingsregisters van gemeente tot gemeente ook nogal eens te verschillen: hier hebben de dienstbodenregisters bijvoorbeeld een alfabetische opzet, terwijl dat elders een chronologische is. Het is in principe dus een mooie bron, maar lang niet in alle gevallen even rijk. Bovendien zouden door een koppeling met het kadaster de letter-nummeradressen eens wat inzichtelijker gemaakt moeten worden. Misschien een aardig karwei voor historische verenigingen, die zo tegelijkertijd een mooi inzicht kunnen krijgen in de woningvoorraad en bevolkingsontwikkeling van hun dorpen, vooral wat betreft de negentiende eeuw.


In hoeverre bestond de woningvoorraad uit arbeiderswoningen?

In 1808 wilde de overheid met het oog op een nieuwe belasting weten hoeveel woningen er in elk dorp stonden, en hoeveel van die onderkomens arbeiders- en armenwoningen waren. Voor het Westerkwartier zijn de opgaven bewaard gebleven. Ik heb ze in deze tabel ondergebracht:

Plaats Totaal bewoonde huizen Boeren en ingezetenen Arbeiders dagloners + armen Percentage arbeiders
Vredewold
Marum +

de Wilp

115 51 44,3 %
Nuis 49 12 24,5 %
Niebert 55 20 36,4 %
Tolbert 119 52 43,7 %
Midwolde 49 15 30,6 %
Leek 151 45 29,8 %
Zevenhuizen 200 145 72,5 %
Lettelbert 46 10 21,7 %
Oostwold 35 11 31,4 %
Lagemeeden 22 6 27,3 %
Hoogkerk &c.
Hoogkerk 76 26 34,2 %
Leegkerk 31 11 35,5 %
Dorkwerd 17 4 23,5 %
Aduard etc.
Aduard 98 44 44,9 %
Hogemeeden 44 12 27,3 %
Den Ham 42 12 28,6 %
Fransum 23 6 26,1 %
Wierum 26 1 3,8 %
Oostum 14 3 21,4 %
Garnwerd 85 48 56,5 %
Westerdeel-Langewold
Grijpskerk 124 85 33 + 6 31,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Sebaldeburen 62 40 19 + 3 35,4 %
Lutjegast 93 59 28 + 6 36,6 %
Grootegast 145 84 55 + 6 42,1 %
Doezum 123 80 40 + 3 35,0 %
Opende 47 36 10 + 1 23,4 %
Lucaswolde 16 11 5 31,2 %
Oosterdeel-Langewold
Zuidhorn 133 57 42,9 %
Noordhorn 135 54 40,0 %
Niekerk 70 28 40,0 %
Oldekerk 68 37 54,4 %
Faan 10 1 10,0 %
Niezijl 78 39 50,0 %
Visvliet etc.
Visvliet en Pieterzijl 130 50 38,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Middag-Humsterland
Oldehove 134 63 47,0 %
Niehove 100 44 44,0 %
Saaksum 40 21 52,5 %
Ezinge 98 36 36,7 %
Feerwerd

De grootste kernen Zevenhuizen en Leek waren juist ook hele jonge – ze hadden hun ontstaan aan de vervening te danken. Maar terwijl Zevenhuizen het hoogste aandeel arbeiderswoningen van het Westerkwartier kende (72,5 %) was dat in Leek juist aan de lage kant (29,8 %). Zevenhuizen was veel proletarischer dan het verzorgingscentrum Leek, mag je concluderen. Hoge percentages arbeiderswoningen waren er ook in Kommerzijl en Garnwerd met hun kleinschalige havenactiviteiten. Door de bank genomen zal in het Westerkwartier ruim een derde van de woningvoorraad uit arbeiderswoningen hebben bestaan. Laag waren de percentages in typische boerendorpen als Dorkwerd en Lettelbert.

Verder heb ik de percentages geclassificeerd in vier groepen: 20-29% (geel), 30-39 % (oranje), 40-49 % (rood) en meer dan 50 % (paars). Hoe donkerder de kleur, hoe hoger het percentage arbeiderswoningen op de gehele woningvoorraad. In kaart gebracht levert dat het volgende beeld op:

De paarse stippen (relatief veel arbeiderswoningen) zitten vooral vlakbij het Reitdiep, waar afgezien van de haventjes de grote boerderijen op de jonge zeeklei ’s zomers behoefte aan veel losse arbeidskrachten hadden. In de omgeving van de stad en het noorden van het Vredewold vallen juist de lage percentages op. Ten zuiden van het Hoendiep is het paars van Zevenhuizen vrij uitzonderlijk.

Bron; Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 752.


Een uitstervingsproces in de krant

Korhoen, man en vrouw. Collectie British Museum.

In 1856 maakten geregistreerde jagers nog 70 korhoenders buit in Groningerland. Bekend zijn ook de streken waar deze vogels enkele decennia eerder, in 1828, voornamelijk rondscharrelden: Westerwolde, het Gorecht en Zuidelijk Westerkwartier, kortom gebieden met nog redelijk veel hoogveen en heide. Waren dit nou ook de regio’s die later nog als korhoenderbiotoop in krantenberichten voorkomen en hoe verliep dan hier het uitstervingsproces?

De laatste meldingen door in Groningen verschijnende kranten van een gelijktijdige aanwezigheid van korhoenders in Groningerland zijn de volgende:

Maand en jaar Lokatie Hoeveelheid
Oktober 1891 Bellingwolde 3 (geschoten).
September 1897 Onstwedde 1 (geschoten);
September 1901 Westerwolde “Menigvuldiger dan ooit” (voorbeschouwing jacht).
September 1907 Onstwedde 1 (geschoten).
Augustus 1912 Westerwolde “Korhoenders treft men ook genoeg aan. Koppels van 5 tot 10 zijn geene zeldzaamheid” (voorbeschouwing jacht).

De vogels kwamen in Groningen dus het laatst voor in Westerwolde en dan vooral het zuiden van die streek. Opmerkelijk is dat hun aanwezigheid daar als ruim werd voorgesteld, ook nog nadat het laatste bericht over een geschoten exemplaar in de krant had gestaan. Mogelijk was dit wishfull thinking of propaganda om jagers naar de regio te lokken. Tegelijkertijd werd immers een jachtmotief verschaft met de bewering dat korhoenders schadelijk wild vormden, wat met name gebeurde door de Nederlandsche Heidemaatschappij, uit zorg voor haar jonge dennenaanplant.

De jachtdruk, of hoe noem je zoiets, kan in Groningerland ook wel eens hoger geweest zijn dan in Drenthe en Friesland, waar nog decennialang berichtjes vandaan bleven komen over geschoten korhoenders. Daar werden ook veel langer nog grotere aantallen gesignaleerd en geschoten, terwijl het korhoen bovendien vaak wordt genoemd in advertenties voor de verpachting van Drentse jachtvelden. Hoewel er in 1895 en 1897 al berichten over een voortdurende afname van het aantal exemplaren uit Drenthe kwamen, valt op dat ze even later, in 1898 nij de Gouwe in de Pezermade, vlak over de zuidgrens van Groningen nog “in troepen” te vinden zijn. In 1908 schoot een jager uit Helpman er in elk geval nog 10 bij Peize. Maar in 1923 bleken ze definitief verdwenen ten zuiden van de Onlandschedijk, achter het Stadspark op het grondgebied van Eelderwolde.

De grootste killer was echter niet de jacht, hoewel er meteen bij gezegd moet worden dat die zeker tot het uitsterven van het korhoen heeft bijgedragen. De belangrijkste oorzaak van die uitsterving was de ontginning van hoogveen en heide tot landbouwgrond, die vooral mogelijk werd gemaakt door de komst van de kunstmest. Na de Eerste Wereldoorlog intensiveerde het ontginningsproces, mede door de inzet van werkverschaffing. Zo herinnerde de voorzitter van de landbouwvereniging Marum in 1925 zich de omgeving van Trimunt vroeger als “het dorado der korhoenders”, welke streek in een kwart eeuw tijd met zuinigheid en vlijt was omgezet in productief cultuurland.

De biotoop van het dier verdween dus, in Groningerland voorop. Slechts een incidentele natuurliefhebber betreurde de gang van zaken. In de lekkerbek vond hij een medestander:

Bij de poeliers zijn bijna geen patrijzen te krijgen en er worden exorbitante prijzen betaald. Daarmede gaat de patrijs denzelfden weg op van het korhoen, dat in de meeste provincies door voortgaande ontginning en cultiveering bijna niet meer te vinden is. Dit stuk oerwild met zijn merkwaardige levenswijze, is slechts weinigen meer bekend en begint tot de zeldzaamheden der Nederlandsche jachtvelden te behooren (1927),

Dat ondanks het snel veldwinnende besef van zeldzaamheid en schaarste de jacht gewoon doorging, mede dankzij gastronomie en geldzucht, dat is pas het echte schandaal.


Bijenteelt concentreerde zich op hoogveen en heide

Aantallen korven met bijen per gemeente, 1866. Bron: Gemeenteverslagen, RHC Groninger Archieven 1099-8117 e.v.

Tussen 1866 en 1906 vermeldden de Groninger gemeenten in hun gemeenteverslagen de aantallen bijenkorven van hun eigen inwoners. Voor het eerste jaar heb ik de aantallen in kaart gebracht.

De dertien gemeenten die geen opgave van het aantal inheemse bijenkorven verstrekten, kregen op het kaartje geen bolletje van me. Driekwart van die gemeenten motiveerde het verzuim met de mededeling dat er geen bijenteelt was. Haren, waar je juist wel enige bijenteelt mocht verwachten, deed helemaal geen opgave in 1866, maar schreef in 1867: “Bijenteelt wordt hier niet anders uitgeoefend, dan door eenige liefhebbers in het klein”. Professionele imkers waren er dus niet in Haren.

De gemeenten tot 100 korven voorzag ik van een wit bolletje. Net als de gemeenten zonder opgave van cijfers komen deze het meest voor in het noordelijk Westerkwartier, De Marne, Hunsingo en noordelijk Fivelingo. Afgezien van het Lageland lag dat niet aan een gebrek aan drachtplanten, eerder aan afkeer en angst voor de angel.

Aan de randen van het grote bijenloze en bijenarme gebied zijn gele bolletjes te zien, daar trok de bijenteelt al wat meer. De oranje bolletjes staan voor een middencategorie: gemeenten met 200 à 500 korven. Deze trof je vooral in het Oldambt en noordelijke Westerwolde aan. De subtop, met rode bolletjes die staan voor 500 tot 1000 korven, zat vooral in het zuiden van het Westerkwartier. De gemeenten met de meeste bijenkorven, die de paarse bolletjes kregen, moet je echter zoeken in het zuidoosten van de provincie, in de Veenkoloniën en Westerwolde. Op de rij af vanuit het westen: Veendam (1282 korven), Nieuwe Pekela (942 korven), Vlagtwedde (1860) en Onstwedde (911). De absolute topgemeente qua eigen bijenteelt was echter de grote gemeente Slochteren, met maar liefst 2890 korven. In Slochteren zoemde het, in Slochteren zat de buzz.

Conclusie: waar nog hoogveen met heide was en die heide samen met boekweit in de nazomer de nectar verschafte, had je veel meer eigen bijenteelt dan op de klei met zijn koolzaad en klaver in het voorjaar en de voorzomer. Het beeld, opgeroepen door de Staat van den Landhuishouding, wordt hiermee bevestigd.

Uitheemse bijenvolken telden niet mee. Toch wijdden een stuk of wat gemeenten daar wel woorden aan. Het betrof deze vijf: Baflo, Warffum, Usquert, Uithuizen en Uithuizermeeden, nu een rijtje stationsplaatsen op het Hogeland. Deze vijf hadden allemaal jonge polders langs de Waddenkust met veel koolzaad. Drie van de vijf deden geen opgave van het aantal bijenvolken, omdat er, zoals ze zeiden, helemaal geen bijenteelt was. Uithuizen gaf 59 korven op en Uithuizermeeden slechts 1 (!). Al met al dus nogal karig. Dat werd echter gecompenseerd door Drentse imkers, die in deze gemeenten in het voorjaar hun bijen op het bloeiende koolzaad kwamen zetten. In Warffum en Usquert waren het enkele en in Uithuizen enige; in Uithuizermeeden daarentegen, ging het om vele. Naar het oosten namen de aantallen Drentse korven dus toe.

Overigens blijkt uit de gemeenteverslagen van Oude Pekela en Eenrum dat de bijenteelt er verminderde. De Staat van den Landhuishouding constateerde in 1818 al een achteruitgang voor het kleigebied.

In het overgrote deel van Groningerland vormde het bijenhouden een liefhebberij. Zelfs in een topgemeente als Onstwedde waren er slechts enkele semi-professionele imkers. Mogelijk zat er ook eentje in Appingedam. Echte profs, met 150 korven of meer, zullen er alleen in de paarse gemeenten hebben gezeten, Slochteren voorop.

De gegevens van alle Groninger gemeenten op een rij, naar aantallen korven:

GEMEENTE AANTAL KORVEN BIJEN OPMERKINGEN
Slochteren 2890
Vlagtwedde 1860
Veendam 1282
Nieuwe Pekela 942
Onstwedde 911 “Weinige ingezetenen dezer gemeente zoeken in de bijenteelt een middel van bestaan. Er worden slechts enkele gevonden die bijen vluchten houden, maar doen zulks als een bijkomende zaak.”
Leek 650
Wildervank 627
Marum 570
Scheemda 444
Finsterwolde 334
Midwolda 281
Oude Pekela 260 “Sommige personen houden zich hier nog met de teelt bezig (…), uit hoofde men van hier te veel met de korven moet reizen, eerst naar de klei en om de koolzaad en dan naar Westerwolde om de boekweit.”
Grootegast 230
Wedde 227 “Op de bijenteelt legt men zich hier niet veel toe.”
Zuidbroek 220
Noordbroek 207 “Slechts door eenige personen als bijzaak uitgeoefend, Het getal dier personen bedroeg 11.”
Sappemeer 195
Bierum 193
Meeden 184
Termunten 181
Muntendam 148 Hier alleen liefhebberij.
Bellingwolde 141
Grijpskerk 130 Wordt weinig en enkel uit liefhebberij gedaan.
Nieuwolda 128
Eenrum 122 “De bijenteelt vermindert.”
Oldekerk 120 “Bijen worden hier slechts bij enkele korven uit liefhebberij aangehouden.”
Appingedam 105 Er zijn in deze gemeente slechts twee bijenhouders.
Bedum 86
Aduard 84 De bijenteelt is hier van geringe omvang en bij velen een onbekende zaak
Hoogezand 79 Bijenteelt is hier “in zeer geringe mate”.
Winschoten 79 “De bijenteelt betekent hier weinig”
’t Zandt 76 “De Bijenteelt is van weinig beteekenis.”
Zuidhorn 75 “De bijenteelt wordt alhier meest uit vermaak aangehouden.”
Uithuizen 59 “Wordt hier weinig gedreven. In den regel komen hier eenige bijenhouders uit de provincie Drenthe welke gedurende den bloeitijd van het koolzaad hunne bijenkorven bij sommige landbouwers plaatsen.”
Noorddijk 53 Heeft hier weinig of niet plaats.
Hoogkerk 50 “De bijenteelt is hier van geene beteekenis.”
Ulrum 41 De bijenteelt is in deze gemeente van weinig belang.
Groningen 22
Loppersum 18
Nieuweschans 9
Kantens 7 “Is hier niet van beteekenis.”
Ezinge 6 à 7 “Aan bijenteelt wordt hier weinig gedaan. 6 à 7 stuks korven telt men in deze gemeente, welke aan vier eigenaars toebehooren…”
Stedum 3 “Bijenteelt wordt hier in de gemeente niet gedreven, slechts één persoon houdt drie korven voor zijn genot.”
Uithuizermeeden 1 “De bijenteelt wordt hier zeer weinig gedreven. Daarentegen komen hier vele Drentsche bijenhouders gedurende de bloeitijd van de koolzaad…”
Adorp Hier niet uitgeoefend
Baflo “Bijenteelt heeft in deze gemeente niet plaats, behalve door Drenthenaren die telkens voorjaren hier komen en tegen het najaar de ten deele gevulde korven weder met zich voeren.”
Beerta
Delfzijl Bijenteelt heeft men hier niet.
Kloosterburen Dit jaar geen bijenhouders hier aangetroffen.
Leens Van bijenteelt wordt hier in de loop van dit jaar geen gebruik gemaakt.
Middelstum
Oldehove Bijenteelt is hier niet.
Ten Boer
Usquert “De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend dan door enkele bijenhouders uit Drenthe.”
Warffum “De bijenteelt wordt hier niet uitgeoefend dan door enkele bijenhouders uit Drenthe.”
Winsum “Bijen worden hier niet gehouden.”
Haren Geen opgave 1867: “Bijenteelt wordt hier niet anders uitgeoefend, dan door eenige liefhebbers in het klein.”

 


Imegeld in Feerwerd

Feerwerd in 1822. Wit is bouwland, groen is weiland. Bron: http://www.hisgis.nl

Op 4 juni 1804 leverden L.M. Venema en Jan Cornellis, diakenen van Feerwerd, een verzoekschrift in bij de drost van het Westerkwartier, waarin ze klaagden dat bijenhouders van buiten hun kerspel weigerden om imegeld te betalen. Althans, deze waren niet genegen,

voor elke korf meer dan eenen stuiver te betalen.

En dat terwijl

gemeenlijk er in ander kerspelen door zulken, die bieën houden en gewoon zijn dezelve uit de wouden op de kley over te brengen ten tyde wanneer de kool in bloeije staat, twee stuiver voor iedere korf [tot] soutien der diaconie betaald word…

De diakonie van Feerwerd kon dus de helft minder per aangevoerde  bijenkorf vangen, dan armenkassen in de omgeving: 1 in plaats van 2 stuivers. Hun verzoek aan de drost was daarom, de imegeld-tarieven in hun voordeel gelijk te trekken:

dat Uw[el]Ed[el]Gestrenge naar uwe wijsheid voorzieninge gelieve te doen dat ook de Feerwerder diaconie, welke zo diep in decadence is, gelijke revenuen als andere karspelen te dezen jouisseren moge.

De drost maakte het verzoek “commissoriaal ter fine van nader onderzoek”, hetgeen zoveel wilde zeggen dat er na enige research nog een hoorzitting zou volgen. Een verslag daarvan heb ik echter niet kunnen vinden in de commissieboeken. Of er nog een vervolg geweest is, lijkt ook hoogst onzeker. Elders (met name in het Oldambt) bleek de inning van imegeld na 1795 namelijk meestal te stoppen, hoewel er ook pogingen werden waren om de traditie nieuw leven in te blazen.

In elk geval wordt uit het Feerwerder verzoekschrift duidelijk dat de imkers die in het voorjaar hun bijenkorven naar de klei onder Feerwerd overbrachten, afkomstig waren uit de woudstreek. Waarschijnlijk werd hiermee niet de Friese Woudstreek bedoeld, maar het zuidelijk deel van het Westerkwartier (omgeving Leek, Zevenhuizen, Marum, Opende, Grootegast).

Ook kan het koolzaad in de omgeving van Feerwerd wel eens een vrij nieuw fenomeen geweest zijn. De prijzen van oliehoudende zaden waren in deze jaren hoger dan ooit, terwijl nieuwe grondbewerkingstechnieken zorgden voor een hogere bodemvruchtbaarheid, die koolzaadteelt mogelijk maakte op gronden die daarvoor eerder ongeschikt waren. Toen de imkers uit de woudstreek daardoor in groten getale hierbij hun korven gingen plaatsen, achtte de diakonie van Feerwerd de tijd rijp voor dit rekest aan de drost van het Westerkwartier.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerecht Westerkwartier) inv.nr. 724: rekestboek, het verzoekschrift d.d. 4 juni 1804.


Paragraaf over de jacht

Uit het Gemeenteverslag van Marum, 1851, :

Er waren in het afgelopen jaar weinig hazen, veel patrijsen, enkele korhoenders, houtsnippen en kwartels, veel lijsters en vinken, verder eenige ganzen, eenden, watersnippen en schrieken.


Een duivelbanner of wonderdokter van Surhuisterveen

Daniel Nikolaus Chodowiecki, Wonderdokter (1788), uitsnede. Collectie Rijksmuseum.

Op donderdag 20 oktober 1808 werd Pieter Jacobs, bijgenaamd Pieter Scharenslijper, overgebracht naar het rechthuis van Zuidhorn. Waarschijnlijk keken de gerichtsbedienden van het Westerkwartier al een poos naar hem uit, maar nu hadden ze hem dan te pakken, want hij was

bevonden met een pak medicijnen en op de Sevenhuyzen mede rondlopende, sonder enige acte of patent.

Het patent was de vergunning die een handelaar, winkelier of ambachtsman sinds een jaar of wat moest hebben om zijn beroep te kunnen uitoefenen – er ging een belasting mee gepaard. Het andere stuk, de akte, sloeg op de officiële erkenning waarover een medisch dienstverlener moest beschikken. Juist in deze tijd werd er een forse stap gezet in de professionalisering van de medische stand, door een inventarisatie van alle medische beroepsbeoefenaren, waarbij gekeken werd naar hun diploma’s, bekwaamheden en ervaring. Toegelaten personen kregen zo’n akte. Tegelijkertijd keerden Geneeskundige Commissies zich fel tegen mensen die medische diensten leverden zonder dat ze over zo’n akte beschikten. Daarmee kreeg ook de strijd tegen de kwakzalverij een flinke impuls, en dat terwijl veel gangbare medische praktijken toch ook niet bepaald ‘evidence based’ waren – men denke alleen al aan het veelvuldige aderlaten.

Hoe dan ook, Pieter Scharenslijper werd voorlopig vastgezet en de drost stuurde de fiscaal (aanklager) op onderzoek uit. Een week later deed deze verslag van zijn bevindingen. Het was hem gebleken dat Pieter Scharenslijper, woonachtig te Surhuisterveen,

al zedert onderscheidene jaren binnen deze jurisdictie, meestal nabij de grensen van Friesland, heeft rondgesworven, en onder het voorwendsel van medicijnen voor paarden en beesten te verkopen, ook ondernomen heeft medicijnen voor menschen te praepareren en te verkopen, en wel bijsonder voor de sodanige menschen, van welke de siekte daaraan wierd toegeschreven dat zij behekst of betovert souden sijn, hoedanige menschen er ongelukkig in deze meer afgelegene contrainen uit hoofde van een aldaar voortdurend bijgeloof en onkunde nog worden gevonden…

Niet alleen bestond er in de meer afgelegen delen van het Westerkwartier nog een redelijk groot publiek voor de onttoveringsmiddeltjes van Pieter Scharenslijper, ook verhief hij

bij onderscheidene zodane zieken (…) op eene buitensporige wijze de waarde en wonderdoende kragten van zijne medicamenten ter genezing en wegneming ener gewaande betoverij.

Zo bedong de Feanster wonderdokter van “minvermogende en hoogst verlegen mensen” veel meer geld voor zijn “niets beduidende medicamenten” dan ze hoe dan ook waard konden zijn. Kortom, als monopolist gedroeg Scharenslijper zich net zo als de huidige farmaceutische industrie. De fiscaal bracht drie concrete voorbeelden van zo’n exorbitante vraagprijs te berde. Het eerste betrof een Berent Koster “op de Zevenhuijzen”,

welke gezegd wierdt betovert te zijn en van binnen bij zig te hebben een aalreiger, of slange.

Scharenslijper leverde de man twee drankjes, in totaal voor 13 gulden. Bij het tweede geval ging het om een kind van de roderoede (veldwachter) Jan Bakker uit Marum, “hetwelk mede wierd gehouden betoverd te zijn”. Het drankje dat Scharenslijper “ter genezing” van deze patiënt leverde, kostte de vader 4 gulden, een bedrag dat voor hem minstens een weekloon vertegenwoordigde. Het derde voorbeeld gold het kind van Tjebbe Jans en vrouw in Tolbert, dat “nu onlangs” voor betoverd werd gehouden, waarbij Scharenslijper “de verlegene ouders” voor 6,5 gulden een drank verkocht “met nog enige nietswaardige droge kruiden”.

Dit alles werd ook niet ontkend door Scharenslijper, zodat de drost hem schuldig achtte aan

het misdrijf van op eene listige wijze misbruik te maken van de onkunde en verlegenheid, om dezelven langs dezen weg onbehoorlijk hun dikwijls zeer duur verdiende gerede penningen uit handen te brengen, sowel als aan het veroorsaken van onenigheid en wantrouwen in de huisgezinnen en buurten, ter oorsake van de ingewikkelde beschuldigingen en gissingen welke doorgaans met sodane gewaande betoveringen en onttoverringen zijn verbonden.

Als er min of meer iemand werd aangewezen die voor de betovering verantwoordelijk zou zijn, dan kon dat forse sociale gevolgen voor zo iemand hebben, zeker in een bijgelovige omgeving. Als hij of zij daar niet boven stond, dan kon hij of zij naar de rechter stappen met de eis, dat de beschuldiging openlijk zou worden herroepen door degene die haar in de wereld hielp. Mogelijk had de drost daar in zijn civiele rechtspraak ervaring mee. In elk geval vond hij het voeden en misbruik maken van zulk bijgeloof een misdaad van dien aard,

dat ofschoon deselve kan worden begrepen gene absolute materie op te leveren voor een regelmatig crimineel proces, egter ten hoogsten de attentie der goede policie moet na sig trekken, ten einde ook aan de maatschappij van die kante de benodigde veijligheid te doen erlangen, temeer daar deselve is gepleegd door een persoon, welke volgens zijne eygene confessie reeds twee malen in het departement Friesland in regtshanden is geweest.

Hoewel dat meermalen opgepakt zijn van Scharenslijper nog niet betekende dat hij ook veroordeeld was, laat staan voor eenzelfde vergrijp, suggereerde de drost hier dat hij een recidivist was. In de drost zijn ogen mochten de termen voor een regelrechte strafzaak dan ontbreken, maar hij maakte wel korte metten met de wonderdokter, door hem bij akte te veroordelen tot teruggave aan de kopers van het geld dat zij hem voor de drankjes hadden betaald. Bovendien werd Scharenslijper voor acht dagen op water en brood gezet in de toren van Midwolde, waarna gerichtsbedienden hem over de grens van de jurisdictie Westerkwartier zouden zetten met de aanbeveling

om sig in het toekomstige buiten deselve te houden, bij poena van nadere dispositie.

Of Scharenslijper, die toen al 56 was, zich inderdaad nooit meer in het Westerkwartier gewaagd heeft, is de vraag. In elk geval lijkt hij voorlopig zijn werkterrein naar Drenthe te hebben verplaatst, want daar veroordeelde de Etstoel (hoogste rechtbank) hem op 6 december 1808 tot een levenslange verbanning uit Drenthe en het daarmee gecombineerde Overijssel. Als hij zich aan beide ontzeggingen hield, en al  eerder ook in Friesland veroordeeld was wegens soortgelijke praktijken, dan zal dat alles zijn actieradius aanzienlijk hebben beperkt.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 611: criminalia 20 en 27 oktober 1808.
  • Klaas R, Henstra, Duivelbanners en wonderdokters in de Wouden (Leeuwarden 2007) 83-84. Bron van de laatste was uiteindelijk een verhaal dat in 1985 in de rubriek ‘Noorder Rondblik’ (NvhN) heeft gestaan, en waarin ten onrechte sprake is van een veroordeling in, en verbanning uit Groningen, waar slechts het stuk uit het Westerkwartier bedoeld kan zijn.

Illegale verlotingen

In de laatste week van februari 1804 werd “tot narigt van een ieder” een notificatie aangeslagen op alle gewezen rechthuizen van het Westerkwartier. Omdat het houden van verlotingen nogal eens uit de hand liep, kondigde de drost een reglementje af, dat een eind moest maken aan de “ongeregeltheeden”.

Het bestond uit vier artikelen. Samengevat kwamen die neer op het volgende. Voortaan werd er alleen nog maar toestemming voor een verloting gegeven, als die plaatsvond in een algemeen toegankelijke en bekende herberg. De uitbater daarvan mocht de verloting alleen laten plaatsvinden, als de organisator van de verloting een schriftelijke vergunning van het gerecht kon tonen. Naast het betalen van “consentgeld” aan het gerecht voor die vergunning, moest een organisator een vrij lot reserveren voor de plaatselijke diaconie. Dit mocht hij vervangen door iets anders, maar sowieso diende hij een bewijsstuk van de diaconale acceptatie te tonen bij zijn vergunningsaanvraag. Verder mocht een herberg bij een verloting niet langer open zijn dan normaal. De hoogste tijd van 10 uur bleef van kracht – dan ging de tap toe, en moest iedere gast wegwezen, op straffe van een boete van 3 gulden, die half voor de gerichtsbediende (wedman of roderoede) en half voor de plaatselijke diaconie was. De wedman of roderoede die het dichtste bij de herberg woonde, zag ook toe op het ordelijk verlopen van de verloting.

Het reglementje is bepaald geen dichtgetimmerd stuk, en roept verschillende vragen op. Eerder bestond blijkbaar de opvatting dat er niet om toestemming hoefde te worden gevraagd. Maar was die opvatting wel juist? In het oudere rekestboek van het Vredewold vond ik inderdaad geen verzoeken voor het toestaan van verlotingen, maar wat betekent dat dan: waren ze zonder meer vrij, of werden ze hier, anders dan in het Oldambt, helemaal niet toegestaan? Ook laat het reglementje ons in het ongewisse over de functionaris die de vergunning moest afgeven – was dat de drost in Zuidhorn, of de lokale wedman? Bovendien lijkt er wel een boete te staan op het na sluitingstijd aanwezig zijn in een herberg, maar niet op het houden van een illegale loterij. Kortom, juridisch viel er nogal wat af te dingen op het reglementje.

Mogelijk is het ook een paar maanden later geboekt, dan in de bedoeling lag. De vervolging van illegale verlotingen begint namelijk eind 1803 al. Dan geeft wedman Sytsma van Hoogkerk de drost kennis dat er op maandagavond 26 december, dus op Tweede Kerstdag, bij kastelein Christiaan Hubster door ene Derk Derks

loterij was gehouden, zonder dat daartoe enig consent van den Drost was gevraagd, veel weiniger verleend.

De vergunningverlener, zo blijkt uit deze aangifte, was dus duidelijk (nog) de drost. En die paste snelrecht toe. Zowel Hubster als Derks moest op woensdagochtend 4 januari in het rechthuis van Zuidhorn verschijnen,

teneinde aan de dezelve de welmening van dezen Gerichte te doen verstaan.

Beiden kregen bij die gelegenheid de overtreding van ’s lands wetten aangewreven – mogelijk bestond er dus ook nog nationale regelgeving. Beiden erkenden grif een loterij te hebben gehouden zonder dat ze daar toestemming voor hadden gevraagd, maar verzochten om clementie. Daartoe was de drost niet bereid. Kastelein Hubster kreeg een boete van 2 daalder en organisator Derks mocht volstaan met de helft, welke bedragen ze binnen binnen drie etmalen aan de diaconie van Hoogkerk moesten voldoen, anders dreigden forsere sancties. Binnen dezelfde tijd moesten ze de kwitanties van hun betalingen tonen aan de wedman van Hoogkerk.

Op dezelfde 26ste december 1803 waren er ook illegale verlotingen in Saaksum en in Marum. Die van Saaksum werd bij de drost aangebracht door wedman Abbring van Oldehove. Het betrof de tapper Meerten Sytses, die op 5 januari te Zuidhorn op het matje moest komen. Sytses bekende “zijne misdaad” en verzocht om “gratie en vergiffenis”, “uit hoofde dat uit onwetentheid gepecceert hadde en arm was”. Dat laatste wilde de drost wel geloven, want de boete bleek voor Sytses beduidend lager uit te vallen dan die voor zijn Hoogkerker collega. Hij moest binnen drie maal 24 uur 2 schellingen (12 stuivers) aan de diaconie van Saaksum voldoen en binnen hetzelfde tijdsbestek een kwitantie daarvan tonen aan de wedman die hem aanbracht. In Marum ging het om kastelein Hindrik Jans Bakker. Hij kreeg te maken met hetzelfde tarief als in Hoogkerk: een boete van 2 daalders, binnen 3 maal 24 uur te voldoen aan de diaconie van zijn kerspel, de kwitantie binnen diezelfde tijd te vertonen aan wedman Juursema van Leek, de kerel die hem waarschijnlijk ook had betrapt.

Twee daalder of drie gulden, dat kwam ongeveer neer op het weekloon van een arbeider. Zo’n bedrag hield men liever op zak. Toch kwamen er eind 1804 en eind 1805 nog steeds illegale verlotingen voor in het Westerkwartier en dan met name in het Vredewold, waar wedman Juursema in alle drie de gevallen weer de aanbrenger bleek. Blijkbaar was die wat fanatieker in de opsporing dan andere wedlieden. Eind 1804 ging het om Jacob Feringa en Martje Pieters Koster, die respectievelijk op 22 en 24 december loterijen zonder vergunning hielden in hun huizen te Tolbert. Elk kreeg weer een boete van 3 gulden voor de lokale armen. De betalingstermijn werd in hun geval verlengd tot acht dagen. Die termijn gold ook voor Alle Hindriks in Marum, die op 24 december 1805 te Marum betrapt werd. Hij erkende zijn fout, “dog dat niet hadde geweten hieraan quaad te doen”. Enige korting kreeg hij er niet om. De boete bleef 2 daalder, waarvan in dit geval de helft naar de diaconie ging en de andere helft naar de aanbrenger, dus wedman Juursema.

Wat in het oog loopt bij deze zaakjes, zijn ten eerste de data. De illegale verlotingen van 1803 vonden alle plaats op 26 december, dus Tweede Kerstdag. Bij die van 1804 en 1805 ging het in twee gevallen om 24 december en in één geval om 22 december. Dus steeds betrof het de donkere dagen rond kerstmis. In het Oldambt bleek de periode voor (legale) verlotingen wat meer uitgesmeerd. December spande hier ook wel de kroon, maar verder kwamen ze voor in het gehele winterhalfjaar. ’s Zomers waren er geen verlotingen, dan riep het werk.

Met uitzondering van de arme tapper uit Saaksum, moesten de op een illegale verloting betrapte herbergiers van het Westerkwartier 2 daalders of 3 gulden boete betalen. De bestemming van die boetes was steeds de plaatselijke diaconie. alleen in het laatste geval, dat van Marum, ging het geld half naar de diaconie en half naar de aanbrenger. Zo’n half-halfregeling bestond inderdaad allang voor de boetes wegens het na sluitingstijd nog in een herberg zitten, en zal voor de gerichtsbedienden een extra stimulans zijn geweest om af en toe poolshoogte te komen nemen in een herberg.

Wat er bij de verlotingen in het Westerkwartier te winnen viel, is helaas niet bekend – voor de drost deden de prijzen er immers niet toe, of het nu om een vette koe ging of om een luxe klok, een verloting zonder vergunning bleef even strafbaar. Alleen een briefje van het Plaatselijk Bestuur Aduard uit februari 1809 laat weten wat er toen bij kastelein Simon Joosten op het spel stond: enige doeken etc. Uit het briefje blijkt ook dat de drost qua loterijen op afstand was gezet – het is namelijk een kennisgeving. De drost mocht nog wel zorgen voor politioneel toezicht, maar de vergunning werd inmiddels verstrekt door het nieuwbakken gemeentebestuur.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (jurisdictie Westerkwartier), de inv.nrs.:

  • 729: notificatie van 22 febr. 1804;
  • 98: rekesten Vredewold;
  • 610: criminalia 29 december 1803; 4, 5, 11 en 26 januari 1804; 14 en 23 januari 1805 en 15 januari 1806;
  • 722: het briefje van het Plaatselijk Bestuur van Aduard d.d. 9 februari 1809.