Meppel-Groningen over Steenwijk en de Stellingwerven

Op weg naar het Groninger Hoofdstation. Bij de Peizerweg zijn de populieren gisteravond nogal wat takken kwijtgeraakt en dat bleef de hele reis zo’n beetje het beeld qua bomen:
2015-07-26 001
Mijn ouwe middelbare school is verhuisd naar achter het Meppeler station, waar ze samen ging wonen met diverse andere scholen. De een noemt het campus, voor de ander is het een onderwijsfabriek. De architectuur leidt niet van de lessen af, maar die futuristische muurschildering domineert het hele complex:
2015-07-26 008
Steenwijk vanaf de Nijevener kant:
2015-07-26 011
Zuidveen:
2015-07-26 014
In Steenwijk is men buitengewoon ingenomen met Johan van den Kornput, een held die in 1580/1581 de vesting met succes verdedigde tegen de verraderlijke Rennenberg, die heulde met de Spanjaarden. Overigens ligt Van den Kornput begraven op het koor van de Groninger Martinikerk::
2015-07-26 022
Het marktplein van Steenwijk is ongeveer dubbel zo groot als op onderstaande foto. Aan de overkant een tosti genuttigd. De onderste twee segmenten van de toren zijn van tufsteen, een natuurlijk materiaal uit het Rijnland, dat we gebruikten voordat we bakstenen gingen bakken:
2015-07-26 023
Een arme ouwe drommel boven het Swindermanpoortje:
2015-07-26 119
Stukje vestingwal en -gracht:
2015-07-26 120
Nogmaals de koene Van den Kornput, in overwinnaarspose met vederbos op helm en vliegend vaandel in de knuist:
2015-07-26 123
Tussen Eesveen en Frederiksoord:
2015-07-26 125
Stukje volkskunst bij Elsloo:
2015-07-26 137
In de berm van het fietspad tussen Elsloo en Appelscha deze bloemen – weet iemand hoe je ze noemt?:
2015-07-26 140
De bekende gebogen betonnen palen met prikkeldraad zijn verwerkt in het monument voor werkkamp De Landweer:
2015-07-26 143
Op de diepswal bij Ravenswoud – een van de weinige plekken waar ik deze zomer nog zo’n wilde bloemenstrook zag:
2015-07-26 146
Een ouwe bok krijgt een eindje verder ontbijt op bed, maar mist eigenlijk nog een groen blaadje:
2015-07-26 155
Oud veenkanaaltje tussen Ravenswoud en Fochteloo:
2015-07-26 156
Fochteloërveen:
2015-07-26 159
De heide begint te bloeien – in dit polletje zit een peloton soldaatjes, zoek ze allemaal op:
2015-07-26 161
Bij Veenhuizen weer zo’n constructie dat de ene wegwijzer je een richting opstuurt, waar een andere wegwijzer je weer naar die ene wil hebben. En daar zit dan een paar kilometer tussen – kan iemand de ANWB van de bewegwijzeringstaak ontheffen? Dat zijn gewoonweg fietshaters, daar. Bij voorbaat hartelijk dank.

Waar waren we? In Veenhuizen. Waar het huis met het motto “Werken is Leven” te koop staat voor nagenoeg 2,5 ton:
2015-07-26 165
Tussen Norg en Roden een lekkere plensbui op mijn kop gehad, daarna bleef het zacht maar effectief regenen. Deze buizerd bij Roderwolde vond het ook maar niks, dat weer
2015-07-26 166


Toltarieven Meppel-Staphorst, 1827

2015-07-20 021

(Gezien in het Diaconessenziekenhuis te Meppel.)


Hoe de Drentsche Courant de Meppeler Courant de oren waste

“Voor eenigen tijd gaf de Meppeler Courant te kennen, dat zij, wanneer zij eigene berigten uit de Drentsche Courant overnam, zulks steeds met groote letters zou te kennen geven. Wij vonden dit zeer prijzenswaardig en niet meer dan eerlijk; jammer dat de Meppeler dit goede voornemen – gelijk helaas, met vele goede voornemens pleegt te geschieden – zeer spoedig schijnt vergeten te zijn; hel laatste nummer levert er het bewijs van. Wij vertrouwen echter dat eene bloote herinnering aan bedoeld haar loffelijk voornemen genoegzaam zal zijn om haar voor het vervolg weder dienovereenkomstig te doen handelen.”

Bron: DrentscheCourant 19 februari 1850.

Let wel: niet het overnemen van berichten wordt gegispt, want de Asser was er zich zeer van bewust dat nieuws vrij was. Het ging haar louter om de bronvermelding, implicerende een erkenning dat men het bericht niet te danken had aan de eigen, maar aan andermans noeste ijver.


Meppeler blad voor huisvlijt

huiselijke kuns 1
Fraaie Jugendstil-advertentie, voorkomend in het allereerste nummer van het blad Huiselijke kunst, dat in april 1910 verscheen. Het betrof een uitgave van G.P. Dikkers Azn., die in Meppel een magazijn voor huisvlijt- en kunstnijverheidsartikelen gecombineerd met een postzegelhandel dreef. Via zijn blad wilde hij lezers op de hoogte brengen van nieuwtjes op het gebied van vlakbranden, kantklossen, houtsnijwerk, batikken en wat dies meer zij. In ettelijke regionale en landelijke kranten werd zijn blad aangekondigd en ook wel positief besproken als

“Een periodiek, waaruit men heel wat mooie dingen voor de huishouding kan leeren maken. Platen en tekst ademen distinctie en goeden smaak”

Toch maakte het zijn eerste jaargang amper vol. Kennelijk was de markt ervoor niet groot genoeg en kon het niet uit. Opmerkelijk was nog dat Dikkers ook advertenties voor transatlantische correspondentie- en uitwisselingsclubs opnam:

winnipeg hobby club

Ik kreeg mijn exemplaar, dat voorzien is van het stempel ‘proefnummer’, jaren geleden van Boekito, en vond het vanavond terug in een verhuisdoos. Aangezien ik er verder niets mee doe, denk ik dat ik het maar aan het Drents Archief schenk, want dat heeft het vast niet in zijn collectie.


Goed voorbeeld Meppel doet goed volgen?

Bus en trein sloten niet goed op elkaar aan en zodoende had ik even de tijd om een klein rondje Meppel te doen. Heb even geweifeld over het Wilhelminapark, maar herinnerde me iets gehoord te hebben over gerestaureerde gevelreclames, dus het Zuideinde op richting Hoofdstraat, waar ze bij de brug te vinden zijn op de vroegere muziekhandel Spans:

2013-05-12 060

Een Schiedamse bank:

2013-05-12 065

Lokale middenstand:

2013-05-12 067

En een merk dat nog steeds bestaat:

2013-05-12 069

Ook wel iets voor Groningen, dacht ik zo. Gepensioneerde schilders genoeg die zo’n klus willen klaren, voor het materiaal willen sponsors vast wel zorgen. Als de gemeente nou zorgt voor de organisatie, dan is het verhaal rond.

De gevelreclames in Meppel bleken gemaakt te zijn door een joodse schilder, die in de oorlog met zijn gezin vermoord is. TV Drenthe liet de bedenker van het project aan het woord.


Meppeler zet grafiek van Jan Wiegers in de etalage

Geplaatst op 28 maart 2008

Zijn verzameling kunst, antiek en curiosa is te omvangrijk geworden, zegt Jan de Wilde uit Meppel. Daarom zet hij spullen waar hij vanaf wil op een weblog. Onder meer gaat het om grafiek van Ploeg-kunstenaar Jan Wiegers, zoals bovenstaande ‘Bocht in het Reitdiep’, een houtdruk op Japans papier waarvoor De Wilde 285 euro vraagt.


Welke jaarmarkten bezochten de Drenten het meest?

Heb gisteravond flink zitten grasduinen in de Index op de lottingen van de Etstoel, 1609-1790. Zo was ik benieuwd naar de jaarmarkten die ter sprake komen op de civielrechtelijke en boetstraffelijke zittingen van deze Drentse rechtbank in die periode. Hier is het lijstje:

Jaarmarkten binnen Drenthe Aantal meldingen
Zuidlaren 11
Diever 7
Norg 6
Meppel 4
Dwingeloo 3
Ruinen 3
Odoorn 3
Zweelo 2
Hoogeveen 2
Anloo 1
Roswinkel 1
Jaarmarkten buiten Drenthe  
Groningen 1
Wanneperveen 1
Deventer 1

Dat Zuidlaren de kroon spant, is bepaald geen verrassing. Noord-Drenthe (Zuidlaren, Norg, Anloo) is überhaupt goed vertegenwoordigd.  Wel valt op dat de Rodermarkt in dit staatje schittert door afwezigheid, terwijl die drukke markt in gerechtelijke stukken van het Westerkwartier nogal eens genoemd wordt. Qua aantallen meldingen doen de gezamenlijke markten van Zuidwest-Drenthe (Diever, Dwingeloo, Ruinen, Meppel en Hoogeveen) niet voor die van Noord-Drenthe onder. Oost-Drenthe (Roswinkel, Odoorn, Zweelo) valt qua aantal meldingen nogal tegen: in dit meest geïsoleerde deel van Drenthe  zat minder handel. Buiten Drenthe hadden de Drenten zo te zien vrij weinig te zoeken.


Een bezoek aan het buitengoed Terheijl (1797)

J.F. Christ, Huis Terheijl, ca. 1840.

Willem de Lille (1750-1810, zie ook) was een succesvolle advocaat en  stadssecretaris van Steenwijk. Maar omdat hij zich ontpopte als een fanatiek patriot en zelfs optrad als commandant van een gewapend genootschap aldaar, kwam er in 1787 een eind aan zijn politieke carrière. Niettemin wist hij in 1789 een zeer goede partij te trouwen en dat nog wel in gemeenschap van goederen. Het ging om baronesse Johanna Sloet-Van Dedem, weduwe van de drost van Salland. Samen betrokken De Lille en zijn vrouw een jaar later de havezathe Terheijl, die zij van haar eerste man geërfd had. Het lang onbewoonde en dus vervallen huis was intussen onder De Lilles leiding grootscheeps gemoderniseerd. Terwijl het huis in 1786 ruim 50.000 gulden waard was, staken De Lille en zijn vrouw er nog eens ruim 80.000 gulden bij in. Geld dat overigens niet alleen in stenen ging zitten, want er kwam ook een fraaie Engelse landschapstuin om het huis heen, vermoedelijk een van de eerste in Drenthe.

Toen huis en park gereed waren, ging de ondernemende De Lille investeren in de ontginning van de bijbehorende heide- en veengronden, waarbij hij zich ontwikkelde tot een agrarisch deskundige. Hoe hij precies te werk ging, daar is weinig zicht op, maar eind mei 1797 bezocht de Groninger dokter Jacob van Geuns een boer met een maagzwaar op het buitengoed, en maakte er meteen maar een “plaisiertourtje” van. Van Geuns reed er over Leek heen met een fourgon of jachtwagentje. Het was een mooie dag en hij gaf zijn  ogen goed de kost. Dit schreef Van Geuns aan zijn vader in Utrecht over Willem de Lille en diens buitengoed:

Het is een vermaak om deeze plaats te zien, alwaar men zeer ruime gelegenheid heeft om op te merken wat ’s menschen vlijt en arbeid kan uitrigten. De streek en grond is zandig & heide. In 1787 was dit nog een oud vervallen heerenhuis, rondom in heyde gelegen. De Hr. de Lille die het voor een kleine somme gekogt had, liet het huis opmaken, en heeft er nu een zeer goed verblijf van gemaakt. Hij liet zich veel aan de landbouw gelegen liggen, heeft daar veel bosch aangelegt – dat reeds zeer weelig groeit – en reeds, zooals ik meen, 400 morgen goede bouwgrond, waaronder zelfs die garst en koolzaad geeven. 3 Boerderijen heeft hij reeds op zijn goed, welke volgens zijn opgave en raad de landbouw doen op de ontgonnene gronden. Deeze boeren gaat het zeer wel: van jaar tot jaar gaat hij voort met woest land te verbeeteren en zijn voorneemen is van tijd tot tijd hiermeede aan te houden, en zoo spoedig hij weer een goede lap gronds klaar heeft, er weer een boerderij op te zetten. Hij ploegt met zwaare ossen; mest verschaft hij zich verreweg meest door plaggen, planten &c. 1 of 2 jaar te laaten rotten; hij zaait volgens de nieuwe methode, zoo dat de ½ van het land altijd vrij is, dat dan een ander jaar gebruikt word. Zijn vrouw is een Overijsselsche adelijke dame, een zuster van onze ambassadeur Van Dedem – het speet mij dat ik ’s middags voort na den eeten vertrekken moest…

Bronnen, buiten de gelinkte:

  • J. Bos e.a. (red), Huizen van stand (Meppel/Amsterdam 1989) 432-434
  • Utrechts Archief, Tg. 814 (familiearchief Van Geuns) inv.nr. 10: brieven van Jacob van Geuns aan zijn vader Matthias van Geuns, die van 27 mei 1797.

Socialist koopt NSB-krant bij Uffelter klompenmaker

Het Drentse NSB-affiche voor de provinciale statenverkiezingen van 1935. Lijsttrekker was de beruchte Dieters, over wie vorig jaar een biografie verscheen door Sienus Nijborg.

In De Vrije Socialist van 3 april 1935, sinds kort op Delpher te vinden, staat een verslag van een merkwaardige ontmoeting in Uffelte, dat het anarchistische periodiek ontleende aan het sociaaldemocratische dagblad Het Volk.  Omdat de oorspronkelijke publicatie niet op Delpher te vinden is, moeten we het doen met De Vrije Socialist. Volgens dat blad had de ontmoeting zich bijna een jaar eerder, dus in het voorjaar van 1934, voorgedaan, en was het veel recentere verslag erover afkomstig van een H.M. uit Groningen, die met een groep AJC-ers vanuit het Havelter Hunehuis een wandeling naar Uffelte had gemaakt.

In de initialen herkennen we Herman Molendijk, sinds eind jaren 30 leider van de noordelijke AJC (de jeugdbond van de sociaaldemocratische SDAP), tevens bouwheer en bedrijfsleider van ‘t Hunehuis in Havelte, het vaste onderkomen voor vakantiekampen van de noordelijke AJC. Zoals in een recent boek over het Hunehuis te lezen valt, liep Molendijk steevast met groepen bezoekers naar Uffelte, om daar een en ander uit te leggen over de omgeving. In 1934 woonde hij nog met zijn vrouw in het Hunehuis, een jaar later was hij inmiddels wethouder in Groningen.

Goed, nu dat verslag. Op een bospad naar Uffelte, zagen Molendijk en zijn AJC-groep voor “een kleine, wankele hut” een groot bord staan met reclame voor Volk en Vaderland. Ze verbaasden zich erover; hoe belandde dat reclamebord voor de NSB-krant hier in Uffelte? Molendijk besloot het de bewoner, een klompenmaker, zelf te vragen:

Ik stapte het erf op, vroeg een krant te koop en knoopte een gesprek aan. Met nog een paar van zijn mede- gehuchtbewoners was hij met de heeren (van de NSB, HP) in aanraking gekomen. Ze kwamen met een auto uit Utrecht!

Voorzichtig informeerde Molendijk  naar de reden waarom de klompenmaker zich bij de NSB aangesloten had. Daar kon men toch geen heil van verwachten? De Uffelter was het daar niet mee eens, wat leidde tot een curieuze gedachtenwisseling tussen links en rechts, die anno 2021 helaas enige herkenning oproept:

— Och meneer (aldus de Uffelter), zoo kan het ook niet blijven! Het moet allemaal anders worden.

— Ja, dat vinden wij ook! (beaamde Molendijk). Alles moet anders worden, maar het wordt niet anders als de menschen elkaar opsluiten en de hersens inslaan. Voor verandering is geen geweld noodig.

— Dat kan wel, meneer, maar nu hebben we hier de S.D.A.P. in de regeering en wat zijn we er beter van geworden?

—De S.D.A.P. in de regeering? Daar vergist u zich toch zeker in? De S.D.A.P, heeft hier nog nooit in de regeering gezeten.

— (De man tot zijn zoon): Haal dat kraante dan za’k et um veurleze (De vader, lezende uit de krant): Heur dan: hier steet et! Minister Slotemaker de Bruine, minister van Sociale Zaken, antwoordt. Dat is dan toch een sociaal!”

Nu had de SDAP op dat moment nog nooit in de regering gezeten, terwijl minister Slotemaker de Bruïne van de conservatief-christelijke CHU was. Molendijk probeerde de man het onnozele fabeltje van de socialistische regeringsdeelname uit het hoofd te praten, maar tevergeefs, want:

‘”Slotemaker is partijgenoot en moet het blijven.

Dat Molendijk een jaar later nog eens in de krant terugdacht aan de ontmoeting, kwam doordat in maart 1935 de kandidatenlijsten voor de aanstaande statenverkiezingen in de diverse kranten werden gepubliceerd, ook die van de NSB. En daaruit bleek

dat ons klompenmakertje uit Uffelte voorkwam als no. 9 op de Drentsche lijst. Hij is waarschijnlijk een van de mannen, die door hun deskundigheid de openbare lichamen versterken…”.

Om wie het ging, viel gemakkelijk te achterhalen. Het bleek te gaan om een A. Jonkers. Dat was echter niet de oude man die per abuis meende dat de SDAP in de regering zat, maar diens zoon. Die overigens  dezelfde politieke opvatting toegedaan was.

De oude klompenmaker heette Berend Jonkers en was ten tijde van de ontmoeting met Molendijk ruim 75 jaar. Sinds enkele jaren was hij gescheiden van zijn vrouw, met wie hij  bijna een halve eeuw getrouwd was geweest. Hij overleed in 1941.

Zijn zoon op de provinciale NSB-lijst heette Albert Jonkers en staat net als zijn vader te boek als klompenmaker, maar ook als arbeider en boomkweker. Hij was begin 1894 geboren en dus 40 jaar oud ten tijde van de ontmoeting met Molendijk. Deze Jonkers was in 1917 getrouwd met een arbeidersdochter en dienstbode uit Havelte, met wie hij zeker vier kinderen kreeg (een overleed een paar dagen na de geboorte). Als hobby fokte hij stamboekgeiten. In de crisisjaren deed hij nogal eens mee aan lokale geitenkeuringen.

In de oorlogsjaren liet Albert Jonkers zich niet onbetuigd. Hij deed in 1944 en 1945 in de omgeving dienst als ‘hulplandwachter’, in welke functie  hij voor de Duitsers patrouilleerde, bewakingsdiensten verrichtte en aan huiszoekingen meedeed. Ongetwijfeld is hij na de oorlog meteen opgepakt en geïnterneerd. Zijn zaak was te zwaar voor het Tribunaal en vervroegde vrijlating. Eind mei 1949 kwam deze  daarom nog voor het Bijzonder Gerechtshof in Leeuwarden. De eis was dertien jaar gevangenisstraf. In de uitspraak bleef daar negen jaar van over, met aftrek van de vier jaar voorarrest, maar ook met levenslange ontzegging van het actief en passief kiesrecht. Hierbij had het Hof nog rekening gehouden met de algemene gratie bij de troonsopvolging van 1948. Geen kattepis, al met al, zo’n straf.

Albert Jonkers zal in 1953 of 1954 op vrije voeten zijn gesteld en keerde toen terug naar zijn woning aan de Ruiterweg in Uffelte. Daar kwam op 7 juli 1966 een eind aan zijn leven. Na het middageten reed hij zonder uit te kijken met zijn brommer de weg op, en werd geschept door de bestelauto van de lokale Sparwinkel. De huisarts, dokter Bruins, kon slechts de dood constateren. Een paar dagen later werd Jonkers ter aarde besteld op de begraafplaats van Uffelte, een eindje verderop aan de Ruiterweg. Getuige de rouwadvertenties in de Meppeler Courant herdachten zijn nabestaanden hem als een “lieve man” en “beste vriend”.


‘Hier kan men zien wat goede wil vermag’

Johan Melse – Sneeuwlandschap. De Wandelaar, 1936.

[Uffelte] Vanmorgen was het in ons dorp een en al bedrijvigheid. Men zag oud en jong druk aan het sneeuwscheppen, wat met de dikke duinen, die hier en daar te hoop gestoven waren, ook wel noodig was. Vanmorgen reed de zandstrooier door ons dorp, zoodat nu alle straten weer begaanbaar zijn. Hier kan men zien wat goede wil vermag.

Aldus een bericht in de Meppeler Courant van dinsdag 6 februari 1940. Het was uiteraard alleszins lofwaardig dat de Uffelters  hun straten weer vrij schepten, maar het gemeentebestuur in het naburige Havelte wilde wel even gezegd hebben, dat het niet helemaal vanzelf gegaan was en dat het de stoot had gegeven tot deze sneeuwruimerij. In de volgende editie van de Meppeler, die van 9 februari, kwam daarom dit berichtje te staan van de Havelter correspondent:

HAVELTE. Door het gemeentebestuur werd krachtens art. 69 van de algemeene politieverordening (betreffende persoonlijke diensten) de geheele bevolking dezer gemeente tegen maandagmorgen opgeroepen om behulpzaam te zijn bij het sneeuwvrij maken van de doorgaande verkeerswegen, welke door de sneeuwverstuivingen geheel of nagenoeg geheel waren gestremd. Aan deze oproep hadden tal van goedwillende ingezetenen gehoor gegeven, in alle buurtschappen was men met man en macht bezig om de groote sneeuwmassa’s te verwijderen. Het is gebleken dat door eendrachtig samenwerken veel te bereiken is. De gemeenschapszin van de ingezetenen onzer gemeente had tot resultaat, dat de communicatie met de omliggende dorpen weer volledig hersteld werd.
Gebeurtenissen als deze hebben stellig tot gevolg dat de strenge winter van 1939-1940 nog lang in de herinnering zal blijven voortleven.

Niet alleen in Uffelte, maar overal in de gemeente Havelte waren mensen collectief in touw geweest. Kennelijk stond er een bepaling in de APV dat volwassenen daartoe ook verplicht waren. Ik denk dat dat artikel al heel lang geschrapt is en dat je nu een oproer zou krijgen als je de lui ertoe zou verplichten. Zelfs in de vrij sociale Oosterpoortbuurt was ik meestal de enige van mijn straat die de stoep voor zijn huis sneeuwvrij maakte.

Overigens is die strenge winter van vlak voor de oorlog allang vergeten. Als wij het over strenge winters hebben, dan gaat het over die van ’63 en ’79.


Een karakteristiek van Uffelte uit 1932

Meppeler Courant, 17 november 1933.

Uffelte is een echt boerendorpje. Een burgerij ontbreekt er bijna geheel. Als zoodanig zou men hoogstens den directeur van de boterfabriek, den kommies, den brugwachter en het personeel der school kunnen beschouwen. Het gemeentehuis, dokter, dominee enz. vindt men in Havelte. Dit heeft één voordeel: het bestuur over de vrij talrijke dorpsvereenigingen is in handen van de boeren gebleven.

De commies waarvan hier sprake is, was mijn grootvader. Hij en zijn gezin woonden van 1923 tot 1934 in Uffelte, waar ook mijn vader geboren is. In het laatstgenoemde jaar verhuisden ze naar Havelte. Dat het bestuur over de dorpsverenigingen in Uffelte puur in handen bleef van boeren, is onjuist. Mijn grootvader zat in het bestuur van de ijsvereniging, de zwemclub en de kippenfokvereniging en ik neem aan dat de andere schaarse ‘burgers’ van Uffelte – en dan met name de onderwijzers – ook zo hun steentje bijdroegen.

Bron: De Nederlander van 22 december 1932, tijdschriftenrubriek met een bespreking van het laatste nummer van het sociologische tijdschrift Mensch en Maatschappij, waarin K. van der Kleij, destijds woonachtig in Uffelte en later de drijvende kracht achter de Volkshogeschool in Havelte, een veel langer artikel over Uffelte had staan. Dat moet ik dan nog maar eens opzoeken.


Lang weekend Uffelte

Zaterdag op de heenweg – beregening bij Huis ter Heide:

Uienveld bij Huis ter Heide:

Uffelte, aan de Rijksweg bij de vaart – klusjesman ziet Abraham:

Havelte, achterkant boerderij bij de vaart:

Wallinger es met aardappelland gezien vanaf de Oosterbrink in Darp:

Landschap bij Uffelte:

Zondagochtend – honing te koop, Uffelte:

Een Meeuwenveen zonder meeuwen:

Wapserveen, boerderij zonder achtergevel en schoren bij de ‘zoelen’ of staanders. Als hier een stormwind onder komt, klapt dat dak dubbel:

Op zondagmorgen – de kerk van Wapserveen met haar klokkestoel:

Koloniehuisje bij Wilhelminaoord:

Kallenkote – in de bocht van de weg ligt een Indonesisch restaurant dat vroeger zo te zien een boerenherberg is geweest:

Uitzicht vanaf de Bisschopsberg richting Meppel:

Busselterweg – langzamerhand overgroeid rakende oude tractor:

Bij een oude huisvriend thuis in Nijeveen, het tegeltableau in diens woonkamer:

Zondagavond – stuw bij de Drentse Hoofdvaart in Uffelte:

Alert stiertje bij de Uffelterkerkweg:

Overcinge, gracht met theekoepel op maandagochtend:

Boslaan achter Eursinge:

De Oude Vaart bij Nijentap:

Plaggenhut met terrazzo-achtige schoorsteen op camping De Blauwe Haan bij Uffelte:

Vennetje op het Uffelter Binnenveld, meteen achter mijn Bed & Breakfast:

Bomkrater, waarschijnlijk daterend van 24 maart 1945, toen een geallieerde luchtvloot hier een tapijtbombardement losliet op het Duitse vliegveld. Mijn grootvader was die dag jarig – alle gasten stonden buiten te kijken naar de passerende bommenwerpers:

Uffelter Binnenveld:


Paradijselijk palet

In 1769-1770 verfde de Meppeler schilder Hendrik Vos in etappes de verlaatsmeesterswoning bij het Paradijsschut. Zijn rekening heeft een chronologische opzet, waardoor diverse soorten posten door elkaar heen staan, maar je ook goed de opbuw van het schilderwerk ziet. Ik noteer hier de kleurstoffen, zonder me verder te bekommeren om arbeidslonen, de gebruikte olie, de grondverven (loodwit en rode menie) en stopverf. Het gaat me erom hoe dat huis er qua kleuren uitzag.

Steeds heb ik de data en de plekken van het werk genoteerd en vervolgens in vier kolommen de gebruikte hoeveelheden verfstoffen in ponden, de kleurstof in kwestie, de totale prijs (in guldens stuivers en penningen) en de prijs in stuivers per pond van de desbetreffende verfstof.

3 november 1769 – de kozijnen van binnen en buiten:

5,62 pond Wit 1-02-8 4,00 st/pond

5 december 1769 – de vensters en deuren:

4,00 pond Wit, olijf en rood 0-16-8 4,13 st/pond gem.

24 april 1770 – (kamer)beschot gelijmd en geverfd:

6,00 pond Geeloker 0-09-0 1,50 st/pond
1,00 pond Loodwit 0-02-12 2,75 st/pond
Ton Zwart 0-03-0 ?

14-17, 21 en 23 mei 1770 – huis van binnen gelijmd en geverfd – zolder en beschot:

15,90 pond Geeloker 1-03-4 1,46 st/pond
2,50 pond Rood 0-03-2 1,25 st/pond
? Omber 0-02-8 ?
? Mooi blauw (kozijns en ramen) 0-09-0 ?
Ton Zwart 0-03-0 ?

25 en 26 mei 1770 – Kozijnen en ramen in de keuken:

1,56 pond Mooi Blauw 1-02-0 14,10 st/pond
0,06 pond  (2 lood) Mooi rood 0-02-0 33,33 st/pond
3,00 pond Toegemaakt wit 0-12-0 4,00 st/pond

11, 12 en 18 juni – buitenshuis incl. tafels en banken:

? ws. 0,06 pond (z.b.) Mooi rood 0-02-0 (vgl. boven) ?
1,50 pond Toegemaakt wit 0-06-0 4,00 st/pond

Het kleurenpalet bestond dus voornamelijk uit, in afnemende volgorde:

  • Zwart – 2 ton (binnen, vloeren?);
  • Geeloker – 22 pond (binnen, beschotten);
  • Wit – 11,8 pond (incl. toegemaakt – vooral buiten, maar ook wel binnen);
  • Rood – 4,2 pond (incl. mooi rood – accenten kozijnen deuren en vensters);
  • Blauw –  2,0 pond (incl. mooi blauw – kozijnen en ramen binnen).

Kortom, binnen domineerden zwart en geeloker, buiten was dat vooral wit.

Het duurst was mooi rood, mooi blauw volgde en daarna toegemaakt wit. Gewoon rood en geeloker waren het goedkoopst.


De jacht op otters, vooral in Noord-Drenthe

In het voorjaar van 1769 ving Menne Geerts van de Matsloot een volwassen otter en vertoonde het beest “in zijn g[e]heel” aan de schulte van Roden, die Menne daarvoor beloonde met een rijksdaalder premie:

Menne was niet de enige ottervanger in de omgeving. Driekwart jaar later liet Tjerk Wybes van Roderwolde eveneens een otter aan de schulte zien. Ook hij ontving de premie. En de volgende dag al, kwam Jannes Krijthe uit Roden bij de schulte langs met twee volwassen otters. Hij ontving daarom het dubbele bedrag:

Deze Jannes had misschien de kunst van het otters vangen afgekeken  van zijn familielid Lucas Krijthe, die in 1760 maar liefst vijf otters inleverde, en dat nog eens herhaalde in 1762.

De premies waren uitgeloofd door de Landschap Drenthe (de latere provincie) en ze bestonden vanaf 1704. Voordien kwam de otter nog niet voor in de Drentse jachtreglementen, en ontbrak er kennelijk een reden om de otterjacht te stimuleren, waaruit je zou kunnen afleiden dat otters in Drenthe nog niet als heel schadelijk of zelfs als een plaag werden ervaren.

Of dat in 1704 wel zo was, is een beetje twijfelachtig. Er lijkt kopieerzucht in het spel te zijn geweest. De premieregeling van dat jaar kwam er namelijk op voorbeeld van naburige provincies, “tot beter conservatie” van de visserij. Een Drent die een gevangen oude otter liet zien aan de schulte of de panderschulte in zijn woonplaats, kreeg voortaan een rijksdaalder, een jonge otter bracht hem de helft op. De vangers mochten de pelzen houden, maar moesten de dieren tonen “eer dat de vellen daarvan zijn afgetrokken”. De schulte diende na betaling van de premie de oren van de otter af te snijden om te voorkomen dat hetzelfde dier meermalen getoond werd en premie opbracht. Ook moest de vanger een verklaring tekenen dat hij de otter aan de schulte had laten zien en daarvoor geld had gebeurd. Een ottervanger die dichtbij de ‘frontieren” woonde, moest bovendien onder ede verklaren dat hij de otter niet buiten de Landschapsgrens gevangen had. Ook dit kwam in de verklaring te staan.

Nadat in de jaren 1713, 1714 de klad in de premieregeling raakte – er werd geen otter meer ingeleverd en de regeling werd zelfs ingetrokken –  blies de Landschap haar in 1716 nieuw leven in.  Opnieuw ging het Ridderschap en Eigenerfden zogezegd om schade aan de visstand, “door dat ongedierte gemeenlijk veroorsaakt wordende”. De premies per otter bleven gelijk. Wel kwam er naast de beperking tot inheemse otters nog een nieuwe randvoorwaarde voor de uitbetaling, namelijk dat de dieren niet “op de sneeuw gejaagt” mochten zijn. Net als in Stad & Lande was sneeuwjacht voortaan helemaal verboden in Drenthe. Dit moet het bejagen van otters wel een stuk moeilijker hebben gemaakt, want juist door ijswakken en sporen in de sneeuw is hun aanwezigheid heel goed kenbaar. Ook werd in 1716 bepaald dat de schulten hun bewijsstukken (otteroren en verklaringen) op de provinciale rekendagen moesten inleveren bij de Ontvanger-Generaal van de Landschap, die ze dan het uitgekeerde geld restitueerde.

Op basis van de  rekeningen die de Ontvanger-Generaal ons naliet, met alle bijlagen daarbij,  zoals bovenstaande kwitanties, heeft Henk Luning zo’n tien jaar geleden al eens uitgezocht in hoeverre deze premieregeling bijdroeg aan de teloorgang van de otter in Drenthe. Hierbij een samenvatting van zijn betoog op de punten waarom er op otters werd gejaagd, wie er op deze dieren joeg, hoe en waar dat gebeurde, en om hoeveel dieren het ging in Drenthe.

Waarom
Zoals gezien, motiveerde het landschapsbestuur de otterjacht met een verwijzing naar de visstand. Ongetwijfeld zal een otter wel eens in de ‘viskenij’ van een huis van stand hebben huisgehouden. Toch eet een otter niet meer dan een kwartkilo vis per dag. Zijn menu is gevarieerder dan dat – hij wil ook wel eens een muis verschalken, of een vogel. Ook eendenkooihouders, waarvan er in Noord-Drenthe redelijk wat waren, hadden een hekel aan otters, omdat die wel eens in een eendenkooi opdoken waardoor de begeerde vogels in paniek raakten en opvlogen. Zoals wel vaker, vormde het lelijke imago van de otter een rechtvaardiging voor de jacht op het dier. Maar er zat ook nog iets aantrekkelijks aan de jacht. Zoals gezegd, hielden de ottervangers de pelzen. Die waren erg in trek: otterbont stoot water af en is heerlijk warm in de winter. Maar ook werd het vlees gegeten, het zal vast naar vis hebben gesmaakt; de otterjacht viel ook eerder onder het hoofdje visserij dan onder dat van de jacht.

Wie
Vanouds was otterjacht in Drenthe veeleer een zaak van broodjagers – vooral als die gespecialiseerd waren in bunzingen – dan van hoge heren. Ongeveer de helft van alle ingeleverde otteroren kwam van ‘toevalsvangers’, mensen die incidenteel een otter vingen.  De andere helft werd ingeleverd door min of meer professionele premiejagers. Maar ook die kwamen zelden uit op een hoger aantal dan drie of vier otters per jaar.  Wat dat betreft was die Lucas Krijthe in 1760 en 1762 uitzonderlijk.

Hoe
Eerst zocht een otterjager naar sporen: ‘latrines’ met uitwerpselen, en poot- en staartafdrukken in de modder. Daar werd dan een speciaal getrainde hond, zoals een Friese wetterhoun (ook wel Friese krulhaar of otterhond genoemd) op ingezet. De bedoeling was om de otter met spiezen en/of drietanden in netten op de wal of bij een wak te drijven. Ook werd er gewerkt  met strikken en klemmen op ottersingels (paadjes).

Waar
Otters, aldus Luning, kwamen in vrijwel elk Drents water voor.  De eerste jaren na de invoering van het premiestelsel werden de hoogste aantallen echter in Peize en omgeving gevangen. Daarnaast onderscheidde de eveneens waterrijke omgeving van Meppel zich. Peize, of wat breder genomen het merengebied van Noord Drenthe (Zuidlaarder-, Paterswoldse- en Leekstermeer) sloot ook aan bij Friesland, waar de aantallen otters sowieso wat hoger lagen dan in Drenthe, terwijl Meppel natuurlijk vlakbij de meren van Noordwest-Overijssel ligt.

Aantallen en conclusie
Dankzij de uitbetaalde premies, weten we in elk geval hoeveel otters er in Drenthe werden gevangen in de periode 1704-1790.  Welnu, de eerste jaren na de invoering van het premiestelsel waren ook de succesvolste voor de ottervangers. De piek van toen – 38 oude en 18 jonge otters in een jaar – is nadien niet meer geëvenaard. Daarna lijkt er door alle pieken en dalen heen trendmatig een lichte achteruitgang over de gehele periode. Het gemiddelde aantal gevangen otters, zo’n 10 à 20 per jaar was echter vrij laag. Deze aantallen voerden Luning tot de conclusie, dat er niet heel veel otters in Drenthe leefden. In de achttiende eeuw bestond er een kleine populatie die zich met ups en downs redelijk wist te handhaven. Het afvangen van dieren bracht destijds de soort niet in gevaar. De jacht erop had geen funeste invloed, zoals andere auteurs het willen doen voorkomen.

Epiloog
Rond 1800 is de officiële Drentse premie op otters afgeschaft. Otters bleven nog wel bejaagd, maar dan louter om hun vel. Jagers moesten een vergunning hebben van de gewestelijke overheid èn grondeigenaars. Zo kregen twee arbeiders uit Paterswolde in 1854 vergunning om in enkele Noord-Drentse gemeenten met hun honden op otters te jagen. Ze waren hierin vooral ’s winters actief. Collega’s van hen kwamen van de Schelfhorst (1) en van Peize (3). Zo kende de Kop van Drenthe toch vrij veel concurrentie op dit gebied.

Vanaf medio negentiende eeuw kwamen er berichten over de achteruitgang van de otterstand, vooral over de riviertjes, maar wat minder over de meren in de lagere randgebieden. Drenthe kreeg een ander aanzien, ook qua water. Het veen verdween met zijn meerstallen, vennen en poelen. De beekjes werden gekanaliseerd. Bovendien raakte hun water ook nog vaak sterk vervuild. Een aangetroffen otter werd nieuws voor de krant.

Begin twintigste eeuw kon je in Drenthe nog otters vinden in de omgeving van Meppel, en aan de noordrand bij het Zuidlaardermeer, het Paterswoldsemeer, en het Leekstermeer, met de watertjes die erop uitkwamen, zoals de Matsloot. Daar ook bestond nog verbinding met de grotere Friese populatie.

Ondanks de gesignaleerde achteruitgang keerde de Groningse Heidemij destijds nog jachtpremies uit: een daalder per gedode otter. Ook in deze tijd kwamen de bekendste Noord-Drentse ottervangers uit Peize – twee Bathoorns – en Eelde. De laatste – een Adolf Arends – ving in 1919 zijn honderdste otter. In Roderwolde had je dan nog een Lubbers en Diertens, die foxterriërs bij de jacht gebruikten, terwijl leden van de familie Riemers in Sandebuur ook wel eens een otter schoten.

In totaal zijn er tussen 1906 en 1938 in het Noord-Drentse grensgebied nog 105 otters gedood, gemiddeld dus 3 per jaar. In 1938, het laatste jaar dat de Heidemij nog premies uitbetaalde, ging het om 7 otters.

De strenge winters erna deden de populatie al bijna de das om. In 1942 kwam er een verbod op de otterjacht, en vanaf 1947 is het dier zelfs wettelijke beschermd. Toch bleek de Drentse populatie te klein om te overleven. In 1986 werden de laatste inheemse otters gespot bij het Zuidlaardermeer en de Piccardthofplas bij het Groninger Stadspark. Verdwijnende biotopen, belabberde waterkwaliteit en toenemend verkeer droegen allemaal bij aan de teloorgang.

Sinds 1985 is er met vallen en opstaan gewerkt aan de herintroductie, eerst met Midden-Europese exemplaren. Een gezonde otterpopulatie ging gelden als signaal voor herstel van het watermilieu. Tegelijkertijd onderging de otter een complete imago make-over: van visrovend ongedierte tot knuffelbeest met menselijke trekjes. Inmiddels zwemmen er weer ettelijke otters in Noord-Drenthe rond, vooral in de oude kerngebieden zoals de Onlanden tussen Peize, Roderwolde, Sandebuur en Matsloot, waar ze ook elk jaar jongen krijgen. Uiteindelijk is het weer goed gekomen, maar met allemachtig veel moeite.

Bronnen
Archivalia:
Drents Archief, Toegang 1, Oude Staten Archieven (OSA):

  • inv.nr. 1775, rekeningen en bijlagen van de aangegeven jaren;
  • inv.nr. 6 deel 8: resoluties R&E 11 maart 1704 art. 37;
  • inv.nr. 6 deel 9, folio 122 en 99: resoluties R&E 20 maart 1714 en 17 maart 1716;
  • inv.nr. 14 deel 19: resolutie D&G 14 maart 1704.

Literatuur:

H.M. Luning, ‘De Otter. Ambassadeur van het zoetwatermilieu’, Nieuwe Drentse Volksalmanak 2010, pag. 49-72.


Marke Havelte was ondernemende club

Leuk postje in het oudste rekeningenboek van de marke Havelte.

Den 3 maart 1777 – 5 kerkenspraken betaalt: een op Wanperveen, en een op Colderveen, een op Gieteren, een tot Steenwijk, een tot Meppelt. Drie laasten sijn geroepen. Dus 6 stu[iver] daarvan. Dus samen ƒ 1-6-0.

Is van het verkopen van het Meeuwenveen ten Noorden de Pastorij van Havelte.

Vijf kerkenspraken, dat waren er best veel. Met die kerkenspraken werden bedoeld de wereldse aankondigingen in de kerk op zondag, zeg maar de gesponsorde mededelingen, oftewel het toetje van de dienst, voor menigeen dé reden tot kerkgang. Zo hoorde je nog eens wat nieuws.

En dan werd de zaak waar het om ging ook nog eens omgeroepen door de stadsomroeper van Meppel. Dat omroepen kostte 6 stuiver, de kerkenspraken een gulden met elkaar, oftewel 4 stuiver per kerkenspraak. Het zijn bedragen, die je precies zo in momberrekeningen kunt vinden. De ambulante stadsomroeper kreeg meer dan de dominee, maar hij had er ook meer werk van (en wellicht wat meer bereik bij een hogere attentiewaarde).

De zaak waar het om ging was het Havelter deel van het Meeuwenveen. De marke Havelte wilde dat stuk laten vervenen. Daarom zocht men kopers uit plaatsen als Giethoorn, Wanneperveen en Kolderveen. Al langer waren mensen, afkomstig uit die wellicht al wat uitgeveende dorpen op het Lok en het Legeveld actief, twee andere kleine veenkolonies, gesticht vanuit de marke Havelte.

Het Meeuwenveen op een kaart van de marke Uffelte uit 1768. Collectie Utrechts Archief.

Het Meeuwenveen – de aardappelachtige vorm in het midden van het kaartje, – lag ten noorden van de pastorie, zoals het uitgavenpostje in de markerekening al zegt, en ten oosten van de Havelter kerk (linksonder). De gele lijn over de kaart die de aardappel doormidden snijdt, is de scheiding van de marken Havelte en Uffelte, nu de Marktgenotenweg. Uffelte had een iets groter stuk van de aardappel dan Havelte. Ten oosten van het Meeuwenveen lag een grote kei die de markegrens markeerde.  De van zuid naar noord lopende stippellellijn, die haaks op de gele lijn over het Meeuwenveen  heen loopt, is het tracé van de Drentse Hoofdvaart die men nog gaat aanleggen. Uit die lijn blijkt dat er ook nog een stuk Meeuwenveen ten oosten van de Hoofdvaart lag. Hier moest bij de aanleg van de vaart ook wat extra moeite worden gedaan.

Marken hebben misschien een wat oubollig imago, maar het rekeningenboek van de marke Havelte laat zien, dat het boerencollectief een vrij ondernemende club was. De woeste grond in zijn gemeenschappelijke beheer lag daar zeker niet renteloos. De verpachte peerdenweiden, en de verkochte en verpachte venen brachten de gewaardeelden destijds bijna ieder jaar een mooie winst par aandeel op. Kom daar nu nog eens om.