Ordre op het getal der ganssen in den Oldambte

Dick de Bray, Ganzen, 1662. Collectie Rijksmuseum.

Boeren willen vandaag de dag nog wel eens klagen over de troepen wilde ganzen die neerstrijken op land met kort eiwitrijk gras. Naast gras doen die ganzen zich wel tegoed aan jong wintergraan en andere gewassen. Een beetje gans vreet zo’n halve tot een hele kilo per dag en bij een troep van enkele honderden ganzen loopt dat dus behoorlijk in de papieren.

Maar ook hun mest moet je niet uitvlakken. Een gans produceert om de vier minuten een keutel en nog afgezien van de ongewenste gevolgen voor de bodem, zoals een ongelijke vruchtbaarheid, wil je dat spul niet in het voer van je beesten. Geen wonder dat er allerlei middelen worden ingezet om grazende ganzen van het land te weren. Ook hebben boeren met “faunaschade”, aangericht door ganzen, recht op een vergoeding.

Klachten over ganzenschade zijn echter niet nieuw. Getuige een resolutie door het Groninger stadsbestuur van 13 maart 1685 hadden “ingesetenen en intresseerden van Nieuwolda, Oostwold, Scheembder Hamrick en Wagenborgen” een poosje eerder geklaagd over

het groot getal van ganssen, denwelcke van verscheiden particuliere huislieden te lande worden gehouden waerdoor het gewas wierde afgegeten en de landen bedorven en onbequaem gemaeckt om vrughten te konnen draegen.

Ook destijds al vraten ganzen dus het gras op en maakten ze akkers met hun uitwerpselen onvruchtbaar. Het is alsof we de boeren van nu horen, met dit verschil dat de ganzen van toen tàmme ganzen waren en géén wilde. Destijds werden die ganzen ook gehouden door “huislieden”, een term waarmee gewoonlijk boeren werden aangeduid, streekgenoten dus van de klagers en net als deze woonachtig in de kerspelen op de rand van het Oud-Nieuwland, de Dollardpolder die twintig jaar eerder, in 1665, was ingedijkt.

Het stadsbestuur, dat de baas was over het Oldambt en er de drost als zetbaas aanstelde, besloot op advies van een commissie die de klagers aanhoorde, paal en perk te stellen aan het aantal ganzen bij de Dollarddijk. Niemand mocht hier nog ganzen houden, tenzij

hij sestien deimbten landt in eigendom, possessie of gebruick was hebbende en dat die geene dewelcke alsoo begoedt waeren of meerder deimbten landts in eigendom hadden, possideerden of gebruickten, niet meer als een oude gent en twee geusen souden mogen houden en geobligeert sijn deselve te korten of te knuijven en op sijn eigen landen te weiden en waeren.

Met andere woorden: er kwam een verbod op het houden van ganzen voor landeigenaars en beklemde meiers die minder dan 16 deimt (7,2 ha) grond in bezit of gebruik hadden. Zelfs de meeste koop- en ambachtslui of ‘burgers’ hadden niet zoveel grond tot hun beschikking – het ging dus uitsluitend om boeren en misschien enkele brouwers en predikanten. Maar ook zo iemand mocht slechts een beperkt aantal volwassen ganzen houden, namelijk 1 mannelijke (gent) en 2 vrouwelijke (geusen). Deze moesten dan wel gekortwiekt worden en ook op het eigen of gehuurde land blijven van hun bezitter, die er ook op moest blijven letten.

Voor ganzen die het eigen territorium verlieten, gold bij voorbaat de doodstraf, want iedere landeigenaar of –gebruiker kreeg toestemming

…om de vreemde ganssen, soo hij op sijn landt quam vinden weiden, vrijelijck te mogen dootslaen, sonder de minste breucke, en dat de eigenaers van sodane ganssen daerenboven geholden souden sijn, om tot taxatie van d’Heer Drost de schade van gem[elde] ganssen veroorsaeckt te vergoeden en te betalen… 

De ganzendoder hoefde dus geen boete of schadevergoeding te betalen. Het was juist de eigenaar van zulke ganzen die schadevergoeding moest betalen aan iemand die ze op zijn land aangetroffen had.

Het stadsbestuur maakte er aardig wat werk van om deze “Ordre op het getal der ganssen in den Oldambte” bekend te maken, Het gaf de streekbewoners opdracht

om sigh hiernae strictelijck te reguleren, sullende desen tot dien eijnde van de predighstoel in voorschr[even] carspelen worden afgekundight, en geaffigeert.

Het reglementje werd dus op strategische plekken aangeplakt in de vorm van plakkaten en bovendien werd het afgekondigd vanaf de kansels in de kerken van Nieuwolda, Oostwold, Nieuw-Scheemda en Wagenborgen.

Helaas heb ik niet meer over deze maatregelen kunnen vinden. Ook weet ik niet of ze hebben geholpen. Je zou denken van wel, want het verbod is niet nog eens afgekondigd, zoals zo vaak gebeurde met allerlei verboden.

Wat sowieso opvalt is dat het reglementje vlak voor het voorjaar werd vastgesteld en afgekondigd. Zo aan het eind van de winterperiode zijn ganzen zeker niet vet, en al helemaal niet als het flink heeft gevroren en/of gesneeuwd. Waarschijnlijk zijn de vogels dan juist extra hongerig.


Oldambtster toertje

Moest voor iets in Winschoten wezen en plakte er een fietstochtje in de omgeving aan vast.

De Langestraat met ‘De zoon van Toela’, een beeld van Toos Hagenaars voor het oude gemeentehuis van Winschoten:

Verderop verkeert die straat in een treurige toestand. Op een sloopplek is dit merkwaardige tuintje ingericht:

Weerbeeld bij Meerland in de buurt – het regende heel zachtjes:

Bouwvallig arbeidershuisje aan de Nieuweweg onder Oostwold:

In Finsterwolde deze goeddeels droge boerderijgracht:

Even in de kerk geweest – het interieur leek opgeknapt:

Paneel op de kansel:

Hongerige Wolf:

Aanplant om vogels wintervoer te bezorgen, ook in Hongerige Wolf:

In de polders, naast blote grond en suikerbieten, nog heel veel uien, een teelt die ik daar eerder nooit gezien heb (maar dat kan aan mij liggen):

De garnizoenskerk van Nieuweschans waar het opnieuw begon te regenen:

Helaas bleek het Vestingmuseum in het weekend (!) gesloten, maar voor de pui lag wel de gevelsteen van een boerderij aan de Hamdijk, waar ik onlangs via mail of een tweet over hoorde:


Oldambtster toertje

Naar Beerta om een exemplaar van de Groninger aardbevingsvlag op te halen bij de ontwerper, tevens uitbater van restaurant Smederij1872. Sinds de beving van Oosterwijtwerd , een poosje geleden, zitten er ook scheuren in zijn pand, en dat terwijl hij het tien jaar geleden volledig restaureerde:

Enkele zaken in het interieur van het restaurant herinneren nog aan de smederij die het ruim een eeuw geweest is, bijvoorbeeld deze zeer verweerde weerhaan:

En een vrijwaringsverklaring van de smid voor het beslaan (met hoefijzers) van paarden (uitgave Smecoma, nadruk verboden):

In de buurt van Finsterwolde:

De grafstenen van mijn betovergrootouders staan er nog mooi bij op het kerkhof van Finsterwolde. Heb dat hoge gras aan de voet van de stenen maar even weggehaald:

Sommige graven in de buurt waren rood van de sedum:

De kerk stond open; dus even binnen geweest:

Stukje grafheraldiek met een boven water klimmende eenhoorn:

Nieuw voor me, dit bord op de hoek van de Hoofdweg en de Goldhoorn in Finsterwolde – de vorm en de figuren lijken jaren 50/60, maar het zal dan recent opgeknapt zijn met belettering van nu:

Altijd mooi, het uitzicht op de Goldhoorn, ook als de tarwe er nog groen is:

Aan de Oostwoldiger kant van de Goldhoorn nodigden Quiren en Charel me uit voor hun “best day ever”:

Toch maar doorgefietst. Gezicht op de brug over het kanaaltje naar de Blauwe Stad tussen Oostwold en Midwolda:

Beetje dichterbij – het gebouw van rode baksteen links is een oude school, nu ook horeca. De Blauwe Stad trekt zo links en rechts toch heel wat toeristische bedrijvigheid aan:

Helaas is een boerderij dichtbij deze plek een poos geleden opgebrand:

Korenbloemen en tarwe in de achtergelegen polder:

In Midwolda aan de Hoethslaan houden ze ook van schaatsen; naar het noorden of het zuiden, het maakt ze niet uit , ze gaan alle kanten op:

Arbeiderswoninkje met dichte luiken aldaar:

De kerk van Midwolda, waar de grote Schortinghuis preekte:

Bij de Ennemaborg was er gehooid:

Dorpsgezicht op de oostkant van Scheemda:


Westerwoldambtster toertje

Melancholieke duivel op dampaal voor boerderij tussen Scheemda en Midwolda. Vraag me af of hij uit een tuincentrum komt, of dat het een origineel maaksel is:

Eindelijk de Nortonpomp van de Oostwoldiger Mozes gevonden:

Boerderij aan de Finsterwolder kant van de Goldhoorn krijgt een nieuw dak – zouden dat nou zonnecollectoren in de vorm van dakpannen zijn? Zoja, dan zit de boer er straks warmpjes bij:

Oud boerenvoorhuis in Finsterwolde:

Ik ging naar Finsterwolde omdat ik een seintje kreeg dat er een Perton in december 1904 zijn handtekening had gezet op een zolderbalk van het nu voormalige gemeentehuis. Helaas betreft het hoogstwaarschijnlijk een Jurrien Jans Perdon (met een d in plaats van een t), destijds een jongeling van veertien jaar en dus pas aan het werk. Maar verder was het bijzonder aardig om daar eens rond te mogen kijken (met dank aan de bewoners!):

Dorpsgezicht van Finsterwolde gezien vanaf natuurgebied De Tjamme. Vrijwel overal staat de tarwe nog op de wortel, hier lijkt ze al aardig rijp, maar bij Oudeschans en Bellingwolde zag ik ze ook nog in diverse tinten groen.:

Aan de rand van een akker:

Tussen Beerta en Ulsda bij de spoorlijn:

Bij Ulsda ligt de grens tussen de gemeente Oldambt en de nieuwe fusiegemeente Westerwolde, en daar staat deze nageltjenieuwe grenspaal – het gemeentewapen werd op 23 oktober vorig jaar goedgekeurd:

Bugatti zonder tomtom bleek de weg kwijt in noord Bellingwolde:

Aan de andere kant van de weg – oude, zeer vervallen boerderij wordt van top tot teen opgeknapt. Het dak is al nieuw en die tympaan met zuilen zit ook al strak in de verf:

Een ander paleisje staat nog steeds te koop. Het tuinonderhoud gaat er onverdroten door – met de tractor:

Object bij Museum de Oude Wolden:

Ezel van oude metalen tussen Bellingwolde en Vriescheloo:

Zelden zie je nog rogge – maar er is een veld bij Wedde:

Waar herberg de Hongerige Wolf herleefde met dit fraaie uithangbord:

Tussen Wedde en Pekela hele stroken met Sint Jacobskruiskruid:

“Doar bluit mien eerappellaand”:

Haver, suikerbieten, tarwe:

Oude aardappelmeelfabriek, Zuidwending:

Schuur, Zuidwending:

Niet meer functionerende boerderij, Zuidwending:

Kapiteinshuis met kunststof kozijnen, Zuidwending.

In deze omgeving staan nogal wat huizen te koop, nog steeds.

De Ommelanderwijk heeft thans een mestkarrenbrigade:


Oldambtster ritje

Vlieger bij Drieborg:

Uitzicht vanaf de oude Stoxterhornsterdijk, Drieborg:

Balen hooi bij de Ganzendijk:

Gronings vlagvertoon op schuur van oud kamerlid Harm Evert Waalkens aan de Kerkeweg in Finsterwolde:

Eindje verder de Kerkeweg op – fraai metselwerk  in topgevel van voorhuis boerderij in Amsterdamse Schoolstijl:

Vanaf de naamloze landweg tussen de Kerkeweg en de Westbaan is wel degelijk een dijk te zien in de verte. Die van de Oostwolderpolder?

Logo op de voorgevel van een bio-industriële varkenshouderij aan de Westbaan:

Er komt nog een nieuwe schuur bij:

Veld met terneergeslagen gerst:

Er zat een rare groene plek in:

Boerenhuis aan de Westbaan:

Arbeidersstraat noordkant Finsterwolde – de achterliggende zoom met bomen links markeert de kustlijn van voor 1769:

De Bernhardlaan, een straat met wat oudere arbeiderswoningen in Oostwold:

Hopelijk blijft zoiets staan:

Boerderij op het westeind van Midwolda, nabij Scheemda:

Station Scheemda:


Oldambtster toertje

Kroonpolder, bij het fietspad langs de Westerwoldse A:

Kroonpolder:

Hier en daar een perceel koolzaad:

Dijkcoupure tussen de Stadspolder en de Reiderwolderpolder – de borden zijn hier kwetsbaar voor automobilisten die rechtdoor willen in plaats van de flauwe bocht te nemen:

De muide van Nieuw-Statenzijl:

Aan de andere kant dit leuke opduwertje, genaamd Streven:

Stadspolder – de sloot is gedempt, maar ’t bruggetje ligt er nog, zij het niet helemaal compleet:

Stadspolder – de kolossale Fekko Mellesheerd, zo genoemd naar de eerste boer hier in de jaren 1740-1750. De boerderij lijkt niet gebruikt, het voorhuis staat leeg:

Aan de Oude Dijk voorbij Drieborg:

Op het kerkhof van Finsterwolde – ze staan er nog, zij het dat het wit grotendeels verdwenen is:

Gewit arbeidershuisje aan de Klinkerweg in Oostwold:

Het torentje van Oostwold:

Canadese vlag in Midwolda gaf opening oorlogsmuseumpje aan:

Een uit de hand gelopen verzameling, met veel documentatie. Maar ook met deze weckfles koolzxaadolie:
Dat was eigenhandig fabricaat in de laatste, vetarme oorlogsjaren. Mijn ene grootvader fabriceerde dat spul ook, illegaal, met een eigen motortje. Helaas had de eigenaar niet zo’n apparaat, was er wel nieuwsgierig naar.

Zender, achtergelaten door de Canadezen, die hier na de Polen kwamen:

Bij de Dollard schijnen nog mijnen te hebben gelegen:

De Duitsers hadden dus glasmijnen, die zich niet zo gauw lieten opsporen:

Hoekje koolzaad op de westkant van Midwolda:

Daar ook deze oude schuur, waarvan de gaten provisorisch worden gestopt – er staan bijenkasten bij:

Geloof, Hoop en Liefde – zo heten deze drie geschakelde Jugendstilwoningen in Eexta:


Grofsmid was de Mozes van Oostwold (1)

Hoorde vandaag een kostelijke anekdote uit de mond van een Oldambtster boer die op zijn ouwe dag in de Achterhoek beland is.

Volgens hem speelde het verhaal voor de oorlog in Oostwold en had hij de gewraakte tekst als jongen nog gezien. Deze tekst ging over de Nortonpomp, die in Oostwold geslagen was. “In die tijd was er nog geen TV”, aldus mijn zegsman, “en moest men zelf nog plezier maken”. En hij declameerde een gedicht, dat op een bord stond, dat aan die Oostwoldiger Nortonpomp vastzat. Het ging over de “dorpsgek” Frans Kant en diens rol bij het op gang helpen van de bewuste pomp:

“Gelijk eens Mozes met zijn staf
Zijn volk uit rotsen water gaf
Zo bracht Frans Kant te goeder stond
Hier kost’lijk water uit den grond
Wat velen zochten en geen vermocht
Dat heeft Frans Kant voor ons gewrocht”

Volgens mijn zegsman vond deze Frans Kant het maar wat heerlijk om zo bewierookt te worden:

“Hij deed alsof hij die pomp zelf had geslagen, maar dat had-ie niet. Toen die pomp was geslagen kwam er een hele poos geen water uit. Frans Kant gaf hem een slinger, en toen kwam er wèl water uit. Het was een heel gedicht, dat bord was wel een meter hoog.”

Mijn zegsman kwam op het gedicht, nadat ik het orthodoxe karakter van Oostwold en Midwolda ter sprake had gebracht. Volgens hem had het “christelijke gemeentebestuur van Midwolda” bezwaar tegen de vergelijking van Frans Kant met Mozes gemaakt:

“Ze gaven de schilder orders om het over te schilderen. Naderhand stond alleen nog heel pietluttige lettertjes Nortonpomp op dat bord.”

Natuurlijk moet je een mooi verhaal nooit kapotchecken, maar…

Wordt vervolgd.


In het Zijlhuis van “Oostwoldemer polderzijl”

De Dollard met de Oude Geut (rechtsboven), de Oostwolderpolder met zijn zijl en Zijlhuis (midden) en Midwolda, Oostwold, Finsterwolde en Beerta (onder) op de Neue Geographische Special Charte, die de Hollandse kapitein W. Camp tussen 1798 en 1802 maakte van Oost-Friesland en omgeving.

Tegenwoordig kent iedereen het Zielhoes van Noordpolderzijl, maar de Oostwolderpolder heeft vanaf 1772 ook zoiets gehad bij zijn zijl of uitwateringssluis. Maakt u kennis met de eerste bewoners van het Zijlhuis hier: Johannes Brunius en de zijnen.

Voor Wipko Hindriks was vrijdag de dertiende echt een ongeluksdag, Op die dag trof haar een “harde slag”, zo maakte ze in 1805 via de Ommelander Courant bekend:

 “Myn geliefde Man JOHANNES A. BRUNIUS, als Sylwaarder van Oostwolmer-Polder, is na een langdurige sukkeling, in den ouderdom van ruim 64 Jaren door den Dood van myne zyde weggerukt…”

Bijna zestien jaar hadden ze samengeleefd “in een gelukkige Echt” –

“Nu laat hy my met zeven Kinderen, maar wetende dat wy hem eenmaal moeten volgen. — Hy heeft zyn Ampt en Post byna 39 Jaren met groot genoegen, dog niet zonder moeite bediend, hopende dat zyn Werk nu is God te loven.”

Wipko, die meestal Wupke werd genoemd, was des te meer bedroefd, omdat ze haar ziekelijke man niet eens had durven vertellen hoe zijn oudste zoon, de schipper Abraham Brunius (33), op 14 augustus bij Noorwegen voor de ogen van zijn vrouw

“door een stootwind (…) in de Baren der Zee is gevallen en niet weer gezien is, en daarom zyn Lichaam aan het Gedierte der Wateren moeste overlaten; maar hopende dat zyn Ziel in de Haven des Hemels is aangeland; vertrouwende, dat God ons beide bedroefde Weduwen meer kan vertroosten, dan wy van Hem kunnen afsmeken.” (1)

Naast vroom, was Wupkes rouwadvertentie vrij lang. Meestal werden zulke kennisgevingen ook door beter gesitueerden geplaatst. Je zou daarom bijna gaan denken dat de weduwe Brunius in goede doen was. Maar was dat wel zo?

Brunius’ afkomst
Bij zijn dood was Johannes Brunius dus ruim 64 jaar oud, zodat hij in 1741 zal zijn geboren. Dat was waarschijnlijk in Nieuw-Beerta, waar zijn vader Abraham Brunius fungeerde als zijlwaarder van de pas ingedijkte Stadspolder. Abraham woonde eerder jarenlang in de Stad en trouwde daar ook in 1733, maar kwam oorspronkelijk van Wybelsum bij Emden. Zijn vader Johannes Brunius, een bevindelijk man, was daar hervormd predikant geweest. (2)

Abraham Brunius beurde zijn eerste traktement als zijlwaarder van de Stadspolder nog van de Stad. Vanaf 1743 moesten de polderboeren dat salaris betalen, terwijl Abraham bovendien een stuk dijk en uiterdijksland (kwelder) van de Stad kon pachten. Toen het stadsbestuur deze grond in 1757 aan iemand anders ging verhuren, raakte Abrahams huishouden “in een seer deplorabele toestand”. Hij had geen voer meer voor zijn beesten en was te arm om hooi te kopen. Uit mededogen gaf het stadsbestuur hem voortaan 15 gulden per jaar, maar met de 60 gulden die hij jaarlijks van de boeren ontving, vormde dit absoluut geen vetpot. Wellicht had Abraham nog andere inkomsten, bijvoorbeeld uit een kroegje in zijn zijlwaarderswoning. (3)

De zijlwaardersinstructie van 1772
In elk geval wist Abrahams zoon Johannes van huis uit wat hem te doen stond, toen de grondeigenaars van de Oostwolderpolder hem op 18 maart 1772 benoemden tot zijlwaarder van de gloednieuwe “Oostwoldemer polderzijl”. Die dag tekende hij hun instructie, die tekst en uitleg gaf over zijn taken en inkomsten. (4)

Volgens dit reglement moest Johannes “op alles wat tot de zijl behoort goede agt nemen, dat daaraan niets beschadigt of verlustigt wordt”. Mocht er toch iets zoekraken, dan diende hij dat “aanstonds” te melden bij de dijkrichters die namens de eigenaars en beklemde meiers het polderbestuur vormden.
Dag en nacht moest Johannes voor de opkomende vloed de vloeddeuren aan de zeekant van de zijl dichtzetten en bij eb de ebdeuren aan de landkant van de zijl openen, zodat “de landen door het water niet worden benadeelt”. Het spuien bij eb mocht echter alleen als er een overmaat aan binnenwater was – de watergang die binnendijks naar de zijl voerde, moest dus bevaarbaar blijven.

De zijlwaarder mocht niet toestaan dat er schepen aanlegden aan de binnen- en de buitenvleugels van de zijl. Ze moesten dus afstand houden tot het metselwerk. Ook mochten ze verderop niet aanschurken tegen de houten beschoeiingen, of zo gaan liggen dat er water opgestuwd werd.

Verder moest de zijlwaarder ervoor waken dat er iets in de zijl gegooid werd en dat drijvend vuil zich vastzette. Bij “ijsdrift” diende hij te voorkomen dat de zijl verstopt raakte, door met bijlen de zware ijsschotsen te breken. Bij “storm en hoge vloeden” was het zijn taak goed op te letten of er ook schade ontstond aan zijl of polderdijk, en om die met hulp van anderen zo veel mogelijk “af te weeren”.

Vanwege eventuele verzakkingen was het opstapelen van zware materialen als baksteen en hout binnen 2 roeden (ruim 8 meter) van de zijl en dijk verboden. Aan de zijlwaarder om dit verbod te handhaven. Als passerende schepen of houtvlotten enige schade aanrichtten, moest de zijlwaarder dat meteen rapporteren bij de zijlrichters en dan ook de namen van de schuldigen noemen.

“Om het canaal of Oude Geut na buiten open te houden”, lagen er weerskanten van de zijl “spueitpompen” (spuikokers) in de dijk met schotten aan de buitenkant. De zijlwaarder moest deze kleppen tijdig openzetten tegen dichtslibbing en dan zoveel water doorlaten “als tot spoelinge nodig is”. Hij diende hiervan echter af te zien als het buitenkanaal diep genoeg was, want anders zouden de buitendijkse spuisloten met waterplanten kunnen dichtgroeien. Als buitendijks kwelderland vanuit zee overstroomde, diende hij de spuikokers zodra het eb was te openen tegen de vorming van “rijtten” (slenken) door het afgaand getij.

Vooral in de droge “slijkmaanden” met een tekort aan binnenwater hoopte zich veel slib op in het buitenkanaal. Zijlwaarder Brunius moest dat dan op diepte houden, door de zijldeuren en spuikokers bij lage eb open te zetten en door tegelijkertijd de kanaalbodem te “ploegen”. De hiertoe gewenste waterstanden waren gerelateerd aan de slagbalken onder de eb- en de vloeddeuren. Het buitenkanaal was bijvoorbeeld pas op diepte, als er bij eb drie voet (bijna een meter) water boven de buitenslagbalk stond. De zijlwaarder moest zorgvuldig omgaan met de scheepjes, de ploeg en het andere gereedschap dat bij de zijl hoorde en mocht dit materieel niet voor andere doeleinden gebruiken.

Reconstructie, door de auteur op basis van HisGs, van het Zijlhuis en zijn nabije omgeving in de periode dat Brunius hier zijlwaarder was.

Naast 200 gulden traktement, kreeg hij de beschikking over een vrije woning – in de stukken doorgaans het Zijlhuis genoemd. Johannes Brunius had het materieel zo veel beter voor elkaar dan zijn vader op de Stadspolder. Wel gebood het reglement hem “ordentelijk” om te gaan met de woning. Afgezien van moedwillig gebroken glazen, betaalden de zijlrichters echter alle reparaties. Het reglement gaf Brunius bovendien de vrijheid om in het Zijlhuis “herberge te houden”. Tot slot stipuleerde het nog uitdrukkelijk, dat hij de zijlrichters moest gehoorzamen, zo niet dan dreigde correctie en eventueel schorsing.

De zijlrichters
Er kwam dus meer bij het zijlwaarderschap kijken dan je zou vermoeden. Op dezelfde dag dat de poldereigenaren deze instructie vaststelden en door Brunius lieten tekenen, namen ze een bestuursreglement voor de zijlrichters aan. (5) Ook hieruit zijn enkele artikelen van belang voor de zijlwaardersfunctie. Zo hielden de zijlrichters jaarlijks op de tweede woensdag van april hun rekendag voor de ingelanden in het Zijlhuis. Meteen daarna kwamen ze daar bovendien bijeen om alle noodzakelijke reparaties aan zijl, dijken, scheepjes, ploeg en Zijlhuis te regelen.

Zoals hierboven al bleek, waren de zijlrichters de superieuren van de zijlwaarder. Gehoorzaamde hij ze niet of ging hij zijn boekje te buiten, dan konden ze hem voorlopig vervangen. Binnen veertien dagen moesten de ingelanden dan definitief besluiten over ontslag.

De zijlrichters kregen een bescheiden vergoeding voor hun werk, maar daar stond tegenover dat ze geen reiskosten en verteringen mochten declareren. Net als de ingelanden moesten ze de consumpties in het Zijlhuis dus zelf betalen. Uiteraard vormden de bijeenkomsten van zijlrichters en ingelanden een aardige inkomstenbron voor de zijlwaarder als herbergier.

Johannes Brunius en zijn gezin
In mei 1772 trokken de pasgetrouwde Johannes Brunius en zijn eerste vrouw Elisabeth in het pas gebouwde Zijlhuis vlakbij de zijl en de Oude Geut. De poldereigenaren hadden even voor de indijking van 1769 voor deze uitwateringslokatie gekozen, omdat een kanaal naar de Fiemel ze te duur werd. (6) Op deze wat eenzaam lijkende plek kreeg het echtpaar Brunius zes kinderen: Abraham (1772), Willem (1773), Grietje (1776), Lukas (1778), Klaas (1780) en Helena (1785). Drie daarvan werden begraven in respectievelijk 1775 , 1781 en 1783. Helaas kennen we hun namen niet, want die zijn niet genoteerd. (7) In september 1785 overleed ook “Jan Bruinjes zijn vrouw”. (8)

Vier jaar later hertrouwde de zijlwaarder met de “Wupke Hinderks”, die hem in 1805 zou overleven.(9) Zij kregen er nog zes kinderen bij: Hindrik (1790), Anje (1792), Meindert (1795), Grietje (1797), Fybe (1800) en Willemina (1803). Van dit zestal werden er twee begraven in 1795 en 1796, weer zonder naam. In 1803 overleed bovendien de voorzoon Willem en in 1805 bleef oudste zoon Abraham op zee. Van de 12 kinderen uit Brunius’ beide huwelijken leefden er toen dus nog maar 5. Toch maakt Wupkes rouwadvertentie gewag van 7 kinderen. Waarschijnlijk had ook zij dan nog voorkinderen uit een eerder huwelijk. In elk geval bleef verdriet het echtpaar Brunius niet bespaard in hun kinderrijke zijlwaardershuis.

In het diaconieboek van Oostwold staan af en toe de geldsommetjes die individuele doopvaders bij de doopdiensten in het doopbekken deponeerden. Schonk Johannes Brunius in 1785 bij de doop van Helena een “sestehalf” of onbeknibbelde schelling (5,5 stuiver) aan de armen van Oostwold, dat deed hij ook bij de doop van Meindert (1795) en Grietje (1797). Bij Anje legde Brunius een volle schelling (6 stuivers) in de schaal. Een sestehalf of een schelling was destijds in het Oldambt typisch de doopgift van een kleine middenstander. (10) Kennelijk vond Brunius zich tot die stand behoren.

De boedelinventaris van 1789
Hierop sluit de boedelinventaris aan, die in 1789 werd opgemaakt, even voordat Brunius hertrouwde. (11) Deze telt slechts drie pagina’s en noemt geen vastgoed – Brunius’ gezin bewoonde immers gratis het Zijlhuis. Aan levende have bevat de lijst 2 koeien, 3 kalveren, 3 schapen, een ram en 2 zwijnen, maar geen paard, laat staan een rijtuig. Brunius liep dus alles af. Het Zijlhuisinterieur was weinig opvallend, op de twee geweren, de piek en de sabel na. Waarschijnlijk moesten deze wapens zorgen voor een veiligheidsgevoel op de wat eenzame plek. De 6 kroespullen en de 2 jenevermaten zullen in de herberg zijn gebruikt. Verder beschikte het gezin over enig landbouwgerei en 3 kerkboeken. Ruim de helft van de schuld was aan de brouwer (zo’n 160 gulden) en de jeneverstoker (87 gulden). De lasten overtroffen de baten met 50 gulden. Echt indrukwekkend is de inventaris niet bepaald, Brunius’ boedel doet armoedig aan.

In de zijlrichtersrekeningen
Kon de zijlwaarder zijn talrijk gezin goed onderhouden? Het lijkt erop van wel. Naast de 200 gulden traktement en de vrije woning, betaalde het polderbestuur ook het heerdstedengeld (een belasting) en tuinhuur voor Brunius. Dat scheelde hem toch zeker een tientje in het jaar. Verder bevatten de zijlrichtersrekeningen vrijwel jaarlijks kleine uitgaven aan Brunius. (12) Meestal staat er niet bij waarvoor het was, maar in 1790 betrof het kostgeld voor de timmerlui die de zijldeuren

Uitgaven van het polderbestuur voor en aan zijlwaarder Brunius in de jaarrekening over 1790. Archief Oostwolderpolder, inv.nr. 19.

maakten, naast het uitgraven en weer bedekken van een duiker, het “dijkpeilen” en anderhalve kroes jenever, terwijl het in 1794 en 1795 ging om geld dat Brunius voorschoot voor de “zijlboll” (= het bolschip), en verdiende met het “brouwen” (breeuwen) van dezelfde “bolle“. Hoewel de polderbestuurders geen reiskosten en verteringen mochten declareren, deden ze dat na verloop van tijd toch – daarom is niet uit te sluiten dat er consumpties schuilgaan achter ongespecificeerde uitgaven.

Bussen, schapen, vogels
Als tapper had Brunius een diaconiebus in zijn zijlwaardershuis hangen. Doorgaans noteerden de diakenen alleen een totaal-opbrengst van hun buslichtingsdag bij de kerspelhoreca, maar in 1774, 1780 en 1789 splitsten ze uit wat op elk van de drie lokaties tevoorschijn kwam. (13) In 1774 en 1780 leverde de diaconiebus in het Zijlhuis de in grootte tweede opbrengst op en in 1789 bleek het de grootste opbrengst. Niet slecht voor een herberg ver buiten het dorp. Midden op het traject Oostwold- Oostwolderhamrik zal menige passant zich hebben gelaafd en een duit in de armbus hebben gemikt.

Maar dat er nou veel te beleven viel, nee. Zo waren er geen vastgoedveilingen in het Zijlhuis. Soms liep er een schaap of lam in andermans land. Dat ging dan naar een schutstal en werd eventueel verkocht in het Zijlhuis. In 1779 graasde andermans vee of paard wederrechtelijk in land dat Brunius pachtte. Het schutgeld, een dukaton (ruim 3 gulden), schonk hij aan de diaconie. (14) In 1791 vond er in het Zijlhuis bovendien een verloting van een melkvaars plaats, terwijl Brunius van 1802 tot 1804 papegaaischieterijen organiseerde, waarbij de deelnemers een blikken vogel in onderdelen van een hoge paal moesten afschieten. Omdat Brunius hiervoor in kranten adverteerde, kan daar flink wat volk op afgekomen zijn. (15)

Na Brunius’ dood
Op vrijdag de dertiende september 1805 overleed de zijlwaarder dus na een “langdurige sukkeling”. Het diaconale bekken bij zijn begrafenis bracht bijna 8 gulden op, voor een kleine middenstander een bijzonder hoog bedrag. (16) Dat kan gekomen zijn doordat polderboeren de begrafenis bijwoonden, en/of door een vrij grote belangstelling in het algemeen. Hoe het ook zij, die polderboeren besloten in april 1806 dat de weduwe Brunius voorlopig nog mocht aanblijven als “zijlwaarderze”. Pas als er zes landgebruikers bij de zijlrichters zouden klagen dat ze haar werk niet goed deed, mochten de zijlrichters haar voordragen voor een ontslag “zonder daar verder reeden van te geeven”. De weduwe Brunius wist hiervan, want ze tekende er zelf voor. (17)

De zijlrichtersrekening van 1806 noemt nog haar volle traktement, naast een losse uitgave. In die van 1807 staat echter slechts een half jaar traktement, uitbetaald in mei. Die maand kreeg of nam ze ontslag. Als ze het kreeg, was de reden mogelijk dat ze het ploegen van het buitenkanaal overliet aan een “jongen”, die zijn werk slecht deed, zodat de Oude Geut buitendijks langzamerhand verslijkte. (18) In elk geval heeft ze niet mee hoeven maken, hoe in de nacht van 30 september op 1 oktober 1807 een vliegende noordwesterstorm met een bijkomende watervloed de zijldeuren finaal uit hun scharnieren deed springen. (19)

Enkele weken later stelden de landgebruikers van Oostwolderpolder haar opvolger Jan Freerks aan op de oude instructie van 1772 met één aanvulling: als de nood dat eiste, moest hij op eigen kosten een man aanstellen voor het ploegen van de “Oude Geute naar buiten”. Freerks bleef niet zo lang zijlwaarder, al in 1811 benoemden de landgebruikers zijn opvolger. (20)

Dit verhaal verscheen eerder deze maand in de Duvekoater, het blad historische van de historische vereniging Scheemda-Midwolda.

NOTEN:

  1. Ommelander Courant 17 september 1805.
  2. Gerrit Kuijk, fragment-genealogie Brunius: http://gwkuijk1.home.xs4all.nl/1680.htm (laatst gezien op 14.1.2018); James Robert Tanis, Dutch Calvinistic Pietism in the Middle Colonies (diss. Utrecht 1967) 33.
  3. RHC Groninger Archieven (GrA), op microfiche: resoluties van Burgemeesteren en Raad van Groningen d.d. 30.11.1743 en 14.11.1759 en rekesten aan dit stadsbestuur d.d. 26.4.1759 en 1.2.1773.
  4. Archiefbewaarplaats waterschap Hunze & Aa’s, Aquapark Veendam, archief Oostwolderpolder (OWP) inv.nr. 1 (bestuurshandelingen) tamelijk voorin het ongepagineerde deel. GrA, Toegang 535 (archief familie Hora Siccama) inv.nr 41.
  5. R. Muntinga, Geschiedenis van het waterschap Oostwolderpolder (z.p., z.j., gestencilde brochure van ca. 1970) 3-6; GrA, Toegang 535 (Hora Siccama) inv.nr 40; OWP inv.nr. 1 (helemaal voorin).
  6. Muntinga, Geschiedenis, 1-3.
  7. GrA Toegang 283 (archief hervormde gemeente Oostwold) inv.nr.1: Diaconierekenboek, ontvangsten uit het bekken bij begrafenissen.
  8. Diaconieboek Oostwold, ontvangst uit het begraafbekken op 30.9.1785.
  9. Idem, ontvangst uit het trouwbekken op 23.12.1789.
  10. Zo leert de ervaring met diaconierekeningen van Beerta, Finsterwolde, Oostwold en Nieuwolda. Ik wil nog een artikel over deze materie schrijven.
  11. GrA Toegang 731 (Oldambtster gerechten) inv.nr. 4873.
  12. OWP inv.nr. 19: rekeningen vanaf 1772.
  13. Diaconieboek Oostwold ontvangsten op 8.1.1774, 13.7.1780 en 11.11.1789.
  14. Idem ontvangsten op 21.10.1776, 27.4.1779 en 24.6.1800.
  15. Voor de verloting zie mijn artikel ‘Oldambtster verlotingen’ in Stad & Lande 2017 nr. 2, 18-21. Wat betreft de papegaaischieterijen: GrA Toegang 731 (Oldambtster gerechten) inv.nrs. 6141 en 6142: rekesten d.d. 29 juni 1802 en 24 mei 1803; bekendmakingen in de Groninger Courant van 6.7.1802, 27.5.1803 en 15.5 en 18.5.1804, en de Ommelander Courant van 9.7.1802.
  16. Diaconieboek Oostwold, ontvangst op 20.9.1805.
  17. OWP inv.nr. 1, chronologische besluitenlijst 9 april 1806.
  18. Muntinga, 12
  19. OWP, inv.nr. 19, rekening zijlrichters over 1807, aanhef. Over die storm: Ommelander Courant 6.10, Vriesche Courant 3.10 + 6.10, Leeuwarder Courant 7.10 en Groninger Courant 9.10,1807. Er vergingen meerdere schepen.
  20. Archief Oostwolderpolder inv.nr. 1, de bestuursbesluiten achter de instructie d.d. 17.10.1807.

Het Oldambt rond

Amsterdamse Schoolpand in Eexta heeft Piet Mondriaankleurtjes gekregen. Staat goed, misschien zijn het de originele:

Het doodlopende Molenpad in Scheemda – aan het eind zal ooit de dorpsmolen hebben gestaan:

Pas de deux van scholeksters op een bouwlokatie tussen Scheemda en Nieuw-Scheemda:

Tjasker:

Houtvoorraad op ’t Waar:

Stuntvliegers op weg naar de luchtshow in Oostwold (straks meer):

Warm rood – mij veel liever dan dat modezwart:

Spelevaren op het Termunterzijldiep, Nieuwolda:

Tussen Nieuwolda en Woldendorp – ingehaald door de Oude Schicht:

Termunten – korstmossen op de grafsteen van mijn betovergrootouders Vondeling-Bottinga:

Dijklandschap achter Termunten:

De stuntvliegers waren in de verte boven Oostwolderpolder bezig met het maken van een hartje:

Verder langs de Dollarddijk – priel in de Dollard:

Bovenop de dijk was het fris – in het westen leek de bewolking op te lossen, maar helaas bleef de verwachte wolkenloze hemel uit:

Dijklandschap in de buurt van de Kerkhovenpolder:

Lucht boven de Dollard:

Modder en molens:

Kwelderstroompje, heel in de verte een paar kluten:

Stroschuur:

Het Ambonnezenbosje van een kant die je zelden op foto’s ziet:

Aan de andere kant – witte klaver bij de trekkershutten die het Groninger Landschap er neer heeft gezet (60 euro per nacht!):

Het iconische sluisbrugje bij Hongerige Wolf:

Nieuw? ornament op boerderij in Beerta:

Winschotens megalomanie uitgelicht, terwijl donkere wolken zich samenpakken:


Oldambtster verlotingen

Mijn oud-tante Siene herinnerde zich levendig dat haar vader, de schoenmaker Geert Perton te Finsterwolde, eens een hevige aanval van astma had. Daardoor kon hij niet naar de verloting van een geit zonder hoorns in logement Ufkes, en moest hij zijn al gekochte lot aan een buurman meegeven. Dat zal ongeveer in 1910 geweest zijn.

Voor haar als kind – ze was van 1900 – vormde de consequentie van die astma-aanval een klein trauma. Hoe graag had ze die geit gewild. Op mij als kind dat haar verhaal aanhoorde, kwam die prijs licht exotisch over. Ik kende natuurlijk wel geiten, maar dat er ooit publiekelijk geiten werden verloot, dat vond ik tamelijk raar. Bij een loterij kon je honderdduizend gulden winnen, of kleiner geld. En bij een verloting van de korfbalclub misschien een fiets, maar geen geit. Absoluut geen geit.

Toen ik in de jaren 90 de rekesten van de stad Groningen doornam, kwam ik dergelijke verlotingen met dieren als hoofdprijs pas opnieuw tegen. Ik heb deze en andere verlotingen systematisch genoteerd. Die gegevens wachten nog op verwerking.

Maar bij de Oldambtster rekesten bleken er ook weer te zitten, die verlotingen betroffen. Wel veel minder dan in de stad. Omdat het er tussen 1730 en 1807 in totaal 36 bleken te zijn, kostte het verwerken daarvan wat minder moeite. Het viel in een avond te doen.

In principe waren publieke verlotingen in de achttiende en negentiende eeuw verboden, tenzij de overheid er vergunning voor gaf. Op zulke verlotingen kwamen nogal wat mensen af, daar wilde de overheid graag wat greep op houden. Daarom mocht zo’n verloting ook alleen geschieden onder toezicht van de gerichtsdienaar of wedman. Verder moest altijd een klein deel van de loten, de zogenaamde ‘vrije loten’ gratis aan het gerecht, en een ander klein deel gratis aan de diaconie worden gegeven. Wanneer de armen een prijs wonnen, staat dat in het diaconieboek verantwoord.

Dit zijn de 36 verlotingen die ik in de Oldambtster rekesten aantrof:

Datum apostille Organisator Woonachtig te Prijs
       
3 november 1731 Harm Bonjes (Winschoten) Enige sitzen en katoenen.
21 februari 1732 Mighiel Harms ? Holschen of hozen?
27 januari 1733

 

Otto Jacobs, meester timmerman Beerta Drie kisten en enige stoven
16 januari 1735 Jan Geerts Timmer ? Enig handwerk
17 december 1736 Klaas Uities (Nieuwolda) Vette koe
5 februari 1737 Egbert Jacobs (Zuidbroek of Nieuwe Pekela) Kist
26 februari 1737 Jacob Eppes (Scheemda) Nieuwe boerenwagen.
10 maart 1772 Substituut Jacob Egges (Winschoten) Vette koe
3 november 1772 substituut Jacob Egges (Winschoten) Vette koe
13 januari 1773 Salomon Philippus Nieuw-Beerta Koebeest
18 januari 1773 Tammo Tammen & co. Een paar wagengereiden c.a., een zilveren zakhorloge, enige spiegels
1 maart 1773 Geert Geerts Oostwold Koe
5 april 1774 Jan Krijns Klok
19 april 1777 Onno Jurriëns postiljon Winschoten Twee zilveren zakhorloges
31 januari 1778 Onno Jurriëns postiljon Winschoten Extra gouden zakhorloge
19 januari 1790 A.W. Janeke Winschoten Tinkast, kabinet, stelsels porselein, hoekbuffet, 3 tafels, 6 verlakte breedjes, nog een hoekbuffet
2 november 1790 Klaas J. Kuiper, kastelein Winschoten Ruinpaard
1 februari 1791 Albert Hindriks Buiskool Beerta Vette koe
15 februari 1791 Jan Bruinius, zijlwaarder en tapper Oostwold (polder) Twenter melkvaars D.
31 januari 1797 Klaas J. Kuiper, kastelein Winschoten Paard
24 oktober 1797 Wijpke Wijpkes Winschoten Vette os
6 maart 1798 Sikke S. Muller (Midwolda of Zuidbroek) Vette koe
31 mei 1802 E of G of O.J. van Dijk, kastelein Winschoten Zwart merriepaard
16 november 1802 Jan Jurjens (Nieuwe Pekela of Veendam) 4 of 5 boerenwagens
6 december 1803 Harm Geerts Beerta Speel uurwerk
6 december 1803 Wiert Gerrits Lohman Veendam Vet zwijn en 2 “harolgien”
20 december 1803 H.H. Vaalman (Winschoten) Spelend uurwerk, en een gouden zakhorloge
24 januari 1804 A.J. Folkers (Winschoten) Hangend uurwerk, gouden horloge, enige zilveren horloges, enige zilveren lepels en 3 gouden gespen.
20 november 1804 H.D. Klein Winschoten, in een der herbergen Enig zilverwerk
10 december 1805 Marieke Maijers Zuidbroek Enige goederen
10 december 1805 Jan J. Timmer, schrijnwerker Meeden Enig door hem vervaardigd schrijnwerk als kabinet, pulpitrum, tafels e.a. meubiliën van die aard.
17 december 1805 Tiddo Reints Beerta 2 Koebeesten
28 januari 1806 Willem Holle Veendam 3 gaande uurwerken, w.o. fraaie speelklok
2 december 1806 Wessel Geerts Midwolda Lakens, manchesters e.d.
ca. 20 december 1806 Pieter Berends Meeden Kabinet en 2 pulpitrums
31 december 1806 Harm Hindriks Meurs Veendam 2 vette varkens

Bij de jaartallen in de eerste kolom valt op, dat de verlotingen niet mooi over de hele periode verdeeld zijn. Van 1738 tot en met 1771, van 1778 tot en met 1789 en van 1792 tot en met 1796 waren er immers geen verlotingen. Dat kan en zal met de opvattingen van de dan fungerende drosten te maken hebben gehad, maar ook met de angst dat zulke samenkomsten uit de hand zouden lopen, bijvoorbeeld in tijden van grote religieuze of politieke onrust. Opvallend is dat er na 1800 relatief veel verlotingen waren, namelijk 14 van de 36 of een kleine 40 % bam het totale aantal. Bij orthodoxen was er waarschijnlijk veel meer weerstand tegen verlotingen dan bij de wat meer vrijzinnigen, ik denk dat die groei na 1800 te maken heeft met het veldwinnen van de Verlichting in het Oldambt, dat voordien nog een tamelijk orthodox-bevindelijke regio was.

Qua maanden spanden december (met 10) en januari (met 9 verlotingen) de kroon. November en februari scoorden beide 5 maal een verloting. Eind oktober, na de Zuidlaardermarkt, als het al aardig donkerde, begon voorzichtig het seizoen voor verlotingen, dat verder samenviel met de winter. Dan had men er ook de tijd voor. Vanaf februari nam het aantal weer af en ’s zomers, van mei tot in oktober, werden er helemaal geen verlotingen georganiseerd. Dan riep het werk.

Aan de namen van de organisatoren in de tweede kolom, kan je zien dat er niet veel doublures bij zitten. Het gros van de verlotingen was voor de organisator een eenmalige zaak. Veel beroepen staan er niet bij de namen, maar mijn zeer voorlopige indruk is dat er nogal wat kasteleins bij zitten, verder timmerlui en schrijnwerkers, wagenmakers, horlogemakers en slachters, mogelijk ook wat boeren.

Qua plaatsen spande Winschoten de kroon, met 14 verlotingen. Van de dorpen bij of in de Dollardpolders stak Beerta er bovenuit met 4. Ondervertegenwoordigd waren de veenkoloniën – Veendam had er maar 3 en daar kwam het verschijnsel ook nog laat op.

Dan de prijzen. In 15 gevallen bestonden die uit levende have: vooral koeien (10), veel minder vaak paarden (3) en varkens (2). Bij de koeien en varkens wordt nogal eens opgemerkt dat ze vet zijn. Mogelijk ging het om overgebleven slachtvee, dat de eigenaars niet de hele winter konden of wilden aanhouden.

Qua voorwerpen scoorden luxe uurwerken het hoogst (10 gevallen). Bij 6 verlotingen ging het om luxe meubilair, in 3 gevallen om toch ook niet goedkope boerenwagens en in 3 andere om luxe stoffen. Ook voor deze zaken geldt, dat de eigenaars er in de gangbare handel wellicht moeilijk vanaf kwamen. Dan diende een verloting zich aan als uitkomst, al moest je dan wel eerst alle loten zien te verkopen wilde je er nog wat winst aan overhouden.

Helaas gaven maar weinig organisatoren enige opening van hun zaken. Voor de koe die in 1773 te Oostwold verloot werd, deed Geert Geerts 56 loten uit voor een rijksdaalder per stuk, terwijl Albert Hindriks Buiskool te Beerta 80 loten à 2 gulden liet meedingen naar zijn vette koe. Beide aantallen waren echter inclusief de vrije (gratis) loten voor het gerecht en de diaconie. In Oostwold zullen dat er 6 zijn geweest, in Beerta mogelijk 5. Bij het wegzetten van alle loten bracht de koe in Oostwold dus 125 gulden op en die van Beerta 150. Ik heb zo’n idee dat dit best wel hoge prijzen waren, maar we kennen het formaat en de kwaliteit van deze koeien niet en er zat, nogmaals, voor de organisator ook het risico aan vast dat hij niet alle loten verkocht.

Over de verlotingsmethode, en dit tot besluit, worden we slechts in twee late gevallen iets gewaar. Op 28 januari 1806 liet de Veendammer Willem Holle zijn gaande uurwerken verloten door middel van het gooien met dobbelstenen. Terwijl Wessel Geerts in Midwolda eind dat jaar zijn lakens en manchesterse stoffen kwijtraakte door kinderen met een soort van molentje de trekking te laten verrichten.

Nog even de belangrijkste conclusies op een rijtje:

  • Verlotingen kwamen soms jarenlang niet voor. Dan zat er een wat strengere drost of speelde de religieuze en-politieke constellatie een rol. Na 1800 groeide het aantal verlotingen onmiskenbaar, wat verband houdt met de baanbrekende Verlichting.
  • Verlotingen had je vooral ’s winters. In Winschoten kwamen ze het vaakst voor, daarna in Beerta. In de veenkoloniën had je ze relatief weinig.
  • Bij ruim 40 % van de verlotingen ging het om levende have, m.n. slachtkoeien. Verder verlootte men nogal eens luxe uurwerken en huisraad, spullen die de eigenaars op de normale manier maar moeilijk aan de man konden brengen.

Hoe het Oldambt een nagelnieuwe galgeberg kreeg

zuidbroek-beckeringh-1536-631

Reconstructie, op basis van de Beckeringhkaart (1781), van de plekken in Zuidbroek, van belang voor de uitvoering van het Oldambtster strafrecht. Een gevangene kon vanuit het torencachot op de hoek van de Kerkstraat, via het Rechthuis op de hoek van de Heiligelaan en Uiterburen, waar hij zijn sententie te horen kreeg, bij snelrecht in één ruk door naar de gerichtsplaats ten zuiden van de Galgeweg voor het ondergaan van zijn straf. Deze gerichtsplaats lag ongeveer even ver van de toren af als de brug over het Winschoterdiep. Het was een vierkant terrein, de galg had twee staanders met er bovenop een aan beide zijden overstekende dwarsbalk, zodat er meerdere mensen in één keer konden worden opgehangen. Deze werden onderaan de galg begraven.

De gerichts- of justitieplaats aan de Galgeweg bij Zuidbroek bevond zich in het najaar van 1764 in een droevige toestand. De gracht eromheen was zodanig dichtgegroeid, dat je er met paard en wagen doorheen kon rijden. Op die manier konden de gerichtsdienaren en roderoeden opdringerig volk bij een terechtstelling niet meer afweren. Ook was de poort op de “invaart” of dam verdwenen. Op het vierkante terrein zelf, ruim 40 bij 40 meter groot, groeide allerlei struikgewas en kreupelhout, kortweg: “bos”. De schandpaal of kaak was van boven “zodanig verrot dat er geen kram in vast kan blijven”, terwijl de galg ook onbruikbaar werd bevonden: “Dezelve moet vernieuwt of tenminsten gerepareert worden”.

Vanouds kwam werk aan de gerichtsplaats voor rekening van alle Oldambtster ingezetenen, die dat werk ook wel gezamenlijk hadden verricht. Eind september gelastte de Oldambtster drost, H.J. Veldtman, de Oldambtster volmachten (dorpsvertegenwoordigers) en schatbeurders (ontvangers van grond- en dijklasten) om zich op 2 oktober te laten vinden in het rechthuis van Zuidbroek, waar hij ze een voorstel zou doen. Hij schetste ze er de toestand van de gerichtsplaats, die nodig gerenoveerd moest worden. Zo diende de gracht weer voldoende breed en diep gemaakt te worden, opdat ze niet meer zo gauw zou dichtgroeien en ”om effect daarvan te hebben in cas van justitie”. De volmachten en schatbeurders mochten zèlf hun kerspelen laten uitmaken hoe deze het werk zouden willen uitvoeren. Als het weer een collectief karwei zou zijn, waarvoor het gehele Oldambt mannen zou moeten leveren, dan kwamen er meer dan 5000 mannen op, terwijl het werk gedaan kon worden door nog geen 100. En al die kerels zouden dan hun natje en een droogje moeten krijgen, wat bij 6 stuivers de man per dag neerkwam op 1500 gulden, terwijl de hele reparatie volgens de drost nog geen 300 gulden zou hoeven kosten. Als het graven van de gracht door de kerspelen gebeuren moest, dan zouden die wellicht protesteren. Wat betreft de kaak en de galg was ooit bepaald dat dit om de beurt door de timmerlieden van drie of vier kerspelen gezamenlijk zou geschieden, maar ook hierbij zouden de verteringen bij het werk groter zijn, dan de kosten bij aanbesteding. De drost stelde daarom voor het werk bij aanbesteding te laten uitvoeren. Die methode had duidelijk zijn voorkeur, die was het “best en profijtelijkst”, en daarvoor was het nu in het najaar ook het goede moment, “omdat de arbeiders het nu nog wel kunnen doen en de drukste tijd over is”. Bovendien, zo taxeerde hij, zouden ingezetenen er waarschijnlijk ook meer toe geneigd zijn.

Voor 9 oktober schreef hij een nieuwe bijeenkomst uit, intussen moesten de volmachten en schatbeurders hun achterban polsen, om te kijken waar de voorkeur naar uitging: aanbesteding of graaf- en timmerwerk door de gezamenlijke ingezetenen. Op 9 oktober bleek dat de keus gevallen was op aanbesteding, De drost mocht de bestekken laten schrijven. Daarbij werd hij geadviseerd door twee Oldambtsers, aangesteld door de gezamenlijke volmachten, die hiertoe Botjo Alberts (een boer uit Zuidbroek) en ene Jarko Willems (uit Scheemda of Nieuw-Scheemda) verkozen. Voor deze ene keer bewilligde de drost in zulke adviseurs, maar hij verklaarde uitdrukkelijk dat dit niet als precedent gold.

Uit een brief, op 25 oktober vanuit Oostwold geschreven door stadsbouwmeester Anthonie Verburgh, blijkt dat die ook bemoeienis had met het schrijven van de bestekken. Hij was onderweg naar Oostwold langsgeweest bij de drostenborg in Zuidbroek, maar had er drost Veldtman niet thuis getroffen. Voor Verburgh waren de exacte maten voor het grondwerk nog geen uitgemaakte zaak. Als de gracht extra diep moest worden, ruim 10 voet of bijna 3 meter, dan was een simpele “buining” (beschoeiing) niet meer voldoende, dan moest daar voor de stevigheid nog een “water gording” (gordel) omheen worden gelegd. De “kaak barg” of heuvel waarop de schandpaal kwam te staan, moest volgens Verburgh met “kijl soden” (driehoekige zoden?) worden opgezet, waarbij hij een voorkeur had voor een glooiing van 2 voet op 1 voet aan de basis, dus een helling van 45 %. Daarom moest die heuvel ook worden voorzien van een trap met leuning. De volgende zondag zou Verburgh weer met stadsrentmeester door Zuidbroek komen en dan konden ze nadere afspraken maken.

Op 2 november waren de bestekken klaar en werden deze samen met de algemene voorwaarden opgehangen in het rechthuis, waar gading makende aannemers ze konden laten afschrijven. Het grondwerk en het hout- en timmerwerk werden apart aanbesteed. De aannemer van het grondwerk moest allereerst het gehele “bos” op de justitieplaats verwijderen. Zijn volgende klus betrof de dam naar het terrein, die blijkbaar was ingezakt, want de aannemer moest deze ophogen en waterpas maken met de “Heerenweg” die tegenwoordig de Galgeweg heet. Voor de stevigheid moesten de grachtkanten van de dam met zoden worden opgezet. De “invaart” kreeg een breedte van 12 voet, ruim 3,5 meter, zodat er (al noemt het bestek dat niet) met goed fatsoen een kar overheen kon.

De gracht zou inderdaad zo breed en diep worden dat ze niet meer zo snel zou dichtgroeien en toeschouwers bij een terechtstelling op afstand bleven. De diepte werd egaal 9 voet (ruim 2,6 meter), bij een breedte van 15 voet (4,4 meter) op de bodem. Aan het oppervlak verschilde echter de breedte van het water: aan de noord-, oost- en westkant werd die 26 voet (7,6 meter), maar aan de zuidkant, waar het publiek zich blijkbaar ophield, een 30 voet (8,8 m). Ten opzichte van de bestaande breedte – 16 à 24 voet (ofwel 4,7 à 7 meter) – betekende dat inderdaad een aanzienlijke verwijding. Door het de grotere breedte aan de zuidkant werd de glooiing daar dus flauwer, maar het stuk water was er ook indrukwekkender.

De verbreding van de gracht gebeurde niet aan de binnenkant, bij de eigenlijke gerichtsplaats, maar aan de buitenkant. Aan de binnenkant mocht de aannemer alleen het bovenste laagje afsteken, zodat er zwarte grond zou overblijven. De wal daar moest vervolgens met zoden worden opgezet “ter hoogte als de justitieplaats kan worden” – die hoogte was dus nog niet bepaald, die hing af van de hoeveelheid grond welke aan de buitenkant van de gracht vrijkwam. Al die aarde moest op de justitieplaats worden geworpen, waar ze moest worden “gesligt” (geëffend). Zolang het ophogen van de justitieplaats duurde, had een tijdelijke goot er te zorgen voor de afwatering. Verder diende de aannemer de omgevallen palen op de justitieplaats of in het bos ten oosten van de gerichtsplaats te gooien, of te begraven op de gerichtsplaats. Met het werk moest hij al meteen in de week na de gunning beginnen. Hij kreeg er drie weken de tijd voor, op straffe van een gulden boete voor iedere dag overschrijding. De betaling gebeurde direct na de opneming en goedkeuring van het werk.

Het bestek voor het hout en timmerwerk schreef in de eerste plaats alle maten voor van de “buiningen” (beschoeiingen) langs de dam en rond de justitieplaats. Deze werden gemaakt van aangescherpte grenen posten, die “met een bequame loopheije” 4 voet (bijna 1,2 meter) de grond in geslagen moesten worden. Inderdaad kwam er een “gording” van eikenhout even onder de bovenkant omheen. Deze moest de aannemer bevestigen met “rongen” (ijzeren bouten). De beide buiningen aan weerszijden van de dam werden onder de dam door aan elkaar verankerd met een koppelstuk, dat aan de uiteinden met “verholen zwalve steerten” (goed weggewerkte zwaluwstaartverbindingen) vastgezet werd. Op de buiningen kwamen nog “schroden” te liggen tegen het inwateren van de kopse bovenkanten van de palen.

Midden op de dam, “en wel tegens voornoemde anker of grondholt”, verrees een “hameije” (balkenpoort) met twee deuren. De staanders of deurposten bestonden uit zware balken van 10 – 12 duim (ongeveer 30 centimeter in het vierkant). Deze waren vanaf de grond 11 voet (3,2 meter) hoog en staken vijf voet (zeg anderhalve meter) diep in de grond, waar ze in inkepingen in het anker “vast gerongt” werden. Tussen de palen moest dan op de ankerbalk van de buiningen nog een extra anker komen, eveneens met ijzeren bouten vastgezet aan het onderste anker en de staanders. Met andere woorden: er werd gezorgd voor een zeer solide constructie, die toegangspoort lag maar zo niet omver! Bovenop beide staanders moest een “klapmuts” (gepunt hoedje) komen met een overstek van een centimeter of 5 tegen het inregenen van de kopse paalkanten. De buiten- en binnenmaten van beide poortdeuren, die naar de wegkant opensloegen, de regels en latten erin, het bevestigingsmateriaal en het hang- en sluitwerk werden eveneens precies voorgeschreven.

Wat betreft de kaak op de justitieplaats, moest de aannemer op de plaats die hem nog aangewezen werd een paal neerzetten van 14 voet (ruim 4 meter) lang en 18 x 18 duim (zeg 47 x 47 cm) breed. Het onderste, 4,5 voet (of 1,3 meter ) lange deel bleef vierkant en ging de grond in. Het 9,5 voet (of 2,8 meter) lange deel boven de grond moest de aannemer “zindelijk” bewerken tot een achtkant. Net als op de hameipalen van de poort kwam er een klapmuts op de nieuwe schandpaal. Deze kwam opnieuw op een heuveltje te staan, dat de aannemer van het houtwerk “circul rond” moest maken en diende te voorzien van “kijlzoden” aan de buitenkant. De glooiing werd ook hier 2 op 1 voet, dus 45 %. Om de helling te overbrugging kwam er een trapje van grenenhout tegen het bergje aan.

Afgezien van dat trapje en de buiningen moest al het hout uit het bestek van “Drents, Westerwolds of Westveels eiken” zijn, een bepaling die ik ook van stadsbestekken ken. Al dit hout moest “zonder waan, spint, holle oesten en in de winter gekapt” zijn (dat laatste waarschijnlijk omdat er dan het minst kans op werking was). Voordat het hout zou worden verwerkt, wilden de aanbesteders dat eerst keuren. Na het op maat zagen mochten er geen zaagsneden of iets dergelijks in aangetroffen worden.

Beide aannemers moesten hun eigen gereedschap “en bequame arbeiders en knegten” gebruiken. Die van het hout- en timmerwerk diende klaar zijn op 1 januari 1765. Miste hij die deadline, dan kwam hem dat te staan op een boete van 3 gulden voor iedere dag dat zijn werk langer zou duren. Ook hij werd meteen na goedkeuring betaald, zo belooft het bestek.

Op 9 november waren de inschrijvingen binnen en vond er nog een afmijning plaats in het rechthuis te Zuidbroek. Daarbij werd ingezet vanaf het laagste bod “en die dan eerst mijn roept, zal aannemer zijn”. Qua grondwerk trok ene Eppo Jacobs aan het langste eind met een bod van 295 gulden, voor het hout en timmerwerk werd Hindrik Schreuder uit Zuidbroek voor 650 gulden de gelukkige.

De eerste kreeg op 8 december, de ander op 7 januari zijn aanneemsom betaald. In beide gevallen ging het om het volledige bedrag, ze hadden hun werkzaamheden dus binnen de gestelde termijnen afgerond. Bij elkaar opgeteld bedroegen de aanneemsommen 945 gulden, maar er kwam nog het een en ander overheen voor keuringen en verteringen bij besprekingen in het rechthuis, waarvan ene Louis Davion blijkbaar de waard was. Tot mijn verrassing zaten er ook nog een een paar kwitanties van Tjasse Jans, de later ontslagen roderoede van Zuidbroek, in het dossier. In februari kreeg hij nog 6 gulden “voor het oppassen van de gerigtsketenen en boeijen” die zich gewoonlijk blijkbaar op de gerichtsplaats bevonden, terwijl hij in maart nog de lanen naast de justitieplaats maakte en de dam onder de poort, die blijkbaar ingeklonken was, aanvulde. Al met al waren de ingezetenen van het Oldambt zo ruim 1111 gulden kwijt voor hun nagelnieuwe justitieplaats.

Gek genoeg zit geen bestek van de galg in het dossier. Waarschijnlijk was het daarmee nog niet zo slecht gesteld en is die in losse daghuren en niet op bestek gerepareerd. In de resoluties, rekesten en rekeningen van de stad is er in elk geval geen bewijs te vinden dat de stad hiervoor opdraaide. Het gehele werk was, afgezien van de drost, landschrijver en stadsbouwmeester, een puur Oldambtster zaak.

Op basis van de maten in beide bestekken zou men de justitieplaats dus niet algeheel, maar wel voor een aanzienlijk deel kunnen reconstrueren. Weliswaar is het onmogelijk dat in het echt en op de oude lokatie te doen, want dan moeten daar waarschijnlijk een of meerdere huizen voor wijken. Bovendien lijkt me dat omwonenden hier niet bepaald op zitten te wachten. Maar een maquette op schaal is natuurlijk wèl mogelijk. Een oud-aannemer/timmerman of iemand anders die hier zin in heeft, kan zich bij mij melden voor foto’s van de beide bestekken, die op zich vrij goed leesbaar zijn.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 inv.nr. 6310.


De dijkcoupures van de Oostwolderpolder

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Dijkcoupure Stadspolder.

De dijkcoupure is een soort icoon van Groningerland, en dan vooral van de strook bij de Waddenzee die uit polders bestaat. Zo’n gat in de dijk, gemaakt voor een weg, doorbreekt niet alleen de beslotenheid van een polder en het continuüm van de haar beschermende dijk, maar ze stelt ook gerust: hier is in principe geen gevaar meer te duchten en mocht de nood aan de man komen, dan dichten we dat gat onmiddellijk met de balken uit het belendende schotbalkenhuisje.

Zolang er dijken uit de actieve dienst zijn genomen, maar nog wel werden aangehouden voor de achterwacht, als ‘slapers’, hebben de dijkcoupures symbool gestaan voor hun gemankeerde staat. Een optimistisch symbool: hier zou het water niet meer zo gauw komen, op deze plek brak een nieuwe wereld baan.

Hoewel de dijkcoupure dus een soort icoon en symbool is, weten we weinig over het ontstaan ervan. Dat dit meer voeten in de aarde had, dan je zou denken, blijkt impliciet uit een tweetal rekesten over de eerste dijkcoupures in de Oostwolderpolder die vanaf maart 1769 werd aangelegd.

Over deze indijking ging een commissie, gekozen door de gezamenlijke kweldergrondeigenaren. Namens deze “ gecommiteerde volmachten tot de anstaande indijkinge” ging de heer Wiardus Siccama, burgemeester van Groningen en eigenaar van de Ennemaborg en veel kweldergronden, niet lang na de start van de nieuwe dijkaanleg naar de Oldambtster drost, om een dubbele doorsteek in de oude, nu overbodig wordende Dollarddijk van 1701 te bepleiten.

Siccama vertelde de drost eerst hoe hij en zijn consorten genoodzaakt waren

“wegens de grote uitstrek der angewassene in te dijken landen deselve met een bequame weg te voorsien, dienende teffens voor een publijcque passagie voor de reisende man.”

Maar omdat de nieuwe polder zich helemaal uitstrekte van de Goldhoorn bij Finsterwolde tot Midwolderhamrik (= Nieuwolda), kruiste de gewenste weg zowel bij Oostwold als bij Midwolderhamrik de oude dijk. Vandaar het verzoek aan de drost, om die dijk op die plekken deels af te mogen graven, waarbij Siccama als maten van het graafwerk aangaf 5 voet diep en 14 voet breed (ca. 1,5 m x ca. 4,2 m), “om te dienen tot een doorvaart”.

Op 8 mei 1769 sprak de drost echter uit, dat hij eerst zelf de zaak ter plaatse in ogenschouw wilde nemen, en dat samen met de volmachten of dijkrichters van de kerspelen Oostwold en Midwolderhamrik.

Uit de rekesten blijkt verder niet of dit inderdaad gebeurd is, maar twee jaar later, in mei 1771, komt de zaak van de dijkcoupures in de Oostwolderpolder opnieuw aan de orde. Dan is het niet langer de inpolderingscommissie die er achteraan zit, maar zijn het volmachten van Oostwold, Finsterwolde en de Oostwolderpolder die zich in de drostenborg laten vinden, waar ze ingaan op de hachelijke toestand van de dan nog in gebruik zijnde dijkpassages:

“dat tot nog toe over de dijk een soorte van een sogenaamde tuimeldrift hebben, om na de nieuwe ingedijkte landen, boven vermelt, te komen, dog dit niet zonder gevaar konnende geschieden waardoor veel ongelucken zijn gebeurt en nog meer te vresen staan…”

Met tuimeldrift werd gewoonlijk een furieuze woede beschreven, maar dat is hier dus niet het geval. Zoals de term hier gebruikt is, bleek uniek. Ik vond geen enkel equivalent en ook geen woordenboekverklaring. Toch kan ik me wel iets bij dat tuimeldrift voorstellen: een weg parallel aan de dijk oplopend tot diens kruin en aan de andere kant gelijkelijk aflopend tot aan diens voet. Tuimeldriften in die zin zijn er nog steeds, bijvoorbeeld bij Delfzijl. Die van 1771 zullen echter vrij wat krapper bemeten zijn geweest, vandaar dat een wagen er vrij gemakkelijk op omsloeg, zeker als je in aanmerking neemt dat de dijk van 1701 veel steiler was, dan de later aangelegde. Om ongelukken in het vervolg te voorkomen, vonden de volmachten van Oostwold, Finsterwolde en de Oostwolderpolder het hoogst noodzakelijk

“op een directer en meer gemakkelijker wijse over de dijk na deze landen convenientis een ander en bequamer doorvaart te maken,”

wat niet zonder toestemming van de drost als kolonel-dijkgraaf kon. Die hield nu dan (eindelijk?) een “oculaire inspectie”, maar niet, zoals je zou verwachten, met de volmachten van Oostwold, Finsterwolde en Oostwolderpolder, maar met de dijkrichters van Zuidbroek en Eexta. Mogelijk waren deze kerspelen uit het achterland hier vanouds verantwoordelijk voor dijkonderhoud en was er over hun inbreng bij de coupures proces geweest, hetzij voor het Termunterzijlvest, hetzij voor de drost in Zuidbroek, hetzij bij de Hoge Justitiekamer in de stad Grtoningen.

Hoe dan ook, uitdrukkelijk schreef de drost in zijn beschikking, dat hij met instemming van genoemde dijkrichters vergunning verleende om onder Oostwold en Oostwolderhamrik

“twee doorvaarten over en door de oude Dullaerdtdijk te mogen maken, beide correspondeerende op de nieuwe angelegde weg zig uitstreckende over de polder.”

Van de breedte der gewenste dijkcoupures haalde hij echter twee voet af. Er mocht dus wel vijf voet grond van de kap der oude dijk afgegraven worden, maar anders dan de heer Siccama een paar jaar eerder wenste, bleef dat beperkt tot een breedte van twaalf voet. Ook trof de drost een voorziening voor het geval dat de nood aan de man mocht komen:

“mitz nogthans dat die twee dijkgaten van terzijden met genoegsame sware greinen posten sufficant en hegt zullen moeten worden bekledet en verders met vaststaande balken en losse tezamen passende grenen posten worden voorsien, welke losse posten genumert in de naast bestaande behuisingen zullen moeten worden bewaart, om ingevalle van sware stormen en hoge zeewateren tusschen de vaststaande balken in de dijkgaten op de kant te worden gesettet en met mest angevult [om] in cas van noodt te konnen dienen tot keringe der zoute vloeden.“

Er was dus nog geen sprake van schotbalkenhuisjes. Het vulhout moest worden bewaard in de meest nabij gelegen huizen. Ook komt mest als stouwmateriaal nu misschien wat vreemd voor. Maar verder gaat het om bekende regelingen, die nog heel lang hebben bestaan en misschien nooit zijn afgeschaft.

Over de kosten van aanleg en onderhoud sprak de drost zich ook uit. Hierover was mogelijk proces geweest met die van Zuidbroek en Eexta. Uitdrukkelijk bepaalde de drost dat de kosten niet voor rekening zouden komen van de kerspelen die hier dijkpanden in onderhoud hadden. Alleen degenen onder Oostwold en Oostwolderhamrik, “die zulks incumbeert”, moesten de coupures maken en onderhouden. Met die ‘geïncumbeerden’ bedoelde de drost degenen die voor de dijkgaten hadden geijverd, maar wat dat betreft negeerde hij Finsterwolde. Blijkbaar achtte hij het belang van dat kerspel bij de nieuwe coupures te gering.

Overigens bestaan de dijkcoupures van de Oostwolderpolder allang niet meer. Met het slichten van de oude dijk zijn ze verdwenen. Op beide foto’s staan dus andere dijkcoupures.

2014-07-17 098

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archief gerechten Oldambt) inv.nr. 6123.


Oldambtritje

Moest eerst even iets terugbrengen naar Bunde. Fiets op de trein, station weerspiegeld in fietsbel:
DSC06865
In Bunde had het net geregend:
DSC06868
De herenclub van de Hamdijk, ca. 1900:
DSC06874
Te lang gepraat om nog de ronde langs Ditzum en Pogum te maken. Terug langs de windmolens, waar, naar ’t schijnt, flink aan verdiend wordt:
DSC06885
Graanveld tussen Nieuweschans en Nieuw-Beerta:
DSC06891
Plantkundig blijf ik een volstrekte nul en ik leer ik het nooit. Gerst of tarwe?
DSC06892
Nieuw bankje bij de kerk van Nieuw-Beerta:
DSC06897
Bomenrij op Veenhuizen tussen Nieuw-Beerta en Finsterwolde:
DSC06900
Beerta, kerk:
DSC06901
Beerta, reiger op voetstuk:
DSC06908
Aan de rand van de bewoonde wereld (Oostwold):
DSC06910
In Scheemda weer op de trein. Deze constellatie bij Sappemeer Oost stond al een poosje op mijn lijstje:
DSC06927


Oldambtster Monumentendagrondje

Bij de kerk van Beerta (die nog dicht was, even na twaalven:
2015-09-12 019
Barse kerels hielden de wacht bij het fietspad langs de Tjamme:
2015-09-12 032
In de kerk van Finsterwolde – grafsteen op het koor met koe en eikels:
2015-09-12 045
Kantklossende en wevende dames op de eerste verdieping van de toren:
2015-09-12 063
Het uitzicht bovenin, op Ganzedijk:
2015-09-12 067
Loodgietersmerk in de zinken bekleding op de toren:
2015-09-12 068
De grafstenen van mijn betovergrootouders Elzo Perton en Geeske Boog hebben inmiddels ook hun zwarte randje teruggekregen:
2015-09-12 077
Louis Hagen, de drijvende kracht achter de werkgroep die in Finsterwolde grafstenen opknapt:
2015-09-12 084
Ploegen bij de Goldhoorn, tussen Finsterwolde en Oostwold:
2015-09-12 088
In het gereformeerde kerkje van Oostwold – glas-in-lood in Amsterdamse Schoolstijl:
2015-09-12 095
In de hervormde kerk van Oostwold – rococo doopvont (ca. 1775):
2015-09-12 115
In een vergaderzaaltje hing een portrettengalerij van predikanten – achter het tafeltje op deze foto ds. Kromsigt, die op Schortinghuis promoveerde en bij wie mijn overgrootouders kerkten:
2015-09-12 121
In de polder tussen Midwolda en Nieuwolda:
2015-09-12 127
Boerderij bij Nieuwolda:
2015-09-12 130
Opgeknapt snijwerk uit bovenlicht siert nu voorgevel in Nieuwolda:
2015-09-12 133
Engel aan de kansel, hervormde kerk Nieuwolda (1718):
2015-09-12 147
Nog een engel:
2015-09-12 149
Apostel op de kansel:
2015-09-12 150
Op het koor engelen van Yvonne Struys. Eigenlijk heb ik een beetje een hekel aan recente kunst in kerken op Monumentendag, omdat die kunst de aandacht voor het monumentale dreigt weg te nemen. Maar deze beeldengroep stond niet op de grafzerken, zoals je ook wel meemaakt, en op de kansel en het orgel na is de kerk van Nieuwolda ook vrij steriel, en dan is het wel een verrijking. Het prevelementje dat de kunstenares op een A4tje zette zal ik de lezer overigens maar besparen:
2015-09-12 163
Bij Nieuwolda: een Groninger Meeuw (soort kip) in de berm:
2015-09-12 183
Bij Nieuw-Scheemda deze boerenschuur, een alternatief voor de afzichtelijke kavaljes van groen plastic die hier en daar opduiken – alleen vraag ik me wel af hoe lang dat hout het houdt:
2015-09-12 199
Windwijzer tussen Nieuw-Scheemda en Noordbroek:
2015-09-12 204
Polderweg:
2015-09-12 206
Achterdiep, Sappemeer:
2015-09-12 216
Jonge sla in september?
2015-09-12 218
Aardappeloogst bij Kolham (meende eerst dat het suikerbieten waren, maar ik heb de fabriek hier nog niet geroken):
2015-09-12 222
Veldje zonnebloemen, Westerbroek:
2015-09-12 227
Weer terug in de grootse stad:
2015-09-12 229


De zeven roderoeden van het Oldambt

Geplaatst op 10 maart 2011  a

Het stuk, uit 1685, regelt de eerste politie in het Oldambt en de andere stadsjurisdicties. Wat vooral opvalt is de macht van de Drost, de zetbaas van de stad, over de zeven roderoeden.

Weliaswaar was de keuze van de zeven roderoeden of veldwachters aan de predikanten en kerkvoogden in elk roderoedendistrict, steeds een dorpencombinatie:

  1. Termunten, Borgsweer, Woldendorp
  2. Wagenborgen Nieuwolda, Nieuw-Scheemda
  3. Noordbroek, Noordbroeksterhamrik
  4. Zuidbroek, Muntendam, Meeden
  5. Winschoten, Heiligerlee, Westerlee
  6. Beerta, Nieuw-Beerta, Finsterwolde, Oostwold
  7. Midwolda, Scheemda, Eexta

Ook zorgden de schatbeurders (lokale, eveneens door de dorpselite gekozen belastingontvangers) voor de inning van de benodigde sommen voor de tractementen. Maar dat geld ging naar de Drost, die het ook aan de roderoeden uitdeelde.

Bovendien mocht de keuze van roderoeden alleen geschieden ten overstaan van de Drost, die als enige ging over het ontslag van de nieuwe functionaissen. Aan de ene kant moest er wel draagvlak op lokaal niveau zijn, maar de dorpspotentaten mochten het ook weer niet al te veel voor het zeggen krijgen. Die geest ademt het reglement.

De roderoeden werden aangesteld om te weren:

“…de vreemde en stoute bedelaars en landtlopers, soo in menichte van huys tot huys in de carspelen lopen bedelen, en de huyslieden (= boeren HP) het geldt afperssen, de geleegentheyt siende om jeets te steelen, deselve van haere goederen beroven.”

Een overweging vormde hierbij

dat in deze vredige tijden jeder Landt machtigh en willigh genoegh is om sijn eigen oprechte armen te onderholden.”

Kennelijk vielen vreemde bedelaars nog wel te tolereren als er een oorlog was.

De roderoeden moesten dus vooral “vreemde en stoute” bedelaars verjagen. Met dat stoute werd dan waarschijnlijk vooral bedoeld de fysiek bedreigende, intimiderende figuren.  Uit het feit dat de roderoeden zich bezig moesten houden met vreemde bedelaars,. mag je intussen afleiden dat lokale, bekende bedelaars ongemoeid werden gelaten.

Als een in eerste instantie met zachte hand verjaagde bedelaar het waagde om toch nog terug te komen, mocht een roderoede hem of haar wegslaan met een stok. Dat was nog het lichtste wapentuig, want verder diende iedere roderoede zich te voorzien van

“een goede snaphaen, voorjager, pistool, houwer en manvaste hont”.

En toch, slechts zeven roderoeden op heel het Oldambt,  Die ook slechts 130 gulden de man per jaar verdienden, wat bepaald geen vetpot was, zodat corrupte op de loer lag. En die voor dat magere tractement dan ook nog moesten letten op jachtovertredingen. Ik bedoel maar: dat de overlast van vreemde bedelaars dermate groot was, als de aanhef van het stuk beweert, mag je gerust een beetje betwijfelen.

Overigens verbood het reglement de boeren om willens en wetens bedelaars in hun huizen of schuren te laten slapen, dit op straffe van 2 daalders boete, te beuren door de roderoede die zulke gepermiteerde nachtbidders aantrof. Een boer zou voortaan wel gek zijn, om zulke slapers explciet toestemming te geven. Een bedelaar die dat verklikte, bedierf zijn eigen markt. Op die manier bleef zo’n bepaling natuurlijk een dode letter, ik denk dan ook niet dat er veel van dergelijke boetes zijn geïnd.

Via de KB: Ordonnantie der H. Heeren Borgemesteren ende Raadt in Groningen,  waernae in beyde Oldambten,  Goorecht en Sappemeer roo-roeden sullen worden angestelt… (1685)