Men noemt een goede waard geen poffertbakker

In de index op de handelingen van de Etstoel, het Drentse gerechtshof, viel mijn oog op een lasterzaakje uit 1698, waarbij het slachtoffer zich beledigd achtte door de term “pofferbacker of poffereter”. Poffer of poffert kwam al wel enkele decennia in kookboeken voor, maar was verder ook weer niet zo bekend. In het kookboek van  de Menkemaborg (1717-1750) heet het baksel nog “boffert”. Over poffertbakkers weten we al helemaal niets. Dat dit nobele beroep als een scheldnaam figureerde, verbaasde me zeer. Vandaar dat ik me maar eens op dit zaakje wierp.

Bij nader inzien hoorde het bij een cluster van vier soortgelijke zaakjes, waarbij één naam centraal stond, die van Hindrik Lenting (ook wel Lentinge of Lentinck). Hij was telg van een vooraanstaande eigenerfde boerenfamilie die schulten (het equivalent van de latere burgemeesters en notarissen) aan de kerspelen Zuidlaren, Borger en Zweelo leverde en was (een dikke) vierpaardsboer op De Groeve, vlakbij de Drents-Groningse grens, en bovendien herbergier en solliciteur.

Met die laatste functie werd hij meestal aangeduid. Deze hield in dat Lenting namens de overheid optrad als bank, payroll of geldschieter voor een compagnie soldaten. Hij schoot uit eigen zak de soldij voor en ontving van de overheid aflossingen met een bovengemiddelde rente terug. De overheid was blij, want dit vormde de oplossing voor een voortdurend krappe kas, vooral in tijden van oorlog; de soldaten waren eveneens blij, want ze kregen hun soldij op tijd zodat ze niet hoefden muiten en plunderen. Een mooie winwin-situatie dus, waaraan je als solliciteur ook redelijk goed kon verdienen. De functie stond, zo is mijn indruk, vrij hoog in aanzien.

De herberg van Lenting op De Groeve moet ook een goede reputatie hebben gehad. Het was niet zomaar een tapperijtje. In 1695 vergaderde “de gemene bour” van Zuidlaren er, waarbij deze ingezetenen van Zuid- en Midlaren gezamenlijk maar liefst 235 gulden verteerden, een bedrag waar sommigen echter niet aan mee wilden betalen., Waarschijnlijk ging de vergadering over de grens tussen Midlaren en Zuidlaarderveen  en daarmee over het visrecht op het Zuidlaardermeer, een kwestie die al sinds 1636 speelde en waarover ook nu weer de partijschap was opgelaaid. Omdat Lentings vordering op zich niet werd bestreden, wees de Etstoel die toe. De “bour” of boermarke van  Zuidlaren moest dus collectief de somma betalen, waarbij ze het geld maar terug moest zien te halen bij de leden die aan de vergadering(en) hadden deelgenomen.

Goed, twee jaar later, in 1697, werden er vier klachten wegens ‘verbale injurie’ of belediging ingediend. Dat gebeurde op een goorspraak – een periodiek gehouden samenkomst waar mensen verplicht alle delicten moesten melden waarvan ze weet hadden. Twee van de klachten kwamen van een gebelgde Hindrik Lenting. Maar hij en zijn schoonzoon Jan Tabing waren op de goorspraak ook zelf van belediging beticht.

Voorlopig bleven de beledigingen zelf nogal schimmig. Ze moeten wel in het verslag van de goorspraak hebben gestaan, maar dat stuk ontbreekt nu. Bij de Etstoel betichtte Lenting ten eerste Egbert Sissing, een keuterboer op Zuidlaarderveen. Lenting wilde dat Sissing zijn gewraakte uitlatingen openlijk voor de Etstoel herriep, maar daar had Sissing geen zin in. Volgens hem bestond er geen enkel bewijs voor dat hij Lenting beledigd had. Hij had Lenting niet genoemd, laat staan bedoeld. Zijn woorden hielden geen belediging in, en hij had bij Lenting – in wiens herberg zich een en ander kennelijk had afgespeeld – ook geen “animus injuriandi” gehad toen hij de woorden uitsprak.

Meteen na Sissing sprak Lenting een Laurens Levinge aan, van een ander gezeten boerengeslacht. Hij was zoon van een Jan Levinge en daar kon je in Zuidlaren meerdere kanten mee op: in 1672 woonde er nog een oud-schullte met die naam in het dorp, en in de jaren 90 een tweepaardsboer, naast een driepaardsboer die ook herberg hield. Dat was dus een concurrent van Lenting en ik kan het helaas niet hard maken, maar vermoed dat Laurens een zoon van deze laatste was. In elk geval verliep de behandeling van Lentings klacht in zijn geval eerst precies zo als bij Sissing. Hij had Lenting niet beledigd, vond Levinge, en zijn woorden hielden geen belediging in.

Zoals gezegd, werd Lenting zelf ook van schelden beticht. Dat gebeurde door Hermen Hermens, de knecht van Gedeputeerde van Selbach die op de havezathe Laarwoud woonde. Lenting ontkende het hem ten laste gelegde, noemde alle tegen hem  ingebrachte getuigeverklaringen partijdig en kon “in goeden gemoede” verklaren dat hij niets ten nadele van de dienstknecht  had gezegd. Net als Sissing en Levinge voor hem, wilde ook Lenting zijn woorden niet openlijk herroepen of intrekken. Zouden deze drie zaakjes dus nog een vervolg krijgen, anders was het gesteld met het vierde, op basis van een klacht die de Zuidlaarder molenaar Willem Hendriks had ingediend tegen Jan Tabing, de schoonzoon van solliciteur Lenting die op Zuidlaarderveen woonde. Mede op basis van het formele argument dat deze veenkolonie qua volmachten, grondschatting en goorspraak zelfstandig was, werd deze zaak niet verder behandeld – de Etstoel achtte Tabing  ook niet schuldig aan belediging.

Drie zaken liepen dus nog door en in alle drie deze zaken benoemde de Etstoel een vrij zware commissie die bestond uit de drost, baron Van Pallandt, de landschrijver en de vier etten van het dingspil Oostermoer. Dit gezelschap moest de klagers en beklaagden nogmaals horen om ze dan zo doenlijk de zaak “in der minne” bij te laten leggen, of, als dat niet lukte, ze bij uitspraak te “ontscheiden”.

Dat gebeurde nog in november 1697. In alle drie deze restante zaakjes legde de commissie de schelders (Lenting, Sissing en Levinge) op te verklaren, dat ze niets van de beledigde partij wisten “als alle eer en goet”. In het geval van Lenting gold dit Hermens als individu: Lenting moest verklaren dat hij de gedeputeerdenknecht mogelijk “in grote toorn en haestigheijt” had beledigd, “wenschende dat het niet waer voorgevallen”. In de verklaring was ook vastgelegd dat deze niet zou strekken “tot de minste krenkinge van de ere en reputatie, goede naem en faem” van Lenting zelf. Lenting moest Hermens bovendien een deel van diens proceskosten betalen: 10 zilveren ducatons (ruim 30 gulden).

In de zaken van Lenting contra Sissing en Leving kwam de Etstoelcommissie tot een gelijk oordeel, met dien verstande dat beide gedaagden moesten verklaren dat ze solliciteur Lenting èn diens  familie niet hadden willen beledigen. Het ging dus om meer dan de eer van de solliciteur alleen. Voor de tegemoetkoming in de proceskosten maakte dat niets uit, die bestond uit hetzelfde bedrag.

Lenting, Sissing en Levinge gingen alle drie in hoger beroep en Sissing  zou zelfs revies aanvragen, maar dat baatte allemaal niets: de Etstoel bleef in 1698 en 1699 bij de commissoriale uitspraken van eind november 1697. Alleen in het geval van Laurens Levinge kwam nog aan het licht, waardoor Lenting zich nou zo in zijn eer aangetast voelde. Levinge verklaarde dat de motieven van Sissing  niet voor hem golden – hij was dus maar een meeloper. Hij kon daarom “hoog en duir” en bij “sin hoogste waerheijt” verklaren

dat hij de woorden van pofferbackers of poffer eters niet hadde gesproken

Blijkbaar waren dar dan de woorden van zijn kompaan Sissing geweest. Ook verklaarde Levinge dat een andere uitlating die hem aangewreven werd, niet de bedoeling had die solliciteur Lenting erin had bespeurd. Toen een gespreksgenoot van Sissing en Helinge opmerkte, “dat hij de poffen liever at met corinthen”, zou Levinge hebben gerantwoord: “Ick eetse liever met botter”. Echter, daarmee had hij  solliciteur Lenting, diens schoonzoon Tabing, of hun familie niet willen beledigen.

Het was Lentings eer te na om een poffertbakker te heten, of ermee vergeleken te worden. Wellicht was hij wat overgevoelig qua eer, maar dat gold voor vele tijdgenoten.  Het hier besproken cluster rechtszaakjes uit de jaren 1697-1699 toont dat eens te meer aan en ook maakt het duidelijk dat je poffertbakkers niet zomaar met goed-gereputeerde herbergiers mocht vergelijken. Een aardige bijkomstigheid is nog dat blijkt, hoe poffert destijds werd gegeten: met krenten of met boter. In elk geval was het betere kost, dan die je in een herbergje op het Zuidlaarderveen kon eten – de eigenaar daarvan stond in het Zuidlaarder heerdstedenregister van 1694 te boek als “Jannes in de Brijpot”.

Bronnen:

Drents Archief, Etstoel 14,

  • deel 31, folio 119, 120 e.v.: 19 november 1695;
  • deel 32, folio 348-351: 16 november 1697;
  • deel 33, folio 46-51: 19 juni 1698;
  • deel 33, folio 273-276: juni 1699.

Rondje Peize – Leutingewolde – De Poffert

Bij de Onlander cascade liet Natuurmonumenten een kast met een mast en een molentje oprichten:

Ten behoeve van de graafmachine werd het beekje tijdelijk even overbrugd:

Een kortstondig duel bij de Drentse Dijk:

Ooievaarsnest, hartje Peize:

Rode boerderij, Foxwolde:

Af te breken schuur, Leutingewolde.  Mij werd verteld dat de nieuwe eigenaren een ruimer uitzicht willen:

Dorpsgezicht, Leutingewolde, naar de andere kant:

Boerderij bij Lettelbert:

Een kievit, waarlijk iets zeldzaams:

Obsoleet hek, Lettelbert:

De nogal prijzige huisplaats aan het Hoendiep zz tussen Enumatil en de Oostwolderbrug wordt eindelijk bebouwd met een nieuw huis:

Mooi salonbootje bij de werf op De Poffert:


Scheepswerf De Poffert

Deze diashow vereist JavaScript.

Bijna honderd jaar geleden gesticht door een Apol uit Appingedam, een jongere broer uit de familie die model stond voor een roman van Thomas Roosenboom. Volgens de huidige eigenaar maakte Apol minder schepen als rondhout in de vorm van (hei-)palen voor beschoeiingen etc. Advertenties in oude leggers van het Nieuwsblad lijken deze stelling te ondersteunen.


Poffert van Sjobbema & Scholte

Geplaatst op 10 juli 2011  a

Ergens tussen 1717 en ca. 1750 schreef de schoolmeester Jan Sjobbema van Eenum met zijn heldere pootje een kookboek af, dat zich nu, aangevuld met recepten in latere handschriften, bevindt in de variarubriek van het huisarchief Menkema en Dijksterhuis. Omdat RHC Groninger Archieven het complete kookboek op internet plaatste, kan iedereen het doorbladeren. Op folio 23 vindt men dan twee recepten voor “Boffert”, oftewel poffert, waarvan Henk Scholte er onlangs eentje in een hedendaagse vertaling en bewerking op zijn Facebook-pagina plaatste. Van die wat meer luxueuze poffert mocht ik de afgelopen week een stuk proeven. Ik kan je vertellen dat je je vingers erbij opvreet. Henk gaf me toestemming om het recept hier te reproduceren, zodat ook de Gelkinghe-lezers ervan kunnen genieten:

Ingrediënten;

  • 100 gram gedroogde abrikozen
  • 400 gram bloem
  • 1 theelepel  zout
  • theelepel kaneel
  • 2 eieren
  • 20 gram gist
  • 3 deciliter slagroom
  • 1 zure appel
  • 100 gram rozijnen
  • 150 gram bacon of ontbijtspek

Bereiding;

  • Week de abrikozen apart en de rozijnen apart een paar uur of een nacht in water.
  • Vermeng de bloem met het zout in een grote schaal.
  • Maak in het midden een kuiltje en breek de eieren erin.
  • Verkruimel de gist in een kommetje, laat de slagroom lauwwarm worden.
  • Doe een scheutje lauwe room bij de gist en roer dit tot een glad papje.
  • Doe het gistmengsel bij de eieren en roer van het midden uit tot een dik, glad beslag. Klop dit een paar minuten flink op en verdun het dan met de overgebleven room.
  • Laat de rozijnen en abrikozen eventjes uitlekken en snijd hierna de abrikozen fijn. Schil de appel, haal het klokhuis eruit en snijd hem in snippers. Schep de abrikozen, de appel en en de rozijnen door het beslag en laat het toegedekt, op een warme plaats, 1 uur rijzen.
  • Beboter een tulbandvorm heel dun en bekleed hem dan met bacon. Vul hem met beslag.
  • Verwarm de oven voor op 175 graden en zet de poffert op de een na onderste richel van de oven. Laat hem in 45-60 minuten bruin en gaar worden.
  • Snijd de poffert in plakken en geef er boter en stroop of bruine suiker bij.

Eet ze!


Een buitje op De Poffert

Ik kwam vanmiddag over het viaduct tussen Lettelbert en Oostwold. Een bui zat me op de hielen:.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

In de verte begon het op het uiteind van het frontje al te hozen:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

In De Poffert moest ik de illusie laten varen dat ik het voor kon blijven, bij het Hoendiep dook ik net op tijd het bushokje in:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De bui trok richting stad en de zon kwam over het frisgewassen lover:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Wie van contrasten houdt is dan een bofferd in de Poffert:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

De hier wat lager dan de weg liggende dijkhuizen kwamen extra goed uit de verf. Van dit pand waren de bewoners vergeten een dakraam dicht te zetten:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Bij de Zuidwendinger molen dampte het toegangspad:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

“Dit is echt weermannenweer”, zei de weerman in het Journaal.


Pannekoek, Poffert en Meelzak vormden een povere horeca

Geplaatst op 16 juni 2011 a

In een brief van 13 juni 1783 schrijft Tjaard Anthonie van Iddekinge, de jongste zoon van Groningens machtigste regent, over een reis per trekschuit van Friesland naar Groningen. In de snikke werd er voorgelezen en at men een maaltijd met aardbeien. Men trad er even uit bij het Noordhorner Tolhek om naar het landschap ter weerszijden van het Hoendiep te kijken, want:

“Hier heeft men een uitmuntend gezigt van zeer schoon land en heerlijkheden.”

Links zag je Zuidhorn met de Hanckemaborg en rechts had je het Huis Byma, bij Faan en Niekerk. Vervolgens gaat de trekschuit met Van Iddekinge junior op Hoogkerk aan. En dan somt hij de drie namen op van herbergen langs het Hoendiep. Het eerste huis heette De Pannekoek, het tweede De Poffert en het derde De Meelzak, “waar voornamelijk ’s winters herberg werd gehouden”.

Deze herbergen langs het Hoendiep droegen dus alledrie namen welke verwezen naar de meelspijzen die men er nuttigde. Alleen De Poffert bestaat nog, zij het als buurtschap die naar de herberg genoemd is. De namen van de twee andere établissementen zijn weggezakt in vergetelheid.

Van Iddekinge at niet  in een van de herbergen, misschien om reden, want de kwaliteit van het geboden voedsel was er abominabel. Althans, als we dominee Hebelius Potter mogen geloven, die in 1808 langs hetzelfde diep kwam. Hij gaf een vernietigdende recensie:

“…nergens zeker kunt gij in ons geheele land slechter herbergen aantreffen, dan langs de trekvaart tusschen Dokkum en Groningen. Hoewel men den vasten tijd van de komst der jaagschuiten weet, vindt men er echter nimmer iets gereed of in behoorlijke orde, geen water aan de kook, geen vuur aan den haard, terwijl de verregaande morsigheid die allerwegen, in vertrek, aan meubelen en bedienden gevonden wordt, een afkeer verwekt om het noodige te gebruiken, zoo men het nog al bekomen kan.

Ik vroeg om thee, doch kreeg tot antwoord van eene ijsselijk morsige dikke vette dienstmeid of vrouw – want daarin is, in deze huizen, juist geen groot onderscheid te bespeuren – dat het theedrinken juist bijkans een uur gedaan geweest was. En dat, nota bene, in eene herberg.

Ik kon dus, daar ik op de regte theeklok niet aangekomen was, geene thee, en niets anders bekomen dan een dronkje bier in een walgelijk morsige kan, die in geen half jaar geschuurd scheen te zijn, en een glas, dat ruim zoo veel naar horen als naar glas geleek.

Zelfs in het voormalig Commissarishuis te Stroobos, thans door eenen anderen huurder bezeten en bewoond, waar voorheen eene honger- en dorstverwekkende zindelijkheid heerschte, had thans volstrekt het tegendeel plaats en had alles meer het aanzien van de gemeenste kroeg, dan van eene ordentelijke herberg. Dan genoeg hiervan. Het is thans zonder uitzondering met alle herbergen langs dezen streek even eens gesteld.”

Zoals we bij het logje over Bourtange gezien hebben, trof Potter ook wel eens een goede herberg aan in onze contreien. In 1808 vervolgde hij zijn reis langs het Winschoterdiep en zijns insziens verschilden de herbergen daar nogal in kwaliteit van de bovengenoemde:

“Langs dezen kant, en door dit gedeelte van Groningerland reizende, ontmoet men betere herbergen dan aan den kant van Vriesland. De huizen zijn beter ingerigt, er heerscht een veel grootere zindelijkheid, en men kan in alles zijne begeerte weldra voldaan krijgen met goede waar, voor  tamelijken prijs.

Vooral te Winschoten zal de reiziger altijd op den middag eene gedekte en wel voorziene tafel, en voor het overige in het deftig Logement van den beschaafden vriendelijken TER STEEG, en in dat van den gullen NOORDHOF, alles zoo vinden, als hij het wenschen kan, of hij zou niet weten hoe hij het hebben wilde. Het eerste behoeft zeker, wat deszelfs geheele inrigting betreft, voor geen Hollandsch Logement onder te doen.”

Dat onderdoen gold dus wel voor De Pannekoek, De Poffert en De Meelzak langs het Hoendiep. Deze voldeden bij lange na niet aan de kwaliteit zoals die in Holland gewoon was.

Bronnen: Centraal Bureau voor de Genealogie te Den Haag, familiearchief Van Iddekinge (toegang 166) doos 3, brief T.A. van Iddekinge aan zijn schoonouders d.d. 13 juni 1783; en H. Potter, Reize door de oude en nieuwe Departementen van het koningrijk Holland, en het hertogdom Oldenburg, gedaan in den jare 1808 (Haarlem 1808) deel I pag. 102, 103, 134 en 135.


Rondje Oldehove

Witte koe op het Viooltjesland (tussen de Roderwolderdijk en het Koningsdiep), Hoogkerk:

De vlakbij grazende stier:

De Zuidwending tussen Nieuwbrug en De Poffert:

Oeps, daar is Boris:

Zonnebadende aalscholver op de hoek van de Zuidwending en het Aduarderdiep:

Bij het Washuisheem:

Molen de Jonge Held tegen de achtergrond van Vinkhuizen:

Aduarderdiep met de Gaaikemadijk verderop:

Het fietspaadje achter Piloersema, Den Ham:

Bij de Jensemaweg in de buurt:

In Oldehove op atelierbezoek bij Johan van der Dong – veenlandschap:

Terug over Noord- en Zuidhorn – hoekje langs de weg tussen Oldehove en Noordhorn:


Rondje Gaarkeuken – Oldekerk

Eerst maar eens lekker voor de oostenwind over Den Horn en langs het Hoendiep naar het westen. Vervolgens teg de wind in terug over Oosterzand, Oldekerk, Niekerk en de Maarsdijk.

Aan de andere kant van Den Horn waren wat daken van een boerderij en bijbehorende schuur gestript, ik denk voor een asbestsanering, want anders was er wat minder behoedzaam omgegaan met de onderliggende kapstructuur:

Bij de gewezen kerkplaats met klokkestoel van Oldekerk was ik in tijden niet geweest:

Vanaf de achterkant – de contouren van kerk en toren zijn met stenen in het gras gemarkeerd. Ben hier ook eens aangevallen door een ram, maar zo te zien was er geen beweiding meer:

De kap van de klokkestoel:

Mooi stelletje schapen, vlakbij de hoek Kroonsfelderweg – Ekebuursterweg:

Maarsdijk – toen onze trekker nog een trekkertje was, was-ie aardig om te zien:

Herfsttijloos in de berm bij de kerk van Oostwold:

Duellerende dwerggeiten langs de weg, Oostwold:

Schepen tussen Oostwold en De Poffert:

Suikerfabriek Hoogkerk – jongeman bespuit bieten met een soort waterkanon:

Schip bij de loskade van de fabriek:

Het ging me om dit logo – een soort van poema – dat ogenschijnlijk niets te maken heeft met de scheepsnaam:


In ’t Westerkwartiers arcadia

Maandagochtend – een balsturig veulen op De Poffert:

Ik wilde foto’s maken van ‘De Vette Koe’, een zwaar vervallen boerderij bij Zuidhorn die in de Middeleeuwen het eigendom was van de abdij van Aduard. In het voorhuis van de kop-hals-romp, heb ik me laten vertellen, zitten nog kloostermoppen verwerkt. De schuur is niet veel soeps qua oudheid:

De oprijlaan of ree erheen was alvast veelbelovend:

Mij was verteld dat je er zo heen kon gaan, maar helaas, er stond inmiddels een hek dwars over de weg, dat was vastgemaakt met een koetouw. Een vrouw uit het huis ernaast maakte zich bekend als eigenares en ontzegde mij de toegang. Ik moest maar naar de makelaar als ik belangstelling had:

Gister bij wat somberder weer de kant van Roderwolde op. De rogge stond er wat ongelijk en is nog lang niet rijp:

Nieuwsgierige pinken bij Foxwolde:

Een kudde vleeskoeien bij Midwolde:

Springende paarden bij Pasop – met een neutraal publiek:

Vanmiddag via Zuidhorn naar Humsterland en Middag. Afgehaald hooiland bij Oldehove – op de wagen in de verte probeert een man die ronde balen vast te sjorren:

Tussen Oldehove en Ezinge een flink stuk tarwe:

Vleeskoe tussen Ezinge en Feerwerd:

Het uitzicht vanaf de Steentil richting Stad:


Rondje Ter Heijl – Enumatil

Matsloot:

Sandebuur:

Leutingewolde:

Bij de Toutenburgsingel:

Toutenburgsingel:

Langs de Toutenburgsingel:

Toutenburgsingel:

Bij Rome – de koe graast op Drents grondgebied, de huizen op de achtergrond langs de Diepswal van het Leeksterhoofddiep zijn Gronings:

Figuur op de poort van Nienoord lijkt op een van de Marx Brothers:

Bij Midwolde:

Bij Lettelbert:

Nog maar eentje:

Bovenmaatse potloden aan de andere kant van de A7:

Rijtje populieren (ree van een verdwenen boerderij) op dezelfde locatie:

Blauwgras bij het Lettelberterdiep:

Molen Enumatil:

Bij Pabema tussen Enumatil en Zuidhorn:

Op een slootwal bij het Hornpad tussen Zuidhorn en Den Horn:

Lagemeeden, bij de Nutweg:

Lagemeeden, bij het pad naar de Poffert:


Winters rondje Terheijl

Groepje jongeren, schaatsend op een slenk in de Onlanden:

Drinkbak bij Roderwolde met een dichtgesneeuwd koeienpaadje erheen::

Roderwolder Schipsloot:

Foxwolde?

Leutingewolde:

Hoek Toutenburgsingel bij de Santeeweg:

Terheijl, bij de Scheperij;

Blok ijs uit drinkbak aan zandweg binnendoor:

Terheijl, bij de Scheperij in het veld:

Binnenkort in dit theater:

Het boerderijtje middenin het veld waar mijn oudtante Gerkje Kroese en haar man Jan Albert Postema van ongeveer 1937 tot zeker haar vroegtijdig overlijden in 1963 hebben gewoond:

Destijds had je nog niet zulke stoppels van mais, ’s zomers zit je er nu nogal ingesloten, lijkt me:

Bij Nienoord:

Het Lettelberterdiep:

Het pontje van de Poffert, ingevroren:

Vanaf Leek kan je over het Leeksterhoofddiep of het Leekstermeer en de Munnikevaart redelijk veilig tot De Poffert komen en dan over het Hoendiep naar Enumatil. Aan de oostkant van de DePoffert zit een grooy vogelwak en bij de suikerfabriek op Vierverlaten is het ijs kapotgevaren of tamelijk dun. Vanaf de stad kan je in elk geval geen Leekstertak gaan halen:


Rondje Roderwolde – Matsloot – Lagemeeden

Berijpt bermgewas bij tunnel Eemsgolaan:

Kleumende vink (met dank aan Hendrika) bij de eerste Onlander brug:

Uitgebloeide cichorei met rijp:

Even verderop aan de Roderwolderdijk:

Mollenfeest bij de Waalborg:

Het weggetje naar de Waalborg:

Achtereind boerderij bij de Waalborg met diverse plunderij:

Zuidelijke uiteind van de Stobbenvenne met op de achtergrond het Roderwolder kerkhof:

Scharrelvarkens aan de Hooiweg:

Dode reiger in de Matsloot:

Miro-motiefje in de  berm van de Woeste Hoeve:

De Poffert – hellingbazenwoning met pontje:

Kerkhof Lagemeeden:

In een hoek op de zon bloeiden er sneeuwklokjes:

De schuur, wat verder aan de Nutweg:

Berijpte bereklauw:


Visgezelschap poseert bij café Otter, Enumatil

Nog een vondst in De Melangeur, het personeelsblad van Tammes’ chocoladefabriek aan de Peperstraat in Groningen: een los ingeplakte foto in het nummer van juli 1941 van de personeelsleden die deelnamen aan een onderlinge viswedstrijd in Enumatil. Winnaars waren de heren H.J. Buurlage en B. Hermse. Waarschijnlijk zijn zij het, die je glunderend midden vooraan ziet hurken.

Volgens het bijbehorende verslagje deden 15 mensen mee aan de wedstrijd. Er staan echter 16 op de foto. Die ene persoon extra, dat zou wel eens de uitbater van het café op de achtergrond kunnen zijn, en zo ja, dan is dat waarschijnlijk de enige man met een pet op. Als enige heeft hij ook een gebruind hoofd. Mogelijk had hij ook wat vee en kwam daarom vaker buiten dan de arbeiders en kantoorfrikken van de chocoladefabriek.

In het bovenlicht rechtsachter staat de naam van de café-eigenaar: H. Otter. Die naam was van 1920 tot 1986 aan dit Enumatilster café verbonden. Maar al is dat niet meer in bedrijf, het staat er nog steeds bij de Enumatilster brug, met zelfs de gelagkamer uit die tijd.

Het interieur is hier te zien op een aantal foto’s van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. De van boven ronde kast met flessen drank en glazen, de lage toog met tap, we kennen ze ook van andere oude cafés zoals die in Thesinge en Westerwijtwerd. Vorig jaar was het café in Enumatil eenmalig open met Monumentendag. Helaas heb ik die gelegenheid gemist, maar wie weet doet zich ooit nog eens de kans voor.


Rondje westkant Stad

Wel in Roderwolde en ook langs de Peizer/Groningerweg, maar tot nu toe had ik nog géén weggegooid mondkapje in de Onlanden zelf gezien. Vanmiddag was het zover en hing deze aan een brug in de Roderwolderdijk;

De grote waternavel heeft zo te zien vrij spel aan de oostkant van het Leekstermeer. Op de slenken raken de oevers met plakken bezet, en hier rijst de exoot een sloot langs de Hooiweg uit:

Ook vandaag weer verscheidene roofvogels gezien: kiekendieven, valken en deze waakzame buizerd op de Poffert:

Onder en naast de Tichelwerkbrug (Leegkerk) zitten een paar hangplekken, vooral met mooi weer gebruikt door jongeren. Mogelijk kwam er politie langs, wat niet zo fijn werd gevonden. Om al die letters met een stift zwart te maken zodat de afko ACAB ontstaat, moet men nogal een poosje bezig zijn geweest:


Rondje Gaarkeuken

Het pontje van De Poffert:

Enumatil:

Koeien zoeken massaal het reepje schaduw op bij de Dijkstreek:

Blaarkopkalfjes op het Oosterzand:

Buikstedepad nabij het Westerzand, Lutjegast:

Bij het Buikstedepad:

Verruigd hoekje, Gaarkeuken:

Brug bij Gaarkeuken:

De sluis van Gaarkeuken. Heb je als schipper net je schip vastgezet, moet die schroef er weer uit:

Aan de oostkant van Grijpskerk heb je een gebouwtje in Delftse schoolstijl. Het was ooit van de PTT (nu KPN):

Die Delftse schoolstijl is historiserend – dat kan je ook zien aan deze dam. De muur lijkt sterk op de ‘baren’ die het water van de Groninger stadsgracht scheidden van Hoornse- en Winschoterdiep. Er staat zelfs een ‘munnik’ in deze ‘baar’:

Door deze deur komt weinig volk in de kerk van Niezijl (er is nog een andere, wel gebruikt):

Uit welke hoek je hem ook ziet, die spoorbrug van Zuidhorn blijft fotogeniek:

Dorpsgezicht Noordhorn:

Door grazige weiden. Op de achtergrond ontwaar ik nu een ooievaar,. In totaal heb ik her en der een 15 à 20 stuks gezien, meest in plukjes van 4 of 5:

De nieuwe trein van Arriva:.