Ruinerwold, Ruinen, Ansen

Rietdekker aan het werk, nogal een stoffige aangelegenheid en ook niet goed voor de knieën:

Haan op het dak van een helaas sterk verwaarloosd Jugendstilpand:

Datzelfde pand heeft een fantastisch balkonhek:

Snijraam, op het oog Biedermeyer:

Snijraam, op het oog Empire, van een gestileerd alziend oog:

Hek bij antiekboerderij met twee pauwen en een lier:

Schaif stait laif, zeggen ze dan op zijn Gronings:

Best veel mensen hebben geen greintje gevoel voor esthetiek. Mooi oud pandje goeddeels aan het gezicht onttrokken door plastic hooibalen:

Alle foto’s tot nu toe betroffen Ruinerwold en dan vooral de Larijweg. Deze schuur met drie verschillende soorten dakbedekking staat op de Ruinerwoldse kant van Ruinen:

Ansen – zonnebadende geit op bekeutelde tafel:

Drenthe vergrijst, Zuidwest-Drenthe doet dat nog sterker. Dit bord in Ansen waarschuwt tegen overstekende Drenteniers:

Een van de weinige overblijfselen van de borg Rheebruggen tussen Ansen en Uffelte, een keramisch ornament, vermoedelijk afkomstig van een schouw uit de zeventiende eeuw en ingemetseld in de voorgevel van een boerderij op het gelijknamige landgoed:


De klanten van mijn vader

Het gebied waar mijn vader met zijn boekhoud- en administratiekantoor in de jaren zestig klandizie had:

Er wat dichter op inzoomend:

Nu het allemaal in kaart gebracht is, zie ik dat er naar het noorden en westen meer rek in zat, dan naar het oosten en zuiden. In de Stellingwerven, over de grens met Friesland, had hij verspreid nog wel wat klanten zitten, maar hij kwam nauwelijks over de provinciegrens met Overijssel. Wanneperveen was daar de uitzondering. Waarschijnlijk was de concurrentie uit Steenwijk en Meppel in Noordoost-Overijssel te groot. In het oosten vormde de lijn Ommen-Hoogeveen-Assen de uiterste limiet. De dorpen met de meeste klanten waren in mijn herinnering Wapserveen, Uffelte, Ruinerwold, de Veendijk en Nijeveen.

Nog in de jaren 60 ging hij overal heen op zijn brommer, een Zündapp. Hij zei dan ’s morgens altijd waar hij naar toe ging. De meeste klanten waren destijds nog boeren, vaak met een 5 tot 15 koeien. Soms kwamen die hem schoenendozen vol ongesorteerde rekeningen brengen. Bij wijze van vakantiewerk heb ik die wel eens een week of wat op volgorde gelegd en ingeboekt, maar al te lang hield ik dat niet vol. Het was “klotewerk”, vond ik.


Zuidwest-Drentse ooievaarstelling

2015-05-24 304

Begin jaren zeventig deed ik ’s zomers wel vakantiewerk bij de familie Veld in Nijeveen. Kratten met antieke tegels versjouwen, het vlintenstraatje vegen, schuren in de carbolineum zetten, dat soort klusjes. Ik verdiende er, meen ik, vijf gulden per middag mee. Die carbolineumlucht ruik je zelden meer, maar als het me een keer overkomt, keert het hele optimistische zomergevoel van toen weer terug, inclusief de radio Tourflitsen met Theo Koomen.

Een ander geluid daar bij de boerderij van Veld, was het geklepper van de ooievaars. Destijds waren die reuze zeldzaam in Nederland, het ging om een van de allerlaatste paren, een paar jaar later zelfs het allerlaatste paar. Bijna elk jaar waren er jongen. Ik mocht graag staan kijken naar het sierlijke af- en aanvliegen van de ouders.

Dankzij de herintroductie, sinds 1981, van ooievaars door de Lokkerij, heb je tegenwoordig daar in de omgeving weer veel bewoonde nesten. In De Wijk zijn sommige inwoners er al schijtziek van – die roepen om minder, minder, minder. Uit wijdere kring verneem je nog niet van zo’n aversie. Maar daar is de ooievaarsdichtheid dan ook nog lang niet op het peil van 1940.

Dat oorlogsjaar werden er in juli, zoals blijkt uit een bericht in het Agrarisch Nieuwsblad, maar liefst 25 nesten geteld in die omgeving. Nijeveen telde er 3 (waarvan 2 bij een familie Veld), Meppel had er 2, De Wijk 1, Koekange 1, Ruinerwold 13, op de Veendijk onder Havelte zag je er 1, terwijl er op Staphorst 4 waren, waarvan eentje bij (of op?) de hervormde pastorie.

Van deze 25 nesten droegen er 18 (= 72 %) jongen: in totaal 40 of gemiddeld ruim 2 per nest. Bij de 7 andere nesten was het misgegaan om uiteenlopende redenen: geen eieren, eieren niet bevrucht, eieren uit het nest gesodemieterd, of ’t hele nest van de paal afgewaaid. Ook het enige Havelter nest, bij J. Schiphorst op de Veendijk, hoorde bij deze betreurenswaardige groep. Om het rapportage in de krant aan te halen: “één jonge ooievaar uitgeworpen en verder niets van terechtgekomen”.


Op de fiets bij de vaart, na de TT

Mijn vader is eind jaren veertig wel een keer of vier fietsend gekiekt en bovendien minstens zo vaak staande naast zijn fiets. Vermoedelijk kocht hij ’t rijwiel – een Fongers? – van zijn eerst verdiende centen. Meestal is de omgeving op zulke portretjes vrij non-descript; de interessantste van die fietsfoto’s is deze:

img535 nog x

Hij rijdt richting fotograaf op een pad en achter hem komen er nog veel meer mensen deze kant op. Blijkbaar is er iets te doen geweest. Er zit een bloem, zo te zien een anjer, op zijn ene revèr, Links ligt een olievat in de berm, binnen de omheining staan een ouwerwetse benzinepomp en een reclamepaal van Esso en aan de andere kant van de opgang zie je een bord met de aanduiding: “Bushalte D.A.B.O.” (Drentse Auto Bus Onderneming).

Het moest Havelte zijn, maar in eerste instantie kon ik de omgeving niet thuisbrengen. De Beeldbank van het Drents Archief bracht echter uitkomst. Die bevat een foto die vanaf bijna dezelfde plek en in grotendeels dezelfde richting genomen is, en verklaart daarbij dat het hier gaat om de “ESSO benzine pomp van de familie Faken aan de Rijksweg Nz. 4 te Havelte”.

Later zat hier, bij de Drentse Hoofdvaart, het garagebedrijf van Bart de Groot, totdat die populaire BOVAG-vakman rond 1970 leraar werd aan de LTS. Achter het bushaltebordje zien we dan het brugwachtershuisje bij de Havelterbrug. En achter mijn vaders andere schouder en al dat volk in aantocht zien we de voorgevel van het café Kassies dat schuin tegenover de Havelterbrug pal op de rijksweg stond:

Café Kassies bij de Havelterbrug

Dat café dateerde van ongeveer 1850 en gold sindsdien als

“een belangrijke pleisterplaats voor de boeren in Drente (…), die het op hun weg naar de markten te Meppel of te Assen bij voorkeur aandeden, eerst in de tijd van de trekschuit en later, toen de tram de voornaamste verbinding tussen deze beide grote Drentse plaatsen was geworden.”

Met de ontwikkeling van het autoverkeer werd het café hier echter een gevaarlijk object. Tussen het brugwachtershuisje en het café kwam namelijk de Dorpsstraat op de Rijksweg uit, menigeen moest hier oversteken naar Ruinerwold en er zijn hier enkele zware ongelukken gebeurd, doordat je vanuit de Dorpsstraat naar links nauwelijks zicht had op de Rijksweg. Vandaar dat Rijkswaterstaat café Kassies begin 1954 opkocht en liet slopen.

Maar waarom was hier op de foto van mijn pa zoveel volk bij de weg? De plek stond toch niet bekend om zijn publieke festiviteiten. Welnu, ik denk dat de anjer op het jasje van mijn vader duidt op de verjaardag van prins Bernhard, eind juni. De Prins landde in de zomer van 1949 ook eens met zijn vliegtuig in Havelte, maar dat zal aan de andere kant van het dorp geweest zijn, want hier op de oostkant was het land daarvoor te drassig, terwijl op de westkant nog het voormalige Duitse vliegveld lag. Verder was er bij de Rijksweg en Hoofdvaart maar één gebeurtenis die telkenjare veel volk trok, en dat was de doortocht van alle motorrijders na afloop van de TT in Assen, ook steeds aan het begin van de zomer. Waarschijnlijk heeft mijn vader, net als al die mensen achter hem bij café Kassies, dus naar die motorrijders staan kijken, juist op de verjaardag van de prins.

Nu vierde men die verjaardag op 29 juni, behalve als dat een zondag was, want dan werd het zaterdag 28 juni. Kijken we nu naar de data waarop in de periode 1947-1953 de TT gehouden werd, dan is dat geen enkele keer op 29 juni en alleen in 1947 en 1952 op 28 juni geweest. De foto van mijn vader moet dus in een van deze beide jaren gemaakt zijn. Vergelijking met gedateerde foto’s van hem uit 1948 en 1951 leert dan, dat hij er in die jaren wel iets ouder uitzag. Ergo: de foto dateert van 1947, toen hij twintig jaar oud was.


Aanbesteding met een klein bouwschandaal in Dwingeloo

Foto: Dwingels Eigen (met dank!)

Westeinde 65a, later Heuvelenweg 17 in 1965. Foto: Dwingels Eigen (met dank!)

In mijn familie was het eigen woningbezit bij de vier jongste generaties dominant, wat qua historisch onderzoek grote voordelen biedt. Eigenaar-bewoners zijn namelijk door de bank genomen veel gemakkelijker naspeurbaar dan huurders. Niet alleen zijn er geheid koop- en hypotheekaktes in notariële archieven bewaard, via ouwe kranten kan je bovendien particuliere aanbestedingsprocedures reconstrueren.

Zo liet mijn grootvader Albert Vondeling in 1939/1940 het bovenstaande dubbele woonhuis met werkplaatsen en winkelruimte bouwen aan het Westeinde van Dwingeloo (later herdoopt tot Heuvelenweg). De architect ervan was R. Koeling Pzn. uit Eemster, die volgens de aankondiging, op 2 juni 1939 in de Meppeler Courant, ook de aanbesteding voor mijn grootvader regelde:

Foto van beeld op leesapparaat voor microfiches, Drents Archief. Helaas is de Meppeler Courant niet via internet beschikbaar.

Foto van beeld op leesapparaat voor microfiches, Drents Archief. Helaas is de Meppeler Courant niet via internet beschikbaar.

In deze tijd speelde een verhaal dat mijn moeder wel eens vertelt om aan te tonen hoe “loos” mijn grootvader was. Die werkte sinds het voorjaar van 1939 als electriciën in Dwingeloo. Aan dagelijks op en neergaan vanuit Zuidhorn viel natuurlijk niet te denken bij het toenmalige (openbare) vervoer en zolang hij nog geen huis in Dwingeloo had, logeerde hij er in hotel Mulder aan de Brink, terwijl zijn gezin nog even in Zuidhorn bleef wonen. Of het nou in hotel Mulder of bij een klant was weet mijn moeder dus niet, maar op een gegeven moment kwam mijn grootvader een klein bouwschandaal ter ore. De aannemers uit Dwingeloo en omgeving maakten gemene zaak en hadden afgesproken “er een kop op te doen”, dus hun inschrijvingen met een gelijk bedrag op te hogen, dat ze dan naderhand onder de verliezers zouden verdelen. Mijn grootvader liet zich vervolgens tegen deze en gene ontvallen, dat ook een aannemer uit Zuidhorn gading maakte naar de klus. “En toen deden ze de kop eraf”, aldus mijn moeder.

Het Nieuwsblad van het Noorden berichtte op 14 juni 1939 over deze aanbesteding:

c -  1939-06-14 NvhN over aanbest
De hoogste inschrijvers waren dus zo’n 20 % duurder dan de laagste. Volgens een iets uitgebreider bericht in de Meppeler Courant van een paar dagen later, waren er 11 inschrijvers geweest voor het timmer-, metsel-, grond- en stucadoorswerk, terwijl zich 8 gegadigden voor het verven en behangen hadden aangediend. De concurrentie was dus redelijk groot. Overigens dong er geen enkele aannemer uit Zuidhorn mee.

Uiteindelijk gunde mijn grootvader het werk niet aan de laagste inschrijvers, in wie hij kennelijk onvoldoende vertrouwen had. Volgens de Meppeler Courant van 21 juni mocht aannemer R. Koning uit Ruinerwold het pand gaan bouwen, terwijl B. Eggink uit Dwingeloo het glas- en schilderwerk ging doen. Welke bedragen hiermee gemoeid waren, bleef helaas onvermeld, maar we kennen in elk geval de bandbreedte – al met al zal het pand mijn opa zo’n 6000 gulden hebben gekost.

Het rechter gedeelte, met de winkel, werd vast het eerst afgewerkt. Het linker gedeelte verhuurde mijn grootvader naderhand aan de onderwijzer Benus en diens vrouw, ook mensen met een Groningse achtergrond.

d - huis opa V 2010 ofzo