Rondje Sebaldeburen

Uitheems varken koestert zich in de zon, Roderwolde:

Het eikenlaantje naar de Waalborg:

Zwaan op kade bij het Leekstermeer:

Kapseizoen. Hoorde en zag nogal wat gezaag onderweg:

Zultemeer, zo heet die schuit, en ze bevaart het Zultemeer (Leekstermeer):

Dorpsgezicht Tolbert:

Op hondencursus bij Boerakker:

Varkensboerderij in afbraak, bij Bakkerom in de buurt:

Tuinhekje Sebaldeburen, bij dubbele woonboerderij die momenteel te koop staat:

Fruitboom  aan de Maarsdijk, Niekerk:

Byma, Faan – d.w.z. het ‘schathuis’ van de lang verdwenen borg:

Hazelaar bij het Hoendiep, De Poffert:


Ongeletterd Sebaldeburen (1811)

“Allen kunnen hier op verre na niet lezen of schrijven: velen die nog lezen kunnen, lezen slecht; weinigen kunnen dit behoorlijk doen. Er zijn velen, die niet meer schrijven kunnen, dan hunnen naam; eenige weinigen schrijven redelijk.”

Dat schreef dominee Westendorp van Sebaldeburen in 1811 over zijn gemeente. Bij zo’n lage graad van geletterdheid is het geen wonder dat er ook weinig (courante) lectuur in omloop was:

“Met het lezen van nieuwe werken houdt zich slechts eene enkele op: er wordt bijna niet gelezen. De meesten hebben zelfs tegen latere werken een vooroordeel.”

Bij onderzoek naar Noord-Drentse boedelinventarissen uit de achttiende eeuw, bleek me ooit, dat minder dan tien procent van de erflaters daar boeken in huis had, anders dan een bijbel of testament. Slechts een enkeling bezat wat stichtelijke werken, en verder hadden de dominee, de dokter en de rechtsgeleerde boeken op hun vakgebied, maar daarmee hield het wel op. Westendorps opsomming van het boekenbezit in Sebaldeburen sluit naadloos op die bevinding aan:

“Sommige huisgezinnen hebben geen boek, anderen alleen den bijbel, eenige bovendien nog een gebedeboekje of bloemhofje, of een paar kleine methodistische blaadjes, die door omloopsters verkocht worden. Zeer weinigen hebben den een’ of anderen schrijver over den Catechismus, en een boek met predikaties. Brakel is hier van al de schrijvers het meeste in achting. Hij en Cats zijn hier haast alleen bekend.”

De citaten komen uit een bespreking van Westendorps inwijdingspreek voor de nieuwe kerk van Sebaldeburen (1807), die aangevuld met een historisch essay, in 1811 verscheen bij uitgever Oomkens in Groningen. De bespreking stond in de Vaderlandsche Letteroefeningen van dat jaar, die met andere jaargangen van dat literaire tijdschrift door DBNL op het web is gezet.


Rondje Buikstede

(Zondagmiddag)

In training op Westpoort:
DSC03696
Doorkijkje in Enumatil:
DSC03697
“Hut” bij het Hoendiep zuidzijde, Zuidhorn:
DSC03698
Gaarkeuken:
DSC03706
Buikstederpad, Lutjegast:
DSC03714
Watermolen met schuur tussen het Westerzand en Sebaldeburen:
DSC03728
Daar vlakbij: poldermolen de Eendracht (1997), Sebaldeburen:
DSC03735
Wiekenkruis Eendracht:
DSC03736 was 4
Vervallende kroeg, Sebaldeburen:
DSC03747
Windvaan  in de vorm van een (wal)vis op de Ichthuskerk te Oldekerk:
DSC03749
Abraham in Oostwold:
DSC03758
Ben je vijftig en word je in een scootmobiel gedacht:
DSC03760


In hoeverre bestond de woningvoorraad uit arbeiderswoningen?

In 1808 wilde de overheid met het oog op een nieuwe belasting weten hoeveel woningen er in elk dorp stonden, en hoeveel van die onderkomens arbeiders- en armenwoningen waren. Voor het Westerkwartier zijn de opgaven bewaard gebleven. Ik heb ze in deze tabel ondergebracht:

Plaats Totaal bewoonde huizen Boeren en ingezetenen Arbeiders dagloners + armen Percentage arbeiders
Vredewold
Marum +

de Wilp

115 51 44,3 %
Nuis 49 12 24,5 %
Niebert 55 20 36,4 %
Tolbert 119 52 43,7 %
Midwolde 49 15 30,6 %
Leek 151 45 29,8 %
Zevenhuizen 200 145 72,5 %
Lettelbert 46 10 21,7 %
Oostwold 35 11 31,4 %
Lagemeeden 22 6 27,3 %
Hoogkerk &c.
Hoogkerk 76 26 34,2 %
Leegkerk 31 11 35,5 %
Dorkwerd 17 4 23,5 %
Aduard etc.
Aduard 98 44 44,9 %
Hogemeeden 44 12 27,3 %
Den Ham 42 12 28,6 %
Fransum 23 6 26,1 %
Wierum 26 1 3,8 %
Oostum 14 3 21,4 %
Garnwerd 85 48 56,5 %
Westerdeel-Langewold
Grijpskerk 124 85 33 + 6 31,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Sebaldeburen 62 40 19 + 3 35,4 %
Lutjegast 93 59 28 + 6 36,6 %
Grootegast 145 84 55 + 6 42,1 %
Doezum 123 80 40 + 3 35,0 %
Opende 47 36 10 + 1 23,4 %
Lucaswolde 16 11 5 31,2 %
Oosterdeel-Langewold
Zuidhorn 133 57 42,9 %
Noordhorn 135 54 40,0 %
Niekerk 70 28 40,0 %
Oldekerk 68 37 54,4 %
Faan 10 1 10,0 %
Niezijl 78 39 50,0 %
Visvliet etc.
Visvliet en Pieterzijl 130 50 38,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Middag-Humsterland
Oldehove 134 63 47,0 %
Niehove 100 44 44,0 %
Saaksum 40 21 52,5 %
Ezinge 98 36 36,7 %
Feerwerd

De grootste kernen Zevenhuizen en Leek waren juist ook hele jonge – ze hadden hun ontstaan aan de vervening te danken. Maar terwijl Zevenhuizen het hoogste aandeel arbeiderswoningen van het Westerkwartier kende (72,5 %) was dat in Leek juist aan de lage kant (29,8 %). Zevenhuizen was veel proletarischer dan het verzorgingscentrum Leek, mag je concluderen. Hoge percentages arbeiderswoningen waren er ook in Kommerzijl en Garnwerd met hun kleinschalige havenactiviteiten. Door de bank genomen zal in het Westerkwartier ruim een derde van de woningvoorraad uit arbeiderswoningen hebben bestaan. Laag waren de percentages in typische boerendorpen als Dorkwerd en Lettelbert.

Verder heb ik de percentages geclassificeerd in vier groepen: 20-29% (geel), 30-39 % (oranje), 40-49 % (rood) en meer dan 50 % (paars). Hoe donkerder de kleur, hoe hoger het percentage arbeiderswoningen op de gehele woningvoorraad. In kaart gebracht levert dat het volgende beeld op:

De paarse stippen (relatief veel arbeiderswoningen) zitten vooral vlakbij het Reitdiep, waar afgezien van de haventjes de grote boerderijen op de jonge zeeklei ’s zomers behoefte aan veel losse arbeidskrachten hadden. In de omgeving van de stad en het noorden van het Vredewold vallen juist de lage percentages op. Ten zuiden van het Hoendiep is het paars van Zevenhuizen vrij uitzonderlijk.

Bron; Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 752.


Blok, paal en kist – de kwetsbare kluizen voor het armengeld

Offerblok Zandeweer. Foto collectie Rijksuniversiteit Groningen.

1. Het offerblok van Nieuwolda gekraakt

Uit het oudste diaconieboek (1752-1799) van de hervormde gemeente Nieuwolda blijkt, dat de diakenen daar alle collecte-opbrengsten aanvankelijk steeds stortten in een blok, een zware houten kluis met veel robuust ijzerbeslag. Dit blok leegden ze zo’n beetje om de dertig, veertig dagen, waarna ze de inhoud uittelden en inboekten.

Dan staat er op 7 december 1754 deze ontvangstpost in hun administratie:

Hebben de dieven nog in het block laten 2-3-1

(twee guldens, drie stuivers en een duit). Het kraken van het blok in de kerk vormde nogal een strop voor de armen, omdat de laatste lichting ervan op 20 november plaatsvond – het gros van het collectegeld van de laatste weken was dus foetsie: naar schatting enkele tientallen guldens.

Voor de kraak werd overigens niemand opgepakt. Vanaf dat moment zijn de collecte-opbrengsten wèl veel beter in de diaconierekening gespecificeerd. Achteraf een zegen voor de historicus van geefgedrag.

2. Een vingervlugge diaken in Sebaldeburen

De hervormde gemeente Sebaldeburen was in zomer van 1777 vacant, toen er een buitengewone vergadering van de kerkeraad werd belegd, waarbij ook de beide toezichthoudende naberpredikanten aanschoven: ds. Holst van Niekerk en ds. Braams van Lutjegast. Van de beide ouderlingen kregen deze te horen dat er ongenoegen in de gemeente Sebaldeburen heerste wegens het “vermissen” van enig diaconiegeld, waarna beide diakenen kort aan het woord kwamen en de ene, Jannes Berends, een uitgeschreven aanklacht tegen zijn collega Eije Fokkes inleverde. De laatste kreeg deze voorgelezen door de voorzitter van de vergadering, ds. Holst. Het stuk zonder interpunctie, waar de streektaal prachtig doorheen schemert, doet heel mooi de gang van zaken bij een dorpsdiaconie uit de doeken wat betreft het opbergen van collecte-opbrengsten. In de kerk van Sebaldeburen gebeurde dat in een paal, een wat langere en slankere uitvoering van het offerblok.

De aanklager, Jannes Berends, was in het vroege voorjaar langdurig ziek geweest, maar hij wist zich in mei, bij zijn eerste kerkgang na zijn herstel, nog heel goed te herinneren dat de heer Fruytier, die een buitenplaats op Kuzemer bewoonde, altijd grote giften deed in het zakje dat tijdens de diensten onder de kerkgangers rondging. Fruytier was ook nu weer bij de dienst aanwezig. Dus vroeg de nieuwsgierige Jannes na afloop aan zijn collega-diaken Eije Fokkes: : “Wat het mijnheer in de buil gieven?” Waarop Eije antwoordde: “Daar is en sestehalf en een goede schelling in” (samen 11,5 stuivers) . Naast de schoolmeester waren beide ouderlingen bij dit gesprekje aanwezig. De ene ouderling had nog gezegd: “Dan wort al minder” en de ander beaamde dat. Kennelijk deed de heer Fruytier voorheen grotere munten in het zakje en waren de ouderlingen daarvan op de hoogte.

De volgende zondag zag Jannes Berends louter duiten, kopergeld, uit de buil voorbij komen. En dus vroeg hij zijn collega opnieuw wat meneer Fruytier in de buil had gedaan. Waarop Eije een ontwijkend antwoord gaf: “Daar is niet van komen”. Zodoende vatte Jannes een verdenking op:

Doe [k]reeg ik ander gedagten – dat het niet goet was, want mij dogte: “Mijnher sal wel meer geeven als duiten, want voor mijn siekte noit minder als guldens”. Daarop dogte ik: “Dat wark is niet goed; ik sal daar om denken als mijnheer weer komt”.

De derde zondag na Jannes’ ziekte preekte ds. Brandts van Nuis & Niebert. Ook nu kwam de heer Fruytier weer in de kerk en Jannes besloot heel goed op te letten:

en doe d preedekant toe het hoktie uit ging, krijg Eije de buil en smeet het gelt in de bekken en ik paste op [hoe] het ging en Eije taste met sijn linkerhant in de bekken, kreeg er gelt uit en schud het gelt in sijn rechterhant en ik sag de gulden klaar in sijn linkerhant sitten en ik kreeg de bekken in mijn linkerhant en wij deden de duiten in de paal en ik oogde op de gulden. Doe wij de leste duitten in de paal deeden, heeft Eije met sijn linkerant daar de gulden in was, soo even in de voorbroek weest, en terstont was de hant open en de gulden was er uit.

Jannes kreeg het er warm van:

Ik seide: “Eije wat het de heer in de buil gee[ven]?”
Daar op het Eije segt: “Dat weet ik niet goet”.
Ik see: “Eije het was ja en gulden”.
Eije: “Ne”.
Segt Eije daarop: “Ik loof dat het en gladde sestehalf was”.
Ik see: “Wel een gulden, Eije”.
“Wast een gulden? Dat ken ook wel weesen”, seide Eie.
“Wel een gul[den]”, seide ik: “Hem (= ik heb hem) soo klaar sien als dag”.
Doe is Eije foei worden en ging weg.

Jannes overwoog nog om het hele geval te verzwijgen, maar verwierp die optie: “Dat is ook niet goed” (daar schoot de diaconie immers ook niets mee op). Daarom besloot hij Fruytier zelf te vragen, “wat hij in de buil geeven het”. Hij ging naar Fruytiers “plaatse”, maar Fruytier bleek niet thuis. Op 7 juni ging Jannes naar Groningen, maar trof meneer daar evenmin in diens stadshuis. Uiteindelijk trof hij Fruytier bij Hinderk Arents Pomp (waarschijnlijk een herbergier) op de Kuzemer. Fruytier sprak hem daar zelf aan:

“Jannes Beerents, ik heb hoort je hadden an mijn huis weest. Had je mij wat te seggen?”
Ik seide: “Ja mijnheer”.
Mijnheer seide: “Kon wij dat hier doen of moet wij allee[n sijn]?”
Ik seide: “Alleen mijnheer”.
Doe ben wij alleen gaan. Doe seide ik: “Mijnheer moet het niet kwalijk neemen, ik wol mijnheer zelf vragen wat mijnheer in de buil geeven heeft doe Brants daar preekt het”.
Doe seide mijnheer: “Jannes Beerents, dat seit men soo niet.”

Zoals ik hier al eens uit de doeken heb gedaan, werd nieuwsgierigheid naar (en indiscretie over) de grootte van giften bij kerkelijke collecten ongepast gevonden. Dat wist Jannes natuurlijk ook wel, maar nood brak wet:

Ik seide: “Mijnheer, dat denk ik wel, maar daar scheelt wat an”.
“Wat s[cheelt] er an?”, seide mijnheer: “Dat moet gij mij seggen”.

Jannes deed hem het hele verhaal:

Doe seide mijnheer: “Ik heb noit mijnder geeven als guldens.

Daarmee werd Jannes’ verdenking er alleen maar sterker op. Die zondag zou er avondmaal zijn, waarna de paal zou worden geleegd. Jannes liet tegen Fruytier doorschemeren dat hij vooraf getuigen, dus de ouderlingen, wilde inlichten. Dat ried de heer Fruytier hem af. Die vond het beter dat hij eerst zijn vingervlugge collega onder vier ogen zou vragen om de missende guldens terecht te brengen “eer dat daar meer praat van komt”. Ook moest Jannes Eije Fokkes vragen “of hij wel met ije na mijnheer toe doost” (of hij wel met hem naar Fruytier durfde gaan).

Het lijkt er sterk op dat Jannes deze raad in de wind sloeg. Op zondag 21 juni vroeg hij de ene ouderling, Harm Luitjens, “om met ons de paal te ligten”. Aan zilvergeld kwam er toen slechts 8 gulden en een stuiver tevoorschijn, en dat terwijl de laatste lichting van de paal op 5 februari plaatsvond en er intussen “twee olde doden op het hof komen” en twee avondmaalsvieringen waren geweest. Afgaande op de gebruikelijke bekkenopbrengsten bij zulke begrafenissen en de avondmalen had er veel meer zilvergeld in de paal moeten zijn, temeer daar er ook nog 4 sestehalven na twee trouwerijen en even zoveel doopplechtigheden in het open bekken op het koor waren gelegd.

Op zich had Jannes Berends een sterke zaak, maar in de buitengewone kerkeraad van 17 juli, waarmee dit verhaal begon, ontkende Eije Fokkes bij hoog en bij laag,

eisende bewijs, dat hij enige penningen de diakonie ontvreemd hadde.

Een bekentenis gold destijds als het hoogste bewijs. Ook de buurpredikanten en ouderlingen vonden dat Jannes’ aanklacht voldoende grond ontbeerde. Tot zich een nader “blijk zou aandienen”, schorsten ze de beide diakenen als lidmaat, “wegens onderling groot verschil”. En omdat dit kennelijk bij geen van beiden goed viel, werd uiteindelijk besloten dat er zo snel mogelijk een verkiezing voor twee nieuwe diakenen zou komen. Die verkiezing vond zelfs al binnen een week plaats.

De naberpredikanten en ouderlingen kozen hiermee als tijdelijke kerkeraad voor de weg van de minste weerstand en lieten zodoende vooral de klokkeluider Jannes Berends in de kou staan. Nader bewijs had er natuurlijk kunnen komen met een verklaring van meneer Fruytier, maar mogelijk was die gepikeerd omdat Jannes Berends zijn raad in de wind sloeg. Jannes had zo bezien zijn ontslag aan zichzelf te danken. In elk geval kwam Eije Fokkes met de schrik vrij: getuige het rechtdagenprotocol van Westerdeel-Langewold is er geen vervolging tegen hem ingesteld. Zoals zo vaak: kleine dieven hangt men op, de grote laat men lopen.

3. Baljuw doet blok, paal en kist in de ban

De drost van het Westerkwartier heette nog niet zo lang baljuw, toen hem vervelend nieuws bereikte. De diakenen van Grootegast kwamen klagen

dat de armenpaal in de kerke aldaar was bestolen.

Op woensdag 5 oktober 1808 was dat. De baljuw zette de fiscaal aan het werk – die moest informatie gaan inwinnen. Niet dat die ergens toe leidde: de dader bleef uit zicht. Maar omdat “de daaglijksche ondervinding” hem leerde “dat de kerken niet langer kunnen worden beschouwd als veilige bewaarplaatsen voor de diaconiepenningen” besloot de baljuw tot een preventieve maatregel:

dat van nu voortaan de diaconiepenningen niet zullen mogen worden gelaten in kerken of aldaar in eenig blok, paal of kist worden opgesloten en bewaard, maar dat dezelve penningen bij iedere collecte terstond zullen moeten worden aangeteld, en de sum daarvan behoorlijk aangetekend, en dat voorts deze penningen door de boekhoudende diacon in bewaring zullen moeten worden overgenomen, wordende de respective boekhoudende diakens verantwoordelijk gesteld voor alle diaconiepenningen welke na insinuatie dezes uit een blok, paal of kist, in de kerk geplaatst, zullen worden vermist.

Deze oekaze ging schriftelijk naar alle diaconieën van het Westerkwartier. Ik heb het niet onderzocht, maar vermoed dat er daarna nog heel weinig blokken, palen en kisten in gebruik zijn geweest voor het bewaren van collectegeld. De diefstal van de armepenningen zou voor de boekhoudend diakenen immers neerkomen op “hun eigene schade”.


Langewoldster vermakelijkheden

“Ruwheid, woestheid in de vermaken, wordt algemeen voor een gebrek der inwoners der wouden gehouden: hier van zijn ze ook geenszins vrij te pleiten. (…)

Tot het spel zijn, helaas! velen te zeer genegen, en het is inzonderheid den zondag, waar op men, of in het veld of in gemeene huizen, zijn geluk beproeft. (…)

Overal ten platten lande heerscht het gebruik, om soms eens naar de kermis te reizen, en zig daar regt, gelijk mede onderweg te vermaken. De verkooping van vee, gereedschappen en meubelen op een boereplaats geeft daartoe eene andere gelegenheid. Hier zoeken de jongelieden van de beide kunnen elkanderen niet minder dan op kermissen op.

De zaturdag, doch inzonderheid de zondagavond, is de gezette tijd der uitspanningen: men zoekt elkander dan op, of aan de huizen, of geeft elkanderen elders een rendevous. De dienstboden misbruiken hunne vrijheid te lande zeer: de boer kan het niet beletten, schoon zijne knecht nacht op nacht rinkelrooit, gelijk dikwerf gebeurt. Wanneer zal de politie den euvelmoed der dienstboden ten platten lande beteugelen, en voor de jeugd waken? – Dese gezelschappen houden meestal lang aan en worden door brandewijn levendig gehouden, gewoonlijk tot aan den morgen, onder gezang en vrolijkheid, doorgezet.

Men houdt hier veel van papegaaischieten, de kat uit de ton te smijten, eene gans het hoofd af te trekken, ’s winters op schaatsen op den ring te rijden, een soort van toernooispel. Ook begint men bij het dobbelen het kaartspelen te voegen, ’t geen voor weinige jaren nog onbekend was. Waarom heeft men tegen het kaatsen, ’t geen openlijk geschiedde, uitgevaren en de jeugd in de kroegen gedreven?”

Bron: Nicolaus Westendorp, Eerste Leerrede in de Nieuwe Kerk te Sebaldeburen, benevens een Oudheidkundige Verhandeling (Groningen 1809) 141-143.


Oude Veenkoloniën waren bijenhoudersgebied bij uitstek in Groningerland

Dat ik de boedelinventaris van Jan Davids Braam vond, kwam door een nieuw ‘trucje’ in de geavanceerde modus van Alle Groningers. Door een procentteken (%) zonder spatie voor een beroepsaanduiding te zetten, krijg je – spelfouten daargelaten – alle akten van de burgerlijke stand waarin dat beroep genoemd wordt. Deze truuk kan je bijvoorbeeld uithalen met bijenhouder, bijker, ijmker, iemker, imker en bijhouder. In totaal krijg je voor die synoniemen dan 94 akten, die als volgt verdeeld zijn over de periode die de Burgerlijke Stand bestrijkt, onder aftrek van de min of meer recente decennia waarvoor een embargo op de akten berust:

Akten Burgerlijke Stand waarin bijenhouder, bijker, ijmker, iemker, imker of bijhouder genoemd wordt als hoofdberoep van een persoon in die akte. Bron: allegroningers.nl .

Vooral in de eerste decennia van de negentiende eeuw, duidden mensen zichzelf of wijlen hun vader nog aan met een dergelijk hoofdberoep. In de tweede helft van de negentiende eeuw viel dat duidelijk terug, waarna er een partieel herstel optrad in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Of de grafiek ook werkelijk het voorkomen van professioneel imkerschap weerspiegelt blijft onzeker. Zoals je aan Braam kon zien, gaf men wel eens de voorkeur aan een andere beroepsaanduiding, terwijl het werkelijke hoofdberoep toch bijenhouder was. Je moet er dan ook rekening mee houden dat er veel meer professionele imkers waren, dan in de akten voorkomen. Het is ook nog mogelijk dat de grafiek vooral het beroepsimago weergeeft. Bovendien zijn de cijfers vanaf 1918 gedrukt doordat de geboorte-aangiften voor die periode nog niet in Alle Groningers zitten.

Uiteraard betreffen die 94 akten niet even zovele bijenhouders, omdat ettelijke imkers in meerdere akten voorkomen. In totaal kon ik 56 mannen identificeren die de bijenteelt als hoofdberoep noemden of als imker etc. werden aangeduid. De namen staan in een lijst die ik bij wijze van bijlage onderaan dit stukje heb geplaatst. In enkele gevallen, vooral in de eerste decennia van de negentiende eeuw, droegen die mannen ook familienamen, ontleend aan hun beroep. Zo hadden imkers in Wolfsbarge en Wehe de achternaam Bijker, terwijl een collega uit Warfhuizen Bijman, ook wel Bijma heette en een vakbroeder uit Hoogezand De Bij genoemd werd. In enkele gevallen zie je bovendien imkerdynastieën, waarbij het beroep van vader op zoon overging. Zoiets had ik al geconstateerd bij de familie Braam (Hoogezand e.o), maar het bleek ook ’t geval bij de Potjewijds (Oude Pekela) en de Van Timmerens (Slochteren).

Hiermee zijn al wat plaatsnamen genoemd. Verreweg het interessantst is inderdaad de vraag waar de mannen woonden, die als hoofdberoep bijenhouder opgaven, of ermee werden genoemd. En dan bedoel ik niet de gemeenten, maar de plaatsen waar deze imkers werkelijk woonden. Die woonplaatsen heb ik op een kaartje gemarkeerd:

Vooral in de omgeving van Slochteren, Hoogezand-Sappemeer, Veendam-Wildervank, het oudste deel van Stadskanaal en de beide Pekela’s kwam de beroepsaanduiding veel voor. In het Westerkwartier was het al beduidend minder, terwijl er in Hunsingo, Fivelingo (met uitgezondering van de omgeving Bierum), het Oldambt en Westerwolde maar weinig mannen waren die zich bijenhouder enz. noemden.

Nogmaals, er is een dark number van mannen die het beroep wel uitoefenden, maar de voorkeur aan een andere aanduiding gaven. Toch weerspiegelt het kaartje mijns inziens wel, waar mensen vooral van de bijenteelt konden leven, namelijk in Midden-Groningen en de oude Veenkoloniën. Dit was ook het gebied, dat centraal gelegen was tussen gebieden met verschillende dominante drachtplanten. Zelf kende het veel boekweitteelt, verder konden bijen naar het koolzaad in het Oldambt en de Ommelanden en naar de heide in Drenthe en Westerwolde.

Dat er veel bijen tussen zulke gebieden vervoerd werden, kan je ook zien aan enkele overlijdensakten. Zo stierf Jan Klaassens Bijman uit Warfhuizen in augustus 1824, tijdens de heidebloei, in het Drentse Hoogeveen, terwijl de Hoogeveense bijker Hendrik Smith in juni 1818, tijdens de koolzaadbloei, in Pieterburen overleed. De laatste heb ik overigens niet in onderstaande lijst opgenomen, net zomin als een andere Drent en enkele Friese imkers. Het was me immers louter te doen om de Groningse bijenhouders.

Bijenhouders etc., genoemd in Alle Groningers:

WOONPLAATS NAAM BIJENHOUDER GENOEMD IN AKTEN UIT JAAR
     
Bedum Jan de Neu (vgl. Zuidbroek) 1900, 1905, 1907, 1909,
Bierum Derk Jans Draak 1827
Jan Gerrits Schuurman 1838
Tjark Alberts van Dijk 1850
Foxhol (gem. Hoogezand) David Jans Braam (vgl. Hoogezand) 1845, 1846
Grijpskerk Eduard Poppema 1911, 1913, 1914
Groningen Willem Spiekman 1826
Haren Evert Heidema 1927
Hellum (gem. Slochteren) Jan Eisses Doornbos 1879
Hoogezand Hindrik Stoffers de Bij 1816
Jan Davids Braam (vgl. Foxhol) 1820
Kalkwijk (gem. Hoogezand) Arend Aljes Smit 1822, 1823
Kleinemeer (gem. Sappemeer) Derk Vegter 1868
Jan Barkman 1901
Kolham (gem. Slochteren) Jannes Tepper 1876, 1877
Pieter Schuur 1879
Midwolda Willem Baas 1943
Nieuwe Pekela Pieter Alles de Jonge 1813, 1814
Willem Jans Horlings 1832
Harm Jans de Weerd 1833
Noordhorn Jan Vlietstra 1906, 1912, 1913
Opende (gem Grootegast) Pieter van Velden 1921
Oude Pekela Harmen Klaassens Pottjewijd 1814
Geert H. Potjewijd 1816, 1818
Schildwolde Eisse Folkersma 1920, 1929, 1930, 1931, 1934, 1943
Jans Folkersma 1930, 1931
Sebaldeburen (gem. Grootegast) Johannes Schaafsma 1919, 1923
Siddeburen (gem. Slochteren) Kornelis Koning 1894, 1896
Slochteren Jakob Jans Meelker 1856
Eisse van Timmeren 1913
Jakob Hindrik van Timmeren 1927
Spijk (gem Bierum) Klaas Simons Groenewold 1827
Stadskanaal (gem. Wildervank) Gozen Albertus van Groenendal 1838
Stadskanaal (gem. Nieuwe Pekela) Pieter Hindriks Brouwer 1826
Harm Arends 1882
Veendam Arend Hindriks Bolhuis 1830
Jan Geerts Kool 1856
Derk Vos 1901
Koert Kram 1906
Vlagtwedde Heero Harms Tammes 1828
Warfhuizen Jan Klaassens Bijman (ook 3x Bijma) 1818, 1820, 1821, 1824, 1836, 1838
Wehe (gem. Leens) Jan Tammes Bijker 1814
Westerbroek (ge, Hoogezand) Eildert Jans Braam 1819, 1824, 1826, 1836, 1838, 1842
Westerlee (gem. Scheemda) Albertus Hermannus Rademaker 1937
Westerzand (vgl. Sebaldeburen) Johannes Schaafsma 1918
Wildervank Abraham Harms Staal 1837, 1839, 1841
Jacob Jans Boer 1851, 1852, 1855
Lourens Fokkes Kroon 1852, 1859
Hindrik Haijes Rubing 1864, 1869
De Wilp (gem Marum) Eelke Nieman 1921
Jelle/Jelke Tienstra 1926, 1934
Windeweer (gem Hz) Reint Arents Nieboer 1812, 1822
Folkert Buitenhof 1923, 1930
Winschoten Jan Wever 1934
Wolfsbarge (gem Hz) Arend Berend Bijker 1824
Zuidbroek Jan de Neu (vgl. Bedum) 1899

Naar Drachten en terug

Leegstaand en vervallend keuterijtje aan de Haarsterweg voorbij Marum, vlakbij de grens met Friesland:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Dakpannenparadijs bij Frieschepalen:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ik ging naar Drachten voor de crematie van Sjoerd,  die vorige week op die warme dinsdag overleed. Hij was jaren bestuurslid van de Onderhoudswinkel Oosterpoort, en bezocht in die hoedanigheid regelmatig het Buurtoverleg, maar verhuisde naar het boerderijtje van zijn grootouders in Niebert en genoot daar volop van de omringende natuur. De laatste jaren ging het niet zo best met hem, af en toe kwam ik bij hem en zijn vrouw Bettie op bezoek, de laatste keer was dat anderhalve maand geleden:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Na de uitvaart terug via Rottevalle, Surhuisterveen, Opende, Kornhorn, Doezum, Grootegast, Sebaldeburen, Niekerk, Enumatil etc. Er werd weer volop gehooid. Zweler of acrobaat bij Rottevalle:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Gevelsteen in de kerk van Opende:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Deze steen uit 1748 geeft verhuld commentaar op de politieke gebeurtenissen van dit jaar, waarin de Friese Oranje-Nassaus het volledig erfelijke stadhouderschap en daarmee een semi-monarchale status verwierven. “Owee, owee, die ontrouwe regenten, zo luidt de laatste, nogal beschadigde regel. Ook zegt de steen dat in de kerk het Woord Gods “voor de waarre vroome” verkondigd wordt. Waarschijnlijk verwijst dat laatste naar het vrij veel gewicht in de schaal leggende orthodox-bevindelijke deel van de Oranje-aanhang.

Blaarkop-kalvertjes bij Enumatil:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Windmotor aan het Hoendiep zuidzijde tussen Enumatil en de Kerkewegsbrug:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Kerkeweg gezien in de richting van Den Horn vanaf de Kerkewegsbrug over het Hoendiep:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Voorlopig het westelijke deel van het Westerkwartier wel weer genoeg gezien. Het zijn dorpen waar gewoon autowegen doorheen lopen, bovendien is er voor een antiquarische geest nauwelijks iets te beleven. Ik vind het ’t lelijkste deel van de provincie Groningen.


De Kweekschool, minst elitaire ijsbaan van de stad

Op 25 maart 1875 werd in Groningen een ijsvereniging opgericht, waarvan de naam een pedagogisch doel aangaf. Degenen die aan de wieg stonden van de nieuwe club beoogden…

“door het houden van harddraverijen onder de jeugd van 11 à 16 jaar den lust in het schaatsenrijden op te wekken en hare kracht en vlugheid daarin te helpen bevorderen.”

De Kweekschool was de tweede ijsclub van de stad. Anders dan de eerste, de ‘IJsvereniging Groningen’, opgericht in 1862, kende de Kweekschool geen ballotage voor nieuwe leden. Ook de contributie verschilde. Moest men bij de wat meer elitaire club maar liefst een rijksdaalder per jaar lidmaatschapsgeld betalen, bij de Kweekschool vroeg men slechts een gulden.

Ondanks die “zeer geringe” contributie bleef het ledental van de Kweekschool ver achter bij dat van de andere club. Telde de ijsvereniging Groningen omstreeks 1900 zo’n 1200 leden, de Kweekschool had er toentertijd slechts 377. Debet aan dit lagere ledental was ongetwijfeld het gegeven, dat de Kweekschool heel wat langer dan die andere club heeft moeten wachten op een eigen ijsbaan.

Een eigen accommodatie kreeg de Kweekschool pas 43 jaar na haar oprichting. Voordat het zover was, organiseerde de vereniging haar schaatswedstrijden op het toenmalige kanaal tussen het Damsterdiep en het Boterdiep. Het ging, de doelstelling indachtig, vooral om wedstrijden voor “jongelieden” van elf tot zestien jaar oud, overwegend van het mannelijk geslacht, waarbij de winnaars gouden, zilveren en nikkelen horloges met inscripties ontvingen, die hier en daar misschien nog wel als erfstuk bewaard zijn.

In 1918, het jaar van de wapenstilstand, kreeg de Kweekschool de beschikking over een flinke lap weiland, waarop men eindelijk een echte ijsbaan kon gaan aanleggen. Het perceel lag aan de oostzijde van het Winschoterdiep, in de opstrek achter café Bolhuis (later Topper), ongeveer op de plaats waar zich nu de Griffeweg bevindt. Voor de aanleg, het beheer en de exploitatie van de nieuwe ijsbaan riep de club een Naamloze Vennootschap in het leven.

Hoewel de directeur van gemeentewerken de keuze van het terrein “niet gelukkig” vond, omdat hij in de omgeving een haven voorzag, verstrekte de gemeente toch de benodigde vergunningen. Al gauw werd er achter de erven aan ’t Winschoterdiep oz. een sleuf gegraven voor o.a. de buis die water uit het diep moest aanvoeren. Verder wierpen arbeiders de wallen op die de contouren vormden van een ovale baan van 250 meter lang en 75 meter breed. Op de westelijke kop van de baan, achter café Bolhuis, verrezen houten bouwsels: een grote “ijstent” met veel ramen, een kaartcontrole-gebouwtje, plus enige “privaten met waterplaatsen” (urinoirs), die allemaal onmiddellijk moesten worden afgebroken als de gemeente dat wilde.

Op 1 februari 1919 opende men de nieuwe baan met een kortebaanwedstrijd (over 160 meter) voor mannen. De hoofdprijs was 300 gulden, een groot bedrag in die dagen. De “snelste rijders” van het noorden waren dan ook van de partij. Draaiorgel en fanfare-orkest luisterden de wedstrijd op. Een en ander gaf een dermate “grote drukte” van allerlei schaatsers en andere belangstellenden, dat er scheuren in het ijs kwamen, waardoor water op de baan gulpte. Het bestuur staakte om deze reden, en ook omdat het er niet meer tegen kon werken, al vroeg in de middag het aannemen van nieuwe leden.

Wat betreft de wedstrijd: de Groningers deden aanvankelijk niet onder voor de Friezen. Snip van Sebaldeburen reed in een van de eerste ronden Slager van Wolvega eraf in de snelste tijd van 15,7 seconden. Toch zou Snip in het eindklassement het onderspit delven. Dikkerboom uit Oudehaske ging er vandoor met de hoofdprijs.

De finale, die na zes uur plaatsvond, werd verreden onder elektrisch licht, een blijvertje op de baan van de Kweekschool, die in de jaren twintig en dertig nog menige wedstrijd zou organiseren. Voor jongens, als voorheen, maar ook voor meisjes, mannen, vrouwen en paren.

Bij een tweetal bijzondere wedstrijden wil ik even stilstaan.

In het elfstedenjaar 1929 zette de Kweekschool iets zeldzaams op touw, een wedstrijd voor paarden en arresleden, die een lovende bespreking in de krant kreeg:

“De vrolijk door het winterzonnetje beschenen baan leverde een schitterenden aanblik op met de keurig opgetuigde paarden en de vroolijk beschilderde arren. Helder klonken de bellen van de rustig dravende paarden.”

Remulus van J. Roggen uit Groningen won de eerste ritten, maar werd in halve finale wegens springen gediskwalificeerd en sleepte zodoende slechts de vierde prijs van 25 gulden in de wacht.

Meestal had de organisatie van schaatswedstrijden een goede pers. Een enkele keer werd er echter uit een ander vaatje getapt. Bijvoorbeeld door die scribent van het Nieuwsblad van het Noorden, die in februari 1922 een wedstrijd ‘op de Kweekschool’ voor vrouwen bijwoonde. Nu was het in die dagen überhaupt nogal beroerd gesteld met de ijskwaliteit en daaraan ontkwam ook de gewone baan van de Kweekschool niet. De reporter noemde deze een “verzameling van hobbels en bobbels, kuilen en scheuren” Hij schreef:

“Bij het berijden of bestrompelen van wat men hier met benijdenswaard optimisme een baan noemt, voelt men zich een ontdekkingsreiziger, die elk oogenblik kan stranden. En er strandden er dan ook heel wat; nu hier, dan daar zag men iemand een leelijke tuimeling maken, tot men verstandiger werd en zich om de wedstrijdbaan schaarde…”

Die wedstrijdbaan was, in tegenstelling tot de gewone baan, wèl “goed berijdbaar”. Er kwamen 24 vrouwen aan de start, voor driekwart uit de provincie Groningen, al zouden Friezinnen met de prijzen aan de haal gaan. Sommige dames hadden zich een enigszins aerodynamischer outfit veroorloofd, waarvan ’s Nieuwsblads commentator allerminst gecharmeerd bleek:

“…het rijden door vrouwen in wollen onderkleeren moest als motief tot echtscheiding in ons wetboek worden opgenomen.”

Hij maakte brandhout van de organisatie en de politie:

“De leiding van den wedstrijd was onzeker; er scheen bij het neemen van beslissingen nu niet bepaald eenstemmigheid onder de heeren te heerschen en de wedstrijd tusschen Gelske Brouwer en Hillegien Helder werd zelfs te vroeg afgebroken, doordat het publiek de touwafsluiting rond den baan verbrak en afstormde op de prijswinster, ofschoon er strikt genomen nog één rit moest gedaan worden. En dat ondanks de politie, die op allesbehalve tactvolle wijze juist de menschen van de wedstrijdbaan wilde verwijderen die er moesten zijn en toeliet wie er niet thuis behoorden. Men late bij voorkomende gelegenheid dergelijke organisatorische talenten liever achter de bureaukachel tot ontplooiing komen.”

Hoewel de Kweekschool een algemene Groninger instelling was en haar bestuurderen, om nog even op ’t thema organisatie & personeel door te borduren, gewoonlijk kwamen uit de hogere burgerij en de gezeten middenstand van de stad, zat er bij tijd en wijle ook wel eens een doodgewone Oosterpoorter tussen. Rond 1930 bijvoorbeeld melkboer Henk Mannes aan de Cubastraat (later Middenstraat), die kinderkaartjes voor de ijsbaan verkocht (of weggaf). Seizoenskaarten waren weer te koop bij Robaard, die een sigarenwinkeltje aan de Veemarktstraat dreef. Veel Oosterpoorters moeten via deze adressen de weg naar de Kweekschool hebben gevonden. Menige Oosterpoorter zal op deze dichtstbijzijnde en minst elitaire ijsbaan van de stad ook het scheuvelen hebben geleerd.

In 1939, het jaar van de mobilisatie, staakte NV de Kweekschool de exploitatie van de ijsbaan om onbekende redenen. Een voetbalvereniging nam het terrein en de opstallen over.

Dit is een ingekorte en bewerkte versie van een verhaal dat eerder in wijkkrant De Oosterpoorter verscheen. Helaas kon ik de plaatjes die erbij hoorden
niet terug vinden. Met dank aan Thijs Boekema en Willem Lok voor het aandragen van gegevens.