“Ecoloog” vindt dat hij zijn hond best mag loslaten in de Onlanden


“Het weer wordt beter en dus neemt helaas ook in De Onlanden de verstoring door loslopende honden en foutografen weer toe”, aldus een tweet van Natuur in de Onlanden op 12 maart. En in een follow-up, dezelfde dag: “Ziet u verstoring van de Natuur in De Onlanden? Spreek de persoon aan of geef het door aan de beheerder. Tip: maak foto’s ter identificatie.”

Ik had al wat twijfels bij deze oproep, maar als je mensen maar beleefd aanspreekt, dacht ik, dan zijn ze vast wel vatbaar voor rede. Broedseizoen immers, een redelijk mens wil dan geen vogels verstoren. Trouwens ook geen andere dieren, zoals otters.

Inderdaad bleken twee van de drie loslopende hondenbezitters die ik vanmiddag in de Onlanden aansprak van goede wil. Ze riepen hun hond bij zich en lijnden deze aan. Wat mij dan tevreden gestemd verder doet fietsen, hoewel ik best weet dat de lijn soms weer losgaat zodra de bemoeial uit zicht is.

De derde hondenbezitter was van een ander gehalte. Ik kwam om een uur of zes over de Zanddijk uit de richting Peizerwold en was van plan de Weringsedijk richting Hoogkerk te nemen. Op de hoek zag ik een soort van lichtbruine wetterhoun of airedale in het riet rondstruinen, nog redelijk dichtbij de weg, maar toch: onaangelijnd. Uit de tegenoverliggende richting kwam een vrouw aangelopen, maar die liep de hond voorbij zonder dat ze naar hem omkeek, of dat de hond haar volgde. Dus vroeg ik de man en de vrouw die bij het richtingenbordje stonden te praten, of de hond misschien van hen was.

“Ja” zei de man. “Wat dan?”

“Och”, zeg ik, “zou u die hond astublieft willen aanlijnen?”

“Waarom dan?”

“Nou, het is broedseizoen, een hond die in het riet struint verstoort de vogels”, zeg ik.

Hij weer: “Mijn hond gaat niet achter vogels aan”.

Ik zeg: “Dat heb ik wel meer gehoord, maar toch”.

“Nou”, zegt hij, “Ik ben ecoloog meneer”. Hij wees achter zich om die bewering geloofwaardig te maken: “Daarginds zitten kemphanen en ik hoorde ook drie roerdompen en die hebben absoluut geen last van mijn hond.”

“Jaja,” zeg ik, ik heb ook een roerdomp gehoord, maar toch is het beter dat u uw hond aanlijnt. Mag ik een foto van u maken?”

“Ja” zegt hij. Terwijl ik de foto neem: “En wie bent u, als ik vragen mag?”

“Ik ben Harry Perton”, zeg ik. “En wat is uw naam?”

“Ik ben Ilco van Woersem”, zegt hij. Hij wees in de richting van de Groningerweg, Peizermade. “Als daarginds nu een bordje had gestaan, dan had ik mijn hond aangelijnd, maar er stond geen bordje.”

Dat nu, vond ik een vreemd argument voor iemand die zich ecoloog noemt. Of je weet alles van de natuur en kunt tevens extreem goed met waterhonden omgaan, of je beroept je op de afwezigheid van een extern verbod. Hoewel ik dus alweer op de fiets was gestapt, maakte ik nog even rechtsomkeert.

“Ik vind het vreemd dat u zich op de afwezigheid van een bordje beroept, terwijl u als ecoloog zou moeten weten wat het effect van een rondstruinende hond op vogels is”, zeg ik, als ik weer vlak bij ze sta. “Trouwens, de afwezigheid van zo’n bordje ontslaat u als nog niet van uw morele plicht.”

“Er zijn mooimakers en er zijn moemakers”, zegt hij, “en u bent een moemaker”. En met een veeggebaar met zijn hand van zich af: “En nu wegwezen”.

“Nou”, zeg ik, ik sta hier op de openbare weg en laat me niet door iemand van jouw soort wegsturen.”

“Mijn soort?”, vraagt hij.

“Ja”, zeg ik, “Jij bent van het soort klootzakken dat zich beroept op de afwezigheid van bordjes, bordjes die het eerst zèlf heeft weggehaald.”

Dit had ik natuurlijk niet moeten zeggen; dit loste niets op, maar goed, ik was toch al betiteld als een moemaker.

“Dus u begint te schelden?, zegt hij.

Hij begon natuurlijk zelf met schelden, maar enfin. Ik zeg: “Mensen die hun honden los laten lopen in natuurgebieden zijn in mijn ogen klootzakken”.

En daarmee was onze conversatie wel uitgeput. Ik ben weer op de fiets gestapt en heb mijn hand nog even ten afscheid opgestoken met het vaste voornemen om dit verhaal hier op te schrijven.

Eenmaal thuis, blijkt dat hij géén valse naam opgaf. De titel ecoloog is wellicht wat hoog gegrepen, gezien het “Ing.” voor zijn naam, maar meneer Ilco van Woersem werkt wel degelijk bij een ecologisch onderzoeks- en adviesbureau, te weten Ecologica te Maarheeze (vlakbij Eindhoven).

Rest nog de vraag: als een “ecoloog” zijn hond in de natuur mag laten struinen, waarom zouden anderen dit voorbeeld dan niet mogen volgen?

Ben nu inderdaad finaal genezen van het aanspreken van mensen. Dat kost me veel te veel gemoedsrust. Heb geen zin in een hartaanval of beroerte. Laat er maar gewoon toezicht komen, die voelbare bekeuringen verstrekt, graag te verdriedubbelen voor zogenaamde ecologen.


Het oude liedje

stemwijzer

Volgens Stemwijzer.


Kleuterschoolmemoires

img857

Naar aanleiding van een bijna antropologische uitzending over het universum van vierjarigen, gisteravond, zocht ik de enige foto op van mijn eigen kleuterschoolperiode. Het betreft de ‘bovenste klas’ van de Hummelhof aan het Schukkingpad te Havelte, in het schoolljaar 1960/1961 poserend op het klimrek schuin achter de school.

In totaal betreft het 25 leerlingen: 14 meisjes en 11 jongens. Een jaar of wat geleden heb ik er, voor zover ik het nog wist, de namen bij gezet. Die kende ik nog bij 4 meisjes (29 %) en 10 jongens (91 %) – de selectiviteit van mijn geheugen weerspiegelt hoe apart beider leefwerelden waren op die leeftijd. Dat is nog steeds zo, bleek uit de TV-uitzending van gister: een vierjarig jongetje bliefde bijvoorbeeld geen meisjescadeau.

Ook speelt hiërarchie een buitengewoon grote rol bij kleuters. Het klimrek op de foto bewees hier nuttige diensten. Sommige durfals zaten er altijd helemaal bovenop en gingen soms zelfs ondersteboven aan hun knieën aan de hoogste sporten hangen. Vooral een van de meisjes had daar een handje van. Maar ze kon nooit zelfstandig weer omhoog komen en de aandachttrekster krijste dan net zo lang tot de juffrouw haar kwam verlossen. Wij als jongens vonden dat maar stom!

De Hummelhof herinner ik me verder van territoriale conflicten in de zandbak. En van het bruggetje over de “Kikkersloot”, waar de tegenover gelegen rioolwaterzuivering met veel gebruis het schoongemaakte water in loosde. Achter de school was een overkapping met overnaadse planken waaronder we onze autopeds neer moesten zetten. Binnen deden we kringspelletjes en leerden we bekende kinderliedjes. Op een keer moesten we van de juf voorgedrukte figuren uit papieren prikken. Ik vond dat niks. Waarom zou je zo’n figuur met een prikker uitprikken, terwijl het met een schaar veel sneller en mooier ging? De juffrouw accepteerde mijn protesten niet en stuurde me naar de hoek toen ze zag dat ik toch met een schaar aan de gang was gegaan. Kleutertrauma!

De Hummelhof ging op 30 maart 1960 open. Eerder was de Havelter kleuterschool nog naamloos gevestigd in het gebouw Eursinge bij Overcinge, waarvan me vooral heugt hoe de juf ons mee uit wandelen nam in de omringende Homan-bossen. In de herfst verzamelden we daar allerlei bladeren, kastanjes, eikels en paddestoelen voor herfststukjes en kijkdozen. Sommige jongens raapten er beukenootjes die ze openpulkten om de inhoud op te eten (getsie!).

Op de dag van de kleuterschoolverhuizing werden we met zijn allen vanaf Eursinge op een versierde boerenwagen naar de Hummelhof gebracht. We kregen er een toneelvoorstelling te zien: Goudlokje en de drie beren. Spannend joh, enorme griezels waren dat, die beren! Tot mijn grote opluchting liep het goed met Goudlokje af. Ik was wel een beetje verliefd op haar geworden, maar dat had weinig toekomst.


Eigen crematie geregeld

Ik droomde dat ik de datum van mijn eigen crematie regelde. Toen de tijd naderde begon ik steeds meer in de piepzak te zitten. De aula liep al aardig vol, zelfs mijn ouders waren gekomen! Met mijn vader maakte ik nog een wandelingetje langs de Dorpsstraat. Toen durfde ik eindelijk pas te zeggen dat ik het nog maar even uitstelde omdat het leven bij tijd en wijlen toch ook wel behoorlijk meeviel of zelfs mooi was. Terug in de inmiddels volle aula reageerde iedereen opgelucht. Men maakte er nog een genoeglijk samenzijn van. De rekening van de uitvaartonderneming beschouwde ik als iets van later zorg.


Geopolitiek toneelstuk

james-gillray-en-de-verdeling-der-wereld-in-zijn-tijd-1805

James Gillray, ‘De Plumpudding in gevaar’ (1805).

Soms heb je dat, dan komen ouwe herinneringen boven doordat ze dankzij iets actueels op gang geholpen worden.

Het was midden jaren zestig, ik zat in de vijfde of zesde klas van de lagere school en was bevriend met Frits Weiland, wiens vader directeur was van  Volkshogeschool Overcinge, even buiten ons dorp.

Frits zijn moeder had bedacht dat het leuk zou zijn om met een heel stel kinderen van onze leeftijd een toneelstuk op te voeren, dat over een kouwe oorlogsachtige toestand ging. Je had een soort van Amerika in dat stuk en ook een soort van Rusland, beide met potentaat-achtige presidenten, die moesten zien om te gaan met allerlei kleinere staten.  Eind van het stuk was dat de Rus en de Amerikaan de aardbol onder elkaar wilden gaan verdelen, waarbij ze met een mes een globe te lijf zouden gaan. Die globe bleek een luchtballon en zo klapte het hele zaakje uit elkaar. Slotakkoord, gordijn dicht en  applaus.

De ovatie bleef uit. Anders dan Frits zijn moeder had gedacht, bleken veel van onze leeftijdsgenootjes toch niet uit het rechte toneelspelershout gesneden , c.q. er na enkele sessies niet veel meer aan te vinden. Ambitie slinkt nogal eens bij repetitie. Zo moesten Frits, die oorspronkelijk alleen Amerika hoefde te spelen en ik, die Rusland zou gaan doen, steeds meer bijrollen op zich nemen. Dat viel niet vol te houden, zag ook Frits zijn moeder. Zij besloot het hele geopolitieke wereldspel af te blazen.

Hoe het toneelstuk heette, weet ik helaas niet meer. Het officieel aangeschafte tekstboekje zat in een oranje kaftje met – dacht ik – een zwartwit getekende globe met lijntjes voor lengte en breedtegraden als beeldmerk. Ik heb het nog tijdenlang bewaard, tot mijn moeder het weer eens tijd vond om de boel op te ruimen.


Opkomst en neergang van de PSP

ledental-psp-1957-1990Vond een aardig staatje met de ledentallen van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) tussen 1957 en 1990. Van die partij ben ik nog een poosje lid geweest, eind jaren 70, daartoe overgehaald door het legendarische, illustere en overdadig bebaarde gemeenteraadslid Sander Doeve, die me in café De Pijpela verzekerde dat er wel meer anarchistisch angehauchte types lid waren van zijn partij.

Ik was zelfs nog een tijd actief voor de PSP als ‘wijkhoofd’ (nee niet: blokhoofd, hahaha), een functie waarvoor ik op gezette tijden alle leden in de Oosterpoortwijk bezocht met een schoudertas vol roodpaars gekleurde brochures, posters en ander propagandadrukwerk. Dat paars kwam van het feminisme, dat alle heren in het partijpand aan de Tuinstraat dwong tot het zittend plassen op de plee. Met een bont gezelschap progressieve jongelingen  zong ik mee in het PSP-koor Ontstemd, en schreef daarvoor op oude volkswijsjes actuele liedteksten, zoals de Politiestaat en Argentina 1978. De liedjes, kennelijk keurig bewaard in het IISG, werden veelal gearrangeerd door Kobus Koopmans, die tegenwoordig, na een lang verblijf in Amsterdam, met zijn vrouw een galerie en bed and breakfast runt in de oude marechausseekazerne (!) van Nieuweschans. Ook Sander Doeve is trouwens na een lang vertoeven elders teruggekeerd naar Groningerland – hij is nu voorzitter van de GroenLinks-afdeling Oldambt.

De PSP dus. Wie bovenstaand grafiekje bekijkt, ziet dat er eigenlijk vier stadia zijn geweest in de levenscyclus van deze partij. Eerst is er een bescheiden groei geweest vanaf de oprichting tot midden jaren 60. Vreemd genoeg heeft de partij destijds niet kunnen profiteren van de anti-Viêtnamoorlogstemming, wellicht was ze in de ogen van veel mensen toch wat te intellectualistisch en radicaal. Daarna heb je twaalf jaar stagnatie tot 1977 en met de neutronenbom- en kruisrakettentoestanden beleeft ze dan een geweldige opgang. De hoogtijdagen hebben echter slechts vijf jaar geduurd. Zelfs op haar absolute hoogtepunt in 1982 telde de PSP minder dan 10.000 leden. Fase 4 bracht vervolgens een gestage neergang tot een niveau onder dat van de late jaren 60 en de eerste helft van de jaren 70. De no nonsensepolitiek brak baan, links radicalisme was uit de mode, de grote stropdas daalde vanuit de hemelen neder en de PSP fuseerde met CPN, PPR, EVP èn de Vereniging GroenLinks (waarvan ik ook nog lid ben geweest) tot het veel constructievere GroenLinks, een ontwikkeling die de meest verstokte radikalinski’s uit alle bloedgroepen ten sterkste hebben betreurd.


Kaasetiketten, 1940

Bij aardrijkskunde, in een van de hoogste klassen van de lagere school, moesten we merken meenemen. Natuurlijk niet lukraak – het moesten merken zijn van producten uit de provincie die meester net aan het behandelen was. Die merken, vaak van huishoudelijke producten, mocht je dan, als ze meesters goedkeuring hadden weggedragen, in je schrift plakken. Zo herinner ik me dat in het mijne een wikkel van Verkadereep naast een ingekleurd kaartje van Noord-Holland belandde.

Blijkbaar gebeurde dat merken meenemen naar school ruim een kwarteeuw eerder, aan het begin van de oorlog, ook al. Deze kaasetiketten zitten in een Fries aardrijkskundeschrift uit 1940, in het kapittel over Friesland en zuivel:

Pegasus:
dsc06501
Dutch Bridge:
dsc06502
Superior Patronage (met kruiwagen!):
dsc06503
Hoogfijne (met twee hoefijzers bij een Alpenlandschap):
dsc06504

Weet niet precies hoe het nu zit, maar destijds hadden de Friezen er geen moeite mee hun kaas Hollands te noemen.