“De mogelijkheden van de computer zijn welhaast ongelimiteerd”

In 1984-1985, toen dit filmpje uitkwam, was ik als dienstweigeraar werkzaam op het Drents Rijksarchief. In die periode arriveerde daar de allereerste computer en stafleden gingen van hoog tot laag op cursus om tekstverwerken en een primitieve database voor het inventariseren van archivalia onder de knie te krijgen. Als dienstweigeraar kwam ik daarvoor niet in aanmerking, wat me vanwege dat tekstverwerken wel enigszins verdroot. Het ding, begreep ik, had me een zee van tijd kunnen besparen. Mijn doctoraalscriptie, bijvoorbeeld, schreef ik nog op een elektronische Brother-schrijfmachine (met margrietwieltjes voor de diverse lettertypen) en die kon wel al twintig tekens terug corrigeren, maar moest ook nog heel wat fouten laten staan, zodat ik die scriptie in totaal zo’n acht, negen maal heb overgetypt voor ik tevreden kon zijn. Wat een verspilling van moeite! Met een computer ging dat toch allemaal veel vlotter.

Maar om beroepsmatig iets met computers te gaan doen? Nee, geen haar op mijn hoofd die daaraan dacht. Terwijl er destijds een enorme werkloosheid bestond en er voor historici al helemaal nauwelijks een baan te vinden was. Vanuit de vervangende dienst, belandde ook ik in de bijstand en ik weet nog goed dat je je via de sociale dienst kon laten omscholen tot programmeur. Het leek me helemaal niets, of louter iets voor bèta’s. Internet bestond ook nog niet (of misschien alleen als usenet), de communicatiekant van de computerij lag dus nog volslagen buiten beeld.

In 1991 of 1992 las ik voor het eerst iets in de NRC over die kant van de zaak. Mijn interesse was meteen gewekt, ik weet nog dat ik dat stuk met een zekere opwinding las. Als ze me op dat moment een cursus zouden hebben aangeboden, was ik daar ook dadelijk op ingegaan. In werkelijkheid duurde het nog tot eind 1996 voor ik voor het eerst op internet kwam. Dat was bij de UK, de universiteitskrant van de RUG, en de browser daar was nog Netscape Navigator. Ik zie nog het stuurwiel. Heel vaak zat er nog stroop op de lijn. Het laden van een website duurde vaak eeuwen. Regelmatig liep je tegen een virus aan of zat je muurvast. Zulke kinderziekten zijn er nu wel uit.

Een eigen computer heeft financieel vrij lang buiten mijn bereik gelegen. De eerste was, dacht ik, een aflegger van mijn broer, zo rond 2000. De eerste nieuwe die ik zelf kocht, was in 2004, van een paar duizend euro gewonnen met de Postcodeloterij. Sindsdien ben ik ook thuis aangesloten op internet. Naar alle tevredenheid.

Advertenties

Hunebed met schrijver dezes

Nu het vanwege de massaliteit en het vandalisme zwaar verboden begint te raken om nog langer hunebedden te beklimmen, moest ik toch maar eens op zoek naar de foto van mij op de poort van het grote Havelter hunebed. Helaas is mijn scanner kaduuk en dus moet u het doen met een foto van de foto die destijds door mijn jongere broer gemaakt is:

Hij dateert van april 1970. In die dagen kon je nog helemaal alleen op een hunebed zitten om over de grote stille heiden te koekeloeren door je brilletje.

Overigens was dat hunebed in de oorlog door de Duitsers onder de grond gewerkt vanwege hun vliegveld. Na de oorlog kwam het weer tevoorschijn, natuurlijk niet uit zichzelf, want zo’n hunebed is moeilijk in beweging te krijgen. Op dat moment maakte Havelte zijn al bestaande bijnaam waar: het “Drents Pompeï”.


De Oosterpoorter Repo Man

Het Frederiksplein meer recent, in 2008. Buiten beeld, achter de rug van de fotograaf, bevindt zich het junkenpand. Aan de overkant rechts staat het café.

Een tweet van gister bracht een oude herinnering bij me boven.

Het was nog net in de jaren tachtig, meen ik. Mijn overbuurvrouw in de Oosterpoort, Isa, had een mooie witte racefiets, die ze ‘s avonds ook nooit op straat liet staan. Toen ze echter op een maandagochtend een pakje sigaretten kocht bij de sigarenboer op de hoek van de Polderstraat, zette ze die fiets niet op slot. Het was bijzonder rustig op straat, ze hoefde alleen maar héél eventjes de winkel in en haar fiets stond daar vast wel veilig bij de winkeldeur, dacht ze.

Dat bleek een vergissing. In de hooguit paar minuten dat ze binnen was, werd haar fiets gestolen. Hij was weg en viel in geen velden of wegen meer te zien. Ze baalde enorm en vroeg me of ik naar haar fiets wilde uitkijken. Dat beloofde ik. Ik kon haar fiets vooral herkennen aan de zwarte tape om de handvaten, zei ze.

Een week later, het is een mooie zonnige maandagochtend en zomervakantie. Ik ben op weg naar mijn oppaspoes aan het Winschoterdiep, loop drie hoeken van mijn huis af over het Frederiksplein en ontwaar de witte racefiets van mijn overbuurvrouw. Hij staat tegen een benedenhuis met vrij dichte, maar niet geheel gesloten luxaflex voor de ramen. Ik weet wie er woont en controleer vlug de handvaten, het blijkt inderdaad Isa’s fiets. Ik loop snel door en stiefel via een omwegje naar Isa, die niet thuis blijkt te zijn. In mijn eigen huis bel ik de politie. “Ja meneer”, krijg ik te horen, “we hebben maar één enkele auto bij de weg en die is nodig voor noodhulp. Kunt u die fiets zelf niet terugstelen?” Ik sputter wat tegen en vertel hem nog een keer  wie er in de benedenwoning woont, achter de gevel waartegen de racefiets van mijn overbuurvrouw net geparkeerd stond.

Die bewoner, dat is F.P., zo’n beetje de beruchtste junk van heel de stad Groningen. In de koffieshop aan de Meeuwerderweg trok hij eens zijn t-shirt uit om de aanwezigen een litteken op zijn rug te laten zien. Het bleek een jaap van zo’n 20-30 centimeter lang, hem met een vleesmes toegebracht door een ‘kameraad’ die hem had willen beroven van zijn handelsvoorraad wit en bruin. Ternauwernood had hij het overleefd, vertelde hij. Ze waren wel acht uur met hem bezig geweest in het ziekenhuis.

De politie wilde dus niets doen. Maar als ik die fiets van Isa niet terughaalde, was de kans groot dat hij zou verdwijnen. Ik heb nog wat zitten wikken en wegen, maar besloot het erop te wagen.

Op het Frederiksplein keek ik natuurlijk eerst in alle vier de richtingen of de kust veilig was. Niemand te zien, mooi. Isa’s fiets stond ook nog steeds op dezelfde plek en de luxaflex van het benedenhuisje aan de Frederikstraat was nog steeds voor driekwart geloken. Ik greep de fiets, gooide hem op mijn schouder en zette het op een lopen, dwars over het pleintje.

Plotseling ging de deur van het café ertegenover open. De kroegbaas kwam naar buiten met een theedoek over zijn onderarm en schreeuwde: “Héla, wat moet dat daar, laat die fiets staan!” Ik riep hem toe dat ik die fiets juist terugstal en rende door. Gelukkig kwam hij niet achter me aan.

Toen ik de fiets binnengezet had, en even op de bank had zitten uitblazen, besloot ik toch maar even terug te gaan om het de kroegbaas wat uitgebreider uit te leggen. Mijn terugkomst verraste hem, maar hij was vlug van begrip. Gelukkig had hij zijn overbuurman de junk niet wakker gemaakt, of de politie gewaarschuwd. Voor zo’n akkefietje zouden ze vast wel komen, is het niet?

* Repo Man (Wiki)


Naam Harry is uit, ook in de VS

Terwijl de voornaam Harry in het Nederland van de jaren 50 nog won aan populariteit, was hij in de VS al aan een vrije val begonnen:

Trending zou hij nooit meer worden. Maar we koesteren de exclusiviteit.

Bron: How trending is your babyname?

 


De klanten van mijn vader

Het gebied waar mijn vader met zijn boekhoud- en administratiekantoor in de jaren zestig klandizie had:

Er wat dichter op inzoomend:

Nu het allemaal in kaart gebracht is, zie ik dat er naar het noorden en westen meer rek in zat, dan naar het oosten en zuiden. In de Stellingwerven, over de grens met Friesland, had hij verspreid nog wel wat klanten zitten, maar hij kwam nauwelijks over de provinciegrens met Overijssel. Wanneperveen was daar de uitzondering. Waarschijnlijk was de concurrentie uit Steenwijk en Meppel in Noordoost-Overijssel te groot. In het oosten vormde de lijn Ommen-Hoogeveen-Assen de uiterste limiet. De dorpen met de meeste klanten waren in mijn herinnering Wapserveen, Uffelte, Ruinerwold, de Veendijk en Nijeveen.

Nog in de jaren 60 ging hij overal heen op zijn brommer, een Zündapp. Hij zei dan ’s morgens altijd waar hij naar toe ging. De meeste klanten waren destijds nog boeren, vaak met een 5 tot 15 koeien. Soms kwamen die hem schoenendozen vol ongesorteerde rekeningen brengen. Bij wijze van vakantiewerk heb ik die wel eens een week of wat op volgorde gelegd en ingeboekt, maar al te lang hield ik dat niet vol. Het was “klotewerk”, vond ik.


Muizencolonnes

Ik zag deze op Twitter:

Heb zoiets een keer meegemaakt. Er was brand in bakkerij Tuin op de hoek van de Egginklaan en de Dorpsstraat in Havelte. Uit de rokende schuur erachter kwamen hele kolonnes muizen tevoorschijn, soms waren ze meterslang. Het moeten al met al honderden muizen geweest zijn. Ze zochten een goed heenkomen dwars over het kruispunt naar het Piet Soerplein. Kleine kinderen stonden er stomverbaasd en met deernis naar te kijken en ik, iets oudere blaag, startend puber, reed meermalen met mijn fiets dwars over die muizen heen. Dit tot ontzetting van die kinderen, o.a. mijn zeven jaar jongere broer die nog met breed uitgespreide handen een vergeefse poging deed om me tegen te houden. “Het is  toch maar ongedierte”, riep ik, grijnzend.

Ik heb me naderhand behoorlijk voor deze stoerdoenerij geschaamd.


“U hoort nog van ons’

Omdat de gemeenteraadsverkiezing voor onze almaar groter groeiende gemeente Groningen pas in november plaatsvindt, besloot ik mijn premature verkiezingskoorts te dempen met de stemwijzer voor het Oldambt:

We raken nog bekeerd op onze ouwe dag.

Door de uitslag ontdek ik tot mijn lichte verbijstering dat GroenLinks niet meedoet in het Oldambt. Raar, dat de formele erfgenaam van de daar ooit zo machtige CPN het compleet laat afweten. Ze vonden het indienen van een lijst niet verantwoord, verklaren ze op hun website, vanwege “onvoldoende actieve verkiesbare en ondersteunende mensen”. “U hoort nog van ons”, klinkt het hoopvol, maar als ze over vier jaar terug willen komen in die raad, zal dat nog een heel gevecht worden.