Het effect van thuiswerken op ’t gasverbruik

Tegenwoordig krijg ik op onregelmatige tijdstippen in het jaar mijn jaarafrekeningen, maar met de maandelijkse verbruiksstaatjes is het verbruik ook naar kalenderjaar te becijferen en dat heb ik nu eens gedaan voor 2017 tot en met 2021, waarbij ik vooral benieuwd was naar het effect van het (onregelmatige) thuiswerken met ingang van medio maart 2020 op mijn gasverbruik. Dat ontwikkelde zich zo per jaar:

2017: 460 kuub

2018: 448 kuub

2019: 425 kuub

2020: 458 kuub

2021: 618 kuub

Het thuiswerken had in 2020 nog niet zo veel effect, maar zorgde in de wintermaanden vanaf december 2020 voor een vijfde à een derde deel extra gasgebruik, terwijl mijn verbruik in het voorjaar van 2021 zelfs verdubbelde, vergeleken bij voorgaande jaren. Meen dat er eind 2020 nog een aanbod is gedaan om de extra kosten van thuiswerken te vergoeden, maar daar heb ik van afgezien, omdat ik de 300 euro die geboden werd wat al te veel vond voor dat pak koffie dat er bij mij extra doorheen ging per week. Achteraf heb ik daar nu wel een beetje spijt van, al zou ik ook met doorberekening van het verbruikte gas nog lang niet aan die waarlijk genereuze som gekomen zijn.


Luchtdoop aan de stuurknuppel

In 2001 maakte ik voor de Groninger Universiteitskrant UK een artikel over twee vlieginstructeurs  die aan de universiteit werkten. Bij die gelegenheid beleefde ik mijn luchtdoop – aan de stuurknuppel van een Cessna. Sindsdien heb ik nooit meer gevlogen. Hierbij de autobiografische passage uit dat stuk

Het sturen met de voetpedalen gaat me slecht af. De rechte lijn kan ik niet houden en de Cessna zwabbert over de startbaan alsof er een dronkelap in de cockpit zit. Ik vervloek mezelf. Zelden fiets ik, een rijbewijs heb ik geeneens en nu moet ik zo nodig aan een vliegtuigstuur mijn luchtdoop ondergaan.

Geen tijd voor gezanik. “Trekken, trekken, trekken”, roept mijn instructeur. Ik haal krampachtig het stuur naar me toe en inderdaad, de kist komt los. Als we weer wat recht liggen, gluur ik eventjes door het raampje links. Fwhowhf, wat zitten we al hoog. Akelig hoog gewoon.

Gelukkig weet ik me in goede handen. Mijn instructeur, de man die me hiertoe overhaalde, is Cees Sterks, hoogleraar economie, maar ook auteur van Briefings voor het vliegbrevet A. Hij legt me uit dat er idealiter vier vingers aan ruimte moet zitten tussen de neus van het vliegtuig en de horizon.

Omhoog corrigeren blijkt geen probleem. Omlaag wel. Bij een duwtje op het stuur krijg ik het gevoel of mijn maag ergens boven mijn kop zweeft.

Tussen de stad en Hoogkerk vliegen we naar het noorden. Dat gaat goed. Of stuurt die Sterks telkens even bij?

Verbazend snel doemt Garnwerd op. Daar zijn de kronkels van het Reitdiep. Ezinge, ons afgesproken rondje om de kerk. Verder het Reitdiep af. Perceeltjes knalgeel koolzaad in een zee van groen. Extreem helder is het zicht. Boven het Lauwersmeer zien we de rij eilanden van Schier tot Terschelling.

Op de terugweg zet Sterks de propellor even op een zeer laag pitje. “Daar is een mooi veldje voor een noodlanding”, wenkt hij. Mooi dat ’t niet doorgaat. Maar boven Zernike zweet ik als een visotter. Een vage misselijkheid komt over me. Van het poppenkermisje onder ’t ietepetieterige Martinitorentje kan ik nauwelijks meer genieten. Heel fijn dat Sterks zelf de landing doet.

Als we eenmaal op het terras van de Noord Nederlandse Aero Club zitten, vraag ik hoe ik het eraf heb gebracht. Niet al te best. Ik blijk een van zijn slechtste leerlingen ooit. “Je reageerde zo paniekerig”, evalueert hij.

Uit: Harry Perton, ‘Knotsgekke kerels in vliegende kratten’, UK, 31 mei 2001.


Lomperik

Er ontvouwde zich gister een aardige conversatie op Twitter. Iemand uit Eindhoven, Guido de Greef, had hier in Groningen de hoogste postcode van Nederland (9999 ZZ) bezocht, bij de Knolweg onder Stitswerd. Omdat hij beweerde dat hier geen mens woonde, en ik me dat anders herinnerde van mijn fietstochten, ging ik eens bij Google Maps te rade, waaruit bleek dat er inderdaad nog een handvol boerderijen aan de Knolweg staat, die zo te zien ook nog in vol bedrijf zijn. Dat merkte ik dus tegen Guido op, waarna ene Miedema van even boven Leeuwarden erop insprong met een opmerking over Groningers die niet als grap of ironie gemarkeerd was en die ik dus wel moest zien als onaangenaam, kwaadaardig en ziek:

Vervolgens kreeg ik geen antwoord meer en bleek dat meneer me zelf had geblocked! Blijkbaar kon of wilde hij inderdaad niet normaal doen en het ook in eigen hand houden. Uiteraard heb zijn block toen maar beantwoord met dezelfde dienst. Heb nog even gekeken of hij die block van hem nog voor de ‘omstanders’ motiveerde. Dat deed hij inderdaad: ik was een “dramaqueen” in zijn ogen. Nou, dat maakt mij totaal niet uit, daar kan ik wel mee leven.

Waar ik niet tegen kan zijn lomperikken die onder het mom van ‘asperger’ (uit zijn eigen bio) denken maar alles te kunnen uitkramen. Hij komt er dus bij mij niet meer in en de schaamlap ‘asperger’ geldt voortaan als een flinke waarschuwing voor het aangaan van Twitter-conversaties met figuren die zich daarmee denken op te sieren. Bij deze wil ik die waarschuwing ook graag doorgeven: ga nooit zomaar een gesprek aan met een dergelijk figuur: voor je erop verdacht bent, word je onthaald op op volstrekt ongevoelige botheden.


Onderweg komt men zichzelve tegen


Perton op Streetview

Eind juni vorig jaar werd ik bij de uitgang van de fietsenkelder van de Groninger Archieven gepasseerd door een blauw wagentje van Google Streetview en maakte daar nog een logje over::

In de verwachting dat mijn persoon straks op Streetview te zien zou zijn, nam ik me voor om regelmatig even te kijken of de foto’s al waren geplaatst, maar vergat dat ook weer in een druk seizoen. Tot ik er vandaag aan werd herinnerd door Hendrika. Zij had gezien dat de foto’s waren geplaatst.

Het moment dat de Googlewagen me passeert, me van bovenaf fotografeert en ik hem in de smiezen krijg:

Als hij gepasseerd is, sluit ik me achter hem aan en probeer mijn camera te pakken:

Bij de Emmasingel, terwijl ik zelf fietsend aan het fotogaferen ben, heeft hij me nog eens gekiekt.

Inderdaad is mijn gezicht steeds geblurred, wat, zoals gezegd, voor mij niet zo had gehoeven.

Wie het allemaal nog eens op Streetview zelf wil zien, ziehier.

Hendrika, bedankt!


Weerzien met Nijeveen

Het andere reisdoel was de boerderij “op Nijevene” waar ik begin jaren zeventig vakantiewerk deed. Vanaf de Paradijsschut wist ik niet goed welke route de kortste was. Linksom, langs Meppel, of rechtsom, langs een ruilverkavelingsweg. Ik gokte op rechtsom, en maakte een enorme omweg.

Eerst langs de Noksloot en de Nijeveense Stouwe:

Op de Hoofdvaart dobberde een binnenvaarder met een zorgvlag, ‘de Pronckert‘ uit Leeuwarden:

In de Noksloot viel me dit boeketje op:

Zelfportret met wielrenwichie, mais- en bietenveld:

Dorpsgezicht langs mais:

Möppelt in de verte:

Boven me cirkelden twee buizerds en riepen “kieuw, kieuw” naar elkaar:

Toch jammer dat lijsterbessen lang niet zo goed smaken als ze eruitzien:

Dorpsgezicht Nijeveen:

Eindje verderop:

Ik trof de bewoner  thuis. Een poosje geleden erfde hij de boerderij van zijn broer, die vroeger bij mijn vader op kantoor werkte. ’s Middags had die broer een antiekhandel en daar hielp ik hem bij zomerdag wat bij. Tegeltjes uit Staphorst versjouwen en zo. Deze barokke vaas is overigens puur nep en komt bij  de Tuinland vandaan:

Schuur achter het huis. Destijds lag hier nog gras en deed ik er nog pogingen om pony’s te beleren, wat een fantastische rodeo opleverde, waar ik nu graag een filmpje van had gehad:

Het Drentse veldkeienstraatje, dat ik aan het eind van iedere werkweek aanveegde:

De schuren die ik in de carbolineum zette, terwijl de laatste ooievaars van Nederland een eindje verder op dit erf klepperden en radio Tour de France uit de transistorradio klonk:

Dit sluitwerk werkt niet:

En vot maor weer:


In het papavermeer

Deze diashow vereist JavaScript.

Toen ik vorig weekend de klaprozenvelden bij Huis ter Heide passeerde, moest ik meteen denken aan een boek van Slauerhoff. Het ging om passages tegen het eind van dat boek, wist ik nog. En dat het boek op de lijst stond voor mijn eindexamen. Via een oeuvre-overzicht vond ik de titel. Het bleek te gaan om Het leven op aarde. Dit zijn de citaten die passen bij de situatie daar in Drenthe:

De papavers deinden in de wind, welig warm en rood. Daartussen groeiden alle andere bloemen. De geuren kon ik nog niet onderscheiden, gewend als ik was aan alleen de lucht die over het water en tussen de muren hangt(…)

Ik waadde door de papavers. Eén ging mij tegemoet; in het midden, waar het meer het diepste was, ontmoetten wij elkaar. De hele verdere dag bleven wij gevlijd op de met rode blaadjes bedekte, van zon doorstoofde en zacht naar zaad geurende bodem.

Bij haar liggend op de zachte matten, omgeven door papavers dichtbij in vazen als rode vlokken, in de verte als één meeroppervlak (…)

Een gevoel van berouw en verlatenheid beving mij, dat niet dadelijk weer week toen ik zag waar ik was: in een papavermeer, wijd en diep, onbewoond.

Toch knap dat een schrijver kan zorgen voor teksten die zo lang in iemands memorie beklijven – mijn eindexamen is op enkele jaartjes na een halve eeuw geleden. Ik had toen ik het boek las geen enkele ervaring met drugs, laat staan met opium. Dat aspect van Slauerhoffs tekst herkende ik simpelweg niet, nu wel: het is een gesublimeerde beschrijving van een roes die als metafoor fungeert.

Toen ik lang na de lezing van Slauerhoffs boek zelf eens opium kreeg aangeboden, en het ook uitprobeerde, vond ik het maar een vervelend goedje. Je werd er zo slaperig van. Het is bij die eenmalige ervaring gebleven.


Sportschoolpipo zonder hasses

Trammelant in de supermarkt, bij de Poïesz ditmaal, vanochtend om ongeveer kwart over acht. Ik sta bij de broodafdeling achterin op mijn halve groffe volkoren te wachten, komt me een figuur van een jaar of dertig, veertig achterop met een overmaat aan biceps in een veel te strak shirtje. Hij lijkt qua gezicht warempel wel wat op Erik Hulsegge – al zal die veel minder gespierd zijn – en passeert tot mijn schrik zijn eigen supermarktwagentje om zich tussen mij en de broodcounter in te wringen en wat broodjes uit een glazen bak op de counter te pakken. Ik schiet uit mijn slof en schreeuw: “Kan je even afstand houden?” Dat wil hij duidelijk niet en komt nog dichterbij. Scheld hem uit voor zultkop en dat blijkt raak, want hij begint op 30 cm tegen me aan te blaffen. Dreigend:: “Wil je even buiten op me wachten?”. “Dat ben ik niet van plan”, zeg ik nog. Ik kijk even in mijn kar, constateer dat ik mijn boodschappen wel bij elkaar heb en stiefel naar de kassa, waar zich de volgende scène afspeelt.

Het blijkt dat hij me door de super achterna is gekomen en hij gaat bij de kassa opnieuw voorbij zijn eigen kar, nu om zijn broodje op de band te leggen. Andermaal komt hij zo binnen mijn anderhalve metercirkel en dat doet hij duidelijk expres. Op mijn herhaalde verzoek om op de vereiste afstand te gaan staan, suggereert hij dat ik niet eens weet wat anderhalve meter is. Heb hem dat maar even voorgedaan met mijn handen wijd uit elkaar. Dit maal probeert hij me te kleineren: “Je ziet er niet uit joh, je bent een idioot” enz. Wat alleen maar mijn eerste indruk versterkt: sportschoolpipo zonder hasses die dat compenseert met een fixatie op uiterlijk. Keer hem de rug toe, maar hij begint tegen me aan te rijden met zijn kar. Heb hem meermalen verzocht om afstand te nemen. Hij ging inderdaad een decimetertje achteruit en dat was dan het eind van deze scène. Enfin, iemand die duidelijk andermans ruimte niet respecteert. Zou me ook absoluut niet verbazen, als hij al een strafblad had wegens aanranding of een geweldsdelict.

O ja, achter hem stond een vrouw die vroeg of het wat zachte kon, er was een kind bij (haar eigen kind). Kwam er op dat moment helaas niet op, maar wat doet iemand in coronatijd nog met een kind in de supermarkt? Kinderen gelden nota bene als asymptomatische virusverspreiders. Met de kar naar de uitgang lopend, kreeg ik overigens nog wel een adhesiebetuiging van een oudere vrouw. Die voelde zich ook wel eens bedreigd.

Heb thuis de politie gebeld. Wilde aangifte van bedreiging doen, maar de politie gaat er niet achteraan, ondanks de aanwezigheid van videobeelden in de supermarkt (dat heb ik voor mijn politiebelletje nog even telefonisch bij de Poïesz gecheckt). Onderzoek hiernaar doen kost de politie veel te veel tijd, er zijn honderden van dit soort incidenten op een dag. “We kunnen niet alle regeltjes handhaven”, of woorden van gelijke strekking. Regeltjes, zei ze. De politievrouw verwees ook nog even naar burgemeester Van Halsema en die anti-racismedemonstratie van laatst waarbij de anderhalve meter afstand straal werd genegeerd. Blijkbaar moet je je als risicodrager – van mijn leeftijd krepeert 1 op 2 de bij een coronabesmetting – dan zelf maar bewapenen. Binnenkort naar Duitsland om eens te kijken naar pepperspray en/of een taser.

Geluk bij een ongeluk: als ik straks dankzij die knakker ziek word, kan ik wèl aangifte gaan doen, zei de politievrouw. Maar of de videobeelden uit de supermarkt er dan nog zijn?


Kibbeling en corona

Munnikevaart DSC03679

Tevoren had ik al bedacht: ik zou wel een gebakken visje lusten. Maar ik koos voor de kortste route naar het Hoendiep en kwam zodoende niet door Hoogkerk met zijn twee viskramen.

Het plan was eigenlijk om naar Lutjegast te gaan. Bij de Oostwolmerdraai echter, wakkerde de wind in mijn rug zo aan, dat ik bij voorbaat de tegenwind op de terugreis ging vrezen. Dus gooide ik mijn plan om en nam een kortere route: linksaf naar Oostwold. Om daar te belanden bij de Munnikevaart, volgens een bijgeplaatst straatnaambordje “de mooiste straat van Oostwold”.

Terwijl ik richting snelweg fietste, zag ik bij de laatste woning dezelfde viswagen staan die op donderdagen in Hoogkerk rondrijdt. Er stond één wachtende klant bij. Ik parkeerde mijn fiets enkele meters achter hem en hoefde niet lang te wachten. Helaas, de tong was uitverkocht en een lekkerbekje had de visboer ook niet meer. Dan maar kibbeling, iets wat ik normaal nooit neem. “Hier opeten”, zei ik, iets wat ik anders ik nooit doe.

Terwijl de visboer me over zijn counter het bakje kibbeling met saus toeschoof en ik pinde om af te rekenen, kwam er een volgende klant enkele meters schuin achter me staan. Ik trok me terug naar mijn fiets en begon er aan mijn portie kibbeling. Op dat moment arriveerde er nog een man, de bewoner van het huis waarbij de viskar stond. Het bleek een buurman van de eerste klant na mij. Ze knoopten een gesprek aan. Ze hadden elkaar een hele poos niet gezien, zo bleek, en dat kwam doordat de laatst aangekomene in het ziekenhuis had gelegen. Met corona, verklaarde hij. Maar hij was lang niet de ergste patiënt in het ziekenhuis geweest en had er ook niet zo lang gelegen – hij was nu alweer zo’n veertien dagen thuis.

Zodra ik het woord corona hoorde, was ik natuurlijk een en al oor. Maar ik ging me ook wat zorgen maken. De met goed gevolg ontslagen coronalijder stond weliswaar een meter of 3 à 4 van me af, maar de nog steeds aanwakkerende noordoostenwind woei precies vanaf zijn positie mijn richting uit! En de man praatte ook nog aan de harde kant met zijn buurman. Het zou me niet verbazen als er virusdruppeltjes mijn kant op vlogen.

Tegelijkertijd hield ik er rekening mee dat het een grap was. Dat de beide buurmannen mij, de vreemdeling in hun contreien, met hun coronapraatjes op stang probeerden te jagen. In elk geval slaagde ik in het onderdrukken van mijn neiging om te vluchten. Vluchten ging ook moeilijk met een fiets en een open bakje kibbeling plus saus. En dus zette ik mijn meest doodgemoedereerde gezicht op, probeerde me te concentreren op mijn eten èn tegelijkertijd het gesprek te volgen, maar durfde toch ook weer niet hun gezichten op te nemen om te peilen of ze me misschien een streek leverden. Ik heb zelfs nog mijn handen met gel schoongemaakt bij de viswagen, voordat ik er vandoor ging.

Terug in Hoogkerk bezocht ik nog even de supermarkt en ontmoette weer buiten P., een oude kennis van café ’t Gesticht. Hem wat lacherig het verhaal van de Munnikevaart gedaan. P. was verontwaardigd en vond het absoluut niet kunnen van die man in Oostwold. En al helemaal niet als het een grap was.

Weer thuis kijk ik dadelijk na hoe lang corona besmettelijk kan blijven als er ogenschijnlijk geen symptomen meer zijn. Zo’n acht dagen. Pfieuw, ik ben ontsnapt.

Even afkloppen. Mocht me over een dag of wat toch iets mankeren, weet dan waar het vandaan komt.

Eh, is er misschien een notaris in de zaal?


Dry January

Op Twitter zag ik al mensen beweren dat ze die drooggelegde januari heel best door konden komen met de door hun liefdevol gefotografeerde flessen dry gin, dry sherry en dry Martini.

Mezelf qua drank: vorig jaar heb ik in totaal 4 pilsjes gedronken.

Ik drink dus tegenwoordig heel matig, maar ben een vrij zware drinker geweest. Tussen 1985 en 2005 dronk ik zo’n beetje elke avond drie halve liters Grolsch of een fles witte wijn, wat ik dan vaak nog even in de kroeg om de hoek ging afblussen.

Op den duur konden mijn maag en darmen daar niet meer tegen: de boel liep veel te vlug door, zeg maar. Ik moest kiezen voor mijn gezondheid, daarom ben ik zo matig geworden. Mijn abstinentie is afgedwongen en zeker niet iets om me op voor te laten staan.

Op een personeelsfeestje of bij een redactie-etentje sta ik mezelf nog wel eens een biertje toe, verder niet. Voor geheelonthouders koester ik heimelijk een soort van bewondering.


Brillejood

Naast de kleinste van de klas, was ik op de lagere school geruime tijd ook de enige met een bril. Pas in de zesde of hoogste klas verscheen er zo’n ding op de neus van enige andere leerlingen. Daarentegen droeg ik al een dergelijke gezichtsprothese vanaf mijn tweeëeneenhalfde, toen ik een tijdelijk succesvolle operatie onderging om mijn ene oog recht te zetten.

Op het schoolplein spraken sommige pestkoppen mij wel aan met het scheldwoord “schele”, zo mogelijk gecombineerd met “professor”. Dat laatste was dan nog als eerbetoon op te vatten, maar daarnaast was ‘brillejood’, eventueel ingeleid met ‘schele’ een manier om mij te bejegenen. Wat een brillejood was, wist ik niet – zoveel had je daar niet meer van, na de oorlog – maar het werd minachtend uitgesproken, en dat kwam aan. Zo’n beetje de laatste keer dat ik het mocht horen ben ik pestkop nummer 1, een klasgenoot die een paar koppen groter was dan ik, aangevlogen, kreeg hem onder, en heb ik hem links en rechts om zijn oren gestompt, totdat een onderwijzer me van hem aftrok.

Het gekke is, dat de term brillejood überhaupt nog bestond, begin jaren zestig op een schoolplein in Drenthe. Volgens een zuidelijk krantenbericht uit 1937 was het scheldwoord namelijk toen al “uit den tijd geraakt”:

lemand, die een bril draagt, behoeft niet bang meer te zijn daarom dat hatelijke brillenjood naar zijn hoofd te krijgen.

‘Brillejood’ was oorspronkelijk, in de negentiende eeuw, een populaire beroepsaanduiding voor rondtrekkende, joodse brillenverkopers, waarvan je er ook in Groningerland een stuk of wat had. De minachting kwam natuurlijk niet van het zegenrijke werk dat deze handelsreizigers voor ons gezichtsvermogen deden, maar werd opgewekt door het zwerven en daarmee de lage status en het vreemd zijn van deze kooplui, om over het wijdverspreide antisemitisme maar te zwijgen.

Kennelijk was die cocktail van afkeer toch wat langer blijven hangen in Drenthe, ook al waren er geen joden meer.


Eerstejaarskamertje

Mijn eerstejaarskamer, Coendersweg 20 bij de familie Bisschop, voorjaar 1975.

Op het bureau (V&D) ligt Palmer, een vanuit linkse hoek zwaar bekritiseerd Amerikaans handboek voor nieuwe en nieuwste geschiedenis, dat hier bij een van de laatste hoofdstukken opengeslagen ligt.  Verder zie ik Calvocaressi liggen, het feitenrijke handboek voor contemporaine geschiedenis, voor het laatste tentamen dat jaar. Omdat ik gemiddeld zo hoog stond, dat zelfs een 1 me nog niet kon deren, heb ik daar nauwelijks wat voor gedaan. Toch kreeg ik er nog een 7 voor. Dat tentamen werd mondeling afgenomen en Chris Baljé, docent en Statenlid voor de VVD, zaagde me door over zuidelijk Afrika, waarbij ik het Rhodesië van Ian Smith alvast Zimbabwe noemde, zeer tot verbazing van Baljé want die naam stond toch niet in het handboek.

Aan de muur hangt een programma van Studium-Generale, ik meen over arbeiderszelfbestuur. Het stond op de middenpagina’s van de UK, net als de programma’s van filmclub Liga ’68 die destijds vaak ook werden opgehangen in studentenkamers of -wc’s. In de hoek staat de HEMA-wekker op een muziekencyclopedie van Larousse, betrokken bij De Slegte. In en op de HUBO-boxen rechts staan woordenboeken, deeltjes van de Fischer Weltgeschichte over de middeleeuwen en het toen bestaande Arabische rijk, plus wat nummers uit de Fibulareeks, ook voornamelijk over middeleeuwse onderwerpen.

Ik ging geschiedenis studeren voor de middeleeuwen. Naderhand switchte mijn belangstelling naar nieuwe, nieuwste en sociaaleconomische geschiedenis. Maar toen was ik alweer twee keer verhuisd naar adressen zonder hospita. De Bisschops, die in de kamer ernaast sliepen, hadden last van mijn nachtmerries, dat was de push, maar er was ook een pullfactor, want ik wilde er zelf ook graag weg. Eerst kwam ik via Frank van Vree terecht op een zolderkamer aan de Jozef Israëlsstraat, maar daarover een volgende keer.


Bij de ingang van de Appie

Ik kom aanzeilen op mijn fietsie, maar er staat een gezinnetje op de fietsparkeerplekken naast de ingang van de AH. Een kleine vrouw is bezig met het in- en opladen van de boodschappen en haar kind, haar forse man staat met zijn fiets breeduit op het complete rijtje parkeerplekken, zijn licht gebogen rug naar me toe. Ik besluit om maar even te wachten. Het duurt langer dan gedacht. Eindelijk keert de man zich om: “Wil je hier je fiets neerzetten soms?” Het klinkt nors, onvriendelijk. Ik hou mijn antwoord maar zo kort mogelijk: “Ja”. Licht agressief klinkt het nu: “Nou dat had je toch ook wel even kunnen zeggen niet?” Eindelijk haalt hij zijn fiets weg en kan ik de mijne neerzetten. Hij en zijn gezinnetje stappen op en rijden richting brug weg. Ietwat verbouwereerd staar ik ze na. Meneer kijkt nog even om.


“Dag Harry, dit is jouw dag”

Ik fiets door Hornhuizen naar het westen en ontwaar op de kop van de weg een groot bord met mijn naam erop en eronder de wens “Forever!”. Laat me zeggen dat ik niet ongevoelig ben voor een dergelijke boodschap.

Het bord stond opgesteld naast Wongema, de plaatselijke herberg, die nogal aan de weg timmert. Voor de toegangsdeur bevond zich nog een tweede bord: “Dag Harry, dit is jouw dag”.

Vreemd, dat ze mij hier niet eerder hiervan op de hoogte hadden gesteld. Zouden ze, zo vroeg ik mij af, hier gratis maaltijden verstrekken aan de Club van Harries, waarvan ik een toekomstig erelid ben?

Eerst maar even in de kerk gaan kijken, besloot ik. Maar daar trof ik bij de deur een minder leuk bericht aan: de kerk was wegens een begrafenis dicht voor monumentendagjesmensen. Nu kreeg ik ook door waarom er zoveel auto’s rondom het kerkhof geparkeerd stonden. Er bevond zich zelfs een plat wagentje voor het kerkpad – daarop was de kist gebracht, realiseerde ik me. Door de kier van de deur hoorde ik een populaire melodie zingen, blijkbaar was de uitvaartdienst net volop aan de gang.


Dan maar meteen naar de kroeg. Vrolijk vanwege het warme welkom stapte ik binnen: Houden jullie een reünie van de vereniging voor Harry’s? De man achter de toog nam me op en legde me wat korzelig uit dat dit ter ere was van de man wiens uitvaart schuin er tegenover net aan de gang was, namelijk Harry. Het ging om een in Hornhuizen bekende en populaire dorpsfiguur, begreep ik en de man achter de toog verwachtte na de begrafenis grote drukte in zijn zaak. Als ik een kop koffie wilde, kon ik die nog wel krijgen, maar een tosti zat er niet in. Ik bedankte voor het aanbod, mompelde dat ik het begreep en taaide af.

Buiten stapte ik op mijn fiets en nam nog een fotootje van Wongema. Bij de kerk stond nog steeds het lege platte wagentje te wachten op zijn vracht: de Hornhuister Harry. Een man met een boerenpet knetterde op een ouderwetse buikschuiver voorbij. Even later zag hem langs de weg naar Ulrum praten met de chauffeur van een vrachtwagen vol stro.

Achteraf verbaas ik me over de aard van het rouwbetoon bij Wongema. Gelukkig was het mijn dag nog niet.


Paul is dood

Op de genoeglijke reünie van ons jaar hoorde ik vanavond dat Paul van Tongeren onlangs is overleden. Paul was een tijdje politiek-mentaal een soort van oudere broer van enkele jaargenoten en mij, midden jaren 70. Later heb ik hem nog eens geïnterviewd over de actiegroep bij geschiedenis waarvan we beiden deel uitmaakten.

Op de reünie bracht het doodsbericht een milde vorm van schrik teweeg. Niet iedereen wilde het ook geloven. Er zijn landelijk meerdere Pauls van Tongeren bekend. Gelukkig hebben we tegenwoordig Mensenlinq zodat je de rouwberichten kunt opzoeken. Helaas bleek het waar.

Vrienden van Paul tekenden in hun rouwadvertentie een herkenbaar portret:

Sinds dat interview volgde ik hem op afstand zo’n beetje en begreep dat hij niet geheel en al senang vertrok bij de Oxfam-Novib, waarbij hij als voorlichter/woordvoerder werkte. Naderhand werd hij actief voor een Engelstalige club voor dierenwelzijn. In elk geval was het zo iemand waarvan je goeie herinneringen met je meedraagt en die je dus graag nog wel eens zou willen tegenkomen. Dat kan nu dus niet meer.