“Een echte durfal, die Harry”

Nu bijna 25 jaar geleden haalden Wim Hartman en ik namens de Oosterpoort de finale van de OOG-wijkkwis, destijds gepresenteerd door een piepjonge Wilfred Genée. Op het spel stond een videorecorder en onze tegenstander was Aduard, dat in monnikspijen verscheen. Een en ander speelde zich af het gebouw van de dienst Ruimtelijke Ordening aan het Zuiderdiep, waar ze de goeie trap voor een klassieke opkomst hebben. Let u speciaal ook op het Ruimtelijke Ordeningsspel, de truuk die ik daar uithaalde was ik al helemaal vergeten:

Wat was ik toen nog een jong mager knulletje en wat zat ik daar irritant vaak met open mond. Trekje dat ik herken van mijn vader. Zou me nu niet meer zo gauw overkomen, denk ik, in het zicht van een camera.

Met dank aan René Duursma, GAVA.


Begin van het einde

Dit is het begin van het einde. De dam is klaar en ze zijn nu begonnen aan de weg door de weke veengrond naar het nieuw te bouwen crematorium:

De bouwer van deze nuttige voorziening heet Respectrum, een naam die me straks voer voor cryptogrammenmakers lijkt. Respectrum noemt zich “een nieuwe speler in de uitvaartbranche”, wat me vagelijk tegenstrijdig in de oren klinkt:

Het crematorium in dit stukje Kop van Drenthe gaat dus Ommeland en Stad heten. Opdat u weet waar de doelgroep woont.

Niet dat ik nu zoveel crematoria heb gezien (slechts drie, in Groningen, Assen en Drachten), maar het gebouw lijkt me voor een crematorium vrij standaard:

Alle voorzieningen, zoals parkeerterrein, zijn dat ook. O ja, er komt een strooiveld naast. Of dat ook vanzelf spreekt, zou ik niet weten. Van bovenaf komt het een en ander er zo uit te zien, daar naast de Bruilweering. Een meanderend beekje loopt onder het complex door:

De voorlopige werknaam van het beekje is: Styx.

En dit dan op anderhalf à twee kilometer afstand van mijn woning. Ik kan er desnoods kruipende heen (mits nog levend).

Bij de bouw willen ze erg duurzaam te werk gaan, maar ik hoop van ganser harte dat ze dat daarna niet zo ver doordrijven dat dit nog leidt tot een sub-optimale lijkverbranding. Ten opzichte van mijn woning zit het nieuwe crematorium namelijk precies op het zuidwesten, zoals u weet de heersende windrichting. Maar enfin, als het ’s winters naar barbecue begint te geuren, dan weet je meteen dat er iets niet goed zit. Dat overkwam een oud-klasgenoot van mij, toen die in 1974 in Groningen ging studeren en op studentenflat Selwerd III kwam te wonen, onder de onmiskenbare rook van het crematorium.

Heb zo’n idee dat hier mijn crematie zal plaatsvinden. Hopelijk zijn de kinderziektes er dan uit. Ben er ook nog niet helemaal klaar voor, zo heb ik het programma nog niet rond, er staan vooralsnog slechts enkele onderdelen vast:

  1. Een paar minuten merelzang;
  2. The Cliffs of Doneen van Christy Moore of Planxty

Naar Den Haag en Katwijk

Gisterochtend in alle vroegte naar het Nationaal Archief in Den Haag om in het archief van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken van de Franse Tijd te kijken of dat een bepaalde bron bevatte. Dat bleek niet het geval. Kwam, zoals gewoonlijk, onderweg wel andere fraaiigheden tegen. Zoals de proclamatie uit maart 1808 waarbij de nieuwe Landdrost van het pas geannexeerde Oost-Friesland zich kenbaar maakte:


Een recept voor het maagelixer van J. Tiggelaar te Deventer:

Een band met een gemarmerd omslag:

Een verklaring van de (oorspronkelijk uit Winschoten afkomstige) geneesheer S. Crebas te Dwingeloo d.d. 11  juni 1809 dat hij (dat schooljaar) 224 kinderen in de wijde omgeving van zijn woonplaats had ingeënt tegen de pokken:

De tweede helft van de middag en ’s avonds bij mijn broer en schoonzus geweest, die vlakbij de duinen en nog geen anderhalve  kilometer van het strand af wonen. Flinke wandeling gemaakt – knienegies in de duinen:

Gezicht op Noordwijk:

De muide voorbij de spuisluis in de Oude Rijn bij Katwijk:

In een strandtent kreeft gezien:


“Ecoloog” vindt dat hij zijn hond best mag loslaten in de Onlanden


“Het weer wordt beter en dus neemt helaas ook in De Onlanden de verstoring door loslopende honden en foutografen weer toe”, aldus een tweet van Natuur in de Onlanden op 12 maart. En in een follow-up, dezelfde dag: “Ziet u verstoring van de Natuur in De Onlanden? Spreek de persoon aan of geef het door aan de beheerder. Tip: maak foto’s ter identificatie.”

Ik had al wat twijfels bij deze oproep, maar als je mensen maar beleefd aanspreekt, dacht ik, dan zijn ze vast wel vatbaar voor rede. Broedseizoen immers, een redelijk mens wil dan geen vogels verstoren. Trouwens ook geen andere dieren, zoals otters.

Inderdaad bleken twee van de drie loslopende hondenbezitters die ik vanmiddag in de Onlanden aansprak van goede wil. Ze riepen hun hond bij zich en lijnden deze aan. Wat mij dan tevreden gestemd verder doet fietsen, hoewel ik best weet dat de lijn soms weer losgaat zodra de bemoeial uit zicht is.

De derde hondenbezitter was van een ander gehalte. Ik kwam om een uur of zes over de Zanddijk uit de richting Peizerwold en was van plan de Weringsedijk richting Hoogkerk te nemen. Op de hoek zag ik een soort van lichtbruine wetterhoun of airedale in het riet rondstruinen, nog redelijk dichtbij de weg, maar toch: onaangelijnd. Uit de tegenoverliggende richting kwam een vrouw aangelopen, maar die liep de hond voorbij zonder dat ze naar hem omkeek, of dat de hond haar volgde. Dus vroeg ik de man en de vrouw die bij het richtingenbordje stonden te praten, of de hond misschien van hen was.

“Ja” zei de man. “Wat dan?”

“Och”, zeg ik, “zou u die hond astublieft willen aanlijnen?”

“Waarom dan?”

“Nou, het is broedseizoen, een hond die in het riet struint verstoort de vogels”, zeg ik.

Hij weer: “Mijn hond gaat niet achter vogels aan”.

Ik zeg: “Dat heb ik wel meer gehoord, maar toch”.

“Nou”, zegt hij, “Ik ben ecoloog meneer”. Hij wees achter zich om die bewering geloofwaardig te maken: “Daarginds zitten kemphanen en ik hoorde ook drie roerdompen en die hebben absoluut geen last van mijn hond.”

“Jaja,” zeg ik, ik heb ook een roerdomp gehoord, maar toch is het beter dat u uw hond aanlijnt. Mag ik een foto van u maken?”

“Ja” zegt hij. Terwijl ik de foto neem: “En wie bent u, als ik vragen mag?”

“Ik ben Harry Perton”, zeg ik. “En wat is uw naam?”

“Ik ben [naam geschrapt], zegt hij. Hij wees in de richting van de Groningerweg, Peizermade. “Als daarginds nu een bordje had gestaan, dan had ik mijn hond aangelijnd, maar er stond geen bordje.”

Dat nu, vond ik een vreemd argument voor iemand die zich ecoloog noemt. Of je weet alles van de natuur en kunt tevens extreem goed met waterhonden omgaan, of je beroept je op de afwezigheid van een extern verbod. Hoewel ik dus alweer op de fiets was gestapt, maakte ik nog even rechtsomkeert.

“Ik vind het vreemd dat u zich op de afwezigheid van een bordje beroept, terwijl u als ecoloog zou moeten weten wat het effect van een rondstruinende hond op vogels is”, zeg ik, als ik weer vlak bij ze sta. “Trouwens, de afwezigheid van zo’n bordje ontslaat u als nog niet van uw morele plicht.”

“Er zijn mooimakers en er zijn moemakers”, zegt hij, “en u bent een moemaker”. En met een veeggebaar met zijn hand van zich af: “En nu wegwezen”.

“Nou”, zeg ik, ik sta hier op de openbare weg en laat me niet door iemand van jouw soort wegsturen.”

“Mijn soort?”, vraagt hij.

“Ja”, zeg ik, “Jij bent van het soort klootzakken dat zich beroept op de afwezigheid van bordjes, bordjes die het eerst zèlf heeft weggehaald.”

Dit had ik natuurlijk niet moeten zeggen; dit loste niets op, maar goed, ik was toch al betiteld als een moemaker.

“Dus u begint te schelden?, zegt hij.

Hij begon natuurlijk zelf met schelden, maar enfin. Ik zeg: “Mensen die hun honden los laten lopen in natuurgebieden zijn in mijn ogen klootzakken”.

En daarmee was onze conversatie wel uitgeput. Ik ben weer op de fiets gestapt en heb mijn hand nog even ten afscheid opgestoken met het vaste voornemen om dit verhaal hier op te schrijven.

Eenmaal thuis, blijkt dat hij géén valse naam opgaf. De titel ecoloog is wellicht wat hoog gegrepen, gezien het “Ing.” voor zijn naam, maar meneer [naam geschrapt] werkt wel degelijk bij een ecologisch onderzoeks- en adviesbureau.

Rest nog de vraag: als een “ecoloog” zijn hond in de natuur mag laten struinen, waarom zouden anderen dit voorbeeld dan niet mogen volgen?

Ben nu inderdaad finaal genezen van het aanspreken van mensen. Dat kost me veel te veel gemoedsrust. Heb geen zin in een hartaanval of beroerte. Laat er maar gewoon toezicht komen, die voelbare bekeuringen verstrekt, graag te verdriedubbelen voor zogenaamde ecologen.

Naschrift 27 maart 18.30 uur:

Hoewel meneer zichzelf kenbaar maakte als ecoloog en als zodanig ook allerlei overheidsrapporten blijkt te schrijven, zodat er een publiek belang bij het noemen van zijn naam en bedrijf gemoeid is, heb ik besloten die gegevens toch maar te schrappen. Het punt is wel gemaakt, de man is bereikt en dit hoeft hem niet eeuwig nagedragen te worden.

 


Het oude liedje

stemwijzer

Volgens Stemwijzer.


Kleuterschoolmemoires

img857

Naar aanleiding van een bijna antropologische uitzending over het universum van vierjarigen, gisteravond, zocht ik de enige foto op van mijn eigen kleuterschoolperiode. Het betreft de ‘bovenste klas’ van de Hummelhof aan het Schukkingpad te Havelte, in het schoolljaar 1960/1961 poserend op het klimrek schuin achter de school.

In totaal betreft het 25 leerlingen: 14 meisjes en 11 jongens. Een jaar of wat geleden heb ik er, voor zover ik het nog wist, de namen bij gezet. Die kende ik nog bij 4 meisjes (29 %) en 10 jongens (91 %) – de selectiviteit van mijn geheugen weerspiegelt hoe apart beider leefwerelden waren op die leeftijd. Dat is nog steeds zo, bleek uit de TV-uitzending van gister: een vierjarig jongetje bliefde bijvoorbeeld geen meisjescadeau.

Ook speelt hiërarchie een buitengewoon grote rol bij kleuters. Het klimrek op de foto bewees hier nuttige diensten. Sommige durfals zaten er altijd helemaal bovenop en gingen soms zelfs ondersteboven aan hun knieën aan de hoogste sporten hangen. Vooral een van de meisjes had daar een handje van. Maar ze kon nooit zelfstandig weer omhoog komen en de aandachttrekster krijste dan net zo lang tot de juffrouw haar kwam verlossen. Wij als jongens vonden dat maar stom!

De Hummelhof herinner ik me verder van territoriale conflicten in de zandbak. En van het bruggetje over de “Kikkersloot”, waar de tegenover gelegen rioolwaterzuivering met veel gebruis het schoongemaakte water in loosde. Achter de school was een overkapping met overnaadse planken waaronder we onze autopeds neer moesten zetten. Binnen deden we kringspelletjes en leerden we bekende kinderliedjes. Op een keer moesten we van de juf voorgedrukte figuren uit papieren prikken. Ik vond dat niks. Waarom zou je zo’n figuur met een prikker uitprikken, terwijl het met een schaar veel sneller en mooier ging? De juffrouw accepteerde mijn protesten niet en stuurde me naar de hoek toen ze zag dat ik toch met een schaar aan de gang was gegaan. Kleutertrauma!

De Hummelhof ging op 30 maart 1960 open. Eerder was de Havelter kleuterschool nog naamloos gevestigd in het gebouw Eursinge bij Overcinge, waarvan me vooral heugt hoe de juf ons mee uit wandelen nam in de omringende Homan-bossen. In de herfst verzamelden we daar allerlei bladeren, kastanjes, eikels en paddestoelen voor herfststukjes en kijkdozen. Sommige jongens raapten er beukenootjes die ze openpulkten om de inhoud op te eten (getsie!).

Op de dag van de kleuterschoolverhuizing werden we met zijn allen vanaf Eursinge op een versierde boerenwagen naar de Hummelhof gebracht. We kregen er een toneelvoorstelling te zien: Goudlokje en de drie beren. Spannend joh, enorme griezels waren dat, die beren! Tot mijn grote opluchting liep het goed met Goudlokje af. Ik was wel een beetje verliefd op haar geworden, maar dat had weinig toekomst.


Eigen crematie geregeld

Ik droomde dat ik de datum van mijn eigen crematie regelde. Toen de tijd naderde begon ik steeds meer in de piepzak te zitten. De aula liep al aardig vol, zelfs mijn ouders waren gekomen! Met mijn vader maakte ik nog een wandelingetje langs de Dorpsstraat. Toen durfde ik eindelijk pas te zeggen dat ik het nog maar even uitstelde omdat het leven bij tijd en wijlen toch ook wel behoorlijk meeviel of zelfs mooi was. Terug in de inmiddels volle aula reageerde iedereen opgelucht. Men maakte er nog een genoeglijk samenzijn van. De rekening van de uitvaartonderneming beschouwde ik als iets van later zorg.