Weerzien met Nijeveen

Het andere reisdoel was de boerderij “op Nijevene” waar ik begin jaren zeventig vakantiewerk deed. Vanaf de Paradijsschut wist ik niet goed welke route de kortste was. Linksom, langs Meppel, of rechtsom, langs een ruilverkavelingsweg. Ik gokte op rechtsom, en maakte een enorme omweg.

Eerst langs de Noksloot en de Nijeveense Stouwe:

Op de Hoofdvaart dobberde een binnenvaarder met een zorgvlag, ‘de Pronckert‘ uit Leeuwarden:

In de Noksloot viel me dit boeketje op:

Zelfportret met wielrenwichie, mais- en bietenveld:

Dorpsgezicht langs mais:

Möppelt in de verte:

Boven me cirkelden twee buizerds en riepen “kieuw, kieuw” naar elkaar:

Toch jammer dat lijsterbessen lang niet zo goed smaken als ze eruitzien:

Dorpsgezicht Nijeveen:

Eindje verderop:

Ik trof de bewoner  thuis. Een poosje geleden erfde hij de boerderij van zijn broer, die vroeger bij mijn vader op kantoor werkte. ’s Middags had die broer een antiekhandel en daar hielp ik hem bij zomerdag wat bij. Tegeltjes uit Staphorst versjouwen en zo. Deze barokke vaas is overigens puur nep en komt bij  de Tuinland vandaan:

Schuur achter het huis. Destijds lag hier nog gras en deed ik er nog pogingen om pony’s te beleren, wat een fantastische rodeo opleverde, waar ik nu graag een filmpje van had gehad:

Het Drentse veldkeienstraatje, dat ik aan het eind van iedere werkweek aanveegde:

De schuren die ik in de carbolineum zette, terwijl de laatste ooievaars van Nederland een eindje verder op dit erf klepperden en radio Tour de France uit de transistorradio klonk:

Dit sluitwerk werkt niet:

En vot maor weer:


In het papavermeer

Deze diashow vereist JavaScript.

Toen ik vorig weekend de klaprozenvelden bij Huis ter Heide passeerde, moest ik meteen denken aan een boek van Slauerhoff. Het ging om passages tegen het eind van dat boek, wist ik nog. En dat het boek op de lijst stond voor mijn eindexamen. Via een oeuvre-overzicht vond ik de titel. Het bleek te gaan om Het leven op aarde. Dit zijn de citaten die passen bij de situatie daar in Drenthe:

De papavers deinden in de wind, welig warm en rood. Daartussen groeiden alle andere bloemen. De geuren kon ik nog niet onderscheiden, gewend als ik was aan alleen de lucht die over het water en tussen de muren hangt(…)

Ik waadde door de papavers. Eén ging mij tegemoet; in het midden, waar het meer het diepste was, ontmoetten wij elkaar. De hele verdere dag bleven wij gevlijd op de met rode blaadjes bedekte, van zon doorstoofde en zacht naar zaad geurende bodem.

Bij haar liggend op de zachte matten, omgeven door papavers dichtbij in vazen als rode vlokken, in de verte als één meeroppervlak (…)

Een gevoel van berouw en verlatenheid beving mij, dat niet dadelijk weer week toen ik zag waar ik was: in een papavermeer, wijd en diep, onbewoond.

Toch knap dat een schrijver kan zorgen voor teksten die zo lang in iemands memorie beklijven – mijn eindexamen is op enkele jaartjes na een halve eeuw geleden. Ik had toen ik het boek las geen enkele ervaring met drugs, laat staan met opium. Dat aspect van Slauerhoffs tekst herkende ik simpelweg niet, nu wel: het is een gesublimeerde beschrijving van een roes die als metafoor fungeert.

Toen ik lang na de lezing van Slauerhoffs boek zelf eens opium kreeg aangeboden, en het ook uitprobeerde, vond ik het maar een vervelend goedje. Je werd er zo slaperig van. Het is bij die eenmalige ervaring gebleven.


Sportschoolpipo zonder hasses

Trammelant in de supermarkt, bij de Poïesz ditmaal, vanochtend om ongeveer kwart over acht. Ik sta bij de broodafdeling achterin op mijn halve groffe volkoren te wachten, komt me een figuur van een jaar of dertig, veertig achterop met een overmaat aan biceps in een veel te strak shirtje. Hij lijkt qua gezicht warempel wel wat op Erik Hulsegge – al zal die veel minder gespierd zijn – en passeert tot mijn schrik zijn eigen supermarktwagentje om zich tussen mij en de broodcounter in te wringen en wat broodjes uit een glazen bak op de counter te pakken. Ik schiet uit mijn slof en schreeuw: “Kan je even afstand houden?” Dat wil hij duidelijk niet en komt nog dichterbij. Scheld hem uit voor zultkop en dat blijkt raak, want hij begint op 30 cm tegen me aan te blaffen. Dreigend:: “Wil je even buiten op me wachten?”. “Dat ben ik niet van plan”, zeg ik nog. Ik kijk even in mijn kar, constateer dat ik mijn boodschappen wel bij elkaar heb en stiefel naar de kassa, waar zich de volgende scène afspeelt.

Het blijkt dat hij me door de super achterna is gekomen en hij gaat bij de kassa opnieuw voorbij zijn eigen kar, nu om zijn broodje op de band te leggen. Andermaal komt hij zo binnen mijn anderhalve metercirkel en dat doet hij duidelijk expres. Op mijn herhaalde verzoek om op de vereiste afstand te gaan staan, suggereert hij dat ik niet eens weet wat anderhalve meter is. Heb hem dat maar even voorgedaan met mijn handen wijd uit elkaar. Dit maal probeert hij me te kleineren: “Je ziet er niet uit joh, je bent een idioot” enz. Wat alleen maar mijn eerste indruk versterkt: sportschoolpipo zonder hasses die dat compenseert met een fixatie op uiterlijk. Keer hem de rug toe, maar hij begint tegen me aan te rijden met zijn kar. Heb hem meermalen verzocht om afstand te nemen. Hij ging inderdaad een decimetertje achteruit en dat was dan het eind van deze scène. Enfin, iemand die duidelijk andermans ruimte niet respecteert. Zou me ook absoluut niet verbazen, als hij al een strafblad had wegens aanranding of een geweldsdelict.

O ja, achter hem stond een vrouw die vroeg of het wat zachte kon, er was een kind bij (haar eigen kind). Kwam er op dat moment helaas niet op, maar wat doet iemand in coronatijd nog met een kind in de supermarkt? Kinderen gelden nota bene als asymptomatische virusverspreiders. Met de kar naar de uitgang lopend, kreeg ik overigens nog wel een adhesiebetuiging van een oudere vrouw. Die voelde zich ook wel eens bedreigd.

Heb thuis de politie gebeld. Wilde aangifte van bedreiging doen, maar de politie gaat er niet achteraan, ondanks de aanwezigheid van videobeelden in de supermarkt (dat heb ik voor mijn politiebelletje nog even telefonisch bij de Poïesz gecheckt). Onderzoek hiernaar doen kost de politie veel te veel tijd, er zijn honderden van dit soort incidenten op een dag. “We kunnen niet alle regeltjes handhaven”, of woorden van gelijke strekking. Regeltjes, zei ze. De politievrouw verwees ook nog even naar burgemeester Van Halsema en die anti-racismedemonstratie van laatst waarbij de anderhalve meter afstand straal werd genegeerd. Blijkbaar moet je je als risicodrager – van mijn leeftijd krepeert 1 op 2 de bij een coronabesmetting – dan zelf maar bewapenen. Binnenkort naar Duitsland om eens te kijken naar pepperspray en/of een taser.

Geluk bij een ongeluk: als ik straks dankzij die knakker ziek word, kan ik wèl aangifte gaan doen, zei de politievrouw. Maar of de videobeelden uit de supermarkt er dan nog zijn?


Kibbeling en corona

Munnikevaart DSC03679

Tevoren had ik al bedacht: ik zou wel een gebakken visje lusten. Maar ik koos voor de kortste route naar het Hoendiep en kwam zodoende niet door Hoogkerk met zijn twee viskramen.

Het plan was eigenlijk om naar Lutjegast te gaan. Bij de Oostwolmerdraai echter, wakkerde de wind in mijn rug zo aan, dat ik bij voorbaat de tegenwind op de terugreis ging vrezen. Dus gooide ik mijn plan om en nam een kortere route: linksaf naar Oostwold. Om daar te belanden bij de Munnikevaart, volgens een bijgeplaatst straatnaambordje “de mooiste straat van Oostwold”.

Terwijl ik richting snelweg fietste, zie ik bij de laatste woning dezelfde viswagen staan die op donderdagen in Hoogkerk rondrijdt. Er stond één wachtende klant bij. Ik parkeerde mijn fiets enkele meters achter hem en hoefde niet lang te wachten. Helaas, de tong was uitverkocht en een lekkerbekje had de visboer ook niet meer. Dan maar kibbeling, iets wat ik normaal nooit neem. “Hier opeten”, zei ik, iets wat ik anders iik nooit doe.

Terwijl de visboer me over zijn counter het bakje kibbeling met saus toeschoof en ik pinde om af te rekenen, kwam er een volgende klant enkele meters schuin achter me staan. Ik trok me terug naar mijn fiets en begon er aan mijn portie kibbeling. Op dat moment arriveerde er nog een man, de bewoner van het huis waarbij de viskar stond. Het bleek een buurman van de eerste klant na mij. Ze knoopten een gesprek aan. Ze hadden elkaar een hele poos niet gezien, zo bleek, en dat kwam doordat de laatst aangekomene in het ziekenhuis had gelegen. Met corona, verklaarde hij. Maar hij was lang niet de ergste patiënt in het ziekenhuis geweest en had er ook niet zo lang gelegen – hij was nu alweer zo’n veertien dagen thuis.

Zodra ik het woord corona hoorde, was ik natuurlijk een en al oor. Maar ik ging me ook wat zorgen maken. De met goed gevolg ontslagen coronalijder stond weliswaar een meter of 3 à 4 van me af, maar de nog steeds aanwakkerende noordoostenwind woei precies vanaf zijn positie mijn richting uit! En de man praatte ook nog aan de harde kant met zijn buurman. Het zou me niet verbazen als er virusdruppeltjes mijn kant op vlogen.

Tegelijkertijd hield ik er rekening mee dat het een grap was. Dat de beide buurmannen mij, de vreemdeling in hun contreien, met hun coronapraatjes op stang probeerden te jagen. In elk geval slaagde ik in het onderdrukken van mijn neiging om te vluchten. Vluchten ging ook moeilijk met een fiets en een open bakje kibbeling plus saus. En dus zette ik mijn meest doodgemoedereerde gezicht op, probeerde me te concentreren op mijn eten èn tegelijkertijd het gesprek te volgen, maar durfde toch ook weer niet hun gezichten op te nemen om te peilen of ze me misschien een streek leverden. Ik heb zelfs nog mijn handen met gel schoongemaakt bij de viswagen, voordat ik er vandoor ging.

Terug in Hoogkerk bezocht ik nog even de supermarkt en ontmoette weer buiten P., een oude kennis van café ’t Gesticht. Hem wat lacherig het verhaal van de Munnikevaart gedaan. P. was verontwaardigd en vond het absoluut niet kunnen van die man in Oostwold. En al helemaal niet als het een grap was.

Weer thuis kijk ik dadelijk na hoe lang corona besmettelijk kan blijven als er ogenschijnlijk geen symptomen meer zijn. Zo’n acht dagen. Pfieuw, ik ben ontsnapt.

Even afkloppen. Mocht me over een dag of wat toch iets mankeren, weet dan waar het vandaan komt.

Eh, is er misschien een notaris in de zaal?


Dry January

Op Twitter zag ik al mensen beweren dat ze die drooggelegde januari heel best door konden komen met de door hun liefdevol gefotografeerde flessen dry gin, dry sherry en dry Martini.

Mezelf qua drank: vorig jaar heb ik in totaal 4 pilsjes gedronken.

Ik drink dus tegenwoordig heel matig, maar ben een vrij zware drinker geweest. Tussen 1985 en 2005 dronk ik zo’n beetje elke avond drie halve liters Grolsch of een fles witte wijn, wat ik dan vaak nog even in de kroeg om de hoek ging afblussen.

Op den duur konden mijn maag en darmen daar niet meer tegen: de boel liep veel te vlug door, zeg maar. Ik moest kiezen voor mijn gezondheid, daarom ben ik zo matig geworden. Mijn abstinentie is afgedwongen en zeker niet iets om me op voor te laten staan.

Op een personeelsfeestje of bij een redactie-etentje sta ik mezelf nog wel eens een biertje toe, verder niet. Voor geheelonthouders koester ik heimelijk een soort van bewondering.


Brillejood

Naast de kleinste van de klas, was ik op de lagere school geruime tijd ook de enige met een bril. Pas in de zesde of hoogste klas verscheen er zo’n ding op de neus van enige andere leerlingen. Daarentegen droeg ik al een dergelijke gezichtsprothese vanaf mijn tweeëeneenhalfde, toen ik een tijdelijk succesvolle operatie onderging om mijn ene oog recht te zetten.

Op het schoolplein spraken sommige pestkoppen mij wel aan met het scheldwoord “schele”, zo mogelijk gecombineerd met “professor”. Dat laatste was dan nog als eerbetoon op te vatten, maar daarnaast was ‘brillejood’, eventueel ingeleid met ‘schele’ een manier om mij te bejegenen. Wat een brillejood was, wist ik niet – zoveel had je daar niet meer van, na de oorlog – maar het werd minachtend uitgesproken, en dat kwam aan. Zo’n beetje de laatste keer dat ik het mocht horen ben ik pestkop nummer 1, een klasgenoot die een paar koppen groter was dan ik, aangevlogen, kreeg hem onder, en heb ik hem links en rechts om zijn oren gestompt, totdat een onderwijzer me van hem aftrok.

Het gekke is, dat de term brillejood überhaupt nog bestond, begin jaren zestig op een schoolplein in Drenthe. Volgens een zuidelijk krantenbericht uit 1937 was het scheldwoord namelijk toen al “uit den tijd geraakt”:

lemand, die een bril draagt, behoeft niet bang meer te zijn daarom dat hatelijke brillenjood naar zijn hoofd te krijgen.

‘Brillejood’ was oorspronkelijk, in de negentiende eeuw, een populaire beroepsaanduiding voor rondtrekkende, joodse brillenverkopers, waarvan je er ook in Groningerland een stuk of wat had. De minachting kwam natuurlijk niet van het zegenrijke werk dat deze handelsreizigers voor ons gezichtsvermogen deden, maar werd opgewekt door het zwerven en daarmee de lage status en het vreemd zijn van deze kooplui, om over het wijdverspreide antisemitisme maar te zwijgen.

Kennelijk was die cocktail van afkeer toch wat langer blijven hangen in Drenthe, ook al waren er geen joden meer.


Eerstejaarskamertje

Mijn eerstejaarskamer, Coendersweg 20 bij de familie Bisschop, voorjaar 1975.

Op het bureau (V&D) ligt Palmer, een vanuit linkse hoek zwaar bekritiseerd Amerikaans handboek voor nieuwe en nieuwste geschiedenis, dat hier bij een van de laatste hoofdstukken opengeslagen ligt.  Verder zie ik Calvocaressi liggen, het feitenrijke handboek voor contemporaine geschiedenis, voor het laatste tentamen dat jaar. Omdat ik gemiddeld zo hoog stond, dat zelfs een 1 me nog niet kon deren, heb ik daar nauwelijks wat voor gedaan. Toch kreeg ik er nog een 7 voor. Dat tentamen werd mondeling afgenomen en Chris Baljé, docent en Statenlid voor de VVD, zaagde me door over zuidelijk Afrika, waarbij ik het Rhodesië van Ian Smith alvast Zimbabwe noemde, zeer tot verbazing van Baljé want die naam stond toch niet in het handboek.

Aan de muur hangt een programma van Studium-Generale, ik meen over arbeiderszelfbestuur. Het stond op de middenpagina’s van de UK, net als de programma’s van filmclub Liga ’68 die destijds vaak ook werden opgehangen in studentenkamers of -wc’s. In de hoek staat de HEMA-wekker op een muziekencyclopedie van Larousse, betrokken bij De Slegte. In en op de HUBO-boxen rechts staan woordenboeken, deeltjes van de Fischer Weltgeschichte over de middeleeuwen en het toen bestaande Arabische rijk, plus wat nummers uit de Fibulareeks, ook voornamelijk over middeleeuwse onderwerpen.

Ik ging geschiedenis studeren voor de middeleeuwen. Naderhand switchte mijn belangstelling naar nieuwe, nieuwste en sociaaleconomische geschiedenis. Maar toen was ik alweer twee keer verhuisd naar adressen zonder hospita. De Bisschops, die in de kamer ernaast sliepen, hadden last van mijn nachtmerries, dat was de push, maar er was ook een pullfactor, want ik wilde er zelf ook graag weg. Eerst kwam ik via Frank van Vree terecht op een zolderkamer aan de Jozef Israëlsstraat, maar daarover een volgende keer.


Bij de ingang van de Appie

Ik kom aanzeilen op mijn fietsie, maar er staat een gezinnetje op de fietsparkeerplekken naast de ingang van de AH. Een kleine vrouw is bezig met het in- en opladen van de boodschappen en haar kind, haar forse man staat met zijn fiets breeduit op het complete rijtje parkeerplekken, zijn licht gebogen rug naar me toe. Ik besluit om maar even te wachten. Het duurt langer dan gedacht. Eindelijk keert de man zich om: “Wil je hier je fiets neerzetten soms?” Het klinkt nors, onvriendelijk. Ik hou mijn antwoord maar zo kort mogelijk: “Ja”. Licht agressief klinkt het nu: “Nou dat had je toch ook wel even kunnen zeggen niet?” Eindelijk haalt hij zijn fiets weg en kan ik de mijne neerzetten. Hij en zijn gezinnetje stappen op en rijden richting brug weg. Ietwat verbouwereerd staar ik ze na. Meneer kijkt nog even om.


“Dag Harry, dit is jouw dag”

Ik fiets door Hornhuizen naar het westen en ontwaar op de kop van de weg een groot bord met mijn naam erop en eronder de wens “Forever!”. Laat me zeggen dat ik niet ongevoelig ben voor een dergelijke boodschap.

Het bord stond opgesteld naast Wongema, de plaatselijke herberg, die nogal aan de weg timmert. Voor de toegangsdeur bevond zich nog een tweede bord: “Dag Harry, dit is jouw dag”.

Vreemd, dat ze mij hier niet eerder hiervan op de hoogte hadden gesteld. Zouden ze, zo vroeg ik mij af, hier gratis maaltijden verstrekken aan de Club van Harries, waarvan ik een toekomstig erelid ben?

Eerst maar even in de kerk gaan kijken, besloot ik. Maar daar trof ik bij de deur een minder leuk bericht aan: de kerk was wegens een begrafenis dicht voor monumentendagjesmensen. Nu kreeg ik ook door waarom er zoveel auto’s rondom het kerkhof geparkeerd stonden. Er bevond zich zelfs een plat wagentje voor het kerkpad – daarop was de kist gebracht, realiseerde ik me. Door de kier van de deur hoorde ik een populaire melodie zingen, blijkbaar was de uitvaartdienst net volop aan de gang.


Dan maar meteen naar de kroeg. Vrolijk vanwege het warme welkom stapte ik binnen: Houden jullie een reünie van de vereniging voor Harry’s? De man achter de toog nam me op en legde me wat korzelig uit dat dit ter ere was van de man wiens uitvaart schuin er tegenover net aan de gang was, namelijk Harry. Het ging om een in Hornhuizen bekende en populaire dorpsfiguur, begreep ik en de man achter de toog verwachtte na de begrafenis grote drukte in zijn zaak. Als ik een kop koffie wilde, kon ik die nog wel krijgen, maar een tosti zat er niet in. Ik bedankte voor het aanbod, mompelde dat ik het begreep en taaide af.

Buiten stapte ik op mijn fiets en nam nog een fotootje van Wongema. Bij de kerk stond nog steeds het lege platte wagentje te wachten op zijn vracht: de Hornhuister Harry. Een man met een boerenpet knetterde op een ouderwetse buikschuiver voorbij. Even later zag hem langs de weg naar Ulrum praten met de chauffeur van een vrachtwagen vol stro.

Achteraf verbaas ik me over de aard van het rouwbetoon bij Wongema. Gelukkig was het mijn dag nog niet.


Paul is dood

Op de genoeglijke reünie van ons jaar hoorde ik vanavond dat Paul van Tongeren onlangs is overleden. Paul was een tijdje politiek-mentaal een soort van oudere broer van enkele jaargenoten en mij, midden jaren 70. Later heb ik hem nog eens geïnterviewd over de actiegroep bij geschiedenis waarvan we beiden deel uitmaakten.

Op de reünie bracht het doodsbericht een milde vorm van schrik teweeg. Niet iedereen wilde het ook geloven. Er zijn landelijk meerdere Pauls van Tongeren bekend. Gelukkig hebben we tegenwoordig Mensenlinq zodat je de rouwberichten kunt opzoeken. Helaas bleek het waar.

Vrienden van Paul tekenden in hun rouwadvertentie een herkenbaar portret:

Sinds dat interview volgde ik hem op afstand zo’n beetje en begreep dat hij niet geheel en al senang vertrok bij de Oxfam-Novib, waarbij hij als voorlichter/woordvoerder werkte. Naderhand werd hij actief voor een Engelstalige club voor dierenwelzijn. In elk geval was het zo iemand waarvan je goeie herinneringen met je meedraagt en die je dus graag nog wel eens zou willen tegenkomen. Dat kan nu dus niet meer.


Oud-NSB’er trapte mij letterlijk de klas uit

Bonting bij zijn afscheid (1981).

Het moet in 2 gym geweest zijn, want in de brugklas was ik nog een gezeglijk jochie dat flink zijn best deed en braaf zijn huiswerk maakte. In de tweede lag mijn moeder, thuis de drijvende kracht, een maand of wat in Beatrixoord terwijl ik danig begon te puberen. Daar hoorde klieren op school bij. Propjes schieten met een dik elastiek, een stuitbal keihard tegen het bord aan laten knallen terwijl de lerares net de blatyfus uitlegde, dat soort dingen. Mijn cijfers kelderden met elk rapport en aan het eind van het schooljaar bleef ik met glans zitten, waarbij ik van 2 gym oude stijl afdaalde naar 2 atheneum krachtens de Mammoetwet, naderhand overigens zeer tot mijn zin.

Goed, het gebeurde dus in 2 gym, schooljaar 1968-1969. Ik weet absoluut niet meer wat ik uitvrat, maar het zal niet veel goeds geweest zijn en Bonting, onze geschiedenisleraar, keek derhalve niet bepaald blij – hij stuurde me de klas uit. Ik stond demonstratief langzaam op, slenterde zo mogelijk nog langzamer langs het podiumpje met Bontings tafel voorin de klas, en begon een actuele hit te fluiten. Terwijl ik op deze wijze de deur uitliep, hoorde ik achter me gedruis. Ik keek om, zag nog net een stoel van het podium afkukelen terwijl de ziedende Bonting op me afstiefelde. Hij gaf me een enorme trap onder mijn hol. Op deze wijze ben ik dus letterlijk de klas uitgetrapt.

Het moet een fraaie scène zijn geweest. Tegenwoordig zouden ze zoiets filmen en op internet zetten, maar destijds kraaide er geen haan naar. De rector zal me wel aan het naschoolse pleinvegen hebben gezet, ik weet het waarachtig niet meer. Thuis zijn er in elk geval geen woorden aan vuil gemaakt – ik denk niet dat mijn ouders het te horen kregen.

Deze episode met Bonting popte vanochtend uit mijn geheugen op, toen we het tijdens de pauze in de kantine hadden over het linkse lerarenmeldpunt, dat de Baudettenbrigade in het leven wil roepen. Mijn collega zat op dezelfde school als ik – de RSG aan het Zuideinde in Meppel – en we namen onze leraren door op politieke standpunten. Hij vroeg of ik wist dat Bonting in de oorlog advocaat was geweest, en na de bevrijding van het tableau was afgevoerd wegens NSB-lidmaatschap. Nee, dat wist ik helemaal niet. Waarna ik het op mij toegepaste standrecht releveerde. Ben ik daar warempel door een NSB-er de klas uitgetrapt. Nog blij dat ik het kan navertellen!

Bonting NSB-er – ik kon het haast niet geloven. En nam me voor dit eens haarfijn uit te gaan zoeken. Hetgeen een middagje werk kostte, maar dan heb je ook wat.

Martinus Bonting, zo heette hij aanvankelijk voluit, was in 1916 geboren als zoon van een gelijknamige kantoorbediende te Amsterdam. In 1934 haalde hij het gymnasiumdiploma in Haarlem, en in 1937 legde hij met succes zijn kandidaats- en in 1942 zijn doctoraalexamen geschiedenis af in Amsterdam. Van een rechtenstudie was toen dus geen sprake, laat staan van een loopbaan in de advocatuur. In 1944 noemt hij zich ook “drs. litt.”, als hij in Heerlen trouwt met een Duitse vrouw.

Ze zouden geen kinderen krijgen. Aan het eind van de oorlog woonden ze in Gouda, waar hij leraar geschiedenis aan het stedelijk gymnasium was. Per 1 augustus 1945, dus enkele maanden na de bevrijding, werd hij echter ontslagen op grond van het Zuiveringsbesluit, een ontslag dat begin 1947, mogelijk na een beroepsprocedure, definitief werd en in de Staatscourant stond. Het klopte dus dat Bonting fout was. Nou waren er ook lichtere straffen voor ambtenaren en leraren mogelijk: berisping, overplaatsing, of schorsing voor een bepaalde tijd. Bonting echter, kreeg de zwaarste straf. Dit deel van het verhaal klopte dus.

Dat onze geschiedenisleraar in de advocatuur had gezeten, bleek evenwel broodje aap. Pas na zijn ontslag als keraar studeerde Bonting rechten – hij haalde zijn kandidaats eind 1951 in Utrecht, en zijn doctoraal in maart 1956 aan de VU in Amsterdam. Om die reden staat hij ook als “mr. drs.” in het gedenkboek van de rijksscholengemeenschap Meppel. Maar hij was hier in augustus 1956 al begonnen als leraar, en kan dus slechts een paar maanden advocaat zijn geweest, zo hij dat beroep überhaupt ooit heeft uitgeoefend.

Omdat ik in de Mammoet viel, heb ik Bonting gelukkig maar twee jaar als leraar gehad. Ik vond het een onsympathieke, zure man, en mijn collega had ook geen beste herinneringen aan hem: hij kon een leerling bij een beurt enorm sarcastisch te kakken zetten. Vandaar waarschijnlijk ook mijn tartende onverschilligheid bij het verlaten van de klas, wat me op die schop onder mijn gat kwam te staan.

Wat ik ook helemaal vergeten was, is dat Bonting in 1973, toen ik al bijna van school af was, nog conrector is geworden van de brugklassen, die weggezet waren in een bijgebouw van de school aan de Catharinastraat. Deze locatie heette ook wel “het schooltje van Bonting”. Bonting had er geheel eigen huisregels ingevoerd en stond er bekend om karakteristieke uitspraken, waarvan er helaas geen enkele in geschrifte overgeleverd is. Bij zijn pensionering, in 1981, prezen zijn collega’s hem voor zijn niet aflatende ijver. Ook voerden leerlingen een cabaret op, waarin ze onder andere zijn hobby volksdansen demonstreerden. Tevens werd hij erelid van V.E.S.T.E.R. (Van Een Stamelaar Tot Een Redenaar), de corpsachtige leerlingenvereniging, die na Bontings dood ook een advertentie plaatste, “bedroefd maar dankbaar voor zijn daden”. In zijn latere jaren op onze school lijkt Bonting zich nog een zekere populariteit te hebben verworven, wellicht dat hij wat ontdooide. In elk geval noemde hij zich destijds geen Martinus meer, maar Tom, ook een manier om van een verleden af te komen.

Martinus alias Tom Bonting overleed in 1996 na een langdurig pijnlijk ziekbed en werd op zijn eigen wens in kleine kring gecremeerd.


Stilletjes verdwenen, zonder bericht

Jan Jansen van der Sligte (1953-2018).

Je kunt maar zo de pijp uit zijn. Dan is er toch handig als er een lijstje ligt van mensen die je op je uitvaart wilt hebben. Of op je herdenkingsbijeenkomst, als je je lichaam ter beschikking van de wetenschap stelt.

Ik kom niet zo vaak meer in de stad en als ik er nog kom, dan is het fietsend op doorreis of met een specifiek doel. Vandaag besloot ik na mijn werk eens lopend naar de opticien te gaan. Terug langs de Vismarkt kom ik een goede kennis uit de Oosterpoort tegen, die me vertelt dat onze oude kameraad Jan Jansen van der Sligte in oktober is overleden. Jan kwam niet op een afspraak opdagen, wat vreemd was. De ingeschakelde politie ramde zijn deur open en vond hem in de zolderkamer, waar hij vredig op zijn bed lag. Hartaanval in zijn slaap. Bijna 65 is hij geworden. Wat tegenwoordig aan de jonge kant is.

In de tijd dat ik de wijkkrant van de Oosterpoort regelde, deed Jan jarenlang de opmaak van de advertenties. Ook hielp hij wel mee met rapen, vouwen en nieten. Beide klussen vergden ongeveer een dag in de maand, bij tien edities per jaar. Toen ik ermee stopte, bleven we contact houden. Zo gingen we er wel eens op uit in zijn auto, naar Ost-Friesland en Friesland, Ditzum en Dokkum.

Sinds ik naar Hoogkerk verhuisde, kwam ik af en toe bij hem aan de deur als ik naar de kapper in de Oosterpoort ging, of er juist vandaan kwam. De laatste keer dat ik hem trof moet zo’n anderhalf jaar geleden zijn. Meestentijds was hij niet thuis, dan zat hij bij zijn vriendin, die ik nooit gezien heb, maar bij wie hij zich kennelijk heel senang voelde. Sinds hij die vriendin had, bedankte hij tenminste niet meer voor gemailde tips en belde hij evenmin nog over zijn sores. Jan was de relativerende gemoedelijkheid zelve, en van nature ook een optimist en prima om mee te wezen, maar een bepaald persoon had hem bedrogen met geld, wat hem dwars zat. Temeer omdat hij maar niet aan het werk kon komen, wat aan hem vrat.

Heb nog even op Mensenlinq gekeken, maar er stond geen advertentie voor Jan in de krant. Zijn Twentse broer heeft de crematie geregeld en waarschijnlijk geen adres van mij gevonden. Niet zijn schuld. Bij een wederzijdse kennis kreeg ik inmiddels een kopietje van de rouwbrief.

Mensen op wie je gesteld bent, en die er dan opeens tussenuit knijpen zonder dat je er bericht van krijgt. Waardoor het drie maanden duurt voordat je het hoort. Ik heb er wat moeite mee, maar het komt wel goed.


Eindelijk herfst

Wat er blijft staan na het strippen van de perron-overkapping bij het Groninger Hoofdstation:

Blik richting Emmaviaduct:

Was even voor een afspraak op de Zuiderbegraafplaats aan de Hereweg. Kreeg en passant een Pallas Athene te zien op het graf van een rectorsweduwe. Grappig detail volgens mijn rondleider: op Athena’s schild staat de kop van Medusa:

Slachtoffers van een vergeten treinongeluk in 1940., Allen zaten in een bus die bij zeer dichte mist bij Ranum onder de trein kwam. Het betrof arbeiders in de werkverschaffing op de Slikken bij Westernieland:

Schip op een graf van de familie Star Lichtenvoort, oorspronkelijk houthandelaren en reders in Hoogezand:

Terug op de basis wezen zoeken naar een brief. Die tot mijn spijt niet gevonden. Wel kwam ik deze aanbeveling tegen die B. Cazemier namens het Plaatselijk Bestuur van Leek schreef voor een jonge schoolmeester, vlijtig invaller in Midwolde en sollicitant op de vacante post in Tolbert:

Verder een proclamatie voor de Bataven, ook met een soort van Pallas Athene:

Met de nieuwe regering zou alles beter worden. Ach ja.


“De mogelijkheden van de computer zijn welhaast ongelimiteerd”

In 1984-1985, toen dit filmpje uitkwam, was ik als dienstweigeraar werkzaam op het Drents Rijksarchief. In die periode arriveerde daar de allereerste computer en stafleden gingen van hoog tot laag op cursus om tekstverwerken en een primitieve database voor het inventariseren van archivalia onder de knie te krijgen. Als dienstweigeraar kwam ik daarvoor niet in aanmerking, wat me vanwege dat tekstverwerken wel enigszins verdroot. Het ding, begreep ik, had me een zee van tijd kunnen besparen. Mijn doctoraalscriptie, bijvoorbeeld, schreef ik nog op een elektronische Brother-schrijfmachine (met margrietwieltjes voor de diverse lettertypen) en die kon wel al twintig tekens terug corrigeren, maar moest ook nog heel wat fouten laten staan, zodat ik die scriptie in totaal zo’n acht, negen maal heb overgetypt voor ik tevreden kon zijn. Wat een verspilling van moeite! Met een computer ging dat toch allemaal veel vlotter.

Maar om beroepsmatig iets met computers te gaan doen? Nee, geen haar op mijn hoofd die daaraan dacht. Terwijl er destijds een enorme werkloosheid bestond en er voor historici al helemaal nauwelijks een baan te vinden was. Vanuit de vervangende dienst, belandde ook ik in de bijstand en ik weet nog goed dat je je via de sociale dienst kon laten omscholen tot programmeur. Het leek me helemaal niets, of louter iets voor bèta’s. Internet bestond ook nog niet (of misschien alleen als usenet), de communicatiekant van de computerij lag dus nog volslagen buiten beeld.

In 1991 of 1992 las ik voor het eerst iets in de NRC over die kant van de zaak. Mijn interesse was meteen gewekt, ik weet nog dat ik dat stuk met een zekere opwinding las. Als ze me op dat moment een cursus zouden hebben aangeboden, was ik daar ook dadelijk op ingegaan. In werkelijkheid duurde het nog tot eind 1996 voor ik voor het eerst op internet kwam. Dat was bij de UK, de universiteitskrant van de RUG, en de browser daar was nog Netscape Navigator. Ik zie nog het stuurwiel. Heel vaak zat er nog stroop op de lijn. Het laden van een website duurde vaak eeuwen. Regelmatig liep je tegen een virus aan of zat je muurvast. Zulke kinderziekten zijn er nu wel uit.

Een eigen computer heeft financieel vrij lang buiten mijn bereik gelegen. De eerste was, dacht ik, een aflegger van mijn broer, zo rond 2000. De eerste nieuwe die ik zelf kocht, was in 2004, van een paar duizend euro gewonnen met de Postcodeloterij. Sindsdien ben ik ook thuis aangesloten op internet. Naar alle tevredenheid.


Hunebed met schrijver dezes

Nu het vanwege de massaliteit en het vandalisme zwaar verboden begint te raken om nog langer hunebedden te beklimmen, moest ik toch maar eens op zoek naar de foto van mij op de poort van het grote Havelter hunebed. Helaas is mijn scanner kaduuk en dus moet u het doen met een foto van de foto die destijds door mijn jongere broer gemaakt is:

Hij dateert van april 1970. In die dagen kon je nog helemaal alleen op een hunebed zitten om over de grote stille heiden te koekeloeren door je brilletje.

Overigens was dat hunebed in de oorlog door de Duitsers onder de grond gewerkt vanwege hun vliegveld. Na de oorlog kwam het weer tevoorschijn, natuurlijk niet uit zichzelf, want zo’n hunebed is moeilijk in beweging te krijgen. Op dat moment maakte Havelte zijn al bestaande bijnaam waar: het “Drents Pompeï”.