Dry January

Op Twitter zag ik al mensen beweren dat ze die drooggelegde januari heel best door konden komen met de door hun liefdevol gefotografeerde flessen dry gin, dry sherry en dry Martini.

Mezelf qua drank: vorig jaar heb ik in totaal 4 pilsjes gedronken.

Ik drink dus tegenwoordig heel matig, maar ben een vrij zware drinker geweest. Tussen 1985 en 2005 dronk ik zo’n beetje elke avond drie halve liters Grolsch of een fles witte wijn, wat ik dan vaak nog even in de kroeg om de hoek ging afblussen.

Op den duur konden mijn maag en darmen daar niet meer tegen: de boel liep veel te vlug door, zeg maar. Ik moest kiezen voor mijn gezondheid, daarom ben ik zo matig geworden. Mijn abstinentie is afgedwongen en zeker niet iets om me op voor te laten staan.

Op een personeelsfeestje of bij een redactie-etentje sta ik mezelf nog wel eens een biertje toe, verder niet. Voor geheelonthouders koester ik heimelijk een soort van bewondering.


Brillejood

Naast de kleinste van de klas, was ik op de lagere school geruime tijd ook de enige met een bril. Pas in de zesde of hoogste klas verscheen er zo’n ding op de neus van enige andere leerlingen. Daarentegen droeg ik al een dergelijke gezichtsprothese vanaf mijn tweeëeneenhalfde, toen ik een tijdelijk succesvolle operatie onderging om mijn ene oog recht te zetten.

Op het schoolplein spraken sommige pestkoppen mij wel aan met het scheldwoord “schele”, zo mogelijk gecombineerd met “professor”. Dat laatste was dan nog als eerbetoon op te vatten, maar daarnaast was ‘brillejood’, eventueel ingeleid met ‘schele’ een manier om mij te bejegenen. Wat een brillejood was, wist ik niet – zoveel had je daar niet meer van, na de oorlog – maar het werd minachtend uitgesproken, en dat kwam aan. Zo’n beetje de laatste keer dat ik het mocht horen ben ik pestkop nummer 1, een klasgenoot die een paar koppen groter was dan ik, aangevlogen, kreeg hem onder, en heb ik hem links en rechts om zijn oren gesrompt, totdat een onderwijzer me van hem aftrok.

Het gekke is, dat de term brillejood überhaupt nog bestond, begin jaren zestig op een schoolplein in Drenthe. Volgens een zuidelijk krantenbericht uit 1937 was het scheldwoord namelijk toen al “uit den tijd geraakt”:

lemand, die een bril draagt, behoeft niet bang meer te zijn daarom dat hatelijke brillenjood naar zijn hoofd te krijgen.

‘Brillejood’ was oorspronkelijk, in de negentiende eeuw, een populaire beroepsaanduiding voor rondtrekkende, joodse brillenverkopers, waarvan je er ook in Groningerland een stuk of wat had. De minachting kwam natuurlijk niet van het zegenrijke werk dat deze handelsreizigers  voor ons gezichtsvermogen deden, maar werd opgewekt door het zwerven en daarmee de lage status en het vreemd zijn van deze kooplui, om over het wijdverspreide antisemitisme maar te zwijgen.

Kennelijk was die cocktail van afkeer toch wat langer blijven hangen in Drenthe, ook al waren er geen joden meer.


Eerstejaarskamertje

Mijn eerstejaarskamer, Coendersweg 20 bij de familie Bisschop, voorjaar 1975.

Op het bureau (V&D) ligt Palmer, een vanuit linkse hoek zwaar bekritiseerd Amerikaans handboek voor nieuwe en nieuwste geschiedenis, dat hier bij een van de laatste hoofdstukken opengeslagen ligt.  Verder zie ik Calvocaressi liggen, het feitenrijke handboek voor contemporaine geschiedenis, voor het laatste tentamen dat jaar. Omdat ik gemiddeld zo hoog stond, dat zelfs een 1 me nog niet kon deren, heb ik daar nauwelijks wat voor gedaan. Toch kreeg ik er nog een 7 voor. Dat tentamen werd mondeling afgenomen en Chris Baljé, docent en Statenlid voor de VVD, zaagde me door over zuidelijk Afrika, waarbij ik het Rhodesië van Ian Smith alvast Zimbabwe noemde, zeer tot verbazing van Baljé want die naam stond toch niet in het handboek.

Aan de muur hangt een programma van Studium-Generale, ik meen over arbeiderszelfbestuur. Het stond op de middenpagina’s van de UK, net als de programma’s van filmclub Liga ’68 die destijds vaak ook werden opgehangen in studentenkamers of -wc’s. In de hoek staat de HEMA-wekker op een muziekencyclopedie van Larousse, betrokken bij De Slegte. In en op de HUBO-boxen rechts staan woordenboeken, deeltjes van de Fischer Weltgeschichte over de middeleeuwen en het toen bestaande Arabische rijk, plus wat nummers uit de Fibulareeks, ook voornamelijk over middeleeuwse onderwerpen.

Ik ging geschiedenis studeren voor de middeleeuwen. Naderhand switchte mijn belangstelling naar nieuwe, nieuwste en sociaaleconomische geschiedenis. Maar toen was ik alweer twee keer verhuisd naar adressen zonder hospita. De Bisschops, die in de kamer ernaast sliepen, hadden last van mijn nachtmerries, dat was de push, maar er was ook een pullfactor, want ik wilde er zelf ook graag weg. Eerst kwam ik via Frank van Vree terecht op een zolderkamer aan de Jozef Israëlsstraat, maar daarover een volgende keer.


Bij de ingang van de Appie

Ik kom aanzeilen op mijn fietsie, maar er staat een gezinnetje op de fietsparkeerplekken naast de ingang van de AH. Een kleine vrouw is bezig met het in- en opladen van de boodschappen en haar kind, haar forse man staat met zijn fiets breeduit op het complete rijtje parkeerplekken, zijn licht gebogen rug naar me toe. Ik besluit om maar even te wachten. Het duurt langer dan gedacht. Eindelijk keert de man zich om: “Wil je hier je fiets neerzetten soms?” Het klinkt nors, onvriendelijk. Ik hou mijn antwoord maar zo kort mogelijk: “Ja”. Licht agressief klinkt het nu: “Nou dat had je toch ook wel even kunnen zeggen niet?” Eindelijk haalt hij zijn fiets weg en kan ik de mijne neerzetten. Hij en zijn gezinnetje stappen op en rijden richting brug weg. Ietwat verbouwereerd staar ik ze na. Meneer kijkt nog even om.


“Dag Harry, dit is jouw dag”

Ik fiets door Hornhuizen naar het westen en ontwaar op de kop van de weg een groot bord met mijn naam erop en eronder de wens “Forever!”. Laat me zeggen dat ik niet ongevoelig ben voor een dergelijke boodschap.

Het bord stond opgesteld naast Wongema, de plaatselijke herberg, die nogal aan de weg timmert. Voor de toegangsdeur bevond zich nog een tweede bord: “Dag Harry, dit is jouw dag”.

Vreemd, dat ze mij hier niet eerder hiervan op de hoogte hadden gesteld. Zouden ze, zo vroeg ik mij af, hier gratis maaltijden verstrekken aan de Club van Harries, waarvan ik een toekomstig erelid ben?

Eerst maar even in de kerk gaan kijken, besloot ik. Maar daar trof ik bij de deur een minder leuk bericht aan: de kerk was wegens een begrafenis dicht voor monumentendagjesmensen. Nu kreeg ik ook door waarom er zoveel auto’s rondom het kerkhof geparkeerd stonden. Er bevond zich zelfs een plat wagentje voor het kerkpad – daarop was de kist gebracht, realiseerde ik me. Door de kier van de deur hoorde ik een populaire melodie zingen, blijkbaar was de uitvaartdienst net volop aan de gang.


Dan maar meteen naar de kroeg. Vrolijk vanwege het warme welkom stapte ik binnen: Houden jullie een reünie van de vereniging voor Harry’s? De man achter de toog nam me op en legde me wat korzelig uit dat dit ter ere was van de man wiens uitvaart schuin er tegenover net aan de gang was, namelijk Harry. Het ging om een in Hornhuizen bekende en populaire dorpsfiguur, begreep ik en de man achter de toog verwachtte na de begrafenis grote drukte in zijn zaak. Als ik een kop koffie wilde, kon ik die nog wel krijgen, maar een tosti zat er niet in. Ik bedankte voor het aanbod, mompelde dat ik het begreep en taaide af.

Buiten stapte ik op mijn fiets en nam nog een fotootje van Wongema. Bij de kerk stond nog steeds het lege platte wagentje te wachten op zijn vracht: de Hornhuister Harry. Een man met een boerenpet knetterde op een ouderwetse buikschuiver voorbij. Even later zag hem langs de weg naar Ulrum praten met de chauffeur van een vrachtwagen vol stro.

Achteraf verbaas ik me over de aard van het rouwbetoon bij Wongema. Gelukkig was het mijn dag nog niet.


Paul is dood

Op de genoeglijke reünie van ons jaar hoorde ik vanavond dat Paul van Tongeren onlangs is overleden. Paul was een tijdje politiek-mentaal een soort van oudere broer van enkele jaargenoten en mij, midden jaren 70. Later heb ik hem nog eens geïnterviewd over de actiegroep bij geschiedenis waarvan we beiden deel uitmaakten.

Op de reünie bracht het doodsbericht een milde vorm van schrik teweeg. Niet iedereen wilde het ook geloven. Er zijn landelijk meerdere Pauls van Tongeren bekend. Gelukkig hebben we tegenwoordig Mensenlinq zodat je de rouwberichten kunt opzoeken. Helaas bleek het waar.

Vrienden van Paul tekenden in hun rouwadvertentie een herkenbaar portret:

Sinds dat interview volgde ik hem op afstand zo’n beetje en begreep dat hij niet geheel en al senang vertrok bij de Oxfam-Novib, waarbij hij als voorlichter/woordvoerder werkte. Naderhand werd hij actief voor een Engelstalige club voor dierenwelzijn. In elk geval was het zo iemand waarvan je goeie herinneringen met je meedraagt en die je dus graag nog wel eens zou willen tegenkomen. Dat kan nu dus niet meer.


Oud-NSB’er trapte mij letterlijk de klas uit

Bonting bij zijn afscheid (1981).

Het moet in 2 gym geweest zijn, want in de brugklas was ik nog een gezeglijk jochie dat flink zijn best deed en braaf zijn huiswerk maakte. In de tweede lag mijn moeder, thuis de drijvende kracht, een maand of wat in Beatrixoord terwijl ik danig begon te puberen. Daar hoorde klieren op school bij. Propjes schieten met een dik elastiek, een stuitbal keihard tegen het bord aan laten knallen terwijl de lerares net de blatyfus uitlegde, dat soort dingen. Mijn cijfers kelderden met elk rapport en aan het eind van het schooljaar bleef ik met glans zitten, waarbij ik van 2 gym oude stijl afdaalde naar 2 atheneum krachtens de Mammoetwet, naderhand overigens zeer tot mijn zin.

Goed, het gebeurde dus in 2 gym, schooljaar 1968-1969. Ik weet absoluut niet meer wat ik uitvrat, maar het zal niet veel goeds geweest zijn en Bonting, onze geschiedenisleraar, keek derhalve niet bepaald blij – hij stuurde me de klas uit. Ik stond demonstratief langzaam op, slenterde zo mogelijk nog langzamer langs het podiumpje met Bontings tafel voorin de klas, en begon een actuele hit te fluiten. Terwijl ik op deze wijze de deur uitliep, hoorde ik achter me gedruis. Ik keek om, zag nog net een stoel van het podium afkukelen terwijl de ziedende Bonting op me afstiefelde. Hij gaf me een enorme trap onder mijn hol. Op deze wijze ben ik dus letterlijk de klas uitgetrapt.

Het moet een fraaie scène zijn geweest. Tegenwoordig zouden ze zoiets filmen en op internet zetten, maar destijds kraaide er geen haan naar. De rector zal me wel aan het naschoolse pleinvegen hebben gezet, ik weet het waarachtig niet meer. Thuis zijn er in elk geval geen woorden aan vuil gemaakt – ik denk niet dat mijn ouders het te horen kregen.

Deze episode met Bonting popte vanochtend uit mijn geheugen op, toen we het tijdens de pauze in de kantine hadden over het linkse lerarenmeldpunt, dat de Baudettenbrigade in het leven wil roepen. Mijn collega zat op dezelfde school als ik – de RSG aan het Zuideinde in Meppel – en we namen onze leraren door op politieke standpunten. Hij vroeg of ik wist dat Bonting in de oorlog advocaat was geweest, en na de bevrijding van het tableau was afgevoerd wegens NSB-lidmaatschap. Nee, dat wist ik helemaal niet. Waarna ik het op mij toegepaste standrecht releveerde. Ben ik daar warempel door een NSB-er de klas uitgetrapt. Nog blij dat ik het kan navertellen!

Bonting NSB-er – ik kon het haast niet geloven. En nam me voor dit eens haarfijn uit te gaan zoeken. Hetgeen een middagje werk kostte, maar dan heb je ook wat.

Martinus Bonting, zo heette hij aanvankelijk voluit, was in 1916 geboren als zoon van een gelijknamige kantoorbediende te Amsterdam. In 1934 haalde hij het gymnasiumdiploma in Haarlem, en in 1937 legde hij met succes zijn kandidaats- en in 1942 zijn doctoraalexamen geschiedenis af in Amsterdam. Van een rechtenstudie was toen dus geen sprake, laat staan van een loopbaan in de advocatuur. In 1944 noemt hij zich ook “drs. litt.”, als hij in Heerlen trouwt met een Duitse vrouw.

Ze zouden geen kinderen krijgen. Aan het eind van de oorlog woonden ze in Gouda, waar hij leraar geschiedenis aan het stedelijk gymnasium was. Per 1 augustus 1945, dus enkele maanden na de bevrijding, werd hij echter ontslagen op grond van het Zuiveringsbesluit, een ontslag dat begin 1947, mogelijk na een beroepsprocedure, definitief werd en in de Staatscourant stond. Het klopte dus dat Bonting fout was. Nou waren er ook lichtere straffen voor ambtenaren en leraren mogelijk: berisping, overplaatsing, of schorsing voor een bepaalde tijd. Bonting echter, kreeg de zwaarste straf. Dit deel van het verhaal klopte dus.

Dat onze geschiedenisleraar in de advocatuur had gezeten, bleek evenwel broodje aap. Pas na zijn ontslag als keraar studeerde Bonting rechten – hij haalde zijn kandidaats eind 1951 in Utrecht, en zijn doctoraal in maart 1956 aan de VU in Amsterdam. Om die reden staat hij ook als “mr. drs.” in het gedenkboek van de rijksscholengemeenschap Meppel. Maar hij was hier in augustus 1956 al begonnen als leraar, en kan dus slechts een paar maanden advocaat zijn geweest, zo hij dat beroep überhaupt ooit heeft uitgeoefend.

Omdat ik in de Mammoet viel, heb ik Bonting gelukkig maar twee jaar als leraar gehad. Ik vond het een onsympathieke, zure man, en mijn collega had ook geen beste herinneringen aan hem: hij kon een leerling bij een beurt enorm sarcastisch te kakken zetten. Vandaar waarschijnlijk ook mijn tartende onverschilligheid bij het verlaten van de klas, wat me op die schop onder mijn gat kwam te staan.

Wat ik ook helemaal vergeten was, is dat Bonting in 1973, toen ik al bijna van school af was, nog conrector is geworden van de brugklassen, die weggezet waren in een bijgebouw van de school aan de Catharinastraat. Deze locatie heette ook wel “het schooltje van Bonting”. Bonting had er geheel eigen huisregels ingevoerd en stond er bekend om karakteristieke uitspraken, waarvan er helaas geen enkele in geschrifte overgeleverd is. Bij zijn pensionering, in 1981, prezen zijn collega’s hem voor zijn niet aflatende ijver. Ook voerden leerlingen een cabaret op, waarin ze onder andere zijn hobby volksdansen demonstreerden. Tevens werd hij erelid van V.E.S.T.E.R. (Van Een Stamelaar Tot Een Redenaar), de corpsachtige leerlingenvereniging, die na Bontings dood ook een advertentie plaatste, “bedroefd maar dankbaar voor zijn daden”. In zijn latere jaren op onze school lijkt Bonting zich nog een zekere populariteit te hebben verworven, wellicht dat hij wat ontdooide. In elk geval noemde hij zich destijds geen Martinus meer, maar Tom, ook een manier om van een verleden af te komen.

Martinus alias Tom Bonting overleed in 1996 na een langdurig pijnlijk ziekbed en werd op zijn eigen wens in kleine kring gecremeerd.