“Eigen land eerst!”

Leuk interactief kaartje op ouwe blog van Ximaar levert een vermakelijk doch leerzaam tijdverdrijf op voor regenachtige zaterdagochtenden. Op dat kaartje is Nederland verdeeld in blokjes, en als je over zo’n blokje  strijkt met je muis, komt er een plaatsnaam tevoorschijn. Ben je daar ooit geweest, dan mag je op dat blokje klikken en verandert dat  van kleur. Herhaal deze procedure voor elk blokje op de kaart en je ontwaart je blinde vlekken, qua bezochte streken in ons vaderland. Voor mij: het westelijk deel van Friesland, Zuidoost-Drenthe, Twente, Gelderland, Utrecht, Brabant en vooral Flevoland en Limburg. Maar zelfs in Groningerland bleef een blokje licht, te weten dat van Bourtange. Daar moet ik dan maar eens gauw naar toe.

“Reizen naar het buitenland worden slechts toegestaan bij een score boven de 70%”, aldus de kleine lettertjes bij Ximaar. Dacht dat ik heel makkelijk aan de vereiste tax zou komen, maar dat viel nogal tegen. Voorlopig zit ik nog wel even in Nederland vast.

Advertenties

Het ontzag voor grofgebektheid

Waarom zijn Nederlanders zo grof geworden? Ik denk daar veel over na. Soms denk ik dat we te veel opkijken tegen mensen die anderen op een grove manier te kakken zetten, zoals vaak in het Nederlandse cabaret gebeurt, door sommige columnisten en zeker ook in de politiek. Aan de ene kant is dat misschien een afspiegeling van de maatschappij, aan de andere kant denk ik dat we dat keiharde afzeiken van hen hebben overgenomen.

Sharon Gesthuizen

Commentaar: Dat te kakken zetten, of de bewondering ervoor, het zelfs navolgenswaardig vinden, ik ben er niet vrij van. En als ik kijk wanneer dat begonnen is, weet ik vrij zeker dat dat in de jaren zestig was, zeg maar de periode 1966-1976: de tijd van de anti-autoriteit en de vrije opvoeding, die bijvoorbeeld inmiddels ook tot de onuitstaanbaar ongezeglijke en lawaaierige kinderen in het openbaar vervoer heeft geleid. Men wilde zich losmaken van knellende banden,  met de daarbij horende civiele omgangsvormen. En krijgt dat uiteindelijk in zijn gezicht terug.


Hoe Plopatou mij ontmaskerde als BVD-agent

Plopatou zoals gezien door Roel Wijnants (2012), Flickr cc.

Zoals menige lezer zal weten, ben ik jarenlang duvelstoejager geweest voor het Buurtoverleg Oosterpoort, de bewonersorganisatie van de Groninger Oosterpoortwijk. Die club had destijds nog een eigen pandje, een voormalige politiewijkpost op het adres Mauritsstraat 1.

Het moet ongeveer in 1993, 1994 geweest zijn. Op een dag stonden er meerdere plastic tassen bij ons voor de gevel – volgepropt met oud papier. Dat papier kwam niet van ons of een andere club bij ons in huis. Qua papierophaalderij was het tijdstip ook incourant, de maandelijkse oud-papierophalers van carnalvalsvereniging de Trefplonzers waren twee weken eerder onze buurt al door geweest en zouden pas over een week of wat weer terugkomen. Als dat papier zolang tegen onze voorgevel zou staan, ging dat zich allicht verspreiden en zouden wij erop aangekeken worden. Daarom heb ik dat spul maar naar binnen gehaald. Omdat ik nieuwsgierig was naar de herkomst, ben ik de inhoud van de tassen door gaan nemen. Een adres kwam niet tevoorschijn, maar tussen de kranten zat wel een verscheurde brief met de aanhef “Geachte heer Hanswijck de Jonge”.

Die naam kwam me vaag bekend voor, en een paar dagen later ging me een licht op: Hanswijck de Jonge, was dat niet de ware achternaam van de stadsfiguur Plopatou? Maar die wist ik wel te wonen: aan de Brandenburgerstraat, op nummer 14.

Dus ik met die plastic tassen vol oud papier naar dat adres en Plopatou bleek inderdaad thuis te zijn. Hij reageerde heel aardig, tegemoetkomend en sympathiek en zou voortaan beter opletten wat er met zijn oud papier gebeurde. Hoe die zakken nou bij ons buurtpandje terecht gekomen waren? Het was hem een raadsel. Maar, zo vertelde hij, de BVD had het al jaren op hem voorzien en die snuffelde zijn oud-papier wellicht door. Ja, de BVD moest het hebben gedaan.

Goed, ruim tien jaren gingen er voorbij en ik schreef in de UniversiteitsKrant iets wat Plopatou niet zinde. Er kwam een lang en handgeschreven epistel in de UK-brievenbus, waarin hij mij beschuldigde van het weghalen en doorsnuffelen van zijn oud-papier – en ik zou vast en zeker ook lid van de BVD zijn!

Het schrijven in de UK-brievenbus was een kopie van een ingezonden brief die hij naar de stadsredactie van het Dagblad van het Noorden had gestuurd, zo stond er in een post scriptum achterop de envelop. Uiteraard was ik daar niet zo mee ingenomen. Ik zat zelfs een beetje in de piepzak,moet ik bekennen,  maar het Dagblad plaatste Plops epistel gelukkig niet. Toen ik een Dagblad-collega in de buurt ernaar vroeg, verklaarde die, dat ze wekelijks wel een stuk of twee of drie van zulke ingezonden brieven van Plopatou kregen. Alleen bij zeer hoge uitzondering werden die geplaatst.


‘Zalf op een wonde’


Ik stond vanmiddag in het Stadhuis even oog in oog met oud-burgemeester Hans Ouwerkerk. Prachtig portret van de jonge kunstenaar Milan Smidt, dat iets laat zien van een verbittering die vervaagd is opgegaan in berusting. Ouwerkerk ervoer het portret zelf als soort van een rehabilitatie, hoorde ik, sprak op rtv Noord zelfs van zalf op een wond.  Het doek hangt er wat donker bij, mijn foto zonder flits doet de kwaliteit ervan absoluut geen recht.

Ouwerkerk was nog niet zo lang burgemeester van Groningen, toen hij op bezoek kwam bij het Buurtoverleg Oosterpoort. In 1992 of 1993 moet dat geweest zijn, ik had net voor het eerst het Jaarverslag van deze wijkorganisatie geschreven. Meteen na binnenkomst in ons Wijkpand nam hij het woord, Hij had dat jaarverslag gelezen en ergerde zich bovenmatig aan de toon. Dit klopte niet, dat klopte niet in zijn ogen. Of we soms dachten dat het bij de gemeente allemaal van die ‘lulletjes lampekatoen’ waren. Nadat hij zijn donderspeech afgeleverd had, wachtte hij ons weerwoord niet af. Daar had hij geen tijd voor. Hij beende de deur uit en liet ons verbijsterd achter. Maar zoals dat dan gaat, naderhand namen we al zijn punten een voor een door en inderdaad: dit klopte niet en dat klopte niet, van zijn kant dan.

Ik was dus geen groot liefhebber van Ouwerkerk en zijn overdonderingstactiek, maar de manier waarop hij afgeserveerd werd na de Oosterparkwijkrellen, vond ik evenmin zuiver. Hij vond weliswaar zijn nieuwjaarsspeech belangrijker dan het feit dat voor het eerst sinds 1945 woningen in de gemeente Groningen werden geplunderd, maar de partij die hem daarop liet struikelen, GroenLinks, bagatelliseerde in de gemeenteraad al jaren de jongerenoverlast op diverse locaties in de stad, o.a. in de Oosterparkwijk, maar ook bij ons in de buurt. Ik vond de handelswijze van GroenLinks ten opzichte van Ouwerkerk hypocriet, en heb mijn lidmaatschap van de partij toen maar opgezegd. Was toch al niet meer actief als lid.

Sindsdien ben ik überhaupt geen lid van een politieke partij meer geweest. Ik denk ook niet dat ik dat nog gauw weer zal worden.

 


Allantjoejèjèjè

Omdat het volgens mij in de prilste Beatletijd was, heb ik even in Hitdossier opgezocht, wanneer dit nummer een hit was. Het werd in 1963 geproduceerd, maar kwam in januari 1964 de vaderlandse Top 40 binnen, waarop het als hoogste notering nummertje 6 bereikte.

Slechts 6. Eigenlijk valt me dat een beetje tegen, zo achteraf. Ik had er meer van verwacht bij het entameren van mijn onderzoek.  Maar het stond wel heel làng op die Top 40, merk ik: meer dan een half jaar. Het was dus ook die zomer nog volop op de radio.

Dat voorjaar reden Jan, Wieger en ik eens verveelrondjes op onze fietsjes bij de bosrand aan het eind van de straat. Rechtsaf ging je naar de Duitse bunkers en linksaf naar de voormalige Ortskommandantur. Als achtjarigen kenden wij tittel noch jota Engels. In plaats van She loves you yeah yeah yeah zongen wij uit volle borst Allantjoejèjèjè.

Tevens waren wij enorme fans van de ijscoboer van de firma Huberts uit Meppel. Met zijn witte pet en dito gesteven jasje kwam hij ´s zomers elke zondagmiddag en soms ook op een zoele vooravond door onze straat, zittend achterop een ijswagen met ronde vormen, en liet hier lustig zijn belletje klingelen. Een uitnodiging die wij, gewapend met wat pas verworven centen en stuivers, heus niet onbeantwoord lieten!

Maar dat voorjaar was de ijscoboer nog niet geweest. Deze gang van zaken stelde ons hevig teleur en wij besloten hem daarom op te gaan halen bij de ijsfabriek, aan de noordkant van Meppel, zo’n acht kilometer fietsen. Helaas bleek hij niet aanwezig. Maar hij zou vast weer in Havelte komen, verzekerde de mevrouw die ons vriendelijk te woord stond.  En dat bleek naderhand ook wel te kloppen.

Ik meen dat ik thuis pas dagen later van onze expeditie vertelde. Mijn moeder was oprecht verbaasd. Ze wilde maar niet geloven dat we zo ver weg waren geweest. Ik kreeg niet eens op mijn donder.


“Een echte durfal, die Harry”

Nu bijna 25 jaar geleden haalden Wim Hartman en ik namens de Oosterpoort de finale van de OOG-wijkkwis, destijds gepresenteerd door een piepjonge Wilfred Genée. Op het spel stond een videorecorder en onze tegenstander was Aduard, dat in monnikspijen verscheen. Een en ander speelde zich af het gebouw van de dienst Ruimtelijke Ordening aan het Zuiderdiep, waar ze de goeie trap voor een klassieke opkomst hebben. Let u speciaal ook op het Ruimtelijke Ordeningsspel, de truuk die ik daar uithaalde was ik al helemaal vergeten:

Wat was ik toen nog een jong mager knulletje en wat zat ik daar irritant vaak met open mond. Trekje dat ik herken van mijn vader. Zou me nu niet meer zo gauw overkomen, denk ik, in het zicht van een camera.

Met dank aan René Duursma, GAVA.


Begin van het einde

Dit is het begin van het einde. De dam is klaar en ze zijn nu begonnen aan de weg door de weke veengrond naar het nieuw te bouwen crematorium:

De bouwer van deze nuttige voorziening heet Respectrum, een naam die me straks voer voor cryptogrammenmakers lijkt. Respectrum noemt zich “een nieuwe speler in de uitvaartbranche”, wat me vagelijk tegenstrijdig in de oren klinkt:

Het crematorium in dit stukje Kop van Drenthe gaat dus Ommeland en Stad heten. Opdat u weet waar de doelgroep woont.

Niet dat ik nu zoveel crematoria heb gezien (slechts drie, in Groningen, Assen en Drachten), maar het gebouw lijkt me voor een crematorium vrij standaard:

Alle voorzieningen, zoals parkeerterrein, zijn dat ook. O ja, er komt een strooiveld naast. Of dat ook vanzelf spreekt, zou ik niet weten. Van bovenaf komt het een en ander er zo uit te zien, daar naast de Bruilweering. Een meanderend beekje loopt onder het complex door:

De voorlopige werknaam van het beekje is: Styx.

En dit dan op anderhalf à twee kilometer afstand van mijn woning. Ik kan er desnoods kruipende heen (mits nog levend).

Bij de bouw willen ze erg duurzaam te werk gaan, maar ik hoop van ganser harte dat ze dat daarna niet zo ver doordrijven dat dit nog leidt tot een sub-optimale lijkverbranding. Ten opzichte van mijn woning zit het nieuwe crematorium namelijk precies op het zuidwesten, zoals u weet de heersende windrichting. Maar enfin, als het ’s winters naar barbecue begint te geuren, dan weet je meteen dat er iets niet goed zit. Dat overkwam een oud-klasgenoot van mij, toen die in 1974 in Groningen ging studeren en op studentenflat Selwerd III kwam te wonen, onder de onmiskenbare rook van het crematorium.

Heb zo’n idee dat hier mijn crematie zal plaatsvinden. Hopelijk zijn de kinderziektes er dan uit. Ben er ook nog niet helemaal klaar voor, zo heb ik het programma nog niet rond, er staan vooralsnog slechts enkele onderdelen vast:

  1. Een paar minuten merelzang;
  2. The Cliffs of Doneen van Christy Moore of Planxty