Koopavondstop

Twee opeenvolgende tweets in mijn tijdlijn die de actuele stand van zaken in de vaderlandse coronabestrijding aardig weergeven. Desnoods vergadert ons landsbestuur door tot Sint-Juttemis voordat men ’t Volk zijn laatste mismoedige verzetjes ontneemt:


Uit het hart gegrepen wenken

Ik was zondag kennelijk even over de Drents-Overijsselse grens geraakt, want bij Kallenkote trof ik dit prijzenswaardige bord van de gemeente Steenwijkerland aan bij een fietspad. Met naast het obligate gebod over de anderhalve meter een paar wenken die me uit het hart gegrepen zijn: fiets achter elkaar en haal alleen in als er ruimte genoeg is. Het gekke: verreweg de meeste mensen hielden zich eraan op de smalle fietspaden door de natuurterreinen hier. Stellen gingen achter elkaar fietsen bij een tegenligger in het verschiet, en men haalde niet in.

Kom daar eens om in Groningen. Ging net om iets over vieren naar de stad, me niet realiserend dat het scholierenspitsuur was. Meerdere trio’s naast elkaar, zodat er nauwelijks ruimte voor tegenliggers overschiet. Inhalen waar dat helemaal niet kan, met tegenliggers al vlakbij. En nu gebeurt dat nog met de fiets, maar straks zitten ze achter het stuur van een auto. Met het richting aangeven is het ook zo gegaan: eerst deden ze het al niet op de fiets, inmiddels doen ze het ook niet meer met de auto.

Als er geen Selbstzwang is, moet het van Fremdzwang komen.
Wat mij betreft met boetes als in Engeland.


AH-Erlebnis

Wil bij de AH, waar het tussen half negen en negen uur nog vrij rustig is, maar wel een bejaard echtpaar gezellig samen aan het shoppen is, na mijn race langs de schappen mijn kar terugzetten in het voorportaal. Zie echter net een vrouw (ca. 30) van buiten binnenkomen en denk: “Wacht maar even, Harry”.

Correcte intuïtie! Terwijl veel mensen de handvatten van hun winkelwagentjes desinfecteren, doet deze vrouw dat niet. Ze begint na het wegnemen van haar kar uit de karrenrij ook prompt en met overtuiging te niezen en doet totaal niets om verspreiding van haar niesdruppels in het voorportaal tegen te gaan. Houdt, als ze mijn afkeurende ponem ontwaart, wel schielijk een hand voor haar mond, in plaats van haar snufferd in een elleboog te begraven. Is vast bang dat haar suède jasje anders naar de stomerij moet.

Heb haar maar even voorgedaan hoe dat moet. Ze zag me wel, maar negeerde me natuurlijk. Waarop ik maar even heb gezegd hoe ik over haar dacht. Had haar beter beleefd en civiel kunnen vragen of ze dat nou ook doet waar haar vader en moeder bij zijn, maar zoiets bedenk ik helaas pas achteraf, op de fiets naar huis.

Vernam net via het nieuws dat de helft van het zorgpersoneel er de brui aan wil geven, uit angst voor een tweede golf. Nou die komt er geheid. Wat mij betreft maken we Engelsmanplaat gereed als kamp voor alle zultkoppen die het nu nog niet weten, sorry: die het niet willen weten. Mogen ze elkaar daar verzorgen. Voor de types die wadlopend terugkeren naar het vasteland verzinnen we dan nog wel iets.


Na de demo tegen onze gezondheid

Kwam om een uur of half zes langs het Stadspark, waar die demonstratie tegen de anti-coronamaatregelen was geweest. Op de Paterswoldseweg zag ik al een laatste gast. Hij had zichzelf in een Zuid-Afrikaanse vlag gewikkeld. Het werd ook al wat frisser. Op het hek bij de ijscoboer prijkte een karton dat een lied van Pisuisse aanhaalde:

Als je je niet door moordenaars op termijn wil verzuipen in de etter, dan ben je iemand die niet durft te leven. Lekker dan.

Dat durven leven komt trouwens vaak neer op ongebreideld zuipen. Niet voor niets zong Ramses Shaffy dat lied zo graag. Een eindje voorbij de plek waar de demonstratie had plaatsgevonden, trof ik dit tafereel aan. Op de prullenbak staat nota bene een sticker: If it doesn’t fit, neem dien aigen boudel mit. Een boodschap die duidelijk niet werd begrepen:


Sportschoolpipo zonder hasses

Trammelant in de supermarkt, bij de Poïesz ditmaal, vanochtend om ongeveer kwart over acht. Ik sta bij de broodafdeling achterin op mijn halve groffe volkoren te wachten, komt me een figuur van een jaar of dertig, veertig achterop met een overmaat aan biceps in een veel te strak shirtje. Hij lijkt qua gezicht warempel wel wat op Erik Hulsegge – al zal die veel minder gespierd zijn – en passeert tot mijn schrik zijn eigen supermarktwagentje om zich tussen mij en de broodcounter in te wringen en wat broodjes uit een glazen bak op de counter te pakken. Ik schiet uit mijn slof en schreeuw: “Kan je even afstand houden?” Dat wil hij duidelijk niet en komt nog dichterbij. Scheld hem uit voor zultkop en dat blijkt raak, want hij begint op 30 cm tegen me aan te blaffen. Dreigend:: “Wil je even buiten op me wachten?”. “Dat ben ik niet van plan”, zeg ik nog. Ik kijk even in mijn kar, constateer dat ik mijn boodschappen wel bij elkaar heb en stiefel naar de kassa, waar zich de volgende scène afspeelt.

Het blijkt dat hij me door de super achterna is gekomen en hij gaat bij de kassa opnieuw voorbij zijn eigen kar, nu om zijn broodje op de band te leggen. Andermaal komt hij zo binnen mijn anderhalve metercirkel en dat doet hij duidelijk expres. Op mijn herhaalde verzoek om op de vereiste afstand te gaan staan, suggereert hij dat ik niet eens weet wat anderhalve meter is. Heb hem dat maar even voorgedaan met mijn handen wijd uit elkaar. Dit maal probeert hij me te kleineren: “Je ziet er niet uit joh, je bent een idioot” enz. Wat alleen maar mijn eerste indruk versterkt: sportschoolpipo zonder hasses die dat compenseert met een fixatie op uiterlijk. Keer hem de rug toe, maar hij begint tegen me aan te rijden met zijn kar. Heb hem meermalen verzocht om afstand te nemen. Hij ging inderdaad een decimetertje achteruit en dat was dan het eind van deze scène. Enfin, iemand die duidelijk andermans ruimte niet respecteert. Zou me ook absoluut niet verbazen, als hij al een strafblad had wegens aanranding of een geweldsdelict.

O ja, achter hem stond een vrouw die vroeg of het wat zachte kon, er was een kind bij (haar eigen kind). Kwam er op dat moment helaas niet op, maar wat doet iemand in coronatijd nog met een kind in de supermarkt? Kinderen gelden nota bene als asymptomatische virusverspreiders. Met de kar naar de uitgang lopend, kreeg ik overigens nog wel een adhesiebetuiging van een oudere vrouw. Die voelde zich ook wel eens bedreigd.

Heb thuis de politie gebeld. Wilde aangifte van bedreiging doen, maar de politie gaat er niet achteraan, ondanks de aanwezigheid van videobeelden in de supermarkt (dat heb ik voor mijn politiebelletje nog even telefonisch bij de Poïesz gecheckt). Onderzoek hiernaar doen kost de politie veel te veel tijd, er zijn honderden van dit soort incidenten op een dag. “We kunnen niet alle regeltjes handhaven”, of woorden van gelijke strekking. Regeltjes, zei ze. De politievrouw verwees ook nog even naar burgemeester Van Halsema en die anti-racismedemonstratie van laatst waarbij de anderhalve meter afstand straal werd genegeerd. Blijkbaar moet je je als risicodrager – van mijn leeftijd krepeert 1 op 2 de bij een coronabesmetting – dan zelf maar bewapenen. Binnenkort naar Duitsland om eens te kijken naar pepperspray en/of een taser.

Geluk bij een ongeluk: als ik straks dankzij die knakker ziek word, kan ik wèl aangifte gaan doen, zei de politievrouw. Maar of de videobeelden uit de supermarkt er dan nog zijn?


Kruideniersmentaliteit blijkt coronabestendig

Omdat het brood er een stuk beter smaakt dan bij de buurt-Poïesz, haal ik mijn boodschappen liever bij de Albert Heyn aan de Zuiderweg hier in Hoogkerk, ook al is dat ruim twee keer zo ver fietsen. Een dikke week geleden hebben ze bij die AH de handkarrenhygiëne door het eigen personeel afgeschaft, en mag je de handvaten zelf schoonmaken. Wel staan er nog schoonmaakspullen standby.

Goed, ik poets daar in het voorportaal de handvaten van het winkelwagentje naar keuze schoon, probeer die kar uit de rij te halen en merk dat deze op slot staat. Afgelopen donderdag was dat ook al zo, maar toen stond er nog iemand wat verderop met een schaaltje vol plastic muntjes, waarvan je dan eentje uitgereikt kreeg. Nu stond zo’n persoon er ook niet meer en moest je dus een euro bij je hebben om je schoongemaakte kar los te krijgen. En dat terwijl er aangedrongen wordt op betalen per pin, wat ik ook al sinds half maart braaf doe, zodat ik sindsdien geen contant geld meer bij me heb. Natuurlijk staan er bij zo’n oponthoud meteen types in je anderhalve metercirkel met verbazend goede raad, waar je reuze om verlegen zit. Ik echter, had zo zwaar de balen dat ik al helemaal geen zin meer had in winkelen bij deze supermarkt. Ben dus meteen naar de Poïesz gefietst, toch maar. Dan maar wat minder lekker brood.

Bij de Poïesz stonden de wagentjes nog wel vrij uitneembaar klaar voor de klant, maar had men de handvatenhygiëne door het personeel inmiddels ook afgeschaft. Het goede voorbeeld van marktleider AH doet goed volgen. Je zou ook eens wat meer in extra service investeren dan je concurrent. Daar ga je vast kapot aan.

Als er iets is waar Nederland groot in is, en wat haar identiteit bijkans kenmerkt, moet het de kruideniersmentaliteit zijn. Mede dankzij de kniepstuvers onder de grootgrutters laait de corona straks fijn weer op. Mark my words!


“Corona bestaat niet! Ik heb het wel drie keer gehad!”

De gast zit me nog dwars in de kop. Het was maandag- of dinsdagavond bij de buurtsuper. Om de bekende reden ging ik er zo rond half zeven heen. Dan zitten mensen thuis te eten. Dan is het lekker rustig.

Goed, ik sta daar bij de kassa. Word ik vanachter aangetikt door een winkelkar. Ik kijk om en zie achter die kar een tiep van een jaar of veertig, vijftig, waarvan me vaag bijstaat dat ik hem wel eens eerder heb gezien. Hij bevindt zich te dicht me, ruim over zijn gele streep op de vloer. Hij zet zeven flesjes bier op de lopende band en kijkt me ietwat lodderig aan.

Ik verzoek hem zo beleefd maar dringend mogelijk of hij achteruit wil gaan: “Graag anderhalve meter afstand houden”. Achter hem mompelt een oudere man instemmend en maakt ruimte. Sloeber gaat inderdaad naar achteren: “Rustig maar….”

Ik keer me weer om naar de caissière. “Ja”, hoor ik achter me een stem zich verheffen, “Doe maar niet zo opgefokt, want corona bestaat helemaal niet!”.

Ik keer me weer om: “Corona bestaat niet ? Doe niet zo dom joh, volg jij het nieuws wel?”

Meteen besef ik dat ik dit niet had moeten doen. Hij heeft nu de volle aandacht van iedereen om ons heen en kijkt me triomfantelijk aan: “Nou bewijs dan dat het bestaat. Hoe weet je dan dat dat corona bestaat?”

Ik zeg: “Ik hou mijn medische vakliteratuur bij”.

Dat was wat overdreven en bleek niet afdoende. “En toch bestaat corona niet”, roept hij. En, lichtelijk hiermee in tegenstrijd: “Ik heb het wel drie keer gehad!!!”

De aerosolen vliegen me intussen om de oren, want met hem op de voorgeschreven afstand en met zijn winkelwagen nu ruim tussen ons in ruik ik opeens een fikse alcoholwalm.

Ik begrijp dat dit een zultkop is van het rasechte, provocerende soort, en dat ik er maar beter niet meer tegenin moet gaan. Bij het afrekenen geeft de caissière me een blik van verstandhouding.

Buiten, als ik het slot van mijn fiets haal, hoor ik een vrouw naast me zeggen: “Jullie hadden daar niet zo’n fijn gesprek hè?” Dat heb ik maar beaamd: “Een vriend van me is er bijna aan kapot gegaan, iedereen die nou nog geen anderhalve meter afstand houdt, mag wat mij betreft in zijn eigen longetter kreperen.”

Ze vond mijn toelichting wat cru, geloof ik.

Wilde niet wachten tot sloeber met zijn flesjes bier naar buiten kwam en fietste sneller dan anders naar huis toe. De volgende keer maar weer naar de andere supermarkt.


Burgerlijke ongehoorzaamheid in tijden van corona

Gezien in steegje bij de Ebbingebrug:

DSC04320, gemaakt op 15 mei

Fiets op plek waar dat volgens het bordje niet mag, met op de grond een kennelijk bij het afstappen ‘verloren’ mondkapje dat niet meer is opgepakt.


Coronafittie van de dag

Heb vanavond in de supermarkt een jongen van een jaar of 13, 14 de huid vol zitten kafferen.

Hij stond opzij van onze rij voor de kassa en ik vroeg hem goedmoedig of hij misschien achter bij mij wilde aansluiten, wat hij inderdaad graag wilde, zodat ik een paar stappen opzij voor hem deed om hem de ruimte te geven. Daar stond hij dan achter me, uiteraard met zijn kar tussen ons in.

Het schoot gelukkig op, dit keer. Sta ik bij de kassa af te rekenen, blijkt dat hij op nog geen halve meter van me af staat. Voor het uitpakken van zijn boodschappen was hij namelijk voor zijn kar gaan staan, in plaats van erachter te blijven. Ik heb hem dus naar achteren geblaft: ANDERHALVE METER!!! Dat deed hij heel braaf met een hoogrode kleur op zijn wangen.

Heb er nog even didactisch aan toegevoegd dat ik niet graag kreperen zou door een zultkop.

Tot zover de coronafittie van de dag.

Even wat breder getrokken: ik denk dat als je de Nederlandse bevolking zou vragen om eens aan te geven hoeveel anderhalve meter is, dat dan de helft het niet eens weet. Hun anderhalve meter is in de coronapraktijk vaak nog geen meter. Er gelden heel andere maatstaven natuurlijk als het om bijvoorbeeld grondbezit zou gaan, want dan is die anderhalve meter opeens het dubbele. Dat heeft de rijdende rechter ons wel geleerd.

Er is dus onvoldoende benul van de wenselijke corona-afstand. Je armen helemaal horizontaal uitspreiden, dan heb je die anderhalve meter zo ongeveer, als volwassene, maar dat schijnt voor hele volksstammen nog veel te moeilijk te zijn.

Optreden echter, ho maar, want als je daarom vraagt, krijg je van allerlei gezagsdragers slappe smoesjes te horen dat ze niet voor politieagent willen spelen, en dus de volksgezondheid bevorderende afstand niet willen handhaven. Zoek het maar uit met elkaar.

Ik vermoed dat men vooral bang is om impopulair te worden. Men laat zich nu eenmaal gaarne bekleden met gezag, maar duikt om het hardst weg als het om de bijbehorende, veel minder plezierige zaken gaat.


Hersensurrogaat

Bij het doen van boodschappen herinnerde ik me opeens weer het gevalletje van afgelopen maandagochtend, ook in de supermarkt.

Het was er bepaald niet druk, er stond maar één enkele andere fiets in de rijwielstanders tegen de gevel. Wel was er binnen een heel regiment vakkenvullers bij de schappen aan het werk. Goed, ik pak mijn dingen en omzeil de vakkenvullers, door steeds een andere gang te nemen dan die waarin zij aan het werk zijn. Bij de kassa gekomen zie ik de eigenaar van de andere fiets, een man van in de zestig, afrekenen.

Ik leg mijn spullen op de band en de kassajuffrouw piept ze af. Als het mijn beurt is om te betalen, zie ik dat mijn voorganger nog steeds bij de eindband staat en heel secuur zijn kassabonnetje nakijkt. Zijn boodschappen raakt hij niet aan en liggen nog steeds maximaal uitgespreid over de eindband. Als ik op de gewone plek, rechts van de kassa, het kassabonnetje in ontvangst zou nemen, zou ik in zijn cirkel komen. Dus ik grap tegen de kassajuffrouw dat dat nog wel een jaar gaat duren en gebaar tegen haar dat ik die kassabon graag links van de kassa ontvang.

Goed, ze legt het bonnetje daar glimlachend  neer en ik pak het eveneens glimlachend op om het in mijn jaszak te stoppen. Mijn spullen liggen intussen voortdurend op de eindband vlak naast die van de man. Ik moet om hem heen, maar kan dat niet in de vrij krap bemeten ruimte tussen de eindband en het neerhangende anticorona gordijn van doorzichtig plastic,  tenminste niet als ik niet in zijn anderhalvemetercirkel wil komen. Dus ik wacht en kijk het nog even aan.

Achter me ontstaat op dat moment een kleine file. De man voor me echter, doet of hij niets in de gaten heeft en kijkt bedragje voor bedragje op het bonnetje na, tergend langzaam, met zijn vinger langs de bedragen. Zijn spullen liggen intussen nog steeds maximaal uitgespreid op die eindband, naast die van mij.

Eindelijk verlies ik mijn geduld en ga er zo wijd mogelijk om hem heen, waarbij ik mopper dat het coronatijd is, dat er mensen op hem staan te wachten en dat hij best wel wat meer haast mag maken. Op dat moment gaat hij net bezig met het uitvouwen van een uiterst zorgvuldig opgevouwen tweedehands plastic tas voor het eindelijk maar dan toch opbergen van zijn boodschappen. “Sorry”, zegt hij, “ik kan niet sneller”. Dat is baarlijke nonsens, want hij had dat bonnetje ook wel op een andere plek in de winkel of thuis kunnen narekenen, en hoefde dat niet perse bij de kassa te doen waar anderen met smart op hem staan te wachten. Het gemier bij een kassa om een eventueel teveel betaald dubbeltje vind ik überhaupt al niet zo sympathiek als anderen daarop moeten wachten. Maar ik slik mijn antwoord in en prop mijn boodschappen als de wiedeweerga in mijn tas om van hem af te zijn.

Sommige mensen, zo is mijn conclusie als ik mijn fiets van het slot afhaal, hebben na een dikke maand ‘intelligent lockdown’ nog steeds niet door wat er rondwaart in de wereld waarin we nu leven. Zich aanpassen – ho maar.

Vooruit, ik zal me van mijn beste kant laten zien. Zultkoppen zal ik ze heus niet meer noemen, maar er zit wel hersensurrogaat op de plek waar bij normale mensen een brein zit.


Kibbeling en corona

Munnikevaart DSC03679

Tevoren had ik al bedacht: ik zou wel een gebakken visje lusten. Maar ik koos voor de kortste route naar het Hoendiep en kwam zodoende niet door Hoogkerk met zijn twee viskramen.

Het plan was eigenlijk om naar Lutjegast te gaan. Bij de Oostwolmerdraai echter, wakkerde de wind in mijn rug zo aan, dat ik bij voorbaat de tegenwind op de terugreis ging vrezen. Dus gooide ik mijn plan om en nam een kortere route: linksaf naar Oostwold. Om daar te belanden bij de Munnikevaart, volgens een bijgeplaatst straatnaambordje “de mooiste straat van Oostwold”.

Terwijl ik richting snelweg fietste, zag ik bij de laatste woning dezelfde viswagen staan die op donderdagen in Hoogkerk rondrijdt. Er stond één wachtende klant bij. Ik parkeerde mijn fiets enkele meters achter hem en hoefde niet lang te wachten. Helaas, de tong was uitverkocht en een lekkerbekje had de visboer ook niet meer. Dan maar kibbeling, iets wat ik normaal nooit neem. “Hier opeten”, zei ik, iets wat ik anders ik nooit doe.

Terwijl de visboer me over zijn counter het bakje kibbeling met saus toeschoof en ik pinde om af te rekenen, kwam er een volgende klant enkele meters schuin achter me staan. Ik trok me terug naar mijn fiets en begon er aan mijn portie kibbeling. Op dat moment arriveerde er nog een man, de bewoner van het huis waarbij de viskar stond. Het bleek een buurman van de eerste klant na mij. Ze knoopten een gesprek aan. Ze hadden elkaar een hele poos niet gezien, zo bleek, en dat kwam doordat de laatst aangekomene in het ziekenhuis had gelegen. Met corona, verklaarde hij. Maar hij was lang niet de ergste patiënt in het ziekenhuis geweest en had er ook niet zo lang gelegen – hij was nu alweer zo’n veertien dagen thuis.

Zodra ik het woord corona hoorde, was ik natuurlijk een en al oor. Maar ik ging me ook wat zorgen maken. De met goed gevolg ontslagen coronalijder stond weliswaar een meter of 3 à 4 van me af, maar de nog steeds aanwakkerende noordoostenwind woei precies vanaf zijn positie mijn richting uit! En de man praatte ook nog aan de harde kant met zijn buurman. Het zou me niet verbazen als er virusdruppeltjes mijn kant op vlogen.

Tegelijkertijd hield ik er rekening mee dat het een grap was. Dat de beide buurmannen mij, de vreemdeling in hun contreien, met hun coronapraatjes op stang probeerden te jagen. In elk geval slaagde ik in het onderdrukken van mijn neiging om te vluchten. Vluchten ging ook moeilijk met een fiets en een open bakje kibbeling plus saus. En dus zette ik mijn meest doodgemoedereerde gezicht op, probeerde me te concentreren op mijn eten èn tegelijkertijd het gesprek te volgen, maar durfde toch ook weer niet hun gezichten op te nemen om te peilen of ze me misschien een streek leverden. Ik heb zelfs nog mijn handen met gel schoongemaakt bij de viswagen, voordat ik er vandoor ging.

Terug in Hoogkerk bezocht ik nog even de supermarkt en ontmoette weer buiten P., een oude kennis van café ’t Gesticht. Hem wat lacherig het verhaal van de Munnikevaart gedaan. P. was verontwaardigd en vond het absoluut niet kunnen van die man in Oostwold. En al helemaal niet als het een grap was.

Weer thuis kijk ik dadelijk na hoe lang corona besmettelijk kan blijven als er ogenschijnlijk geen symptomen meer zijn. Zo’n acht dagen. Pfieuw, ik ben ontsnapt.

Even afkloppen. Mocht me over een dag of wat toch iets mankeren, weet dan waar het vandaan komt.

Eh, is er misschien een notaris in de zaal?


De doodsverachtende risicogroep

Gistermiddag om een uur of drie, half vier. Ik sta in een smal stuk berm van de Haarveensedijk tussen Fox- en Leutingewolde om een foto te maken. Ik wacht even, want er komt een bejaard echtpaar aanfietsen. Zoals gebruikelijk rijden ze naast elkaar, met de man aan de gevaarlijke binnenkant van de weg en de vrouw aan de buitenkant, bij mijn berm dus. Hoewel er verder van voor noch achter verkeer aankomt en er méér dan voldoende ruimte is om de aanbevolen anderhalve meter afstand te nemen, wijkt de ongeveer tachtig jaar oude heer niet van zijn lijn, en gaat evenmin voor of achter zijn vrouw fietsen, waarmee hij zijn vrouw dwingt om mij op nog geen halve meter afstand te passeren. Ik kan niet terugdeinzen, want dan lig ik in de sloot en roep: “Hela, graag afstand houden”. De oude heer roept over zijn schouder terug: “Ik lig ’s nachts op 60 centimeter afstand van haar in bed hoor”. Hij past mijn boodschap dus toe op de echtelijke sponde van hem en zijn vrouw, waar die 60 centimeter wel genoeg zou zijn, en heeft helemaal niet in de gaten hoe dicht zijn vrouw, door zijn toedoen, langs mij scheerde.

Omwille van zulke lui hebben we onze economie dus op een laag pitje gezet. Als we de boel straks weer opstarten, kunnen dergelijke “ondernemende” bejaarden dan verplicht worden binnen te blijven op straffe van een fikse boete? Ze horen weliswaar tot de belangrijkste risicogroep, maar hebben het niet begrepen, willen het niet begrijpen en zullen het niet begrijpen ook, en zorgen daarmee voor een onnodig aantal corona-slachtoffers.


“Hou je bek!” Of – eerbied voor grijze haren is er niet meer bij, nu ik ze zelf heb.

Naar schatting is hij een jaar of dertien, veertien. Hij heeft in elk geval de baard nog niet in de keel en zit nog op de grootste maat kinderfiets.

Al eens eerder doemde hij ’s morgens op de Ruskenveensebrug plotseling vlak naast me op en dwingt me dan opzij. Kennelijk heel leergierig, met zo’n haast om naar school te komen. Nou is die planken fietsbrug een jaar of wat geleden wel wat breder gemaakt, maar niet zo breed dat fietsers elkaar heel gemakkelijk kunnen passeren: je moet er heel alert zijn, want je zit er zo op elkaar, zelfs als het om een tegenligger gaat die je van ver al ziet aankomen.

Ik schrok me dus niet voor het eerst een hoedje toen die jongen vlak naast me opdook en riep hem, toen hij gepasseerd was, op mijn gemoedelijkst achterna: “Kan je niet even bellen, mienjong?” Zijn antwoord: “Hou je bek!” Hij sprintte uit zicht, maar toen ik hem nog toeriep dat hij er de volgende keer niet zo gemakkelijk langs zou komen, was dat nog eens het antwoord: “Hou je bek!”

Eerbied voor grijze haren is er niet meer bij, nu ik ze zelf heb. “Hou je bek!” Zou zijn vader misschien een van die wielrenners zijn, die me een keer op het Hoendiep schreeuwend inhaalde en me hetzelfde toevoegde toen ik hem vroeg of hij niet eens een fietsbel kon nemen?

Of nee, ik denk niet dat dit joch een opvoedende vader heeft. Die zou hem dat wel afleren, toch? Volgens mij is dit eerder een zoontje van een alleenstaande moeder die zulks regelmatig mag horen als meneer iets niet zint. En die dat dan steeds over haar kant moet laten gaan, de arme vrouw.


Nieuwsgierigheid ontmoedigd met een alibi voor gemakzucht

“Voor verhalen over Groninger oorlogsslachtoffers hoef je niet meer naar het archief”, kopte rtv Noord gister. Met in de lead de boodschap dat je voor informatie over oorlogsslachtoffers “niet meer naar de archieven hoeft”, omdat “alle informatie” nu op een NIOD-website te vinden is. “Niet meer naar het archief”, wrijft een tussenkop het nog even in.

De kop, de lead en de tussenkop markeren een bericht van rtv Noord verslaggever Reinder Smit, een historicus. In dat bericht laat hij de NIOD-projectleider van de oorlogsslachtofferswebsite aan het woord, een ict-er die ter promotie van die website erop wijst dat je vroeger voor haar info langs allerlei archieven en websites moest.
Onduidelijk is of haar uitlatingen de kop, de lead en de algehele teneur van het rtv Noordbericht rechtvaardigen. Voor de illustratie is een verzetskaart uit de Groninger Archieven gebruikt, dat dan wel weer wel. Blijkbaar zijn de archieven nog niet helemaal quantité négligeable.

Dan de oorlogsslachtofferswebsite zelf. Die heb ik net eens doorgelicht op wat namen uit mijn kwartierstaat: Perton, Vondeling, Tuin en Lindeman. Het resultaat: werkelijk alles had ik al eens gezien bij oudere websites, het is nu alleen maar bij elkaar geveegd. Alleen de biografietjes lijken iets toe te voegen. In die van Jan Tuin echter, trof ik een dikke fout aan: de man was in de oorlog geen burgemeester van Groningen, zoals de NIOD-compilator meent: dat werd Tuin jaren later pas. Mijn simpele steekproef wijst uit dat je deze site met evenveel kritische zin moet raadplegen, als een willekeurige Wikipediapagina. Je zou er eigenlijk altijd een andere bron naast moeten houden. En daar ga je dan met je universalistische pretenties.

Dat zo langzamerhand alle informatie op internet staat, zoals Reinder Smit of de rtv Noordredactie schijnt te menen, is een jammerlijke misvatting die we helaas wel meer tegenkomen. Veel genealogen bijvoorbeeld, denken dat alles wat betreft onze provincie wel op Alle Groningers staat. Helaas ontmoedigt deze opvatting nieuwsgierigheid en verschaft ze een alibi voor gemakzucht. Wie erin meegaat, en rondbazuint dat archieven overbodig zijn, doet zichzelf en anderen tekort: alleen al bij de Groninger Archieven ligt er wat betreft de oorlog en tal van andere onderwerpen nog plenty, soms heel heftig materiaal, dat niemand ooit heeft gebruikt.


Dry January

Op Twitter zag ik al mensen beweren dat ze die drooggelegde januari heel best door konden komen met de door hun liefdevol gefotografeerde flessen dry gin, dry sherry en dry Martini.

Mezelf qua drank: vorig jaar heb ik in totaal 4 pilsjes gedronken.

Ik drink dus tegenwoordig heel matig, maar ben een vrij zware drinker geweest. Tussen 1985 en 2005 dronk ik zo’n beetje elke avond drie halve liters Grolsch of een fles witte wijn, wat ik dan vaak nog even in de kroeg om de hoek ging afblussen.

Op den duur konden mijn maag en darmen daar niet meer tegen: de boel liep veel te vlug door, zeg maar. Ik moest kiezen voor mijn gezondheid, daarom ben ik zo matig geworden. Mijn abstinentie is afgedwongen en zeker niet iets om me op voor te laten staan.

Op een personeelsfeestje of bij een redactie-etentje sta ik mezelf nog wel eens een biertje toe, verder niet. Voor geheelonthouders koester ik heimelijk een soort van bewondering.