“We moeten toe naar grote weidevogelreservaten”

Ooievaar bij Leegkerk, 10 augustus 2018.

Egbert Boekema, auteur van Vogels in Groningen (2016), sprak vorig jaar oktober op de Dag van de Groninger Geschiedenis over zijn passie – het waarnemen van vogels – en de historische aspecten daaraan. Vooraf had ik een interview met hem, dat verscheen in het DGG-magazine. Met wat kleine retouches neem ik het hier over.

“Geluk is als je relaxed buiten kunt zijn om vogels te zien, dat is voor mij geluk”, zegt Egbert Boekema. “Bij sport ken je allerlei opwinding – bij verliezen is het waardeloos en bij winnen ben je euforisch, maar hierbij heb je dat dus niet zo.”

Toch gaat het er niet altijd even kalm aan toe bij dat vogelen. Het liefst gaat hij met stormweer naar de waddenkust: “Dan zie je er allerlei trekvogels langskomen. Al weet je op voorhand niet wat je te zien krijgt, dat weet je pas als je er zit.” Zijn favoriete plek is dan het Lauwersmeergebied, al gaat de hele kuststrook tot de Eemshaven ermee door. “Het maakt dan niet uit waar je bent, maar bij de Dollard, voldoet eigenlijk alleen de Breebaartpolder. Verderop zijn de kwelders zo breed, dat je daar gewoon niets ziet; je zit daar veel te ver weg van het wad om waarnemingen te kunnen doen. Bij de Breebaartpolder kan je vogels op maar 20 meter afstand zien.”

Een passie begint vaak vroeg, zo ook bij hem. Hij weet nog hoe hij als kind een ooievaar hoorde klepperen op het postkantoor van Zuidhorn. “Ik was toen een jaar of vijf, denk ik.” Naast die eerste vogelwaarneming herinnert hij zich zijn eerste goede kijker, een Zeiss, begin jaren 70 in Duitsland gekocht van zijn eerst verdiende geld: “Dat ding kostte 680 D-Mark, destijds een behoorlijk bedrag. In Groningen was ik de tweede met zoeen, iemand als Loterijman, de eerste voorzitter van Avifauna, deed het nog met een veel eenvoudiger kijker.”

Het rare is dat Boekema destijds geen biologie ging studeren, maar biochemie. “Ik heb jaren getwijfeld en vroeg na de propedeuse of ik nog bij biologie kon instromen. Maar dan zou ik van alles over moeten doen en zo ben ik nooit echt bioloog geworden. Wel ben ik nu voor mijn beroep veel bezig met planten.”

Hij is hoogleraar elektronenmicroscopie en daarnaast voorzitter van de vogelaarsclub Avifauna. In zijn imposante naslagwerk Vogels in Groningen, staat voorin een foto van zijn metersbrede rij dagboeken met vogelwaarnemingen, bijgehouden sinds 1971. Nog steeds noteert hij iedere ochtend op weg naar zijn werk de vogels die hij hoort. Hij toont een turflijstje met de dagoogst: zwartkop 3, houtduif 2, merel 2, winterkoning 1, tjiftjaf 1. Niet gek voor eind juli.

Gevraagd naar zijn favoriete vogel, noemt hij de lepelaar. “Lepelaars, dat zijn geweldige beesten, hele mooie, sierlijke vogels. Als ze foerageren, zijn ze heel actief.” Qua zang is vooral de merel favoriet: “Heel bijzonder is dat merels op elkaar reageren, dat geeft een bepaalde sfeer op een mooie voorjaarsavond.” Van die merel verbaast het overigens, dat hij pas sinds 1735-1740 in de stad Groningen broedt, terwijl daar nu zo’n 5000 stuks leven. “Ja”, lacht Boekema, “iemand heeft ooit die eerste waarneming genoteerd en die is vervolgens steeds weer overgeschreven. Oorspronkelijk zou de merel een schuwe bosvogel zijn geweest, die zich met de vergroening van de bebouwde kommen heeft aangepast.”

Ook de lepelaar is een succesvolle soort. “Eind jaren 60 was het aantal heel erg teruggelopen, er was toen bijna niets meer. En nu broeden ze op Schier, zitten er soms honderden in het Lauwersmeer en kan je ze ook in het binnenland zien.” Hetzelfde geldt voor de ooievaar. Terwijl er vroeger ooievaarsnesten zaten op het stadhuis van Groningen, kerken te Niehove en Onnen en de school van Hoogkerk, was deze vogel rond 1970 in onze provincie uitgestorven. Dankzij herintroductie maakte de ooievaar een comeback. “Bekend is natuurlijk de Lokkerij bij De Wijk”, zegt Boekema, “maar ook bij Nienoord in Leek is er in de jaren 80 en 90 een buitenstation geweest”.

Naast vooruitgang is er helaas achteruitgang. “De weidevogels”, zo constateert hij, “daar is bijna niets van over. ” Volgens hem ligt het niet alleen aan de intensivering van de landbouw. “Vermoedelijk heeft de grutto het ook in Afrika moeilijk, maar inderdaad hebben de jongen een gevarieerd insecten- en kruidenrijk grasland nodig. De onderzoeksgroep van Theunis Piersma aan de RUG heeft het helemaal uitgezocht.” Hier in Groningen speelt predatie mede een rol. “Onder andere kraaien zijn de boosdoeners. Dat komt ook doordat er veel meer geboomte is, nu. Vroeger was het landschap veel kaler en had je veel minder kraaienesten. Rond 1960 kon je bijvoorbeeld vanaf zwembad De Papiermolen helemaal naar Paterswolde kijken.”

De goedbedoelde pogingen om weidevogels te redden, stranden op versnippering en kleinschaligheid, vindt hij. “Er zijn wel boeren die er wat aan proberen te doen, maar land waar een of twee grutto’s broeden, dat heeft nauwelijks zin. Je moet eigenlijk toe naar grote weidevogelreservaten, niet van 100 maar van 1000 hectare. Daar kan je honderden grutto’s op hebben.”

Advertenties

Droogvallende grachten

De grachten rond Groninger boerderijen dienden oorspronkelijk als bluswatervoorziening, om paarden te wassen en om gespuis op afstand te houden. Vaak zullen ze er niet hebben bijgelegen als op de volgende plaatjes, die vooralsnog echter een uitzonderlijke toestand in beeld brengen.

Zuiderweg, Zuidhorn:

Deze en de overige – Spanjaardsdijk Noord tussen Aduard en Noordhorn:

Hier was de gracht nog niet zo lang geleden uitgediept, waarbij het nog natte slik op de wal werd gedeponeerd:

De boer had zich veel energie of geld kunnen besparen, door dat karwei in deze droge tijd te doen:

Ik heb de hoogtekaart er niet bijgehad, maar vermoedelijk liggen deze boerenerven wat hoger.


Grunneger zòkken, produced by Fryslân

Op de kop getikt bij de Poïesz-buurtsuper, deze fantastische Groninger vlaggesokken, die daar voor de spotprijs van slechts vier luttele roteurootjes in de impulsaankoopbak voor de kassa liggen:

Koen Meijer hoeft niet eens te mopperen dat de vlag verkeerd om hangt. En dat terwijl deze sokken nota bene geproduceerd zijn door een FRIES kledingbedrijf (dat ze liet maken in Turkije):

Nu moet ik nog even erover na gaan denken – en dat bij deze hitte, pffff – of ik ze ook daadwerkelijk aantrek. Voorlopig lijkt de drempel daarvoor nog te hoog. Voor je het weet komt het van kwaad tot erger en loop je er helemaal als een halve gare bij. Misschien moet ik ze maar bewaren voor nood, als alle andere sokken in de was zijn. (“Nee man, moet je niet doen joh, want dan weet gelijk iedereen dat je ze uit nood draagt.”)

Misschien geef ik ze maar weg.

Iemand?


“Deze trein is wegens vertraging opgeheven”

Om 17.34 uur op station Zutphen geen trein naar Zwolle. Er werd ook niets omgeroepen over vertraging.

Tegen 18.00 uur kwam hij eindelijk aankakken. We waren ongeveer halverwege Olst, toen in de trein werd omgeroepen: “Deze trein is wegens vertraging opgeheven”: hij reed niet verder dan Olst. Daar met de hele treininhoud – honderden mensen – op een krap bemeten perron moeten wachten op een vervangende trein. Volgens een autochtone Olstenaar was het daar op het station nog nooit zo druk geweest. Gelukkig bleek er zitplaats voor iedereen in de nieuwe, achteropkomende trein.

In Zwolle nog net de boemel naar Groningen kunnen pakken. Totale vertraging beliep ongeveer een uur. Wel een paar leuke gesprekken gevoerd, onderweg.

Zie net op de foto van het planbord in Zutphen, dat dit al in cursief rode lettertjes aankondigde dat de trein niet verder ging dan Zutphen. En ook dat er een overwegstoring was geweest. Kan gebeuren. Het leed is geleden, we zijn weer thuis.

 


Verkwikt en geschoren in Café De Vriendschap

Deze advertentie uit het Nieuwsblad van het Noorden van 15 februari 1930 kwam vanavond voorbij in een causerie van Sieb Eldering voor de Historische Vereniging Hoogkerk:

Dat het café diende als wachtkamer voor de bus, komt wellicht vreemd voor, evenals de melding dat het bedrijf voorzien is van elektrisch licht (wat toen kennelijk nog bijzonder was). Maar dat het tevens fungeerde als barbierszaak, is helemaal curieus. Hoewel? De VVD wil nu een dergelijke combinatie van neringen weer toestaan. Eigenlijk grijpt de ondernemerspartij daarbij dus terug op een heel oud concept. Niets nieuws onder de zon!

Of het verstandig is dat concept weer uit de motteballen te halen? Van menige caféhouder heet het, dat hij zijn beste klant is, maar tussen een dergelijke taakopvatting en de nevenfunctie lijkt wel enige spanning te bestaan. De vraag dringt zich dan ook op of de bar-bier zijn klanten altijd wel met een even vaste hand schoor.


Diftarontduiker misbruikt blikvanger

Gezien op Hammeland, iets ten oosten van Baflo – iemand vond een manier om de diftar te ontduiken zonder een berm te vervuilen:

Vermoedelijk is de deposant van de vuilniszakken stiekem een beetje trots op zichzelf: hij heeft immers zichzelf en ons allemaal geld bespaard door niet voor de slechtste oplossing te kiezen. Natuurlijk zijn die vangnetten daar niet voor bedoeld, dat weet hij ook wel. Die netten zijn er immers om de energiedrankblikjes, snoepverpakkingen en lachgaspatronen van de voorbijrazende jeugd op te vangen. Dat die netten overal weggehaald moeten worden als iedereen daar zijn vuilniszakken in dumpt? Och, daar heeft hij nog niet over nagedacht. Zover denkt hij niet vooruit.

Het achterliggende idee van alle vuilnisdumpers is natuurlijk, dat de afvoer van hun afval gratis moet zijn. We willen allemaal wel betalen voor de spullen die we in huis halen, maar het moet maar gratis weg. Dat achterliggend idee, zeer wijdverbreid, daar zou eens aan gesleuteld moeten worden.


Lamlendig gewauwel over uiterlijkheden

Het lamlendige gewauwel over de outfit van SP-kamerlid Peter Kwint doet me weer denken aan wijlen mijn oud-tante Annie. Zij zeulde bijna een halve eeuw geleden eens met een koffer door de Groninger Herestraat op weg naar het Hoofdstation. Het ding was overbeladen en loodzwaar – voortdurend moest ze het even neerzetten, om haar uitgerekte armen wat rust te gunnen.

Maar als de nood het hoogst is, zo weet men van oudsher, is de redding nabij: daar kwam uit de tegenovergestelde richting warempel een jongeman die haar grootmoedig zijn belangeloze hulp aanbood. “Hij was werkelijk keurig gekleed”, aldus tante Annie achteraf. Dat had voor haar de doorslag gegeven om deze jongeman te vertrouwen. Ze overhandigde hem dus de koffer, maar in plaats van met haar mee te blijven lopen, sloeg hij plotseling een zijstraat in en verdween razendsnel uit zicht. En toen ze bij de politie aangifte kwam doen, hadden ze daar wat meewarig zitten lachen.

Een keurige verschijning is, kortom, nog geen garantie voor keurig gedrag. Ik heb liever eerlijke achenibbisj dan schone schijn  die een rot gemoed bedekt en durf zelfs de stelling aan, dat er in Nederland oneindig veel meer laaienlichters in keurige pakken rondlopen, dan in shabby kloffies of pluizige slobbertruien. Kijk alleen maar even bij de hogere echelons bij allerlei banken, die nu weer hun gang mogen gaan, tot wij hun tekorten weer aan mogen zuiveren.

Kamerleden zoals mevrouw Arib, die van zo’n bijzaak een hoofdzaak maken, laden de verdenking op zich dat ze hoofdzaken maar bijzaak vinden. De oplichters van deze samenleving, die met onze bagage aan de haal gaan, zijn ze er maar wàt dankbaar voor.